Elohim Bijbel

Job 27

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Job houdt vast aan zijn onschuld

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Ik laat mijn onberispelijkheid niet los

1Job vervolgde zijn gedicht en zei:
וַיֹּ֣סֶף
(vayosef)
en voegde toe
אִ֭יּוֹב
(iyov)
Job
שְׂאֵ֥ת
(seet)
om op te heffen
מְשָׁל֗וֹ
(meshalo)
zijn gedicht
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָשָׁל (mashal) is hier ‘gedicht’ of ‘redevoering’.

Job spreekt verder; niemand reageert, want de vrienden zwijgen.

2„Zo waar El leeft, die mijn recht heeft weggenomen, en Shaddai, die mijn ziel bitter heeft gemaakt,
חַי
(chay)
zo waar leeft
אֵ֭ל
(el)
El
הֵסִ֣יר
(hesir)
die wegnam
מִשְׁפָּטִ֑י
(mishpati)
mijn recht
וְ֝שַׁדַּ֗י
(veshaday)
en Shaddai
הֵמַ֥ר
(hemar)
die bitter maakte
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job zweert bij El, ook al zegt hij dat El zijn recht heeft weggenomen.

Dat is typisch voor het boek: Job wijst Elohim niet af, ook niet in zijn klacht.

3zolang mijn adem in mij is en de geest van Eloah in mijn neus,
כִּֽי
(ki)
dat
כָל
(kal)
heel
ע֣וֹד
(od)
zolang
נִשְׁמָתִ֣י
(nishmati)
mijn adem
בִ֑י
(bi)
in mij
וְר֖וּחַ
(veruach)
en geest van
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
Eloah
בְּאַפִּֽי
(beapi)
in mijn neus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִשְׁמָתִי (nishmati), ‘mijn adem’, en רוּחַ אֱלוֹהַּ (ruach Eloah), ‘de geest van Eloah’: de levensadem die Elohim aan de mens gaf (Gen. 2:7).

4mijn lippen spreken geen onrecht en mijn tong uit geen bedrog.
אִם
(im)
indien
תְּדַבֵּ֣רְנָה
(tedaberena)
spreken
שְׂפָתַ֣י
(sefatay)
mijn lippen
עַוְלָ֑ה
(avla)
onrecht
וּ֝לְשׁוֹנִ֗י
(uleshoni)
en mijn tong
אִם
(im)
indien
יֶהְגֶּ֥ה
(yehge)
uit
רְמִיָּֽה
(remiya)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Het zij verre van mij dat ik jullie gelijk geef. Tot ik sterf, laat ik mijn onberispelijkheid niet los.
חָלִ֣ילָה
(chalila)
het zij verre
לִּי֮
(li)
van mij
אִם
(im)
dat
אַצְדִּ֪יק
(atsdiq)
ik gelijk geef
אֶ֫תְכֶ֥ם
(etkhem)
aan jullie
עַד
(ad)
tot
אֶגְוָ֑ע
(egva)
ik sterf
לֹא
(lo)
niet
אָסִ֖יר
(asir)
zal ik wegnemen
תֻּמָּתִ֣י
(tumati)
mijn onberispelijkheid
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
van mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job blijft zijn onberispelijkheid (תֻּמָּה, tummah) vasthouden tot zijn dood.

Dat was ook de getuigenis van Yahweh in 2:3 en wordt door zijn vrouw tegengesproken (2:9).

6Aan mijn gerechtigheid houd ik vast en ik laat haar niet los. Mijn hart zal mij mijn dagen niet verwijten.
בְּצִדְקָתִ֣י
(betsidqati)
aan mijn gerechtigheid
הֶ֭חֱזַקְתִּי
(hechezaqti)
houd ik vast
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אַרְפֶּ֑הָ
(arpeha)
laat ik los
לֹֽא
(lo)
niet
יֶחֱרַ֥ף
(yecheraf)
zal verwijten
לְ֝בָבִ֗י
(levavi)
mijn hart
מִיָּמָֽי
(miyamay)
voor mijn dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Mijn vijand zij als de goddeloze, en wie tegen mij opstaat als de onrechtvaardige.
יְהִ֣י
(yehi)
zij
כְ֭רָשָׁע
(kerasha)
als de goddeloze
אֹ֣יְבִ֑י
(oyevi)
mijn vijand
וּמִתְקוֹמְמִ֥י
(umitqomemi)
en wie tegen mij opstaat
כְעַוָּֽל
(keaval)
als de onrechtvaardige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Want wat is de hoop van de goddeloze als hij winst maakt, als Eloah zijn ziel wegtrekt?
כִּ֤י
(ki)
want
מַה
(ma)
wat
תִּקְוַ֣ת
(tiqvat)
hoop van
חָ֭נֵף
(chanef)
de goddeloze
כִּ֣י
(ki)
wanneer
יִבְצָ֑ע
(yivtsa)
hij winst maakt
כִּ֤י
(ki)
wanneer
יֵ֖שֶׁל
(yeshel)
Hij wegtrekt
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
Eloah
נַפְשֽׁוֹ
(nafsho)
zijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zal El zijn geschreeuw horen als er nood over hem komt?
הַֽ֭צַעֲקָתוֹ
(hatsaaqato)
zijn geschreeuw?
יִשְׁמַ֥ע
(yishma)
hoort
אֵ֑ל
(el)
El
כִּֽי
(ki)
als
תָב֖וֹא
(tavo)
komt
עָלָ֣יו
(alav)
over hem
צָרָֽה
(tsara)
nood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Of zal hij zich verlustigen in Shaddai en Eloah altijd aanroepen?
אִם
(im)
of
עַל
(al)
in
שַׁדַּ֥י
(shaday)
Shaddai
יִתְעַנָּ֑ג
(yitanag)
zal hij zich verlustigen
יִקְרָ֖א
(yiqra)
zal hij aanroepen
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
Eloah
בְּכָל
(bekhal)
op elk
עֵֽת
(et)
moment
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het deel van de goddeloze

11Ik zal jullie onderwijzen over de hand van El. Wat bij Shaddai is, verberg ik niet.
אוֹרֶ֣ה
(ore)
ik zal onderwijzen
אֶתְכֶ֣ם
(etkhem)
jullie
בְּיַד
(beyad)
over de hand van
אֵ֑ל
(el)
El
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עִם
(im)
bij
שַׁ֝דַּ֗י
(shaday)
Shaddai is
לֹ֣א
(lo)
niet
אֲכַחֵֽד
(akhached)
verberg ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf vers 11 klinkt Job als zijn vrienden: de goddeloze krijgt een slecht einde.

Sommige uitleggers zien hier daarom de woorden van Zofar, omdat Job in hoofdstuk 21 het tegendeel zei.

Het is ook mogelijk dat Job zijn vrienden hier citeert of dat hij zegt: ook ik weet dat de goddeloze uiteindelijk ten onder gaat, maar jullie passen het verkeerd toe.

Wij laten het bij Job, zoals de Masoretische tekst het geeft.

12Zie, jullie allen hebben het gezien. Waarom dan zo nietig praten?
הֵן
(hen)
zie
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
כֻּלְּכֶ֣ם
(kulekhem)
allen
חֲזִיתֶ֑ם
(chazitem)
hebben gezien
וְלָמָּה
(velama)
en waarom
זֶּ֝֗ה
(ze)
dan
הֶ֣בֶל
(hevel)
nietigheid
תֶּהְבָּֽלוּ
(tehbalu)
praat jullie nietig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Dit is het deel van de goddeloze mens bij El, en het erfdeel dat tirannen van Shaddai ontvangen:
זֶ֤ה
(ze)
dit
חֵֽלֶק
(cheleq)
deel van
אָדָ֖ם
(adam)
een mens
רָשָׁ֥ע
(rasha)
goddeloze
עִם
(im)
bij
אֵ֑ל
(el)
El
וְֽנַחֲלַ֥ת
(venachalat)
en erfdeel van
עָ֝רִיצִ֗ים
(aritsim)
tirannen
מִשַּׁדַּ֥י
(mishaday)
van Shaddai
יִקָּֽחוּ
(yiqachu)
ontvangen ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit herhaalt bijna letterlijk de slotzin van Zofar (20:29), met ‘bij El’ in plaats van ‘van Elohim’.

14Als zijn zonen talrijk worden, is het voor het zwaard, en zijn nageslacht heeft niet genoeg brood.
אִם
(im)
indien
יִרְבּ֣וּ
(yirbu)
zich vermenigvuldigen
בָנָ֣יו
(banav)
zijn zonen
לְמוֹ
(lemo)
voor
חָ֑רֶב
(charev)
het zwaard
וְ֝צֶאֱצָאָ֗יו
(vetseetsaav)
en zijn nageslacht
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשְׂבְּעוּ
(yisbeu)
worden verzadigd
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Wie van hem overblijft, wordt in de dood begraven, en zijn weduwen wenen niet.
שְׂ֭רִידָיו
(seridav)
zijn overlevenden
בַּמָּ֣וֶת
(bamavet)
in de dood
יִקָּבֵ֑רוּ
(yiqaveru)
worden begraven
וְ֝אַלְמְנֹתָ֗יו
(vealmenotav)
en zijn weduwen
לֹ֣א
(lo)
niet
תִבְכֶּֽינָה
(tivkeina)
wenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Als hij zilver ophoopt als stof en kleding klaarmaakt als klei,
אִם
(im)
indien
יִצְבֹּ֣ר
(yitsbor)
hij ophoopt
כֶּעָפָ֣ר
(keafar)
als stof
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
וְ֝כַחֹ֗מֶר
(vekhachomer)
en als klei
יָכִ֥ין
(yakhin)
hij klaarmaakt
מַלְבּֽוּשׁ
(malbush)
kleding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17dan maakt hij het klaar, maar een rechtvaardige kleedt zich ermee, en het zilver verdeelt de onschuldige.
יָ֭כִין
(yakhin)
hij maakt klaar
וְצַדִּ֣יק
(vetsadiq)
maar een rechtvaardige
יִלְבָּ֑שׁ
(yilbash)
kleedt zich
וְ֝כֶ֗סֶף
(vekhesef)
en zilver
נָקִ֥י
(naqi)
de onschuldige
יַחֲלֹֽק
(yachaloq)
verdeelt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Hij bouwt zijn huis als een mot, en als een hut die een wachter maakt.
בָּנָ֣ה
(bana)
hij bouwde
כָעָ֣שׁ
(kaash)
als een mot
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וּ֝כְסֻכָּ֗ה
(ukhesuka)
en als een hut
עָשָׂ֥ה
(asa)
maakte
נֹצֵֽר
(notser)
een wachter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָשׁ (ash), ‘mot’: een mot bouwt een kwetsbaar huisje van wol of kleed; zo is het huis van de goddeloze.

19Rijk gaat hij liggen en hij wordt niet verzameld. Hij opent zijn ogen en is er niet meer.
עָשִׁ֣יר
(ashir)
rijk
יִ֭שְׁכַּב
(yishkav)
gaat hij liggen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יֵאָסֵ֑ף
(yeasef)
wordt hij verzameld
עֵינָ֖יו
(einav)
zijn ogen
פָּקַ֣ח
(paqach)
opent hij
וְאֵינֶֽנּוּ
(veeinenu)
en hij is er niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Verschrikkingen halen hem in als water, 's nachts steelt een storm hem weg.
תַּשִּׂיגֵ֣הוּ
(tasigehu)
halen hem in
כַ֭מַּיִם
(kamayim)
als water
בַּלָּה֑וֹת
(balahot)
verschrikkingen
לַ֝֗יְלָה
(layla)
's nachts
גְּנָבַ֥תּוּ
(genavatu)
steelt hem
סוּפָֽה
(sufa)
een storm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21De oostenwind neemt hem op, zodat hij gaat, en sleurt hem weg van zijn plaats.
יִשָּׂאֵ֣הוּ
(yisaehu)
neemt hem op
קָדִ֣ים
(qadim)
oostenwind
וְיֵלַ֑ךְ
(veyelakh)
en hij gaat
וִֽ֝ישָׂעֲרֵ֗הוּ
(visaarehu)
en sleurt hem
מִמְּקֹמֽוֹ
(mimeqomo)
van zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָדִים (qadim), ‘oostenwind’, de verzengende woestijnwind (zie 15:2).

22Hij werpt zich op hem zonder medelijden. Voor Zijn hand vlucht hij halsoverkop.
וְיַשְׁלֵ֣ךְ
(veyashlekh)
en Hij werpt
עָ֭לָיו
(alav)
op hem
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַחְמֹ֑ל
(yachmol)
spaart
מִ֝יָּד֗וֹ
(miyado)
voor Zijn hand
בָּר֥וֹחַ
(baroach)
vluchtend
יִבְרָֽח
(yivrach)
vlucht hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Men klapt in de handen over hem en fluit hem uit van zijn plaats.”
יִשְׂפֹּ֣ק
(yispoq)
klapt
עָלֵ֣ימוֹ
(aleimo)
over hem
כַפֵּ֑ימוֹ
(kapeimo)
zijn handen
וְיִשְׁרֹ֥ק
(veyishroq)
en fluit
עָ֝לָ֗יו
(alav)
over hem
מִמְּקֹמֽוֹ
(mimeqomo)
vanaf zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)