Judas 1
Strijden voor het geloof; waarschuwing tegen de indringers
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef
Ἰούδας (Ioudas), ‘Judas’: dezelfde naam als Juda, de zoon van Jakob.
Dit is niet Judas Iskariot; vergelijk Joh. 14:22, ‘Judas, niet de Iskariot’.
De brief noemt de schrijver ‘broer van Jakobus’; welke Jakobus, zegt de tekst niet.
In Matt. 13:55 en Mark. 6:3 staan Jakobus en Judas onder de broers van Yeshua. δοῦλος (doulos), ‘knecht’; κλητοί (kletoi), ‘geroepenen’.
τετηρημένοις (teteremenois), ‘bewaarden’: bewaard of bewaakt, hetzelfde werkwoord τηρέω (tereo) als in 1 Joh. 2:3 ‘onderhouden’; in vers 6, 13 en 21 ‘bewaren’. De datief Ἰησοῦ Χριστῷ kan ‘door’ of ‘voor’ Yeshua de Messias betekenen.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘geliefd’ (ἠγαπημένοις); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 14:22; Matt. 13:55; Mark. 6:3.
πληθυνθείη (plethyntheie), ‘moge toenemen’ (letterlijk ‘moge vermenigvuldigd worden’): een wens, zoals in 1 Petr. 1:2 en 2 Petr. 1:2. ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’.
Zie ook 1 Petr. 1:2; 2 Petr. 1:2.
Strijden voor het geloof
σωτηρία (soteria), ‘redding’. κοινῆς σωτηρίας (koines soterias), ‘gemeenschappelijke redding’: de redding die allen delen. ἐπαγωνίζομαι (epagonizomai), ‘strijden’: zoals een atleet in een wedstrijd. ἅπαξ (hapax), ‘eens voor altijd’: eenmalig. ἀνάγκην ἔσχον (anagken eschon), ‘ik moest’: letterlijk ‘ik had noodzaak’. ἅγιοι (hagioi), ‘heiligen’: de gelovigen.
De brief verandert van onderwerp: de schrijver wilde over de redding schrijven, maar de situatie dwingt tot een waarschuwing.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘onze’ (ἡμῶν); wij volgen de SBLGNT.
παρεισδύνω (pareisdyno), ‘heimelijk binnensluipen’. προγράφω (prographo), ‘tevoren opgetekend’: eerder opgeschreven, in de Schrift of in een boek van het oordeel; de tekst zegt niet waar. ἀσεβής (asebes), ‘goddeloos’: wij vertalen zo ook in 2 Petr. 2. ἀσέλγεια (aselgeia), ‘losbandigheid’. δεσπότης (despotes), ‘Heerser’: iemand met volledig gezag, anders dan κύριος (kyrios), ‘Heer’.
Wij houden ‘Heerser’ zoals in 2 Petr. 2:1; ook in Luc. 2:29 en Hand. 4:24 staat dit woord, daar voor Elohim.
Het Grieks heeft één lidwoord voor ‘Heerser en Heer’; de zin kan daarom één persoon bedoelen, Yeshua de Messias. ἀρνέομαι (arneomai), ‘verloochenen’: zoals in 2 Petr. 2:1.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘Heerser’ (δεσπότην); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 2 Petr. 2:1–3.
Voorbeelden van oordeel
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Ἰησοῦς (Iesous), ‘Yeshua’: dezelfde naam als Jozua (Hebr.
Yehoshua).
De SBLGNT schrijft hier Ἰησοῦς en markeert een variant.
De tekst zegt niet of Jozua of Yeshua de Messias bedoeld wordt; wij vertalen de naam zoals de SBLGNT hem geeft.
Het ‘daarna’ (τὸ δεύτερον, to deuteron) is letterlijk ‘het tweede’ of ‘de tweede maal’.
Het verhaal van wie niet geloofde, staat in Num. 14:26–35.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden ‘jullie eens voor altijd’, bij het woord ‘alles’ en bij het woord ‘Yeshua’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Exod. 14:30; Num. 14:29.
ἀρχή (arche), ‘heerschappij’: wij houden de weergave van Ef. 1:21; het woord kan ook ‘begin’ of ‘oorspronkelijke staat’ betekenen. οἰκητήριον (oiketerion), ‘woning’. δεσμοῖς ἀϊδίοις (desmois aidiois), ‘in eeuwige boeien’: ἀΐδιος is een ander woord dan αἰώνιος (aionios), ‘eeuwig’ in vers 7. ζόφος (zofos), ‘diepe duisternis’: zoals in 2 Petr. 2:4.
De brief zegt niet om welk verhaal het gaat; vergelijk 2 Petr. 2:4.
Gen. 6:1–4 en Henoch 10:4–6 vertellen over hemelse wezens en hun straf; de brief zegt niet dat hij daarnaar verwijst.
Wij kiezen geen uitleg.
Zie ook 2 Petr. 2:4; Gen. 6:1–4; Henoch 10:4–6.
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Σόδομα καὶ Γόμορρα (Sodoma kai Gomorra), ‘Sodom en Gomorra’: het verhaal staat in Gen. 18–19. ἐκπορνεύω (ekporneuo), ‘ontucht bedrijven’. ὀπίσω σαρκὸς ἑτέρας (opiso sarkos heteras), ‘achter ander vlees aan’: ander vlees dan hun eigen soort; het Grieks laat de precieze zin open. δεῖγμα (deigma), ‘voorbeeld’: wat men ter waarschuwing toont. ὡς (hos), ‘zoals’: de zin sluit aan op de voorbeelden van de verzen 5 en 6.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden ‘op de gelijke manier als dezen’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Gen. 19:24–25; 2 Petr. 2:6.
Hun werk en hun einde
ἐνυπνιάζομαι (enypniazomai), ‘dromen’: de tekst zegt niet of het om visioenen gaat of om een waan. σάρξ (sarx), ‘vlees’. κυριότης (kyriotes), ‘oppermacht’: zoals in Ef. 1:21 en 2 Petr. 2:10. δόξαι (doxai), ‘heerlijkheden’: het Grieks zegt niet wie bedoeld wordt, hemelse wezens of eerbiedwaardige machten; zie 2 Petr. 2:10. βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’.
Zie ook 2 Petr. 2:10.
Μιχαήλ (Michael), ‘Michaël’: zie Dan. 10:13 en Dan. 12:1. ἀρχάγγελος (archangelos), ‘aartsengel’.
Het verhaal over een geschil om het lichaam van Mozes staat niet in onze tekst; Deut. 34:5–6 vertelt alleen van Mozes’ dood en begrafenis.
De brief zegt niet waar het verhaal vandaan komt. διακρίνομαι (diakrinomai), ‘een geschil hebben’: elders ‘twijfelen’ (Jak. 1:6) of ‘onderscheid maken’ (Jak. 2:4). βλασφημία (blasfemia), ‘lastering’.
‘Moge Yahweh je bestraffen’ (ἐπιτιμήσαι σοι κύριος) is de uitdrukking van Zach. 3:2, waar Yahweh tot de satan spreekt.
Daarom schrijven wij ‘Yahweh’ voor κύριος. ἐπιτιμάω (epitimao), ‘bestraffen’.
Zie ook Zach. 3:2; Deut. 34:5–6; Dan. 10:13.
ὅσα … οὐκ οἴδασιν (hosa … ouk oidasin), ‘alles wat zij niet kennen’: zij lasteren wat boven hun verstand gaat. φυσικῶς (fysikos), ‘van nature’: door instinct. ἄλογα ζῷα (aloga zoa), ‘redeloze dieren’: zonder verstand, zoals in 2 Petr. 2:12. φθείρομαι (ftheiromai), ‘vergaan’: zoals in 2 Petr. 2:12.
Zie ook 2 Petr. 2:12.
Kaïn: zie Gen. 4:1–16.
Bileam (Βαλαάμ, Balaam): zie Num. 22–24; in Num. 31:16 wordt hij in verband gebracht met de verleiding van Israël. 2 Petr. 2:15 noemt Bileam ook. ἐκχέω (ekcheo), ‘uitstorten’: hier ‘zich overgeven aan’, letterlijk ‘uitgestort worden’.
Korach (Κόρε, Kore): zie Num. 16; de opstand van Korach tegen Mozes en Aäron. ἀντιλογία (antilogia), ‘tegenspraak’.
Zie ook Gen. 4:1–16; Num. 22:1–24:25; Num. 16:1–35; 2 Petr. 2:15.
ἀγάπαι (agapai), ‘liefdemaaltijden’: het meervoud van ‘liefde’; waarschijnlijk de gezamenlijke maaltijden van de gemeente; vergelijk 1 Kor. 11:20–22. 2 Petr. 2:13 heeft op dezelfde plaats ἀπάται (apatai), ‘verleidingen’. σπιλάδες (spilades): wij lezen ‘klippen’, rotsen in zee; het kan ook ‘vlekken’ betekenen (vergelijk σπίλοι, spiloi, in 2 Petr. 2:13).
Wij kiezen ‘klippen’. συνευωχέομαι (syneuocheomai), ‘meefeesten’, zoals in 2 Petr. 2:13. ποιμαίνω (poimaino), ‘weiden’: als herder zorgen; hier alleen voor zichzelf. ἄνυδροι (anydroi), ‘zonder water’: zoals in 2 Petr. 2:17. φθινοπωρινά (ftinoporina), ‘van de herfst’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het lidwoord ‘de’ (οἱ) voor ‘bij jullie liefdemaaltijden’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Kor. 11:20–22; 2 Petr. 2:13; 2 Petr. 2:17.
ἐπαφρίζω (epafrizo), ‘opschuimen’: schuim als schande werpen. ἀστέρες πλανῆται (asteres planetai), ‘dwalende sterren’: sterren zonder vaste baan. ζόφος τοῦ σκότους (zofos tou skotous), ‘de diepe duisternis van de duisternis’: zoals in 2 Petr. 2:17. τετήρηται (teteretai), ‘is bewaard’: zie vers 1.
Zie ook 2 Petr. 2:17.
Henoch heeft het voorzegd
Henoch (Ἑνώχ, Henoch): zie Gen. 5:18–24.
‘De zevende vanaf Adam’: In Gen. 5 is Henoch de zevende in de rij vanaf Adam.
Het citaat in de verzen 14–15 komt overeen met Henoch 1:9; de brief citeert dit woord van Henoch. ἦλθεν κύριος (elthen kyrios), ‘Yahweh is gekomen’: het Grieks heeft de verleden tijd; dat kan een profetische verleden tijd zijn, voor iets dat zo zeker is alsof het al gebeurd is.
Wij schrijven ‘Yahweh’ voor κύριος: het citaat gaat over de komst van Elohim voor het oordeel; vergelijk Zach. 14:5. μυριάς (myrias), ‘tienduizendtal’: een heel groot aantal.
Zie ook Henoch 1:9; Gen. 5:18–24.
ἐλέγχω (elencho), ‘overtuigen’: iemand van schuld overtuigen, zoals in Jak. 2:9. ἀσεβής (asebes), ‘goddeloos’, en ἀσέβεια (asebeia), ‘goddeloosheid’: het woord komt met verwante vormen vier keer in dit vers voor, ook in ‘zondaars, goddelozen’ aan het slot.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden ‘alle goddelozen’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Henoch 1:9.
γογγυστής (gongystes), ‘mopperaar’: iemand die zachtjes klaagt, zoals het volk in de woestijn (vergelijk Num. 14:27). μεμψίμοιρος (mempsimoiros), ‘die over zijn lot klaagt’: iemand die steeds over zijn lot of zijn deel klaagt. ὑπέρογκα (hyperonka), ‘opgeblazen woorden’: zoals in 2 Petr. 2:18. θαυμάζοντες πρόσωπα (thaumazontes prosopa), ‘gezichten bewonderen’: mensen vleien om iets te krijgen; vergelijk ‘aanzien van personen’ in Jak. 2:1.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘hun’ (αὐτῶν); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 2 Petr. 2:18; Jak. 2:1.
Hou vol in de liefde
μνήσθητε (mnestheite), ‘denk terug aan’: herinner jullie. ῥῆμα (rema), ‘woord’.
‘Tevoren gesproken’: de apostelen hebben dit eerder gezegd; vergelijk 2 Petr. 3:2.
Zie ook 2 Petr. 3:2.
ἐμπαίκτης (empaiktes), ‘spotter’: zoals in 2 Petr. 3:3.
Vergelijk 2 Petr. 3:3, dat bijna dezelfde woorden heeft.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woord ‘jullie’ (ὑμῖν) en bij de woorden ‘in de laatste tijd’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 2 Petr. 3:3.
ἀποδιορίζω (apodiorizo), ‘scheiding maken’: afbakenen, groepen vormen. ψυχικός (psychikos), ‘natuurlijk’: de mens zonder de Geest, zoals in 1 Kor. 2:14. πνεῦμα μὴ ἔχοντες (pneuma me echontes), ‘geen Geest hebbend’: zonder lidwoord; het kan de Geest van Elohim zijn of ‘geest’ in het algemeen.
Wij schrijven ‘Geest’.
Zie ook 1 Kor. 2:14.
De verzen 20–21 bevatten één gebod, τηρήσατε (teresate), ‘bewaar’, in vers 21, met drie deelwoorden: ‘opbouwend’, ‘biddend’ en ‘verwachtend’.
Wij vertalen de eerste twee als gebod en laten het derde als deelwoord. ἁγιωτάτῃ (hagiotate), ‘allerheiligste’: de overtreffende trap van ‘heilig’. ἐν πνεύματι ἁγίῳ (en pneumati hagio), ‘in de Heilige Geest’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden ‘bouwend op jullie allerheiligste geloof’; wij volgen de SBLGNT.
τηρέω (tereo), ‘bewaren’: zie vers 1. ἀγάπη θεοῦ (agape theou), ‘liefde van Elohim’: de liefde van Elohim voor ons of onze liefde voor Elohim; vergelijk 1 Joh. 2:5.
Het ‘verwachten’ van de barmhartigheid kan wijzen naar de komst van de Heer; de tekst zegt het niet.
In de verzen 20–21 staan de Heilige Geest, Elohim en onze Heer Yeshua de Messias naast elkaar.
De verzen 22–23 bestaan uit drie groepen (‘sommigen … anderen … weer anderen’).
De SBLGNT markeert in de verzen 22–23 varianten. διακρίνομαι (diakrinomai), ‘twijfelen’: zoals in Jak. 1:6; in vers 9 ‘een geschil hebben’. ἐλεάω (eleao), ‘zich ontfermen’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het werkwoord ‘ontferm’ (ἐλεᾶτε) en een variant bij het hele stuk van ‘twijfelend’ in vers 22 tot ‘vrees’ in vers 23; wij volgen de SBLGNT.
ἐκ πυρὸς ἁρπάζοντες (ek pyros harpazontes), ‘uit het vuur rukken’: vergelijk Zach. 3:2, ‘een brandhout, uit het vuur bevrijd’, en Amos 4:11. χιτών (chiton), ‘onderkleed’: het kledingstuk dat direct op het lichaam wordt gedragen.
Bevlekt door het vlees: het beeld van besmetting.
Vergelijk Zach. 3:3, waar Jozua vuile kleren draagt.
De SBLGNT sluit hier het stuk af dat bij vers 22 begint (‘twijfelend’ tot ‘vrees’); zie de Lezing bij vers 22.
Zie ook Zach. 3:2; Zach. 3:3; Amos 4:11.
Slotlofprijs
φυλάσσω (fylasso), ‘behoeden’. ἄπταιστος (aptaistos), ‘zonder struikelen’: zie πταίω in Jak. 2:10. ἄμωμος (amomos), ‘smetteloos’: zonder gebrek. ἀγαλλίασις (agalliasis), ‘jubel’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘jullie’ (ὑμᾶς); wij volgen de SBLGNT.
Het Grieks heeft geen werkwoord: ‘aan de enige Elohim, onze Redder … heerlijkheid, majesteit, macht en gezag’.
Wij vullen niets aan. σωτήρ (soter), ‘Redder’. μεγαλωσύνη (megalosyne), ‘majesteit’. κράτος (kratos), ‘macht’. ἐξουσία (exousia), ‘gezag’. πρὸ παντὸς τοῦ αἰῶνος (pro pantos tou aionos), ‘vóór alle tijd’: letterlijk ‘voor heel de eeuw’. ἀμήν (amen), ‘amen’: zie Rom. 16:27.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden ‘de enige’ (μόνῳ), ‘door Yeshua de Messias, onze Heer’, ‘heerlijkheid’ (δόξα) en ‘vóór alle tijd’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Rom. 16:27.