Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De tweede plaag: kikkers
1Yahweh zei tot Mozes: „Zeg tot Aäron: ‘Strek je hand met je staf uit over de rivieren, de kanalen en de poelen, en laat de kikkers over het land Egypte opkomen.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֒
(moshe)
Mozes
אֱמֹ֣ר
(emor)
zeg
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
נְטֵ֤ה
(nete)
strek uit
אֶת
(et)
(obj.)
יָדְךָ֙
(yadekha)
je hand
בְּמַטֶּ֔ךָ
(bematekha)
met je staf
עַל
(al)
over
הַ֨נְּהָרֹ֔ת
(haneharot)
de rivieren
עַל
(al)
over
הַיְאֹרִ֖ים
(hayorim)
de kanalen
וְעַל
(veal)
en over
הָאֲגַמִּ֑ים
(haagamim)
de poelen
וְהַ֥עַל
(vehaal)
en laat opkomen
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽצְפַרְדְּעִ֖ים
(hatsfardeim)
de kikkers
עַל
(al)
over
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Hoofdstuk 8 begint in de Hebreeuwse tekst bij wat veel vertalingen 8:5 noemen: de Hebreeuwse 7:26–29 telt als 8:1–4 in die vertalingen.
4De farao riep Mozes en Aäron en zei: „Bid tot Yahweh dat Hij de kikkers van mij en van mijn volk wegneemt. Dan zal ik het volk laten gaan om aan Yahweh te offeren.”
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en riep
פַרְעֹ֜ה
(paro)
de farao
לְמֹשֶׁ֣ה
(lemoshe)
Mozes
וּֽלְאַהֲרֹ֗ן
(uleaharon)
en Aäron
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
הַעְתִּ֣ירוּ
(hatiru)
bid
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיָסֵר֙
(veyaser)
dat Hij wegneemt
הַֽצְפַרְדְּעִ֔ים
(hatsfardeim)
de kikkers
מִמֶּ֖נִּי
(mimeni)
van mij
וּמֵֽעַמִּ֑י
(umeami)
en van mijn volk
וַאֲשַׁלְּחָה֙
(vaashalecha)
en ik zal laten gaan
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְיִזְבְּח֖וּ
(veyizbechu)
opdat zij offeren
לַיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Mozes zei tot de farao: „Bepaal u zelf het tijdstip waarop ik voor u, uw dienaren en uw volk bid om de kikkers van u en uit uw huizen te verwijderen. Alleen in de Nijl zullen zij overblijven.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
לְפַרְעֹה֮
(lefaro)
tot de farao
הִתְפָּאֵ֣ר
(hitpaer)
heb de eer
עָלַי֒
(alay)
boven mij
לְמָתַ֣י
(lematay)
wanneer
אַעְתִּ֣יר
(atir)
zal ik bidden
לְךָ֗
(lekha)
voor u
וְלַעֲבָדֶ֨יךָ֙
(velaavadeikha)
en voor uw dienaren
וּֽלְעַמְּךָ֔
(uleamekha)
en voor uw volk
לְהַכְרִית֙
(lehakhrit)
om uit te roeien
הַֽצֲפַרְדְּעִ֔ים
(hatsafardeim)
de kikkers
מִמְּךָ֖
(mimekha)
van u
וּמִבָּתֶּ֑יךָ
(umibateikha)
en uit uw huizen
רַ֥ק
(raq)
alleen
בַּיְאֹ֖ר
(bayor)
in de Nijl
תִּשָּׁאַֽרְנָה
(tishaarna)
zullen overblijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.
Uitleg
הִתְפָּאֵר עָלַי (hitpa’er ‘alay) betekent letterlijk ‘heb de eer boven mij’: Mozes laat de farao het tijdstip kiezen, als hoffelijkheid en als teken van zekerheid.
13Zij deden zo. Aäron strekte zijn hand met zijn staf uit en sloeg het stof van de aarde. Er kwamen muggen op mens en dier. Al het stof van de aarde werd muggen in heel het land Egypte.
וַיַּֽעֲשׂוּ
(vayaasu)
en zij deden
כֵ֗ן
(ken)
zo
וַיֵּט֩
(vayet)
en strekte uit
אַהֲרֹ֨ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֤וֹ
(yado)
zijn hand
בְמַטֵּ֨הוּ֙
(bematehu)
met zijn staf
וַיַּךְ֙
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
עֲפַ֣ר
(afar)
het stof van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וַתְּהִי֙
(vatehi)
en er werden
הַכִּנָּ֔ם
(hakinam)
de muggen
בָּאָדָ֖ם
(baadam)
bij mens
וּבַבְּהֵמָ֑ה
(uvabehema)
en bij dier
כָּל
(kal)
al
עֲפַ֥ר
(afar)
stof van
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
de aarde
הָיָ֥ה
(haya)
werd
כִנִּ֖ים
(kinim)
muggen
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
15De magiërs zeiden tot de farao: „Dit is de vinger van Elohim.” Maar het hart van de farao bleef sterk en hij luisterde niet naar hen, zoals Yahweh had gesproken.
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
הַֽחַרְטֻמִּים֙
(hachartumim)
de magiërs
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
אֶצְבַּ֥ע
(etsba)
vinger van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
הִ֑וא
(hi)
dit is
וַיֶּחֱזַ֤ק
(vayechezaq)
en werd sterk
לֵב
(lev)
het hart van
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שָׁמַ֣ע
(shama)
luisterde hij
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
naar hen
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘De vinger van Elohim’ (אֶצְבַּע אֱלֹהִים, etsba Elohim): de magiërs erkennen dat dit niet hun eigen kunst is.
In Luc. 11:20 spreekt Yeshua van ‘de vinger van Elohim’ bij het uitdrijven van boze geesten.
16Yahweh zei tot Mozes: „Sta vroeg op in de morgen en ga voor de farao staan. Zie, hij gaat naar het water. Zeg tot hem: ‘Zo zegt Yahweh: Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij dienen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
הַשְׁכֵּ֤ם
(hashkem)
sta vroeg op
בַּבֹּ֨קֶר֙
(baboqer)
in de morgen
וְהִתְיַצֵּב֙
(vehityatsev)
en ga staan
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
פַרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
הִנֵּ֖ה
(hine)
zie
יוֹצֵ֣א
(yotse)
hij gaat uit
הַמָּ֑יְמָה
(hamayema)
naar het water
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שַׁלַּ֥ח
(shalach)
laat gaan
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
וְיַֽעַבְדֻֽנִי
(veyaavduni)
opdat zij Mij dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Want als je Mijn volk niet laat gaan, zie, dan zend Ik zwermen op jou, je dienaren, je volk en in je huizen. De huizen van Egypte zullen vol zwermen zijn, en ook de grond waarop zij staan.
כִּ֣י
(ki)
want
אִם
(im)
indien
אֵינְךָ֮
(einekha)
jij niet
מְשַׁלֵּ֣חַ
(meshaleach)
laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּי֒
(ami)
Mijn volk
הִנְנִי֩
(hinni)
zie Mij
מַשְׁלִ֨יחַ
(mashliach)
ga sturen
בְּךָ֜
(bekha)
op jou
וּבַעֲבָדֶ֧יךָ
(uvaavadeikha)
en op je dienaren
וּֽבְעַמְּךָ֛
(uveamekha)
en op je volk
וּבְבָתֶּ֖יךָ
(uvevateikha)
en in je huizen
אֶת
(et)
(obj.)
הֶעָרֹ֑ב
(hearov)
de zwermen
וּמָ֨לְא֜וּ
(umaleu)
en zullen vol zijn
בָּתֵּ֤י
(batei)
de huizen van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
אֶת
(et)
(obj.)
הֶ֣עָרֹ֔ב
(hearov)
de zwermen
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
הָאֲדָמָ֖ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁר
(asher)
waarop
הֵ֥ם
(hem)
zij
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
עָרֹב (arov) is een ‘zwerm’ zonder dat de tekst zegt van welk dier.
De Griekse vertaling heeft ‘hondsvliegen’; de Joodse traditie ziet roofdieren, wilde dieren (Midrasj).
Wij zeggen ‘zwermen’ en laten de aard van de dieren open; ‘steekvliegen’ is een mogelijkheid.
18Maar op die dag zal Ik het land Gosen, waar Mijn volk woont, afzonderen, zodat daar geen zwermen zijn, opdat je weet dat Ik, Yahweh, in het midden van het land ben.
וְהִפְלֵיתִי֩
(vehifleiti)
en Ik zal onderscheiden
בַיּ֨וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֜וּא
(hahu)
die
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
גֹּ֗שֶׁן
(goshen)
Gosen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarop
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
עֹמֵ֣ד
(omed)
staat
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
daarop
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
zodat niet
הֱיֽוֹת
(heyot)
zijn
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עָרֹ֑ב
(arov)
zwermen
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
תֵּדַ֔ע
(teda)
je weet
כִּ֛י
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
te midden van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gosen lag in het oosten van de Nijldelta, in de buurt van Wadi Tumilat; de Hebreeën woonden daar (Gen. 46:28; 47:27).
Uitleg
Voor het eerst maakt Yahweh onderscheid tussen Egypte en Israël.
Dit onderscheid komt terug bij de vijfde plaag (9:4), de zevende (9:26), de negende (10:23) en de laatste (11:7).
19Ik zal een verlossing stellen tussen Mijn volk en jouw volk. Morgen zal dit teken er zijn.’”
וְשַׂמְתִּ֣י
(vesamti)
en Ik zal stellen
פְדֻ֔ת
(pedut)
een verlossing
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
עַמֶּ֑ךָ
(amekha)
je volk
לְמָחָ֥ר
(lemachar)
morgen
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
הָאֹ֥ת
(haot)
het teken
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
פְּדֻת (peduth) is ‘verlossing’ (van פדה, padah, ‘vrijkopen’).
De Griekse vertaling heeft ‘scheiding’ (diastolē), wat een andere lezing (פלת) veronderstelt.
Wij volgen de Masoretische tekst: Israël wordt verlost doordat het van Egypte wordt gescheiden.
20Yahweh deed zo. Een zware zwerm kwam in het huis van de farao, in het huis van zijn dienaren en in heel het land Egypte. Het land werd verwoest door de zwermen.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en deed
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כֵּ֔ן
(ken)
zo
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
עָרֹ֣ב
(arov)
een zwerm
כָּבֵ֔ד
(kaved)
zware
בֵּ֥יתָה
(beita)
in het huis van
פַרְעֹ֖ה
(paro)
de farao
וּבֵ֣ית
(uveit)
en het huis van
עֲבָדָ֑יו
(avadav)
zijn dienaren
וּבְכָל
(uvekhal)
en in heel
אֶ֧רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
תִּשָּׁחֵ֥ת
(tishachet)
werd verwoest
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
vanwege
הֶעָרֹֽב
(hearov)
de zwermen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
22Mozes zei: „Dat is niet gepast, want wat wij aan Yahweh, onze Elohim, offeren, is een gruwel voor de Egyptenaren. Zie, als wij het voor hun ogen offeren, zullen zij ons dan niet stenigen?
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
לֹ֤א
(lo)
niet
נָכוֹן֙
(nakhon)
gepast
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
כֵּ֔ן
(ken)
zo
כִּ֚י
(ki)
want
תּוֹעֲבַ֣ת
(toavat)
het gruwelijke van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
נִזְבַּ֖ח
(nizbach)
offeren wij
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הֵ֣ן
(hen)
zie
נִזְבַּ֞ח
(nizbach)
offeren wij
אֶת
(et)
(obj.)
תּוֹעֲבַ֥ת
(toavat)
het gruwelijke van
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְעֵינֵיהֶ֖ם
(leeineihem)
voor hun ogen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִסְקְלֻֽנוּ
(yisqelunu)
zullen zij ons stenigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Het gruwelijke van Egypte’ zijn de dieren die de Egyptenaren heilig achten; Mozes zegt dat een offer van schapen en runderen voor hen aanstootgevend is.
25Mozes zei: „Zie, ik ga van u weg en ik zal tot Yahweh bidden, en morgen zullen de zwermen van de farao, van zijn dienaren en van zijn volk wijken. Alleen: laat de farao niet nog eens bedrog plegen door het volk niet te laten gaan om aan Yahweh te offeren.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֜י
(anokhi)
ik
יוֹצֵ֤א
(yotse)
ga uit
מֵֽעִמָּךְ֙
(meimakh)
van bij u
וְהַעְתַּרְתִּ֣י
(vehatarti)
en ik zal bidden
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְסָ֣ר
(vesar)
en zal weggaan
הֶעָרֹ֗ב
(hearov)
de zwerm
מִפַּרְעֹ֛ה
(miparo)
van de farao
מֵעֲבָדָ֥יו
(meavadav)
van zijn dienaren
וּמֵעַמּ֖וֹ
(umeamo)
en van zijn volk
מָחָ֑ר
(machar)
morgen
רַ֗ק
(raq)
alleen
אַל
(al)
niet
יֹסֵ֤ף
(yosef)
moge doorgaan
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
הָתֵ֔ל
(hatel)
te bedriegen
לְבִלְתִּי֙
(levilti)
zodat niet
שַׁלַּ֣ח
(shalach)
hij laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
לִזְבֹּ֖חַ
(lizboach)
om te offeren
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Mozes waarschuwt de farao dat hij hem niet nog eens mag bedriegen (vergelijk vers 11).