Woorden over de koningen van Juda: Sjallum, Jojakim en Jojachin
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Doe recht, anders wordt dit huis een ruïne
1Zo zegt Yahweh: „Ga naar beneden, naar het huis van de koning van Juda, en spreek daar dit woord.
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
רֵ֖ד
(red)
ga naar beneden
בֵּֽית
(beit)
huis van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וְדִבַּרְתָּ֣
(vedibarta)
en spreek
שָׁ֔ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֵּית מֶלֶךְ יְהוּדָה (beit melekh Yehudah), ‘het huis van de koning van Juda’: het koninklijk paleis in Jeruzalem.
Jeremia moet er heen om de koning rechtstreeks aan te spreken.
De aanhef ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart. Wat Yahweh daarna zegt tot Jeremia en wat Jeremia in Zijn naam aan de koning moet zeggen, staat rood. Ook de formule ‘Zo zegt Yahweh’ in vers 3 en 6 staat rood, omdat ze midden in Zijn woorden staat.
2Zeg: Hoor het woord van Yahweh, koning van Juda, die op de troon van David zit. Hoor het, jij, je dienaren en je volk, die door deze poorten binnenkomen.
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en zeg
שְׁמַ֣ע
(shema)
hoor
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
הַיֹּשֵׁ֖ב
(hayoshev)
die zit
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֣א
(kise)
troon van
דָוִ֑ד
(david)
David
אַתָּ֤ה
(ata)
jij
וַעֲבָדֶ֨יךָ֙
(vaavadeikha)
en je dienaren
וְעַמְּךָ֔
(veamekha)
en je volk
הַבָּאִ֖ים
(habaim)
die binnenkomen
בַּשְּׁעָרִ֥ים
(bashearim)
door poorten
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Zo zegt Yahweh: Doe recht en gerechtigheid. Bevrijd de beroofde uit de hand van de onderdrukker. Onderdruk de vreemdeling, de wees en de weduwe niet. Doe geen geweld. Vergiet geen onschuldig bloed op deze plaats.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲשׂ֤וּ
(asu)
doe
מִשְׁפָּט֙
(mishpat)
recht
וּצְדָקָ֔ה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
וְהַצִּ֥ילוּ
(vehatsilu)
en bevrijd
גָז֖וּל
(gazul)
beroofde
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
עָשׁ֑וֹק
(ashoq)
onderdrukker
וְגֵר֩
(veger)
en de vreemdeling
יָת֨וֹם
(yatom)
wees
וְאַלְמָנָ֤ה
(vealmana)
en weduwe
אַל
(al)
niet
תֹּנוּ֙
(tonu)
onderdruk
אַל
(al)
niet
תַּחְמֹ֔סוּ
(tachmosu)
doe geweld
וְדָ֣ם
(vedam)
en bloed
נָקִ֔י
(naqi)
onschuldig
אַֽל
(al)
niet
תִּשְׁפְּכ֖וּ
(tishpekhu)
vergiet
בַּמָּק֥וֹם
(bamaqom)
op plaats
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וגר יתום ואלמנה (vegér yatom ve’almanah), ‘de vreemdeling, de wees en de weduwe’: de drie groepen mensen zonder beschermer.
Hun recht staat centraal in Deut. 24:17–21.
ודם נקי (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: het bloed van mensen die niet schuldig zijn aan een misdaad. Zie Deut. 19:10 en Jer. 7:6.
4Want als jullie dit woord werkelijk doen, dan zullen koningen die voor David op zijn troon zitten, door de poorten van dit huis binnenkomen. Zij rijden in wagens en op paarden: hij, zijn dienaren en zijn volk.
כִּ֤י
(ki)
want
אִם
(im)
als
עָשׂוֹ֙
(aso)
doen
תַּֽעֲשׂ֔וּ
(taasu)
zullen jullie doen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וּבָ֣אוּ
(uvau)
dan zullen binnenkomen
בְשַׁעֲרֵ֣י
(beshaarei)
door de poorten van
הַבַּ֣יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּ֡ה
(haze)
dit
מְלָכִים֩
(melakhim)
koningen
יֹשְׁבִ֨ים
(yoshevim)
die zitten
לְדָוִ֜ד
(ledavid)
voor David
עַל
(al)
op
כִּסְא֗וֹ
(kiso)
zijn troon
רֹֽכְבִים֙
(rokhevim)
rijdend
בָּרֶ֣כֶב
(barekhev)
in wagens
וּבַסּוּסִ֔ים
(uvasusim)
en op paarden
ה֥וּא
(hu)
hij
וַעֲבָדָ֖יו
(vaavadav)
en zijn dienaren
וְעַמּֽוֹ
(veamo)
en zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לדוד על כסאו (leDavid al kis’o), ‘voor David op zijn troon’: koningen uit het huis van David, die zijn troon bezetten.
Dit is de belofte van 2 Sam. 7:16 als het volk gehoorzaamt.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וַעֲבָדָיו (va’avadav), ‘en zijn dienaren’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft het enkelvoud, ‘en zijn dienaar’.
6Want zo zegt Yahweh over het huis van de koning van Juda: Gilead ben je voor Mij, de top van de Libanon. Toch zal Ik je zeker tot een woestijn maken, tot steden zonder bewoners.
כִּֽי
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
בֵּית֙
(beit)
huis van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
גִּלְעָ֥ד
(gilad)
Gilead
אַתָּ֛ה
(ata)
jij
לִ֖י
(li)
voor Mij
רֹ֣אשׁ
(rosh)
top van
הַלְּבָנ֑וֹן
(halevanon)
de Libanon
אִם
(im)
zeker
לֹ֤א
(lo)
niet
אֲשִֽׁיתְךָ֙
(ashitekha)
zal Ik je maken
מִדְבָּ֔ר
(midbar)
tot woestijn
עָרִ֖ים
(arim)
steden
לֹ֥א
(lo)
niet
נוֹשָֽׁבוּ
(noshavu)
bewoond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גלעד אתה לי ראשׁ הלבנון (Gil’ad attah li rosh haLevanon), ‘Gilead ben je voor Mij, de top van de Libanon’: Gilead en de Libanon zijn bergachtige, bosrijke streken.
Het paleis is voor Yahweh even kostbaar en indrukwekkend.
In 1 Kon. 7:2 heet een deel van Salomo’s paleis ‘het Libanonwoud-huis’.
אם לא (im lo), ‘als niet’: een eedformule. Wij vertalen ‘zeker’.
10Huil niet om de dode en rouw niet om hem. Huil, huil om wie weggaat, want hij zal niet meer terugkeren. Hij zal het land van zijn geboorte niet meer zien.
אַל
(al)
niet
תִּבְכּ֣וּ
(tivku)
huil
לְמֵ֔ת
(lemet)
om de dode
וְאַל
(veal)
en niet
תָּנֻ֖דוּ
(tanudu)
rouw
ל֑וֹ
(lo)
om hem
בְּכ֤וּ
(bekhu)
huil
בָכוֹ֙
(bakho)
huil
לַֽהֹלֵ֔ךְ
(laholekh)
om wie weggaat
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
יָשׁוּב֙
(yashuv)
zal hij terugkeren
ע֔וֹד
(od)
meer
וְרָאָ֖ה
(veraa)
en zien
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מוֹלַדְתּֽוֹ
(moladto)
zijn geboorte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ואל תנדו לו (ve’al tanudu lo), ‘en rouw niet om hem’: het werkwoord נוּד (nud) betekent ‘het hoofd schudden’ of ‘medeleven tonen’.
De man die weggaat, wordt in vers 11 genoemd.
Dit vers is een oproep zonder aanhef van Yahweh. Wij nemen het als woorden van de profeet en zetten het zwart. De woorden van Yahweh in vers 11–12 staan rood.
11Want zo zegt Yahweh over Sjallum, de zoon van Josia, de koning van Juda. Hij werd koning in plaats van zijn vader Josia en is uit deze plaats weggegaan: „Hij zal daar niet meer terugkeren.
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָֽמַר
(amar)
zegt
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
שַׁלֻּ֨ם
(shalum)
Sjallum
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֜הוּ
(yoshiyahu)
Josia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
הַמֹּלֵךְ֙
(hamolekh)
die koning werd
תַּ֚חַת
(tachat)
in plaats van
יֹאשִׁיָּ֣הוּ
(yoshiyahu)
Josia
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָצָ֖א
(yatsa)
is weggegaan
מִן
(min)
uit
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
לֹֽא
(lo)
niet
יָשׁ֥וּב
(yashuv)
zal hij terugkeren
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁלם (Shallum), ‘Sjallum’: de naam van Josia’s zoon die na hem koning werd.
Dit is dezelfde man als Joachaz in 2 Kon. 23:30–34.
Hij regeerde drie maanden en Farao Necho voerde hem naar Egypte.
In 1 Kron. 3:15 staat hij ook als Sallum.
מֵהַמָּקוֹם הַזֶּה (min hammaqom hazzeh), ‘uit deze plaats’: uit Jeruzalem.
13„Wee wie zijn huis bouwt zonder gerechtigheid en zijn bovenzalen zonder recht, die zijn naaste voor niets laat werken en hem zijn loon niet geeft,
ה֣וֹי
(hoy)
wee
בֹּנֶ֤ה
(bone)
wie bouwt
בֵיתוֹ֙
(beito)
zijn huis
בְּֽלֹא
(belo)
zonder
צֶ֔דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
וַעֲלִיּוֹתָ֖יו
(vaaliyotav)
en zijn bovenzalen
בְּלֹ֣א
(belo)
zonder
מִשְׁפָּ֑ט
(mishpat)
recht
בְּרֵעֵ֨הוּ֙
(bereehu)
zijn naaste
יַעֲבֹ֣ד
(yaavod)
laat werken
חִנָּ֔ם
(chinam)
voor niets
וּפֹעֲל֖וֹ
(ufoalo)
en zijn loon
לֹ֥א
(lo)
niet
יִתֶּן
(yiten)
geeft
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוי (hoy), ‘wee’: de roep van een klaagzang of een bedreiging.
ועליותיו (aliyyotav), ‘zijn bovenzalen’: kamers op de verdieping van het paleis.
Het loon van een arbeider moet nog dezelfde dag betaald worden (Lev. 19:13; Deut. 24:14–15).
Vanaf hier tot vers 17 gaat het over Jojakim; zijn naam komt pas in vers 18. Wij laten de verzen rood, omdat Yahweh in vers 16 spreekt (‘Mij kennen’) en het stuk eindigt met ‘godsspraak van Yahweh’.
14die zegt: ‘Ik bouw mij een huis van grote maten, met ruime bovenzalen.’ Hij breekt ramen voor zich open, betimmert het met cederhout en verft het rood.
הָאֹמֵ֗ר
(haomer)
die zegt
אֶבְנֶה
(evne)
ik zal bouwen
לִּי֙
(li)
voor mij
בֵּ֣ית
(beit)
huis
מִדּ֔וֹת
(midot)
van grote maten
וַעֲלִיּ֖וֹת
(vaaliyot)
en bovenzalen
מְרֻוָּחִ֑ים
(meruvachim)
ruime
וְקָ֤רַֽע
(veqara)
en hij breekt open
לוֹ֙
(lo)
voor zich
חַלּוֹנָ֔י
(chalonay)
ramen
וְסָפ֣וּן
(vesafun)
en betimmerd
בָּאָ֔רֶז
(baarez)
met ceder
וּמָשׁ֖וֹחַ
(umashoach)
en geverfd
בַּשָּׁשַֽׁר
(bashashar)
met rode verf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בית מדות (bayit middot), ‘huis van grote maten’: een groot huis.
בשׁשׁר (bashashar), ‘met rode verf’: שָׁשַׁר (shashar) is een rode kleurstof, waarschijnlijk rode oker of menie. Zie ook Ezech. 23:14, waar hetzelfde woord voor ‘rode verf’ staat. De betekenis is niet helemaal zeker.
17Maar je ogen en je hart zijn nergens op gericht dan op je winst. Zij zijn gericht op het vergieten van onschuldig bloed, op onderdrukking en op geweld, om dat te doen.”
כִּ֣י
(ki)
maar
אֵ֤ין
(ein)
geen
עֵינֶ֨יךָ֙
(eineikha)
je ogen
וְלִבְּךָ֔
(velibekha)
en je hart
כִּ֖י
(ki)
dan
אִם
(im)
(behalve)
עַל
(al)
op
בִּצְעֶ֑ךָ
(bitsekha)
je winst
וְעַ֤ל
(veal)
en op
דַּֽם
(dam)
bloed
הַנָּקִי֙
(hanaqi)
onschuldig
לִשְׁפּ֔וֹךְ
(lishpokh)
om te vergieten
וְעַל
(veal)
en op
הָעֹ֥שֶׁק
(haosheq)
de onderdrukking
וְעַל
(veal)
en op
הַמְּרוּצָ֖ה
(hamerutsa)
het geweld
לַעֲשֽׂוֹת
(laasot)
om te doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
המרוצה (hammeritsah), ‘geweld’: van het werkwoord רוּץ (ruts), ‘rennen’.
Het woord komt alleen hier voor.
Het betekent waarschijnlijk ‘gewelddadig optreden’.
De betekenis is niet helemaal zeker.
בֶּצַע (betsa), ‘winst’: gewin dat met oneerlijkheid wordt verkregen.
18Daarom, zo zegt Yahweh over Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda: „Men zal niet om hem rouwen: ‘Ach, mijn broer!’ en ‘Ach, zuster!’ Men zal niet om hem rouwen: ‘Ach, heer!’ en ‘Ach, zijn majesteit!’
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
יְהוֹיָקִ֤ים
(yehoyaqim)
Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֨הוּ֙
(yoshiyahu)
Josia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
לֹא
(lo)
niet
יִסְפְּד֣וּ
(yispedu)
zal men rouwen
ל֔וֹ
(lo)
om hem
ה֥וֹי
(hoy)
ach
אָחִ֖י
(achi)
mijn broer
וְה֣וֹי
(vehoy)
en ach
אָח֑וֹת
(achot)
zuster
לֹא
(lo)
niet
יִסְפְּד֣וּ
(yispedu)
zal men rouwen
ל֔וֹ
(lo)
om hem
ה֥וֹי
(hoy)
ach
אָד֖וֹן
(adon)
heer
וְה֥וֹי
(vehoy)
en ach
הֹדֹֽה
(hodo)
zijn majesteit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוי (hoy), ‘ach’: hetzelfde woord als ‘wee’ in vers 13, hier als kreet van rouw.
הדה (hadah), ‘zijn majesteit’: het woord is verwant aan הוֹד (hod), ‘glans, majesteit’. De klaagroepen voor een koning waren bekend; Jojakim krijgt ze niet.
19Hij zal begraven worden zoals een ezel wordt begraven: weggesleept en weggeworpen, buiten de poorten van Jeruzalem.”
קְבוּרַ֥ת
(qevurat)
begrafenis van
חֲמ֖וֹר
(chamor)
ezel
יִקָּבֵ֑ר
(yiqaver)
zal hij worden begraven
סָח֣וֹב
(sachov)
weggesleept
וְהַשְׁלֵ֔ךְ
(vehashlekh)
en weggeworpen
מֵהָ֖לְאָה
(mehalea)
buiten
לְשַׁעֲרֵ֥י
(leshaarei)
de poorten van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
קבורת חמור יקבר (qevurat chamor yiqqaver), ‘Hij zal begraven worden zoals een ezel wordt begraven’: hij krijgt geen begrafenis, het lijk wordt buiten de stad gesleept en weggegooid.
Zie ook Jer. 36:30.
In 2 Kon. 24:6 staat alleen dat Jojakim ‘bij zijn vaderen ging liggen’.
Wij laten de tekst staan en trekken geen conclusies.
24„Zo waar Ik leef, godsspraak van Yahweh. Ook al was Jojachin, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring aan Mijn rechterhand, toch zou Ik je daar vandaan rukken.
חַי
(chay)
levend
אָנִי֮
(ani)
ben Ik
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֣י
(ki)
ook
אִם
(im)
al
יִהְיֶ֞ה
(yihye)
was
כָּנְיָ֤הוּ
(kaneyahu)
Jojachin
בֶן
(ben)
zoon van
יְהֽוֹיָקִים֙
(yehoyaqim)
Jojakim
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
חוֹתָ֖ם
(chotam)
zegelring
עַל
(al)
aan
יַ֣ד
(yad)
hand
יְמִינִ֑י
(yemini)
Mijn rechter
כִּ֥י
(ki)
toch
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
אֶתְּקֶֽנְךָּ
(eteqenka)
zou Ik je rukken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כניהו (Konyahu), ‘Jojachin’: in de Hebreeuwse tekst staat hier de korte vorm Konjahu.
Het is dezelfde koning als Jojachin in 2 Kon. 24:6.
In Jer. 24:1 heet hij יְכָנְיָהוּ (Yekhonyahu), in Jer. 52:31 יְהוֹיָכִין (Yehoyakhin).
Wij schrijven overal ‘Jojachin’.
Hij was drie maanden koning en werd in 597 voor Christus naar Babel gevoerd (2 Kon. 24:8–15).
חותם (chotam), ‘zegelring’: een ring waarmee een koning zijn brieven verzegelde. Het is het teken van het gezag van de koning. Zie ook Hagg. 2:23.
חי אני (chay ani), ‘zo waar Ik leef’: Yahweh zweert bij Zijn eigen leven. Zie Num. 14:21 en Jes. 49:18.
25Ik lever je over in de hand van wie je leven zoeken en in de hand van hen voor wie je bang bent. Ik lever je over in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en in de hand van de Chaldeeën.
וּנְתַתִּ֗יךָ
(unetatikha)
en Ik zal je geven
בְּיַד֙
(beyad)
in de hand van
מְבַקְשֵׁ֣י
(mevaqshei)
zoekers van
נַפְשֶׁ֔ךָ
(nafshekha)
je leven
וּבְיַ֛ד
(uveyad)
en in de hand van
אֲשֶׁר
(asher)
die
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
יָג֖וֹר
(yagor)
bang bent
מִפְּנֵיהֶ֑ם
(mipeneihem)
voor hen
וּבְיַ֛ד
(uveyad)
en in de hand van
נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
וּבְיַ֥ד
(uveyad)
en in de hand van
הַכַּשְׂדִּֽים
(hakasdim)
de Chaldeeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
Nebukadnezar voerde Jojachin in 597 voor Christus naar Babel (2 Kon. 24:12–15).
28Is deze man Jojachin een veracht, stukgeslagen vat? Of een voorwerp waaraan niemand behagen heeft? Waarom zijn hij en zijn nageslacht weggeworpen, neergeworpen in een land dat zij niet kennen?
הַעֶ֨צֶב
(haetsev)
is een vat
נִבְזֶ֜ה
(nivze)
veracht
נָפ֗וּץ
(nafuts)
stukgeslagen
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
הַזֶּה֙
(haze)
deze
כָּנְיָ֔הוּ
(kaneyahu)
Jojachin
אִ֨ם
(im)
of
כְּלִ֔י
(keli)
voorwerp
אֵ֥ין
(ein)
geen
חֵ֖פֶץ
(chefets)
behagen
בּ֑וֹ
(bo)
in hem
מַדּ֤וּעַ
(madua)
waarom
הֽוּטֲלוּ֙
(hutalu)
zijn zij weggeworpen
ה֣וּא
(hu)
hij
וְזַרְע֔וֹ
(vezaro)
en zijn nageslacht
וְהֻ֨שְׁלְכ֔וּ
(vehushlekhu)
en neergeworpen
עַל
(al)
in
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יָדָֽעוּ
(yadau)
zij kennen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
העצב (ha’etsev), ‘is een vat’: het woord עֶצֶב (etsev) komt weinig voor.
Het is waarschijnlijk een aarden voorwerp, een pot of beeld.
De betekenis is niet helemaal zeker.
נפוץ (nafuts), ‘stukgeslagen’: een vat dat stukgeslagen is, is waardeloos.
30Zo zegt Yahweh: „Schrijf deze man op als kinderloos, een man die in zijn dagen niet zal slagen. Want niemand van zijn nageslacht zal slagen: niemand die op de troon van David zit en nog over Juda heerst.”
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּתְב֞וּ
(kitvu)
schrijf op
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
הַזֶּה֙
(haze)
deze
עֲרִירִ֔י
(ariri)
kinderloos
גֶּ֖בֶר
(gever)
man
לֹא
(lo)
niet
יִצְלַ֣ח
(yitslach)
zal slagen
בְּיָמָ֑יו
(beyamav)
in zijn dagen
כִּי֩
(ki)
want
לֹ֨א
(lo)
niet
יִצְלַ֜ח
(yitslach)
zal slagen
מִזַּרְע֗וֹ
(mizaro)
van zijn nageslacht
אִ֚ישׁ
(ish)
niemand
יֹשֵׁב֙
(yoshev)
die zit
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֣א
(kise)
troon van
דָוִ֔ד
(david)
David
וּמֹשֵׁ֥ל
(umoshel)
en heerst
ע֖וֹד
(od)
nog
בִּיהוּדָֽה
(bihuda)
over Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ערירי (ariri), ‘kinderloos’: Jojachin had volgens 1 Kron. 3:17–18 zonen.
Hier betekent het dat niemand van hen koning van Juda zal worden.
De woorden van Yahweh vanaf ‘Schrijf deze man op’ staan rood.