David in de grot van Adullam, Saul laat de priesters van Nob doden
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David in de grot van Adullam
1David ging daarvandaan weg en ontkwam naar de grot van Adullam. Zijn broers en heel het huis van zijn vader hoorden het. Zij kwamen daarheen naar hem toe.
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
דָּוִד֙
(david)
David
מִשָּׁ֔ם
(misham)
vandaar
וַיִּמָּלֵ֖ט
(vayimalet)
en hij ontkwam
אֶל
(el)
naar
מְעָרַ֣ת
(mearat)
de grot van
עֲדֻלָּ֑ם
(adulam)
Adullam
וַיִּשְׁמְע֤וּ
(vayishmeu)
en zij hoorden
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַיֵּרְד֥וּ
(vayeredu)
en zij daalden af
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem
שָֽׁמָּה
(shama)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Adullam ligt in de Sefela, waarschijnlijk bij Tel Adullam (Israël).
Zie ook Joz. 12:15 en 15:35.
Uitleg
De opschriften van Psalm 57 en Psalm 142 noemen een grot waarin David zich verborg.
2Iedereen die in nood zat, iedereen die een schuldeiser had en iedereen die bitter van ziel was, kwam bij hem samen. Hij werd hun aanvoerder. Er waren ongeveer 400 man bij hem.
וַיִּֽתְקַבְּצ֣וּ
(vayitqabetsu)
en zij verzamelden zich
אֵ֠לָיו
(elav)
bij hem
כָּל
(kal)
alle
אִ֨ישׁ
(ish)
man van
מָצ֜וֹק
(matsoq)
nood
וְכָל
(vekhal)
en alle
אִ֨ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֤וֹ
(lo)
hem
נֹשֶׁא֙
(noshe)
een schuldeiser
וְכָל
(vekhal)
en alle
אִ֣ישׁ
(ish)
man
מַר
(mar)
bitter van
נֶ֔פֶשׁ
(nefesh)
ziel
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en hij werd
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
לְשָׂ֑ר
(lesar)
tot aanvoerder
וַיִּהְי֣וּ
(vayihyu)
en zij waren
עִמּ֔וֹ
(imo)
bij hem
כְּאַרְבַּ֥ע
(kearba)
ongeveer vier
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַר נֶפֶשׁ (mar nefesh), ‘bitter van ziel’: mensen die bitter gestemd waren.
נֹשֶׁה (noshe), ‘schuldeiser’: wie een schuldeiser had, zat in schulden.
3David ging van daar naar Mizpe in Moab. Hij zei tegen de koning van Moab: „Laat mijn vader en moeder toch bij u komen, tot ik weet wat Elohim voor mij zal doen.”
וַיֵּ֧לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
דָּוִ֛ד
(david)
David
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
מִצְפֵּ֣ה
(mitspe)
naar Mizpe
מוֹאָ֑ב
(moav)
van Moab
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tegen
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
מוֹאָ֗ב
(moav)
Moab
יֵֽצֵא
(yetse)
laat uitgaan
נָ֞א
(na)
toch
אָבִ֤י
(avi)
mijn vader
וְאִמִּי֙
(veimi)
en mijn moeder
אִתְּכֶ֔ם
(itekhem)
bij u
עַ֚ד
(ad)
totdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אֵדַ֔ע
(eda)
ik weet
מַה
(ma)
wat
יַּֽעֲשֶׂה
(yaase)
hij zal doen
לִּ֖י
(li)
met mij
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Mizpe in Moab (mitspeh Moav), ‘uitkijkpunt van Moab’, is onzeker.
Het lag in het bergland van Moab, ten oosten van de Zoutzee (Jordanië).
Uitleg
David had Moabitische voorouders: Ruth was zijn overgrootmoeder (Ruth 4:17–22).
Dat verklaart misschien waarom hij zijn ouders daarheen brengt.
יֵצֵא (jetse) betekent letterlijk ‘laat uitgaan’: laat hen naar u toe komen.
6Saul hoorde dat David en de mannen die bij hem waren, ontdekt waren. Saul zat in Gibea onder de tamarisk, op de hoogte. Zijn speer had hij in zijn hand. Al zijn dienaren stonden bij hem.
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hij hoorde
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
כִּ֚י
(ki)
dat
נוֹדַ֣ע
(noda)
bekend was geworden
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַאֲנָשִׁ֖ים
(vaanashim)
en de mannen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתּ֑וֹ
(ito)
met hem
וְשָׁאוּל֩
(veshaul)
en Saul
יוֹשֵׁ֨ב
(yoshev)
zat
בַּגִּבְעָ֜ה
(bagiva)
in Gibea
תַּֽחַת
(tachat)
onder
הָאֶ֤שֶׁל
(haeshel)
de tamarisk
בָּֽרָמָה֙
(barama)
op de hoogte
וַחֲנִית֣וֹ
(vachanito)
en zijn speer
בְיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
וְכָל
(vekhal)
en al
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
נִצָּבִ֥ים
(nitsavim)
stonden
עָלָֽיו
(alav)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gibea is het Gibea van Saul, waarschijnlijk Tell el-Ful, ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).
Uitleg
בָּרָמָה (baramah) kan ‘op de hoogte’ of ‘in Rama’ betekenen.
Wij nemen ‘op de hoogte’, omdat Saul in Gibea zat.
7Saul zei tegen zijn dienaren die bij hem stonden: „Luister toch, Benjaminieten. Zal de zoon van Isaï ook aan jullie allemaal akkers en wijngaarden geven? Zal hij jullie allemaal tot aanvoerders over duizend en over honderd maken?
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
לַֽעֲבָדָיו֙
(laavadav)
tegen zijn dienaren
הַנִּצָּבִ֣ים
(hanitsavim)
die stonden
עָלָ֔יו
(alav)
bij hem
שִׁמְעוּ
(shimu)
luister
נָ֖א
(na)
toch
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יְמִינִ֑י
(yemini)
de Benjaminiet
גַּם
(gam)
ook
לְכֻלְּכֶ֗ם
(lekhulekhem)
aan jullie allemaal
יִתֵּ֤ן
(yiten)
zal hij geven
בֶּן
(ben)
de zoon van
יִשַׁי֙
(yishay)
Isaï
שָׂד֣וֹת
(sadot)
akkers
וּכְרָמִ֔ים
(ukheramim)
en wijngaarden
לְכֻלְּכֶ֣ם
(lekhulekhem)
aan jullie allemaal
יָשִׂ֔ים
(yasim)
zal hij maken
שָׂרֵ֥י
(sarei)
oversten van
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
וְשָׂרֵ֥י
(vesarei)
en oversten van
מֵאֽוֹת
(meot)
honderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּנֵי יְמִינִי (bene jemini), ‘zonen van de Benjaminiet’: stamgenoten van Saul, uit Benjamin.
8Want jullie hebben je allemaal tegen mij verbonden. Niemand vertelt mij dat mijn zoon een verbond sluit met de zoon van Isaï. Niemand van jullie is bezorgd om mij. Niemand vertelt mij dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft opgezet, om mij te overvallen, zoals het nu gaat.”
כִּי֩
(ki)
want
קְשַׁרְתֶּ֨ם
(qeshartem)
jullie hebben samengespannen
כֻּלְּכֶ֜ם
(kulekhem)
jullie allemaal
עָלַ֗י
(alay)
tegen mij
וְאֵין
(veein)
en niemand is er
גֹּלֶ֤ה
(gole)
die onthult
אֶת
(et)
(obj.)
אָזְנִי֙
(azeni)
mijn oor
בִּכְרָת
(bikhrat)
bij het sluiten van een verbond door
בְּנִ֣י
(beni)
mijn zoon
עִם
(im)
met
בֶּן
(ben)
de zoon van
יִשַׁ֔י
(yishay)
Isaï
וְאֵין
(veein)
en niemand is er
חֹלֶ֥ה
(chole)
die bezorgd is
מִכֶּ֛ם
(mikem)
van jullie
עָלַ֖י
(alay)
om mij
וְגֹלֶ֣ה
(vegole)
en die onthult
אֶת
(et)
(obj.)
אָזְנִ֑י
(azeni)
mijn oor
כִּ֣י
(ki)
dat
הֵקִים֩
(heqim)
heeft opgezet
בְּנִ֨י
(beni)
mijn zoon
אֶת
(et)
(obj.)
עַבְדִּ֥י
(avdi)
mijn dienaar
עָלַ֛י
(alay)
tegen mij
לְאֹרֵ֖ב
(leorev)
om te loeren
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Met ‘mijn zoon’ bedoelt Saul Jonatan, met ‘mijn dienaar’ David.
9Doëg, de Edomiet, stond bij de dienaren van Saul. Hij antwoordde: „Ik heb de zoon van Isaï gezien. Hij kwam naar Nob, naar Achimelech, de zoon van Achitub.
וַיַּ֜עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
דֹּאֵ֣ג
(doeg)
Doëg
הָאֲדֹמִ֗י
(haadomi)
de Edomiet
וְה֛וּא
(vehu)
en hij
נִצָּ֥ב
(nitsav)
stond
עַל
(al)
bij
עַבְדֵֽי
(avdei)
de dienaren van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
רָאִ֨יתִי֙
(raiti)
ik heb gezien
אֶת
(et)
(obj.)
בֶּן
(ben)
de zoon van
יִשַׁ֔י
(yishay)
Isaï
בָּ֣א
(ba)
komend
נֹ֔בֶה
(nove)
naar Nob
אֶל
(el)
naar
אֲחִימֶ֖לֶךְ
(achimelekh)
Achimelech
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֲחִטֽוּב
(achituv)
Achitub
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Nob (ligging onzeker): Nob, de stad van de priesters, lag vermoedelijk op de bergrug ten noordoosten van Jeruzalem (Scopusberg).
11De koning liet de priester Achimelech roepen, de zoon van Achitub. Ook liet hij heel het huis van zijn vader roepen, de priesters die in Nob waren. Zij kwamen allemaal bij de koning.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en hij zond
הַמֶּ֡לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לִקְרֹא֩
(liqro)
om te roepen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחִימֶ֨לֶךְ
(achimelekh)
Achimelech
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֲחִיט֜וּב
(achituv)
Achitub
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אָבִ֛יו
(aviv)
zijn vader
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּנֹ֑ב
(benov)
in Nob
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
כֻלָּ֖ם
(kulam)
allen
אֶל
(el)
naar
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Nob (ligging onzeker): Nob, de stad van de priesters, lag vermoedelijk op de bergrug ten noordoosten van Jeruzalem (Scopusberg).
13Saul zei tegen hem: „Waarom hebben jij en de zoon van Isaï zich tegen mij verbonden? Jij hebt hem brood en een zwaard gegeven en Elohim voor hem geraadpleegd. Nu staat hij tegen mij op, om mij te overvallen, zoals het nu gaat.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tegen hem
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
לָ֚מָּה
(lama)
waarom
קְשַׁרְתֶּ֣ם
(qeshartem)
jullie hebben samengespannen
עָלַ֔י
(alay)
tegen mij
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
וּבֶן
(uven)
en de zoon van
יִשָׁ֑י
(yishay)
Isaï
בְּתִתְּךָ֨
(betitekha)
doordat jij gaf
ל֜וֹ
(lo)
hem
לֶ֣חֶם
(lechem)
brood
וְחֶ֗רֶב
(vecherev)
en zwaard
וְשָׁא֥וֹל
(veshaol)
en raadplegen
לוֹ֙
(lo)
voor hem
בֵּֽאלֹהִ֔ים
(bElohim)
bij Elohim
לָק֥וּם
(laqum)
om op te staan
אֵלַ֛י
(elay)
tegen mij
לְאֹרֵ֖ב
(leorev)
om te loeren
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Achimelech antwoordde de koning: „Wie van al uw dienaren is zo trouw als David? Hij is de schoonzoon van de koning. Hij staat tot uw beschikking en wordt geëerd in uw huis.
וַיַּ֧עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
אֲחִימֶ֛לֶךְ
(achimelekh)
Achimelech
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
וּמִ֤י
(umi)
en wie
בְכָל
(bekhal)
onder al
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
uw dienaren
כְּדָוִ֣ד
(kedavid)
zoals David
נֶאֱמָ֔ן
(neeman)
trouw
וַחֲתַ֥ן
(vachatan)
en schoonzoon van
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְסָ֥ר
(vesar)
en hij wijkt
אֶל
(el)
naar
מִשְׁמַעְתֶּ֖ךָ
(mishmatekha)
uw gehoor
וְנִכְבָּ֥ד
(venikhbad)
en geëerd
בְּבֵיתֶֽךָ
(beveitekha)
in uw huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
וְסָר אֶל־מִשְׁמַעְתֶּךָ (vesar el mishma'techa) is moeilijk.
Letterlijk ‘en hij wijkt naar uw gehoor’.
Wij vertalen: hij staat tot uw beschikking, hij hoort bij uw gezelschap.
15Is het vandaag voor het eerst dat ik Elohim voor hem raadpleeg? Dat nooit! Laat de koning geen schuld leggen op zijn dienaar, noch op heel het huis van mijn vader. Want uw dienaar weet van dit alles niets, niets, groot of klein.”
הַיּ֧וֹם
(hayom)
de dag
הַחִלֹּ֛תִי
(hachiloti)
ik ben begonnen
לִשְׁאָל
(lishal)
om te raadplegen
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
בֵאלֹהִ֖ים
(bElohim)
bij Elohim
חָלִ֣ילָה
(chalila)
ver zij het
לִּ֑י
(li)
van mij
אַל
(al)
niet
יָשֵׂם֩
(yasem)
laat leggen
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּעַבְדּ֤וֹ
(beavdo)
op zijn dienaar
דָבָר֙
(davar)
een zaak
בְּכָל
(bekhal)
op heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
כִּ֠י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
יָדַ֤ע
(yada)
weet
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
uw dienaar
בְּכָל
(bekhal)
van heel
זֹ֔את
(zot)
dit
דָּבָ֥ר
(davar)
zaak
קָטֹ֖ן
(qaton)
klein
א֥וֹ
(o)
of
גָדֽוֹל
(gadol)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Wij lezen de eerste zin als een vraag: het raadplegen van Elohim voor David was voor Achimelech niets nieuws.
17De koning zei tegen de lijfwachten die bij hem stonden: „Draai je om en dood de priesters van Yahweh. Want ook hun hand is met David. Zij wisten dat hij vluchtte en hebben het mij niet verteld.” Maar de dienaren van de koning wilden hun hand niet uitsteken om de priesters van Yahweh neer te slaan.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַמֶּ֡לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לָרָצִים֩
(laratsim)
tegen de lopers
הַנִּצָּבִ֨ים
(hanitsavim)
die stonden
עָלָ֜יו
(alav)
bij hem
סֹ֥בּוּ
(sobu)
draai je om
וְהָמִ֣יתוּ
(vehamitu)
en dood
כֹּהֲנֵ֣י
(kohanei)
priesters van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֤י
(ki)
want
גַם
(gam)
ook
יָדָם֙
(yadam)
hun hand
עִם
(im)
met
דָּוִ֔ד
(david)
David
וְכִ֤י
(vekhi)
en omdat
יָֽדְעוּ֙
(yadeu)
zij wisten
כִּֽי
(ki)
dat
בֹרֵ֣חַ
(boreach)
hij vluchtte
ה֔וּא
(hu)
hij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
גָל֖וּ
(galu)
zij onthulden
אֶת
(et)
(obj.)
אָזְנִ֑י
(azeni)
mijn oor
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָב֞וּ
(avu)
wilden
עַבְדֵ֤י
(avdei)
dienaren van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
לִשְׁלֹ֣חַ
(lishloach)
om uit te steken
אֶת
(et)
(obj.)
יָדָ֔ם
(yadam)
hun hand
לִפְגֹ֖עַ
(lifgoa)
om neer te slaan
בְּכֹהֲנֵ֥י
(bekhohanei)
de priesters van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָצִים (ratsim), ‘lopers’: de lijfwachten van de koning (zie ook 1 Sam. 8:11).
Lezing
Het geschreven woord heeft ‘zijn oor’ (ketiv); gelezen wordt ‘mijn oor’ (qere).
18De koning zei tegen Doëg: „Draai jij je om en sla de priesters neer.” Doëg, de Edomiet, draaide zich om en sloeg zelf de priesters neer. Op die dag doodde hij 85 man die een linnen efod droegen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
לְדוֹאֵ֔ג
(ledoeg)
tegen Doëg
סֹ֣ב
(sov)
draai je om
אַתָּ֔ה
(ata)
jij
וּפְגַ֖ע
(ufega)
en sla neer
בַּכֹּהֲנִ֑ים
(bakohanim)
de priesters
וַיִּסֹּ֞ב
(vayisov)
en hij draaide zich om
דּוֹאֵ֣ג
(doeg)
Doëg
הָאֲדֹמִ֗י
(haadomi)
de Edomiet
וַיִּפְגַּע
(vayifga)
en hij sloeg neer
הוּא֙
(hu)
hij
בַּכֹּ֣הֲנִ֔ים
(bakohanim)
de priesters
וַיָּ֣מֶת
(vayamet)
en hij doodde
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
שְׁמֹנִ֤ים
(shemonim)
tachtig
וַחֲמִשָּׁה֙
(vachamisha)
en vijf
אִ֔ישׁ
(ish)
man
נֹשֵׂ֖א
(nose)
dragend
אֵפ֥וֹד
(efod)
een efod
בָּֽד
(bad)
van linnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֵפוֹד בָּד (efod bad): een linnen efod, het eenvoudige priesterkleed (1 Sam. 2:18).
Lezing
Het getal 85 staat zo in de Masoretische tekst.
De naam Doëg wordt geschreven als דויג en gelezen als דּוֹאֵג; het is dezelfde man.
19Ook Nob, de stad van de priesters, sloeg hij met de scherpte van het zwaard. Hij sloeg man en vrouw, kind en zuigeling, stier, ezel en schaap met de scherpte van het zwaard.
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
נֹ֤ב
(nov)
Nob
עִיר
(ir)
stad van
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
הִכָּ֣ה
(hika)
hij sloeg
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֔רֶב
(cherev)
het zwaard
מֵאִישׁ֙
(meish)
van man
וְעַד
(vead)
tot
אִשָּׁ֔ה
(isha)
vrouw
מֵעוֹלֵ֖ל
(meolel)
van kind
וְעַד
(vead)
tot
יוֹנֵ֑ק
(yoneq)
zuigeling
וְשׁ֧וֹר
(veshor)
en stier
וַחֲמ֛וֹר
(vachamor)
en ezel
וָשֶׂ֖ה
(vase)
en schaap
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָֽרֶב
(charev)
zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Nob (ligging onzeker): Nob, de stad van de priesters, lag vermoedelijk op de bergrug ten noordoosten van Jeruzalem (Scopusberg).
Dit is niet zeker.
Uitleg
Wat hier gebeurt, lijkt op de ban van Deut. 13:16–17 en 1 Sam. 15, maar dan tegen priesters van Yahweh.
In 1 Sam. 15 had Saul de ban over Amalek niet uitgevoerd.
Het woord over het huis van Eli staat in 1 Sam. 2:31–36; zie ook 1 Kon. 2:27.
21Abjatar vertelde David dat Saul de priesters van Yahweh had gedood.
וַיַּגֵּ֥ד
(vayaged)
en hij vertelde
אֶבְיָתָ֖ר
(evyatar)
Abjatar
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
aan David
כִּ֚י
(ki)
dat
הָרַ֣ג
(harag)
had gedood
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כֹּהֲנֵ֥י
(kohanei)
priesters van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22David zei tegen Abjatar: „Ik wist op die dag al, toen Doëg, de Edomiet, daar was, dat hij het zeker aan Saul zou vertellen. Ik ben de oorzaak van de dood van alle personen uit het huis van je vader.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
לְאֶבְיָתָ֗ר
(leevyatar)
tegen Abjatar
יָדַ֜עְתִּי
(yadati)
ik wist
בַּיּ֤וֹם
(bayom)
op dag
הַהוּא֙
(hahu)
die
כִּֽי
(ki)
dat
שָׁם֙
(sham)
daar
דּוֹאֵ֣ג
(doeg)
Doëg
הָאֲדֹמִ֔י
(haadomi)
de Edomiet
כִּֽי
(ki)
dat
הַגֵּ֥ד
(haged)
vertellen
יַגִּ֖יד
(yagid)
hij zal vertellen
לְשָׁא֑וּל
(leshaul)
aan Saul
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
סַבֹּ֔תִי
(saboti)
ik ben de oorzaak
בְּכָל
(bekhal)
van elke
נֶ֖פֶשׁ
(nefesh)
persoon van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אָבִֽיךָ
(avikha)
je vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סַבֹּתִי (sabboti), letterlijk ‘ik heb omgedraaid’: wij hebben de weg gewezen naar, ik ben de oorzaak van.
נֶפֶשׁ (nefesh) is hier ‘persoon’, iemand met leven.