Elohim Bijbel

Psalmen 102

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Gebed van een ellendige: U blijft, Sion wordt herbouwd

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Gebed van een ellendige

1Een gebed van een ellendige, wanneer hij bezwijkt en zijn klacht voor het aangezicht van Yahweh uitstort.
תְּ֭פִלָּה
(tefila)
gebed
לְעָנִ֣י
(leani)
van een ellendige
כִֽי
(ki)
wanneer
יַעֲטֹ֑ף
(yaatof)
hij bezwijkt
וְלִפְנֵ֥י
(velifnei)
en voor het aangezicht van
יְ֝הוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יִשְׁפֹּ֥ךְ
(yishpokh)
stort uit
שִׂיחֽוֹ
(sicho)
zijn klacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.

תְּפִלָּה (tefillah), ‘gebed’. עָנִי (ani), ‘ellendige’: iemand die in nood is en onderdrukt wordt. יַעֲטֹף (ya’atof), ‘bezwijken’: zwak worden en bijna flauwvallen. שִׂיחוֹ (sicho), ‘zijn klacht’: wat hij in zijn nood overpeinst en uitspreekt.

2Yahweh, hoor mijn gebed. Laat mijn hulpgeroep tot U komen.
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
שִׁמְעָ֣ה
(shima)
hoor
תְפִלָּתִ֑י
(tefilati)
mijn gebed
וְ֝שַׁוְעָתִ֗י
(veshavati)
en mijn hulpgeroep
אֵלֶ֥יךָ
(eleikha)
tot U
תָבֽוֹא
(tavo)
laat komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁוְעָה (shav’ah), ‘hulpgeroep’: een schreeuw om hulp.

3Verberg Uw aangezicht niet voor mij op de dag van mijn nood. Neig Uw oor tot mij. Op de dag dat ik roep, antwoord mij snel.
אַל
(al)
niet
תַּסְתֵּ֬ר
(taster)
verberg
פָּנֶ֨יךָ
(paneikha)
Uw aangezicht
מִמֶּנִּי֮
(mimeni)
voor mij
בְּי֪וֹם
(beyom)
op de dag van
צַ֫ר
(tsar)
nood
לִ֥י
(li)
mij
הַטֵּֽה
(hate)
neig
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
אָזְנֶ֑ךָ
(azenekha)
Uw oor
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag dat
אֶ֝קְרָ֗א
(eqra)
ik roep
מַהֵ֥ר
(maher)
snel
עֲנֵֽנִי
(aneni)
antwoord mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mijn dagen vergaan als rook

4Want mijn dagen zijn vergaan in rook, en mijn beenderen gloeien als een haard.
כִּֽי
(ki)
want
כָל֣וּ
(kalu)
zijn vergaan
בְעָשָׁ֣ן
(beashan)
in rook
יָמָ֑י
(yamay)
mijn dagen
וְ֝עַצְמוֹתַ֗י
(veatsmotay)
en mijn beenderen
כְּמוֹ
(kemo)
als
קֵ֥ד
(qed)
haard
נִחָֽרוּ
(nicharu)
gloeien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֵד (qed), ‘haard’: een zeldzaam woord; de betekenis is onzeker (‘haard’ of ‘brandhout’).

נִחָרוּ (nicharu), ‘gloeien’: verhit zijn door koorts of smart.

5Mijn hart is geslagen en verdord als gras. Ik vergeet zelfs mijn brood te eten.
הוּכָּֽה
(huka)
is geslagen
כָ֭עֵשֶׂב
(kaesev)
als gras
וַיִּבַ֣שׁ
(vayivash)
en verdord
לִבִּ֑י
(libi)
mijn hart
כִּֽי
(ki)
want
שָׁ֝כַ֗חְתִּי
(shakhachti)
ik vergeet
מֵאֲכֹ֥ל
(meakhol)
te eten
לַחְמִֽי
(lachmi)
mijn brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֵב (lev), ‘hart’: de zetel van gevoel en wil.

Wie ziek is van smart, eet niet meer.

6Door het geluid van mijn gekreun kleeft mijn gebeente aan mijn vlees.
מִקּ֥וֹל
(miqol)
door het geluid van
אַנְחָתִ֑י
(anchati)
mijn gekreun
דָּבְקָ֥ה
(daveqa)
kleeft
עַ֝צְמִ֗י
(atsmi)
mijn gebeente
לִבְשָׂרִֽי
(livsari)
aan mijn vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Ik lijk op een pelikaan in de woestijn. Ik ben als een steenuiltje van de ruïnes.
דָּ֭מִיתִי
(damiti)
ik lijk op
לִקְאַ֣ת
(liqat)
pelikaan van
מִדְבָּ֑ר
(midbar)
woestijn
הָ֝יִ֗יתִי
(hayiti)
ben geworden
כְּכ֣וֹס
(kekhos)
als steenuiltje van
חֳרָבֽוֹת
(choravot)
ruïnes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְאַת (qa’at), ‘pelikaan’, en כּוֹס (kos), ‘steenuiltje’: dezelfde woorden en dieren als in Lev. 11:17–18.

Het zijn vogels van verlaten, eenzame plaatsen.

8Ik lig wakker. Ik ben geworden als een eenzame vogel op een dak.
שָׁקַ֥דְתִּי
(shaqadti)
ik lig wakker
וָאֶֽהְיֶ֑ה
(vaehye)
en ik ben geworden
כְּ֝צִפּ֗וֹר
(ketsipor)
als vogel
בּוֹדֵ֥ד
(boded)
eenzaam
עַל
(al)
op
גָּֽג
(gag)
dak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9De hele dag smaden mijn vijanden mij. Wie tegen mij razen, zweren bij mij.
כָּל
(kal)
de hele
הַ֭יּוֹם
(hayom)
dag
חֵרְפ֣וּנִי
(cherefuni)
smaden mij
אוֹיְבָ֑י
(oyevay)
mijn vijanden
מְ֝הוֹלָלַ֗י
(meholalay)
wie razen tegen mij
בִּ֣י
(bi)
bij mij
נִשְׁבָּֽעוּ
(nishbau)
zweren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּי נִשְׁבָּעוּ (bi nishba’u), ‘zij zweren bij mij’: zij gebruiken de naam van de ellendige in hun vloeken.

Zie ook Jer. 29:22.

10Want as eet ik als brood, en mijn drank meng ik met tranen.
כִּי
(ki)
want
אֵ֭פֶר
(efer)
as
כַּלֶּ֣חֶם
(kalechem)
als brood
אָכָ֑לְתִּי
(akhalti)
eet ik
וְ֝שִׁקֻּוַ֗י
(veshiquvay)
en mijn drank
בִּבְכִ֥י
(bivkhi)
met tranen
מָסָֽכְתִּי
(masakhti)
meng ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Het komt door Uw verontwaardiging en Uw woede, want U hebt mij opgetild en neergeworpen.
מִפְּנֵֽי
(mipenei)
vanwege
זַֽעַמְךָ֥
(zaamkha)
Uw verontwaardiging
וְקִצְפֶּ֑ךָ
(veqitspekha)
en Uw woede
כִּ֥י
(ki)
want
נְ֝שָׂאתַ֗נִי
(nesatani)
U hebt mij opgetild
וַתַּשְׁלִיכֵֽנִי
(vatashlikheni)
en neergeworpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Mijn dagen zijn als een schaduw die zich uitstrekt, en ik verdor als gras.
יָ֭מַי
(yamay)
mijn dagen
כְּצֵ֣ל
(ketsel)
als schaduw
נָט֑וּי
(natuy)
die zich uitstrekt
וַ֝אֲנִ֗י
(vaani)
en ik
כָּעֵ֥שֶׂב
(kaesev)
als gras
אִיבָֽשׁ
(ivash)
verdor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Maar U blijft, Yahweh

13Maar U, Yahweh, blijft voor eeuwig. De gedachtenis aan U is van generatie op generatie.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en U
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
תֵּשֵׁ֑ב
(teshev)
blijft
וְ֝זִכְרְךָ֗
(vezikhrekha)
en de gedachtenis aan U
לְדֹ֣ר
(ledor)
van generatie
וָדֹֽר
(vador)
en generatie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14U zult opstaan en Sion erbarmen tonen, want het is tijd om haar genadig te zijn. Want de vastgestelde tijd is gekomen.
אַתָּ֣ה
(ata)
U
תָ֭קוּם
(taqum)
zult opstaan
תְּרַחֵ֣ם
(terachem)
zult erbarmen tonen
צִיּ֑וֹן
(tsiyon)
Sion
כִּי
(ki)
want
עֵ֥ת
(et)
tijd
לְ֝חֶֽנְנָ֗הּ
(lechennah)
om haar genadig te zijn
כִּי
(ki)
want
בָ֥א
(ba)
is gekomen
מוֹעֵֽד
(moed)
de vastgestelde tijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מוֹעֵד (mo’ed), ‘vastgestelde tijd’: de tijd die Yahweh Zelf heeft bepaald.

15Want Uw dienaren hebben behagen in haar stenen, en zij tonen mededogen met haar stof.
כִּֽי
(ki)
want
רָצ֣וּ
(ratsu)
hebben behagen
עֲ֭בָדֶיךָ
(avadeikha)
Uw dienaren
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבָנֶ֑יהָ
(avaneiha)
haar stenen
וְֽאֶת
(veet)
en
עֲפָרָ֥הּ
(afarah)
haar stof
יְחֹנֵֽנוּ
(yechonenu)
tonen mededogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲבָנֶיהָ (avaneha), ‘haar stenen’, en עֲפָרָהּ (afarah), ‘haar stof’: de puinhopen van Sion.

Wie van Yahweh houdt, houdt ook van de verwoeste stad.

De volken zullen Yahweh vrezen

16Dan zullen de volken de naam van Yahweh vrezen, en alle koningen van de aarde Uw heerlijkheid.
וְיִֽירְא֣וּ
(veyireu)
en zullen vrezen
ג֭וֹיִם
(goyim)
volken
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְֽכָל
(vekhal)
en alle
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
הָ֝אָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
אֶת
(et)
(obj.)
כְּבוֹדֶֽךָ
(kevodekha)
Uw heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Want Yahweh heeft Sion herbouwd. Hij is verschenen in Zijn heerlijkheid.
כִּֽי
(ki)
want
בָנָ֣ה
(bana)
heeft herbouwd
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צִיּ֑וֹן
(tsiyon)
Sion
נִ֝רְאָ֗ה
(nira)
is verschenen
בִּכְבוֹדֽוֹ
(bikhvodo)
in Zijn heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

18Hij heeft Zich gewend tot het gebed van de berooiden. Hij heeft hun gebed niet veracht.
פָּ֭נָה
(pana)
heeft Zich gewend
אֶל
(el)
tot
תְּפִלַּ֣ת
(tefilat)
gebed van
הָעַרְעָ֑ר
(haarar)
de berooiden
וְלֹֽא
(velo)
en niet
בָ֝זָ֗ה
(baza)
heeft veracht
אֶת
(et)
(obj.)
תְּפִלָּתָֽם
(tefilatam)
hun gebed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַרְעָר (ar’ar), ‘berooide’: een zeldzaam woord; de betekenis is onzeker (‘naakte’, ‘berooide’).

19Dit zal worden opgeschreven voor een volgende generatie. Een volk dat geschapen wordt, zal Jah prijzen.
תִּכָּ֣תֶב
(tikatev)
zal worden opgeschreven
זֹ֭את
(zot)
dit
לְד֣וֹר
(ledor)
voor generatie
אַחֲר֑וֹן
(acharon)
volgende
וְעַ֥ם
(veam)
en volk
נִ֝בְרָ֗א
(nivra)
dat geschapen wordt
יְהַלֶּל
(yehalel)
zal prijzen
יָֽהּ
(yah)
Jah
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָהּ (Jah): een korte vorm van de naam Yahweh.

Zie ook Ps. 68:5 en 94:7.

עַם נִבְרָא (am nivra), ‘een volk dat geschapen wordt’: een volk dat nog niet geboren is.

20Want Hij heeft neergekeken vanuit Zijn heilige hoogte. Yahweh heeft vanuit de hemel naar de aarde gekeken:
כִּֽי
(ki)
want
הִ֭שְׁקִיף
(hishqif)
heeft neergekeken
מִמְּר֣וֹם
(mimerom)
vanuit hoogte van
קָדְשׁ֑וֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
יְ֝הוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
מִשָּׁמַ֤יִם
(mishamayim)
vanuit de hemel
אֶל
(el)
naar
אֶ֬רֶץ
(erets)
de aarde
הִבִּֽיט
(hibit)
heeft gekeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21om het gezucht van de gevangene te horen; om de zonen van de dood los te maken;
לִ֭שְׁמֹעַ
(lishmoa)
om te horen
אֶנְקַ֣ת
(enqat)
gezucht van
אָסִ֑יר
(asir)
gevangene
לְ֝פַתֵּ֗חַ
(lefateach)
om los te maken
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
תְמוּתָֽה
(temuta)
de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי תְמוּתָה (benei temutah), ‘zonen van de dood’: wie ter dood veroordeeld is of op sterven ligt.

22om in Sion de naam van Yahweh te vertellen en Zijn lof in Jeruzalem;
לְסַפֵּ֣ר
(lesaper)
om te vertellen
בְּ֭צִיּוֹן
(betsiyon)
in Sion
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּ֝תְהִלָּת֗וֹ
(utehilato)
en Zijn lof
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

23wanneer de volken zich samen verzamelen, en de koninkrijken, om Yahweh te dienen.
בְּהִקָּבֵ֣ץ
(behiqavets)
wanneer zij zich verzamelen
עַמִּ֣ים
(amim)
volken
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
וּ֝מַמְלָכ֗וֹת
(umamlakhot)
en koninkrijken
לַעֲבֹ֥ד
(laavod)
om te dienen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Uw jaren nemen geen einde

24Hij heeft mijn kracht onderweg uitgeput. Hij heeft mijn dagen verkort.
עִנָּ֖ה
(ina)
heeft uitgeput
בַדֶּ֥רֶךְ
(baderekh)
onderweg
כֹּחִ֗י
(kochi)
mijn kracht
קִצַּ֥ר
(qitsar)
heeft verkort
יָמָֽי
(yamay)
mijn dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staat כֹּחוֹ (kocho), ‘zijn kracht’.

De voorgelezen tekst (qere) leest כֹּחִי (kochi), ‘mijn kracht’.

Wij volgen de qere.

25Ik zei: „Mijn El, neem mij niet weg in de helft van mijn dagen. Uw jaren duren van generatie op generatie.”
אֹמַ֗ר
(omar)
ik zei
אֵלִ֗י
(eli)
mijn El
אַֽל
(al)
niet
תַּ֭עֲלֵנִי
(taaleni)
neem mij weg
בַּחֲצִ֣י
(bachatsi)
in de helft van
יָמָ֑י
(yamay)
mijn dagen
בְּד֖וֹר
(bedor)
van generatie op
דּוֹרִ֣ים
(dorim)
generaties
שְׁנוֹתֶֽיךָ
(shenoteikha)
Uw jaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵלִי (Eli), ‘mijn El’: een aanspreking van Elohim.

26Lang geleden hebt U de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn het werk van Uw handen.
לְ֭פָנִים
(lefanim)
lang geleden
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
de aarde
יָסַ֑דְתָּ
(yasadta)
hebt U gegrondvest
וּֽמַעֲשֵׂ֖ה
(umaase)
en werk van
יָדֶ֣יךָ
(yadeikha)
Uw handen
שָׁמָֽיִם
(shamayim)
de hemelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 26–28 worden aangehaald in Hebr. 1:10–12.

27Zij zullen vergaan, maar U blijft staan. Zij allen zullen verslijten als een kleed. Als een gewaad verwisselt U hen, en zij worden verwisseld.
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
יֹאבֵדוּ֮
(yovedu)
zullen vergaan
וְאַתָּ֪ה
(veata)
en U
תַ֫עֲמֹ֥ד
(taamod)
blijft staan
וְ֭כֻלָּם
(vekhulam)
en zij allen
כַּבֶּ֣גֶד
(kabeged)
als een kleed
יִבְל֑וּ
(yivlu)
verslijten
כַּלְּב֖וּשׁ
(kalevush)
als gewaad
תַּחֲלִיפֵ֣ם
(tachalifem)
verwisselt U hen
וְֽיַחֲלֹֽפוּ
(veyachalofu)
en zij worden verwisseld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Maar U bent dezelfde, en Uw jaren nemen geen einde.
וְאַתָּה
(veata)
en U
ה֑וּא
(hu)
Hij
וּ֝שְׁנוֹתֶ֗יךָ
(ushenoteikha)
en Uw jaren
לֹ֣א
(lo)
niet
יִתָּֽמּוּ
(yitamu)
nemen een einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאַתָּה הוּא (ve’attah hu), ‘U bent Hij’: U blijft dezelfde.

Vergelijk Jes. 41:4 en 43:10, waar Yahweh zegt: ‘Ik ben Hij’.

29De zonen van Uw dienaren zullen blijven wonen, en hun nageslacht zal voor Uw aangezicht standhouden.
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
עֲבָדֶ֥יךָ
(avadeikha)
Uw dienaren
יִשְׁכּ֑וֹנוּ
(yishkonu)
zullen blijven wonen
וְ֝זַרְעָ֗ם
(vezaram)
en hun nageslacht
לְפָנֶ֥יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
יִכּֽוֹן
(yikon)
standhouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)