Elohim Bijbel

Psalmen 21

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Dank voor de koning en vertrouwen op Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Opschrift

1Voor de koorleider. Een psalm van David.
לַמְנַצֵּ֗חַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
מִזְמ֥וֹר
(mizmor)
een psalm
לְדָוִֽד
(ledavid)
van David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לַמְנַצֵּחַ (lamnatseach), ‘voor de koorleider’: de betekenis is onzeker; het wijst op iemand die de leiding heeft bij de zang en muziek.

In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.

Dank voor wat Yahweh de koning gaf

2Yahweh, in Uw kracht is de koning blij, en hoezeer verheugt hij zich om Uw redding!
יְֽהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּעָזְּךָ֥
(beazekha)
in Uw kracht
יִשְׂמַח
(yismach)
is blij
מֶ֑לֶךְ
(melekh)
de koning
וּ֝בִישׁ֥וּעָתְךָ֗
(uvishuatekha)
en om Uw redding
מַה
(ma)
hoezeer
יָּ֥גֶל
(yagel)
verheugt hij zich
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In dit lied gaat het over de koning; het volk spreekt Yahweh aan.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is יגיל (yagil), ‘hij jubelt’.

De te lezen vorm (qere) is יגל (yagel), met dezelfde betekenis.

Wij volgen de qere.

3Het verlangen van zijn hart hebt U hem gegeven. Het verzoek van zijn lippen hebt U niet onthouden. Sela.
תַּאֲוַ֣ת
(taavat)
verlangen van
לִ֭בּוֹ
(libo)
zijn hart
נָתַ֣תָּה
(natata)
hebt U gegeven
לּ֑וֹ
(lo)
aan hem
וַאֲרֶ֥שֶׁת
(vaareshet)
en het verzoek van
שְׂ֝פָתָ֗יו
(sefatav)
zijn lippen
בַּל
(bal)
niet
מָנַ֥עְתָּ
(manata)
hebt U onthouden
סֶּֽלָה
(sela)
Sela
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֶלָה (Sela): zie bij Ps. 20:4.

אֲרֶשֶׁת (areshet), ‘verzoek’: dit woord komt alleen hier voor.

4Want U komt hem tegemoet met goede zegeningen. U zet een kroon van zuiver goud op zijn hoofd.
כִּֽי
(ki)
want
תְ֭קַדְּמֶנּוּ
(teqademenu)
U komt hem tegemoet
בִּרְכ֣וֹת
(birkhot)
met zegeningen van
ט֑וֹב
(tov)
goed
תָּשִׁ֥ית
(tashit)
U zet
לְ֝רֹאשׁ֗וֹ
(lerosho)
op zijn hoofd
עֲטֶ֣רֶת
(ateret)
een kroon van
פָּֽז
(paz)
zuiver goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Leven vroeg hij van U. U hebt het hem gegeven: lengte van dagen, voor eeuwig en altijd.
חַיִּ֤ים
(chayim)
leven
שָׁאַ֣ל
(shaal)
vroeg hij
מִ֭מְּךָ
(mimekha)
van U
נָתַ֣תָּה
(natata)
hebt U gegeven
לּ֑וֹ
(lo)
aan hem
אֹ֥רֶךְ
(orekh)
lengte van
יָ֝מִ֗ים
(yamim)
dagen
עוֹלָ֥ם
(olam)
voor eeuwig
וָעֶֽד
(vaed)
en altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Groot is zijn eer door Uw redding. Majesteit en luister legt U op hem.
גָּד֣וֹל
(gadol)
groot
כְּ֭בוֹדוֹ
(kevodo)
is zijn eer
בִּישׁוּעָתֶ֑ךָ
(bishuatekha)
door Uw redding
ה֥וֹד
(hod)
majesteit
וְ֝הָדָר
(vehadar)
en luister
תְּשַׁוֶּ֥ה
(teshave)
legt U
עָלָֽיו
(alav)
op hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Want U maakt hem tot zegeningen voor altijd. U verblijdt hem met vreugde bij Uw aangezicht.
כִּֽי
(ki)
want
תְשִׁיתֵ֣הוּ
(teshitehu)
U maakt hem tot
בְרָכ֣וֹת
(berakhot)
zegeningen
לָעַ֑ד
(laad)
voor altijd
תְּחַדֵּ֥הוּ
(techadehu)
U verblijdt hem
בְ֝שִׂמְחָ֗ה
(besimcha)
met vreugde
אֶת
(et)
bij
פָּנֶֽיךָ
(paneikha)
Uw aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁית בְּרָכוֹת (shit berakhot), ‘tot zegeningen maken’: de koning wordt zelf een zegen voor anderen.

Vergelijk Gen. 12:2.

8Want de koning vertrouwt op Yahweh. Door de trouw van de Allerhoogste wankelt hij niet.
כִּֽי
(ki)
want
הַ֭מֶּלֶךְ
(hamelekh)
de koning
בֹּטֵ֣חַ
(boteach)
vertrouwt
בַּיהוָ֑ה
(baYahweh)
op Yahweh
וּבְחֶ֥סֶד
(uvechesed)
en door de trouw van
עֶ֝לְי֗וֹן
(elyon)
de Allerhoogste
בַּל
(bal)
niet
יִמּֽוֹט
(yimot)
wankelt hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶלְיוֹן (Eljon), ‘de Allerhoogste’: een naam voor Elohim.

Zie ook Gen. 14:18–20.

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw, goedertierenheid. Zie ook Ruth 1:8.

Yahweh slaat de vijanden van de koning

9Uw hand zal al Uw vijanden vinden. Uw rechterhand zal wie U haten vinden.
תִּמְצָ֣א
(timtsa)
vindt
יָ֭דְךָ
(yadekha)
Uw hand
לְכָל
(lekhal)
alle
אֹיְבֶ֑יךָ
(oyeveikha)
Uw vijanden
יְ֝מִֽינְךָ
(yeminekha)
Uw rechterhand
תִּמְצָ֥א
(timtsa)
zal vinden
שֹׂנְאֶֽיךָ
(soneeikha)
wie U haten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10U maakt hen tot een vuuroven ten tijde van Uw aangezicht. Yahweh zal hen in Zijn toorn verslinden, en vuur zal hen verteren.
תְּשִׁיתֵ֤מוֹ
(teshitemo)
U maakt hen
כְּתַנּ֥וּר
(ketanur)
als een oven van
אֵשׁ֮
(esh)
vuur
לְעֵ֪ת
(leet)
ten tijde van
פָּ֫נֶ֥יךָ
(paneikha)
Uw aangezicht
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
בְּאַפּ֣וֹ
(beapo)
in Zijn toorn
יְבַלְּעֵ֑ם
(yevaleem)
zal hen verslinden
וְֽתֹאכְלֵ֥ם
(vetokhlem)
en zal hen verteren
אֵֽשׁ
(esh)
vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In dit vers gaat de tekst van ‘U’ over op ‘Yahweh’ in de derde persoon.

Wij laten dat zo staan.

לְעֵת פָּנֶיךָ (le’et panecha), ‘ten tijde van Uw aangezicht’: wanneer U verschijnt.

11Hun vrucht zult U van de aarde laten verdwijnen, en hun nageslacht uit de mensenkinderen.
פִּ֭רְיָמוֹ
(piryamo)
hun vrucht
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
van de aarde
תְּאַבֵּ֑ד
(teabed)
zult U laten verdwijnen
וְ֝זַרְעָ֗ם
(vezaram)
en hun nageslacht
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van
אָדָֽם
(adam)
de mensenkinderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Want zij strekten kwaad tegen U uit. Zij bedachten een plan, maar zij zijn er niet toe in staat.
כִּי
(ki)
want
נָט֣וּ
(natu)
zij strekten
עָלֶ֣יךָ
(aleikha)
tegen U
רָעָ֑ה
(raa)
kwaad
חָֽשְׁב֥וּ
(chashevu)
zij bedachten
מְ֝זִמָּ֗ה
(mezima)
een plan
בַּל
(bal)
niet
יוּכָֽלוּ
(yukhalu)
zijn zij in staat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Want U laat hen de rug toekeren. Met Uw bogepezen richt U op hun gezichten.
כִּ֭י
(ki)
want
תְּשִׁיתֵ֣מוֹ
(teshitemo)
U maakt hen
שֶׁ֑כֶם
(shekhem)
tot rug
בְּ֝מֵֽיתָרֶ֗יךָ
(bemeitareikha)
met Uw bogepezen
תְּכוֹנֵ֥ן
(tekhonen)
U richt
עַל
(al)
op
פְּנֵיהֶֽם
(peneihem)
hun gezichten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁכֶם (shekhem), letterlijk ‘schouder’, ‘rug’.

‘U maakt hen rug’ betekent: U laat hen de rug toekeren, zij vluchten.

מֵיתָר (meitar), ‘koord’, hier de pees van een boog.

Slotbede

14Verhef U, Yahweh, in Uw kracht! Wij willen zingen en Uw macht bezingen.
ר֣וּמָה
(ruma)
verhef U
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּעֻזֶּ֑ךָ
(beuzekha)
in Uw kracht
נָשִׁ֥ירָה
(nashira)
wij willen zingen
וּֽ֝נְזַמְּרָה
(unezamera)
en wij willen bezingen
גְּבוּרָתֶֽךָ
(gevuratekha)
Uw macht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)