Zes mannen met wapens en een man in linnen: het oordeel begint bij het heiligdom
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De uitvoerders van het oordeel komen
1Hij riep met luide stem in mijn oren: „Kom dichtbij, jullie die de stad moeten straffen, ieder met zijn werktuig van verderf in zijn hand.”
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en hij riep
בְאָזְנַ֗י
(beazenay)
in mijn oren
ק֤וֹל
(qol)
een stem
גָּדוֹל֙
(gadol)
grote
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
קָרְב֖וּ
(qarevu)
komt dichtbij
פְּקֻדּ֣וֹת
(pequdot)
bezoekingen van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וְאִ֛ישׁ
(veish)
en ieder
כְּלִ֥י
(keli)
werktuig van
מַשְׁחֵת֖וֹ
(mashcheto)
zijn verderf
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het is niet gezegd wie roept.
Wij lezen de ‘luide stem’ als die van Yahweh, die ook in 8:18 spreekt, en zetten de woorden rood.
Vers 4 zegt uitdrukkelijk dat Yahweh spreekt.
פקדות (peqquddot), ‘bezoekingen’: het woord betekent ‘toezicht’ of ‘straf, bezoeking’. Hier kan het gaan om degenen die de straf over de stad moeten uitvoeren. Wij vertalen ‘jullie die de stad moeten straffen’.
משׁחתו (mashchito), ‘zijn werktuig van verderf’: het woord ‘verderf’ komt van dezelfde stam als ‘de verderver’ in Exod. 12:23.
Lezing
De vorm קרבו (qorvu) kan ook ‘zij zijn dichtbij gekomen’ betekenen: ‘de straffen over de stad zijn dichtbij’.
Wij volgen de gebiedende wijs, omdat daarna ieder zijn wapen ‘in zijn hand’ heeft.
2En zie, zes mannen kwamen van de weg van de bovenste poort, die naar het noorden gekeerd is. Ieder had zijn slagwapen in zijn hand. Eén man onder hen was gekleed in linnen, met de inktkoker van een schrijver aan zijn heupen. Zij kwamen en bleven staan naast het koperen altaar.
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
שִׁשָּׁ֣ה
(shisha)
zes
אֲנָשִׁ֡ים
(anashim)
mannen
בָּאִ֣ים
(baim)
komend
מִדֶּרֶךְ
(miderekh)
van de weg van
שַׁ֨עַר
(shaar)
poort
הָעֶלְי֜וֹן
(haelyon)
de bovenste
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מָפְנֶ֣ה
(mafene)
gekeerd is
צָפ֗וֹנָה
(tsafona)
naar het noorden
וְאִ֨ישׁ
(veish)
en ieder
כְּלִ֤י
(keli)
werktuig van
מַפָּצוֹ֙
(mapatso)
zijn slagwapen
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
וְאִישׁ
(veish)
en een man
אֶחָ֤ד
(echad)
één
בְּתוֹכָם֙
(betokham)
in hun midden
לָבֻ֣שׁ
(lavush)
gekleed in
בַּדִּ֔ים
(badim)
linnen
וְקֶ֥סֶת
(veqeset)
en inktkoker van
הַסֹּפֵ֖ר
(hasofer)
de schrijver
בְּמָתְנָ֑יו
(bematenav)
aan zijn heupen
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en zij kwamen
וַיַּ֣עַמְד֔וּ
(vayaamdu)
en gingen staan
אֵ֖צֶל
(etsel)
naast
מִזְבַּ֥ח
(mizbach)
het altaar van
הַנְּחֹֽשֶׁת
(hanechoshet)
het koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ‘bovenste poort’ is de noordelijke poort van het tempelterrein; zie ook 8:3 en 8:5.
Zes mannen met wapens komen binnen, met één man in linnen als zevende.
מפצו (mappatso), ‘zijn slagwapen’: een zeldzaam woord, afgeleid van een werkwoord dat ‘stukslaan’ betekent.
בדים (baddim), ‘linnen’: de kleding van priesters (Lev. 16:4) en van een hemelse gestalte (Dan. 10:5). Wij laten open wie deze man is.
וקסת הספר (qeset hassofer), ‘inktkoker van de schrijver’: een kokertje met pennen en inkt, door de schrijver aan zijn gordel gedragen. De betekenis van het woord qeset is niet helemaal zeker.
מזבח הנחשׁת (mizbach hannechoshet), ‘het koperen altaar’: het brandofferaltaar van de tempel (2 Kon. 16:14).
3De heerlijkheid van de Elohim van Israël steeg op van de cherub waarop zij was, naar de drempel van het huis. Hij riep de man die in linnen gekleed was en de inktkoker van een schrijver aan zijn heupen had.
וּכְב֣וֹד
(ukhevod)
en de heerlijkheid van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
נַעֲלָה֙
(naala)
ging omhoog
מֵעַ֤ל
(meal)
van boven
הַכְּרוּב֙
(hakeruv)
de cherub
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarop
הָיָ֣ה
(haya)
zij was
עָלָ֔יו
(alav)
boven hem
אֶ֖ל
(el)
naar
מִפְתַּ֣ן
(miftan)
de drempel van
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וַיִּקְרָ֗א
(vayiqra)
en hij riep
אֶל
(el)
tot
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
הַלָּבֻ֣שׁ
(halavush)
gekleed in
הַבַּדִּ֔ים
(habadim)
het linnen
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
קֶ֥סֶת
(qeset)
inktkoker van
הַסֹּפֵ֖ר
(hasofer)
de schrijver
בְּמָתְנָֽיו
(bematenav)
aan zijn heupen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וכבוד (kavod), ‘heerlijkheid’: de zichtbare grootheid van Yahweh (Jes. 6:3; Exod. 40:34–35).
Zij rust op de cherub, de troonwagen die in hoofdstuk 10 wordt beschreven.
מפתן (miftan), ‘drempel’: de dorpel van de ingang van het huis. De heerlijkheid van Yahweh verlaat stap voor stap het heiligdom: eerst de cherub, daarna de drempel (10:4, 10:18).
4Yahweh zei tegen hem: „Ga midden door de stad, midden door Jeruzalem. Zet een teken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en kreunen over alle gruwelen die daarin gebeuren.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֔יו
(elav)
tegen hem
עֲבֹר֙
(avor)
ga
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden door
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
midden door
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְהִתְוִ֨יתָ
(vehitvita)
en zet
תָּ֜ו
(tav)
een teken
עַל
(al)
op
מִצְח֣וֹת
(mitschot)
de voorhoofden van
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
הַנֶּֽאֱנָחִים֙
(haneenachim)
die zuchten
וְהַנֶּ֣אֱנָקִ֔ים
(vehaneenaqim)
en die kreunen
עַ֚ל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
הַתּ֣וֹעֵב֔וֹת
(hatoevot)
gruwelen
הַֽנַּעֲשׂ֖וֹת
(hanaasot)
die gedaan worden
בְּתוֹכָֽהּ
(betokhah)
in haar midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
תו (tav), ‘teken’: het is de naam van de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet.
In het oudste schrift had die letter de vorm van een kruisje.
Het teken beschermt degenen die het dragen, zoals het bloed op de deurposten in Exod. 12:13.
הנאנחים (hanne’enachim), ‘die zuchten’, en והנאנקים (hanne’enaqim), ‘die kreunen’: zij treuren over wat in de stad gebeurt. Vergelijk Ps. 12:6, waar het zuchten van de armen Yahweh doet opstaan.
Lezing
In de geschreven tekst staat אלו (elo); de overlevering leest אליו (elav), ‘tegen hem’.
5Tegen de anderen zei Hij in mijn oren: „Ga achter hem aan door de stad en sla. Laat jullie oog niet sparen en heb geen medelijden.
וּלְאֵ֨לֶּה֙
(uleele)
en tegen deze
אָמַ֣ר
(amar)
zei Hij
בְּאָזְנַ֔י
(beazenay)
in mijn oren
עִבְר֥וּ
(ivru)
gaat
בָעִ֛יר
(bair)
door de stad
אַחֲרָ֖יו
(acharav)
achter hem
וְהַכּ֑וּ
(vehaku)
en slaat
אַל
(al)
niet
תָּחֹ֥ס
(tachos)
laat sparen
עֵינְכֶ֖ם
(einekhem)
jullie oog
וְאַל
(veal)
en niet
תַּחְמֹֽלוּ
(tachmolu)
heeft medelijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is een tweede opdracht, nu aan de zes mannen met de wapens.
Zij gaan achter de man met de inktkoker aan.
Lezing
In de geschreven tekst staat על (al, met ajin), ‘over’; de overlevering leest אל (al), ‘niet’.
Wij volgen de lezing.
In de geschreven tekst staat het woord voor ‘oog’ in het meervoud, עיניכם (eyneykhem), ‘jullie ogen’; de overlevering leest עינכם (eynkhem), ‘jullie oog’. Wij volgen de lezing.
6Oude man, jongeman, meisje, kind en vrouwen: dood hen tot de vernietiging toe. Maar kom niet dicht bij iemand die het teken op zich heeft. Begin bij Mijn heiligdom.” Zij begonnen bij de oudsten die voor het huis waren.
זָקֵ֡ן
(zaqen)
oude man
בָּח֣וּר
(bachur)
jongeman
וּבְתוּלָה֩
(uvetula)
en meisje
וְטַ֨ף
(vetaf)
en kind
וְנָשִׁ֜ים
(venashim)
en vrouwen
תַּהַרְג֣וּ
(tahargu)
jullie zullen doden
לְמַשְׁחִ֗ית
(lemashchit)
tot vernietiging
וְעַל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
ieder
אִ֨ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָלָ֤יו
(alav)
op hem
הַתָּו֙
(hatav)
het teken
אַל
(al)
niet
תִּגַּ֔שׁוּ
(tigashu)
komt dichtbij
וּמִמִּקְדָּשִׁ֖י
(umimiqdashi)
en vanuit Mijn heiligdom
תָּחֵ֑לּוּ
(tachelu)
begint
וַיָּחֵ֨לּוּ֙
(vayachelu)
en zij begonnen
בָּאֲנָשִׁ֣ים
(baanashim)
bij de mannen
הַזְּקֵנִ֔ים
(hazeqenim)
de oudsten
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
למשׁחית (lemashchit), ‘tot vernietiging’: van dezelfde stam als ‘verderf’ in vers 1 en ‘verderver’ in Exod. 12:23.
De opdracht is dat zij doden totdat de stad vernietigd is.
וממקדשׁי (miqdashi), ‘Mijn heiligdom’: de tempel zelf. Het oordeel begint dus bij de plek van Yahweh. Vergelijk 1 Petr. 4:17.
הזקנים (hazzeqenim), ‘de oudsten’: zij staan ‘voor het huis’. Zie ook 8:11–12, waar oudsten in de tempel wierook brengen.
7Hij zei tegen hen: „Maak het huis onrein en vul de voorhoven met gedoden. Ga naar buiten!” Zij gingen naar buiten en sloegen in de stad.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tegen hen
טַמְּא֣וּ
(tameu)
maakt onrein
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֗יִת
(habayit)
het huis
וּמַלְא֧וּ
(umalu)
en vult
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֲצֵר֛וֹת
(hachatserot)
de voorhoven
חֲלָלִ֖ים
(chalalim)
met gedoden
צֵ֑אוּ
(tseu)
gaat uit
וְיָצְא֖וּ
(veyatseu)
en zij gingen uit
וְהִכּ֥וּ
(vehiku)
en zij sloegen
בָעִֽיר
(bair)
in de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חללים (chalalim), ‘gedoden’: mensen die doodgeslagen zijn.
Het woord komt vaak voor in dit boek.
טמאו (tamme’u), ‘maak onrein’: de doden maken het huis onrein (Num. 19:11–13). Het oordeel ontheiligt zo de plek die al ontheiligd was door de gruwelen uit hoofdstuk 8.
8Terwijl zij sloegen, bleef ik achter. Ik viel op mijn gezicht en riep luid: „Ach, Heer Yahweh! Gaat U alle overgeblevenen van Israël vernietigen door Uw grimmigheid over Jeruzalem uit te storten?”
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het gebeurde
כְּהַכּוֹתָ֔ם
(kehakotam)
toen zij sloegen
וְנֵֽאשֲׁאַ֖ר
(veneshaar)
en bleef achter
אָ֑נִי
(ani)
ik
וָאֶפְּלָ֨ה
(vaepela)
en ik viel
עַל
(al)
op
פָּנַ֜י
(panay)
mijn gezicht
וָאֶזְעַ֗ק
(vaezaq)
en ik riep luid
וָֽאֹמַר֙
(vaomar)
en ik zei
אֲהָהּ֙
(ahah)
ach
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הֲמַשְׁחִ֣ית
(hamashchit)
verderft
אַתָּ֗ה
(ata)
U
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּשָׁפְכְּךָ֥
(beshafkekha)
door uit te storten
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמָתְךָ֖
(chamatekha)
Uw grimmigheid
עַל
(al)
over
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 2:4.
שׁארית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: wie na eerdere rampen nog over is. Ezechiël vreest dat niemand zal overblijven. Zie ook 11:13.
ונאשׁאר (venisha’er), ‘en ik bleef achter’: Ezechiël blijft over terwijl de anderen worden geslagen.
9Hij zei tegen mij: „De schuld van het huis van Israël en Juda is buitengewoon groot. Het land is vol bloed en de stad is vol onrecht. Want zij zeggen: ‘Yahweh heeft het land verlaten. Yahweh ziet het niet.’
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
עֲוֺ֨ן
(avon)
schuld van
בֵּֽית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
וִֽיהוּדָה֙
(vihuda)
en Juda
גָּדוֹל֙
(gadol)
groot
בִּמְאֹ֣ד
(bimod)
zeer
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וַתִּמָּלֵ֤א
(vatimale)
en is gevuld
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
דָּמִ֔ים
(damim)
met bloed
וְהָעִ֖יר
(vehair)
en de stad
מָלְאָ֣ה
(malea)
is vol van
מֻטֶּ֑ה
(mute)
onrecht
כִּ֣י
(ki)
want
אָמְר֗וּ
(ameru)
zij zeggen
עָזַ֤ב
(azav)
heeft verlaten
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
רֹאֶֽה
(roe)
ziend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מטה (mutteh), ‘onrecht’: een zeldzaam woord dat van het werkwoord ‘buigen’ komt, dus ‘verdraaid recht’.
11En zie, de man die in linnen gekleed was, met de inktkoker aan zijn heupen, bracht verslag uit. Hij zei: „Ik heb alles gedaan wat U mij bevolen hebt.”
וְהִנֵּ֞ה
(vehine)
en zie
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
לְבֻ֣שׁ
(levush)
gekleed in
הַבַּדִּ֗ים
(habadim)
het linnen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הַקֶּ֨סֶת֙
(haqeset)
de inktkoker
בְּמָתְנָ֔יו
(bematenav)
aan zijn heupen
מֵשִׁ֥יב
(meshiv)
bracht terug
דָּבָ֖ר
(davar)
een bericht
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
עָשִׂ֕יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
כְּכֹ֖ל
(kekhol)
overeenkomstig alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
צִוִּיתָֽנִי
(tsivitani)
U mij hebt bevolen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
משׁיב דבר (meshiv davar), ‘bracht verslag uit’: letterlijk ‘bracht een woord terug’.
Lezing
In de geschreven tekst staat כאשר (ka’asher), ‘zoals’; de overlevering leest ככל אשׁר (kekhol asher), ‘overeenkomstig alles wat’.