Psalmen 110
Zit aan Mijn rechterhand: priester voor eeuwig
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh spreekt tot mijn Heer
נְאֻם (ne’um), ‘uitspraak’: de vaste formule voor een woord van Yahweh.
לַאדֹנִי (la’adoni), ‘tot mijn Heer’: het woord is אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’, een aanspreking van een mens met gezag. Het is niet אֲדֹנָי (Adonai), dat alleen voor Elohim wordt gebruikt. Wij schrijven ‘Heer’ met een hoofdletter, zoals de psalm de aangesprokene hoog verheft.
Het opschrift zegt ‘Van David’. Wie met ‘mijn Heer’ bedoeld is, noemt de tekst niet bij naam. Na de inleiding spreekt Yahweh zelf; Zijn woorden staan rood. De rechterhand is de plaats van eer en macht. Zie ook Matt. 22:44.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
מַטֵּה עֻזְּךָ (matteh uzzecha), ‘de staf van je kracht’: het teken van heerschappij.
Sion is de berg in Jeruzalem; vanaf daar gaat de heerschappij uit.
נְדָבֹת (nedavot), ‘bereidwilligheden’: vrijwillige gaven.
Het volk komt uit zichzelf, zoals iemand een vrijwillig offer brengt.
Dit vers is moeilijk en de tekst is waarschijnlijk beschadigd.
חֵילֶךָ (cheilecha) kan ‘je strijdmacht’, ‘je leger’ of ‘je kracht’ zijn.
בְּהַדְרֵי קֹדֶשׁ (behadrei qodesh), ‘in heilige pracht’, wordt door sommige handschriften gelezen als בְּהַרְרֵי קֹדֶשׁ (beharrei qodesh), ‘op de heilige bergen’.
יַלְדֻתֶיךָ (yaldutecha), ‘je jeugd’, kan ook ‘je jonge mannen’ betekenen.
Sommige oude vertalingen lezen het slot van het vers anders.
Wij volgen de Masoretische tekst.
De eed: priester voor eeuwig
Melchisedek was koning van Salem en priester van Elohim, de Allerhoogste (Gen. 14:18–20).
Hier zweert Yahweh dat de aangesprokene voor eeuwig priester is.
Het rood loopt over de woorden van de eed.
עַל דִּבְרָתִי (al divrati) is moeilijk.
Wij vertalen ‘volgens de wijze van’.
Het kan ook ‘op mijn woord’ of ‘ter wille van’ betekenen.
מַלְכִּי צֶדֶק (Malki-tsedek) betekent ‘mijn koning is gerechtigheid’; wij schrijven de naam ‘Melchisedek’, zoals in Genesis.
De Heer oordeelt de volken
אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: hier de gewone aanduiding van Elohim.
Wij nemen aan dat Yahweh bedoeld is, die in vers 1 de aangesprokene aan Zijn rechterhand liet zitten; nu staat Hij aan de rechterhand van de aangesprokene.
Het kan ook de aangesprokene zelf zijn.
גְּוִיּוֹת (geviyyot), ‘lijken’: het Hebreeuws zegt alleen ‘vol lijken’.
רֹאשׁ (rosh), ‘hoofd’, kan één leider zijn of de leiders in het algemeen.
אֶרֶץ רַבָּה (erets rabbah) is ‘een groot land’ of ‘vele landen’.
Wie de beek drinkt, is niet gezegd.
Het beeld is dat van een krijger die onderweg drinkt, wordt verfrist en het hoofd opheft.
Wij nemen Hem uit vers 5–6 als onderwerp; het kan ook de aangesprokene zijn.