Elohim Bijbel

Ezechiël 33

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

De wachter, Yahweh wil niet de dood van de goddeloze, de val van Jeruzalem en de profeet als liefdeslied

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het werd
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De wachter

2„Mensenkind, spreek tot de zonen van je volk en zeg tegen hen: Wanneer Ik het zwaard over een land breng en het volk van het land één man uit hun midden neemt en hem aanstelt als wachter,
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
דַּבֵּ֤ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
עַמְּךָ֙
(amekha)
je volk
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
אֶ֕רֶץ
(erets)
land
כִּֽי
(ki)
wanneer
אָבִ֥יא
(avi)
Ik breng
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
over haar
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
וְלָקְח֨וּ
(velaqechu)
en zij nemen
עַם
(am)
volk van
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
אִ֤ישׁ
(ish)
man
אֶחָד֙
(echad)
één
מִקְצֵיהֶ֔ם
(miqtseihem)
uit hun uiterste
וְנָתְנ֥וּ
(venatenu)
en zij stellen
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor zich
לְצֹפֶֽה
(letsofe)
tot wachter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֹפֶה (tsofeh), ‘wachter’: iemand die op een toren of muur uitkijkt en waarschuwt als er gevaar komt.

Het beeld van de wachter komt ook voor in Ezech. 3:17–21, waarvan de verzen 7–9 hier bijna gelijk zijn.

מִקְצֵיהֶם (miqtseihem), ‘uit hun midden’: letterlijk ‘uit hun einde’, dat is ‘uit hun uiterste rand’. Het kan ook ‘uit hun gebied’ betekenen.

3en hij ziet het zwaard over het land komen, blaast op de ramshoorn en waarschuwt het volk,
וְרָאָ֥ה
(veraa)
en hij ziet
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶ֖רֶב
(hacherev)
het zwaard
בָּאָ֣ה
(baa)
komen
עַל
(al)
over
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְתָקַ֥ע
(vetaqa)
en hij blaast
בַּשּׁוֹפָ֖ר
(bashofar)
op de ramshoorn
וְהִזְהִ֥יר
(vehizhir)
en hij waarschuwt
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een signaalhoorn die alarm slaat, zoals in Joël 2:1.

4en wie het geluid van de ramshoorn hoort en zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en neemt hem weg: zijn bloed komt op zijn eigen hoofd.
וְשָׁמַ֨ע
(veshama)
en hoort
הַשֹּׁמֵ֜עַ
(hashomea)
wie hoort
אֶת
(et)
(obj.)
ק֤וֹל
(qol)
geluid van
הַשּׁוֹפָר֙
(hashofar)
de ramshoorn
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נִזְהָ֔ר
(nizhar)
laat zich waarschuwen
וַתָּ֥בוֹא
(vatavo)
en komt
חֶ֖רֶב
(cherev)
zwaard
וַתִּקָּחֵ֑הוּ
(vatiqachehu)
en neemt hem weg
דָּמ֥וֹ
(damo)
zijn bloed
בְרֹאשׁ֖וֹ
(berosho)
op zijn hoofd
יִֽהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּמוֹ בְרֹאשׁוֹ יִהְיֶה (damo veroscho yihyeh), ‘zijn bloed komt op zijn hoofd’: hij is zelf verantwoordelijk voor zijn dood; vergelijk Lev. 20:9.

וְלֹא נִזְהָר (velo nizhar), ‘en laat zich niet waarschuwen’: het werkwoord זָהַר (zahar) betekent ‘waarschuwen’; in de lijdende vorm ‘zich laten waarschuwen’. Het keert terug in de verzen 5, 6, 8 en 9.

5Het geluid van de ramshoorn heeft hij gehoord en hij liet zich niet waarschuwen: zijn bloed komt op hemzelf. Maar wie zich liet waarschuwen, heeft zijn leven in veiligheid gebracht.
אֵת֩
(et)
(obj.)
ק֨וֹל
(qol)
geluid van
הַשּׁוֹפָ֤ר
(hashofar)
de ramshoorn
שָׁמַע֙
(shama)
heeft gehoord
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נִזְהָ֔ר
(nizhar)
liet zich waarschuwen
דָּמ֖וֹ
(damo)
zijn bloed
בּ֣וֹ
(bo)
op hem
יִֽהְיֶ֑ה
(yihye)
zal zijn
וְה֥וּא
(vehu)
maar hij
נִזְהָ֖ר
(nizhar)
liet zich waarschuwen
נַפְשׁ֥וֹ
(nafsho)
zijn leven
מִלֵּֽט
(milet)
heeft in veiligheid gebracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַפְשׁוֹ מִלֵּט (nafsho millet), ‘hij heeft zijn leven in veiligheid gebracht’: het werkwoord מִלֵּט (millet) betekent ‘laten ontkomen’; het is een ander werkwoord dan הִצִּיל (hitsil), ‘bevrijden’, in vers 9.

נֶפֶשׁ (nefesh) betekent hier ‘leven’.

6Maar als de wachter het zwaard ziet komen en niet op de ramshoorn blaast, zodat het volk zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en iemand van hen wegneemt: die is door zijn schuld weggenomen. Zijn bloed zal Ik terugeisen van de hand van de wachter.
וְ֠הַצֹּפֶה
(vehatsofe)
en de wachter
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִרְאֶ֨ה
(yire)
hij ziet
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶ֜רֶב
(hacherev)
het zwaard
בָּאָ֗ה
(baa)
komen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תָקַ֤ע
(taqa)
blaast
בַּשּׁוֹפָר֙
(bashofar)
op de ramshoorn
וְהָעָ֣ם
(vehaam)
en het volk
לֹֽא
(lo)
niet
נִזְהָ֔ר
(nizhar)
laat zich waarschuwen
וַתָּב֣וֹא
(vatavo)
en komt
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וַתִּקַּ֥ח
(vatiqach)
en neemt weg
מֵהֶ֖ם
(mehem)
van hen
נָ֑פֶשׁ
(nafesh)
ziel
ה֚וּא
(hu)
hij
בַּעֲוֺנ֣וֹ
(baavono)
in zijn schuld
נִלְקָ֔ח
(nilqach)
is weggenomen
וְדָמ֖וֹ
(vedamo)
maar zijn bloed
מִיַּֽד
(miyad)
uit de hand van
הַצֹּפֶ֥ה
(hatsofe)
de wachter
אֶדְרֹֽשׁ
(edrosh)
zal Ik terugeisen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier ‘een mens, een persoon’.

Wij schrijven ‘iemand’.

אֶדְרֹשׁ (edrosh), ‘Ik zal terugeisen’: van דָּרַשׁ (darash), ‘zoeken, opeisen’; zie ook Gen. 9:5. Wie zijn taak als wachter verzaakt, wordt verantwoordelijk gehouden voor het leven van de ander.

7En jij, mensenkind, als wachter heb Ik je aangesteld over het huis van Israël. Wanneer je een woord uit Mijn mond hoort, moet je hen namens Mij waarschuwen.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֔ם
(adam)
mens
צֹפֶ֥ה
(tsofe)
wachter
נְתַתִּ֖יךָ
(netatikha)
heb Ik je aangesteld
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְשָׁמַעְתָּ֤
(veshamata)
en je zult horen
מִפִּי֙
(mipi)
uit Mijn mond
דָּבָ֔ר
(davar)
woord
וְהִזְהַרְתָּ֥
(vehizharta)
en je zult waarschuwen
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
van Mij uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is bijna gelijk aan Ezech. 3:17.

Ezechiël krijgt zijn taak als wachter opnieuw, nu nadat het nieuws over Jeruzalem nabij is (vers 21).

8Wanneer Ik tegen de goddeloze zeg: ‘Goddeloze, je zult zeker sterven’, en jij spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, dan zal die goddeloze sterven in zijn schuld. Maar zijn bloed zal Ik van jouw hand terugeisen.
בְּאָמְרִ֣י
(beameri)
wanneer Ik zeg
לָרָשָׁ֗ע
(larasha)
tegen de goddeloze
רָשָׁע֙
(rasha)
goddeloze
מ֣וֹת
(mot)
sterven
תָּמ֔וּת
(tamut)
je zult sterven
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
דִבַּ֔רְתָּ
(dibarta)
spreek je
לְהַזְהִ֥יר
(lehazhir)
om te waarschuwen
רָשָׁ֖ע
(rasha)
goddeloze
מִדַּרְכּ֑וֹ
(midarko)
van zijn weg
ה֤וּא
(hu)
die
רָשָׁע֙
(rasha)
goddeloze
בַּעֲוֺנ֣וֹ
(baavono)
in zijn schuld
יָמ֔וּת
(yamut)
zal sterven
וְדָמ֖וֹ
(vedamo)
maar zijn bloed
מִיָּדְךָ֥
(miyadekha)
uit jouw hand
אֲבַקֵּֽשׁ
(avaqesh)
zal Ik terugeisen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָשָׁע (rasha), ‘goddeloze’: wie zich bewust van Yahweh en van recht afkeert.

Dit vers is bijna gelijk aan Ezech. 3:18.

אֲבַקֵּשׁ (avaqqesh), ‘Ik zal terugeisen’: letterlijk ‘Ik zal zoeken, eisen’; zoals in Ezech. 3:18.

9Maar als jij de goddeloze waarschuwt voor zijn weg, zodat hij zich ervan afkeert, en hij keert zich niet af van zijn weg, dan zal hij sterven in zijn schuld. Maar jij hebt je leven gered.
וְ֠אַתָּה
(veata)
en jij
כִּֽי
(ki)
als
הִזְהַ֨רְתָּ
(hizharta)
je waarschuwt
רָשָׁ֤ע
(rasha)
goddeloze
מִדַּרְכּוֹ֙
(midarko)
van zijn weg
לָשׁ֣וּב
(lashuv)
om terug te keren
מִמֶּ֔נָּה
(mimena)
ervan
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁ֖ב
(shav)
keert hij terug
מִדַּרְכּ֑וֹ
(midarko)
van zijn weg
ה֚וּא
(hu)
hij
בַּעֲוֺנ֣וֹ
(baavono)
in zijn schuld
יָמ֔וּת
(yamut)
zal sterven
וְאַתָּ֖ה
(veata)
maar jij
נַפְשְׁךָ֥
(nafshekha)
je leven
הִצַּֽלְתָּ
(hitsalta)
heb je gered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַפְשְׁךָ הִצַּלְתָּ (nafshekha hitsalta), ‘je leven gered’: de wachter die gewaarschuwd heeft, is vrij van de schuld; zie Ezech. 3:19.

Keer terug en leef

10En jij, mensenkind, zeg tegen het huis van Israël. Zo hebben jullie gezegd: ‘Onze overtredingen en onze zonden liggen op ons, en daarin kwijnen wij weg. En hoe kunnen wij leven?’
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
אֱמֹר֙
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tot
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כֵּ֤ן
(ken)
zo
אֲמַרְתֶּם֙
(amartem)
hebben jullie gezegd
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
כִּֽי
(ki)
dat
פְשָׁעֵ֥ינוּ
(peshaeinu)
onze overtredingen
וְחַטֹּאתֵ֖ינוּ
(vechatoteinu)
en onze zonden
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
op ons
וּבָ֛ם
(uvam)
en daarin
אֲנַ֥חְנוּ
(anachnu)
wij
נְמַקִּ֖ים
(nemaqim)
kwijnen weg
וְאֵ֥יךְ
(veeikh)
en hoe
נִֽחְיֶֽה
(nichye)
kunnen wij leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְמַקִּים (nemaqqim), ‘wegkwijnen’: van מָקַק (maqaq), ‘wegrotten, vergaan’; zie ook Lev. 26:39.

Het volk zegt: wij vergaan onder onze schuld en kunnen niet meer leven.

פְשָׁעֵינוּ (fesha’enu), ‘onze overtredingen’, en חַטֹּאתֵינוּ (chatotenu), ‘onze zonden’: twee woorden voor het kwaad dat het volk heeft gedaan.

11Zeg tegen hen: Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar daarin dat de goddeloze zich van zijn weg bekeert en leeft. Keer terug, keer terug van jullie kwade wegen. Waarom zouden jullie sterven, huis van Israël?
אֱמֹ֨ר
(emor)
zeg
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tot hen
חַי
(chay)
levend
אָ֣נִי
(ani)
Ik
נְאֻ֣ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
אֶחְפֹּץ֙
(echpots)
Ik behagen heb
בְּמ֣וֹת
(bemot)
in de dood van
הָרָשָׁ֔ע
(harasha)
de goddeloze
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
בְּשׁ֥וּב
(beshuv)
in het terugkeren van
רָשָׁ֛ע
(rasha)
goddeloze
מִדַּרְכּ֖וֹ
(midarko)
van zijn weg
וְחָיָ֑ה
(vechaya)
en leeft
שׁ֣וּבוּ
(shuvu)
keert terug
שׁ֜וּבוּ
(shuvu)
keert terug
מִדַּרְכֵיכֶ֧ם
(midarkheikhem)
van jullie wegen
הָרָעִ֛ים
(haraim)
de kwade
וְלָ֥מָּה
(velama)
en waarom
תָמ֖וּתוּ
(tamutu)
zouden jullie sterven
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh, zoals in Num. 14:28 en Ezech. 5:11.

De formule ‘godsspraak van Heer Yahweh’ staat binnen Zijn woorden rood; zie de Uitleg bij Ezech. 5:11.

אִם אֶחְפֹּץ (im echpots), ‘Ik heb geen behagen’: letterlijk ‘als Ik behagen heb’. Na een eed betekent dat ‘zeker niet’. Dezelfde gedachte staat in Ezech. 18:23 en 18:32.

שׁוּבוּ שׁוּבוּ (shuvu shuvu), ‘keer terug, keer terug’: de dubbele vorm legt nadruk. Het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’, is het sleutelwoord van Ezech. 18.

12En jij, mensenkind, zeg tegen de zonen van je volk: De gerechtigheid van de rechtvaardige zal hem niet bevrijden op de dag van zijn overtreding. De goddeloosheid van de goddeloze: daardoor zal hij niet struikelen op de dag dat hij zich van zijn goddeloosheid bekeert. En de rechtvaardige kan door zijn gerechtigheid niet leven op de dag dat hij zondigt.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
אֱמֹ֤ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tot
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
עַמְּךָ֙
(amekha)
je volk
צִדְקַ֣ת
(tsidqat)
gerechtigheid van
הַצַּדִּ֗יק
(hatsadiq)
de rechtvaardige
לֹ֤א
(lo)
niet
תַצִּילֶ֨נּוּ֙
(tatsilenu)
zal hem bevrijden
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
פִּשְׁע֔וֹ
(pisho)
zijn overtreding
וְרִשְׁעַ֤ת
(verishat)
en goddeloosheid van
הָֽרָשָׁע֙
(harasha)
de goddeloze
לֹֽא
(lo)
niet
יִכָּ֣שֶׁל
(yikashel)
zal hij struikelen
בָּ֔הּ
(bah)
daardoor
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag van
שׁוּב֣וֹ
(shuvo)
zijn terugkeren
מֵֽרִשְׁע֑וֹ
(merisho)
van zijn goddeloosheid
וְצַדִּ֗יק
(vetsadiq)
en rechtvaardige
לֹ֥א
(lo)
niet
יוּכַ֛ל
(yukhal)
kan
לִֽחְי֥וֹת
(lichyot)
leven
בָּ֖הּ
(bah)
daardoor
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
חֲטֹאתֽוֹ
(chatoto)
zijn zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Verzen 12 tot en met 20 lopen parallel aan Ezech. 18:20–29.

De gerechtigheid van een mens uit het verleden redt hem niet op de dag dat hij zondigt; en wie zich bekeert, wordt niet vastgehouden aan zijn eerdere goddeloosheid.

לֹא תַצִּילֶנּוּ (lo tatsilennu), ‘zal hem niet bevrijden’: van הִצִּיל (hitsil), ‘bevrijden’.

13Wanneer Ik tegen de rechtvaardige zeg: ‘Hij zal zeker leven’, en hij vertrouwt op zijn gerechtigheid maar doet onrecht, dan worden al zijn rechtvaardige daden niet herinnerd. Om zijn onrecht dat hij deed, zal hij daarin sterven.
בְּאָמְרִ֤י
(beameri)
wanneer Ik zeg
לַצַּדִּיק֙
(latsadiq)
tegen de rechtvaardige
חָיֹ֣ה
(chayo)
leven
יִֽחְיֶ֔ה
(yichye)
hij zal leven
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
בָטַ֥ח
(batach)
vertrouwt
עַל
(al)
op
צִדְקָת֖וֹ
(tsidqato)
zijn gerechtigheid
וְעָ֣שָׂה
(veasa)
en doet
עָ֑וֶל
(avel)
onrecht
כָּל
(kal)
al
צִדְקֹתָיו֙
(tsidqotav)
zijn rechtvaardige daden
לֹ֣א
(lo)
niet
תִזָּכַ֔רְנָה
(tizakharna)
worden herinnerd
וּבְעַוְל֥וֹ
(uveavlo)
en om zijn onrecht
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij deed
בּ֥וֹ
(bo)
daarin
יָמֽוּת
(yamut)
zal hij sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּטַח עַל צִדְקָתוֹ (batach al tsidqato), ‘hij vertrouwt op zijn gerechtigheid’: hij denkt dat zijn eerdere goede daden hem beschermen.

עָוֶל (avel), ‘onrecht’: zoals in Ezech. 18:24.

Lezing

In de geschreven tekst staat צדקתו (tsidqato), ‘zijn gerechtigheid’, in het enkelvoud; de overlevering leest צִדְקֹתָיו (tsidqotav), ‘zijn rechtvaardige daden’.

Wij volgen de lezing.

14En wanneer Ik tegen de goddeloze zeg: ‘Je zult zeker sterven’, en hij bekeert zich van zijn zonde en doet recht en gerechtigheid:
וּבְאָמְרִ֥י
(uveameri)
en wanneer Ik zeg
לָֽרָשָׁ֖ע
(larasha)
tegen de goddeloze
מ֣וֹת
(mot)
sterven
תָּמ֑וּת
(tamut)
je zult sterven
וְשָׁב֙
(veshav)
en hij keert terug
מֵֽחַטָּאת֔וֹ
(mechatato)
van zijn zonde
וְעָשָׂ֥ה
(veasa)
en doet
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
recht
וּצְדָקָֽה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15de goddeloze geeft het pand terug, betaalt het geroofde terug, leeft naar de voorschriften van het leven en doet geen onrecht. Hij zal zeker leven. Hij zal niet sterven.
חֲבֹ֨ל
(chavol)
pand
יָשִׁ֤יב
(yashiv)
geeft terug
רָשָׁע֙
(rasha)
goddeloze
גְּזֵלָ֣ה
(gezela)
het geroofde
יְשַׁלֵּ֔ם
(yeshalem)
betaalt terug
בְּחֻקּ֤וֹת
(bechuqot)
in de voorschriften van
הַֽחַיִּים֙
(hachayim)
het leven
הָלַ֔ךְ
(halakh)
wandelt hij
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
zonder
עֲשׂ֣וֹת
(asot)
te doen
עָ֑וֶל
(avel)
onrecht
חָי֥וֹ
(chayo)
leven
יִֽחְיֶ֖ה
(yichye)
hij zal leven
לֹ֥א
(lo)
niet
יָמֽוּת
(yamut)
zal hij sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲבֹל (chavol), ‘pand’: wat men als zekerheid voor een schuld neemt; zie Exod. 22:25–26.

גְּזֵלָה (gezelah), ‘het geroofde’: wat is afgepakt.

חֻקּוֹת הַחַיִּים (chuqqot hachayyim), ‘voorschriften van het leven’: de leefregels van Yahweh, die tot leven leiden.

16Geen van zijn zonden die hij beging, wordt hem herinnerd. Recht en gerechtigheid heeft hij gedaan. Hij zal zeker leven.
כָּל
(kal)
al
חַטֹּאתָיו֙
(chatotav)
zijn zonden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָטָ֔א
(chata)
hij zondigde
לֹ֥א
(lo)
niet
תִזָּכַ֖רְנָה
(tizakharna)
worden herinnerd
ל֑וֹ
(lo)
hem
מִשְׁפָּ֧ט
(mishpat)
recht
וּצְדָקָ֛ה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
עָשָׂ֖ה
(asa)
heeft hij gedaan
חָי֥וֹ
(chayo)
leven
יִֽחְיֶֽה
(yichye)
hij zal leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In de geschreven tekst staat חטאתו (chatto’to), ‘zijn zonde’, in het enkelvoud; de overlevering leest חַטֹּאתָיו (chatto’tav), ‘zijn zonden’.

Wij volgen de lezing.

17En de zonen van je volk zeggen: ‘De weg van de Heer is niet recht.’ Maar zij, hun weg is niet recht.
וְאָמְרוּ֙
(veameru)
en zeggen
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
עַמְּךָ֔
(amekha)
je volk
לֹ֥א
(lo)
niet
יִתָּכֵ֖ן
(yitakhen)
is recht
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg van
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
de Heer
וְהֵ֖מָּה
(vehema)
maar zij
דַּרְכָּ֥ם
(darkam)
hun weg
לֹֽא
(lo)
niet
יִתָּכֵֽן
(yitakhen)
is recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא יִתָּכֵן (lo yittaken), ‘is niet recht’: het werkwoord תָּכַן (takhan) betekent ‘afwegen, afmeten’; de weg is volgens het volk niet ‘goed afgewogen’, dus niet eerlijk.

Dezelfde klacht en hetzelfde antwoord staan in Ezech. 18:25 en 18:29.

אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: hier spreken de mensen over Yahweh.

18Wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, sterft hij daardoor.
בְּשׁוּב
(beshuv)
wanneer terugkeert
צַדִּ֥יק
(tsadiq)
een rechtvaardige
מִצִּדְקָת֖וֹ
(mitsidqato)
van zijn gerechtigheid
וְעָ֣שָׂה
(veasa)
en doet
עָ֑וֶל
(avel)
onrecht
וּמֵ֖ת
(umet)
en sterft
בָּהֶֽם
(bahem)
daardoor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19En wanneer een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid en recht en gerechtigheid doet, zal hij daardoor leven.
וּבְשׁ֤וּב
(uveshuv)
en wanneer terugkeert
רָשָׁע֙
(rasha)
een goddeloze
מֵֽרִשְׁעָת֔וֹ
(merishato)
van zijn goddeloosheid
וְעָשָׂ֥ה
(veasa)
en doet
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
recht
וּצְדָקָ֑ה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
daardoor
ה֥וּא
(hu)
hij
יִֽחְיֶֽה
(yichye)
zal leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20En jullie zeggen: ‘De weg van de Heer is niet recht.’ Ieder van jullie zal Ik oordelen naar zijn wegen, huis van Israël.”
וַאֲמַרְתֶּ֕ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
לֹ֥א
(lo)
niet
יִתָּכֵ֖ן
(yitakhen)
is recht
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg van
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
de Heer
אִ֧ישׁ
(ish)
ieder
כִּדְרָכָ֛יו
(kidrakhav)
naar zijn wegen
אֶשְׁפּ֥וֹט
(eshpot)
zal Ik oordelen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De ontkomene uit Jeruzalem

21In het twaalfde jaar van onze ballingschap, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, kwam de ontkomene uit Jeruzalem tot mij met de woorden: „De stad is geslagen.”
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het werd
בִּשְׁתֵּ֧י
(bishtei)
in twee
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
בָּעֲשִׂרִ֛י
(baasiri)
in de tiende
בַּחֲמִשָּׁ֥ה
(bachamisha)
op de vijfde
לַחֹ֖דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
לְגָלוּתֵ֑נוּ
(legalutenu)
van onze ballingschap
בָּא
(ba)
kwam
אֵלַ֨י
(elay)
tot mij
הַפָּלִ֧יט
(hapalit)
de ontkomene
מִירוּשָׁלִַ֛ם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
הֻכְּתָ֥ה
(huketa)
is geslagen
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De val van Jeruzalem staat in 2 Kon. 25:1–10.

Het bericht van de ontkomene komt enige tijd later.

De tekst zegt niet hoe lang.

Zie de aankondiging in Ezech. 24:26.

הַפָּלִיט (hapalit), ‘de ontkomene’: iemand die aan de ondergang van de stad is ontsnapt.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen ‘elfde’ in plaats van ‘twaalfde’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

22De hand van Yahweh was op mij gekomen in de avond voor de komst van de ontkomene. Hij opende mijn mond, tot de ontkomene 's morgens bij mij kwam. Mijn mond werd geopend en ik was niet langer stom.
וְיַד
(veyad)
en hand van
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
הָיְתָ֨ה
(hayeta)
was
אֵלַ֜י
(elay)
tot mij
בָּעֶ֗רֶב
(baerev)
in de avond
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
בּ֣וֹא
(bo)
de komst van
הַפָּלִ֔יט
(hapalit)
de ontkomene
וַיִּפְתַּ֣ח
(vayiftach)
en Hij opende
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֔י
(pi)
mijn mond
עַד
(ad)
tot
בּ֥וֹא
(bo)
zijn komst
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
בַּבֹּ֑קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּפָּ֣תַח
(vayipatach)
en werd geopend
פִּ֔י
(pi)
mijn mond
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נֶאֱלַ֖מְתִּי
(neelamti)
was ik stom
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ezechiël was stom gemaakt (Ezech. 3:26–27).

Nu opent Yahweh zijn mond, zoals aangekondigd in Ezech. 24:27.

בּוֹא (bo), ‘tot hij kwam’: het onderwerp staat niet in de tekst. Wij nemen de ontkomene uit vers 21.

23Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het werd
דְבַר
(devar)
woord van
יְהֹוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De bewoners van de ruïnes

24„Mensenkind, de bewoners van deze ruïnes op de grond van Israël zeggen: ‘Eén was Abraham, en hij nam het land in bezit. Wij zijn met velen. Ons is het land tot bezit gegeven.’
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
יֹ֠שְׁבֵי
(yoshevei)
bewoners van
הֶחֳרָב֨וֹת
(hechoravot)
de ruïnes
הָאֵ֜לֶּה
(haele)
deze
עַל
(al)
op
אַדְמַ֤ת
(admat)
grond van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֹמְרִ֣ים
(omerim)
zeggen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אֶחָד֙
(echad)
één
הָיָ֣ה
(haya)
was
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
וַיִּירַ֖שׁ
(vayirash)
en hij nam in bezit
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַאֲנַ֣חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
רַבִּ֔ים
(rabim)
velen
לָ֛נוּ
(lanu)
voor ons
נִתְּנָ֥ה
(nitena)
is gegeven
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לְמוֹרָשָֽׁה
(lemorasha)
tot bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָרְבוֹת (chorvot), ‘ruïnes’: de verwoeste plaatsen van het land.

אֶחָד הָיָה אַבְרָהָם (echad hayah Avraham), ‘Eén was Abraham’: zie Jes. 51:2, waar Abraham ‘alleen’ was toen Yahweh hem riep. Het volk redeneert: als Abraham, die alleen was, het land kreeg, hoort het land zeker bij ons, die met velen zijn. Vergelijk Gen. 15:7.

לְמוֹרָשָׁה (lemorashah), ‘tot bezit’: van יָרַשׁ (yarash), ‘in bezit nemen’.

25Daarom, zeg tegen hen: Zo zegt Heer Yahweh: ‘Jullie eten vlees met het bloed erin. Jullie slaan jullie ogen op naar jullie mestgoden en vergieten bloed. En jullie zouden het land in bezit nemen?
לָכֵן֩
(lakhen)
daarom
אֱמֹ֨ר
(emor)
zeg
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tot hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
bij
הַדָּ֧ם
(hadam)
het bloed
תֹּאכֵ֛לוּ
(tokhelu)
eten jullie
וְעֵינֵכֶ֛ם
(veeinekhem)
en jullie ogen
תִּשְׂא֥וּ
(tisu)
slaan jullie op
אֶל
(el)
naar
גִּלּוּלֵיכֶ֖ם
(giluleikhem)
jullie mestgoden
וְדָ֣ם
(vedam)
en bloed
תִּשְׁפֹּ֑כוּ
(tishpokhu)
vergieten jullie
וְהָאָ֖רֶץ
(vehaarets)
en het land
תִּירָֽשׁוּ
(tirashu)
zouden jullie bezitten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַל הַדָּם תֹּאכֵלוּ (al haddam tokhelu), ‘jullie eten vlees met het bloed erin’: dat was verboden; zie Lev. 19:26 en Gen. 9:4.

גִּלּוּלֵיכֶם (gillulekhem), ‘jullie mestgoden’: zie de Uitleg bij Ezech. 6:4.

De slotvraag staat zonder vraagwoord in het Hebreeuws. Wij lezen ze als een retorische vraag.

26Jullie steunen op je zwaard, jullie bedrijven gruwelen en ieder van jullie onteert de vrouw van zijn naaste. En jullie zouden het land in bezit nemen?’
עֲמַדְתֶּ֤ם
(amadtem)
jullie steunen
עַֽל
(al)
op
חַרְבְּכֶם֙
(charbekhem)
jullie zwaard
עֲשִׂיתֶ֣ן
(asiten)
jullie bedrijven
תּוֹעֵבָ֔ה
(toeva)
gruwel
וְאִ֛ישׁ
(veish)
en ieder
אֶת
(et)
(obj.)
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
רֵעֵ֖הוּ
(reehu)
zijn naaste
טִמֵּאתֶ֑ם
(timetem)
onteren jullie
וְהָאָ֖רֶץ
(vehaarets)
en het land
תִּירָֽשׁוּ
(tirashu)
zouden jullie bezitten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲמַדְתֶּם עַל חַרְבְּכֶם (amadtem al charbekhem), ‘jullie steunen op je zwaard’: jullie vertrouwen op geweld.

טִמֵּאתֶם (timme’tem), ‘onteren’: letterlijk ‘onrein maken’; zoals in Ezech. 18:6.

27Zeg tegen hen: Zo zegt Heer Yahweh: ‘Zo waar Ik leef: zeker, zij die in de ruïnes zijn, zullen door het zwaard vallen. Wie op het open veld is, geef Ik aan de dieren om hem op te eten. Wie in de bergvestingen en in de grotten is, zal aan de pest sterven.
כֹּֽה
(ko)
zo
תֹאמַ֨ר
(tomar)
zeg
אֲלֵהֶ֜ם
(alehem)
tot hen
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֮
(Yahweh)
Yahweh
חַי
(chay)
levend
אָנִי֒
(ani)
Ik
אִם
(im)
als
לֹ֞א
(lo)
niet
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
בֶּֽחֳרָבוֹת֙
(bechoravot)
in de ruïnes
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
door het zwaard
יִפֹּ֔לוּ
(yipolu)
zullen vallen
וַֽאֲשֶׁר֙
(vaasher)
en die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
oppervlak van
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
לַחַיָּ֥ה
(lachaya)
aan de dieren
נְתַתִּ֖יו
(netativ)
heb Ik hem gegeven
לְאָכְל֑וֹ
(leakhelo)
om hem op te eten
וַאֲשֶׁ֛ר
(vaasher)
en die
בַּמְּצָד֥וֹת
(bametsadot)
in de bergvestingen
וּבַמְּעָר֖וֹת
(uvamearot)
en in de grotten
בַּדֶּ֥בֶר
(badever)
aan de pest
יָמֽוּתוּ
(yamutu)
zullen sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְצָדוֹת (metsadot), ‘bergvestingen’: vestingen op rotsen of bergen, waar men zich verschuilt.

דֶּבֶר (dever), ‘pest’: zoals in Ezech. 5:12.

חַי אָנִי אִם לֹא (chai ani im lo), ‘zo waar Ik leef: zeker’: zie de Uitleg bij Ezech. 5:11.

28Ik maak het land tot woestenij en verlatenheid. De trots van haar kracht komt tot een einde. De bergen van Israël worden woest, zodat niemand er doorheen gaat.
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
שְׁמָמָ֣ה
(shemama)
woestenij
וּמְשַׁמָּ֔ה
(umeshama)
en verlatenheid
וְנִשְׁבַּ֖ת
(venishbat)
en komt tot een einde
גְּא֣וֹן
(geon)
trots van
עֻזָּ֑הּ
(uzah)
haar kracht
וְשָֽׁמְמ֛וּ
(veshamemu)
en worden woest
הָרֵ֥י
(harei)
bergen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
עוֹבֵֽר
(over)
doortrekker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁמָמָה וּמְשַׁמָּה (shemamah umeshammah), ‘woestenij en verlatenheid’: zoals in Ezech. 6:14.

מֵאֵין עוֹבֵר (me’ein over), ‘zodat niemand er doorheen gaat’: letterlijk ‘zonder doortrekker’.

29Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik het land tot woestenij en verlatenheid maak om al hun gruwelen die zij gedaan hebben.’
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּתִתִּ֤י
(betiti)
wanneer Ik maak
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
שְׁמָמָ֣ה
(shemama)
woestenij
וּמְשַׁמָּ֔ה
(umeshama)
en verlatenheid
עַ֥ל
(al)
om
כָּל
(kal)
alle
תּוֹעֲבֹתָ֖ם
(toavotam)
hun gruwelen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשֽׂוּ
(asu)
zij deden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Ezechiël als liefdeslied

30En jij, mensenkind: de zonen van je volk praten over je bij de muren en in de deuropeningen van de huizen. Zij spreken met elkaar, de een met de ander, ieder met zijn broer: ‘Kom toch en hoor wat voor woord er van Yahweh uitgaat.’
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֔ם
(adam)
mens
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
עַמְּךָ֗
(amekha)
je volk
הַנִּדְבָּרִ֤ים
(hanidbarim)
die praten
בְּךָ֙
(bekha)
over je
אֵ֣צֶל
(etsel)
bij
הַקִּיר֔וֹת
(haqirot)
de muren
וּבְפִתְחֵ֖י
(uvefitchei)
en in de deuropeningen van
הַבָּתִּ֑ים
(habatim)
de huizen
וְדִבֶּר
(vediber)
en spreekt
חַ֣ד
(chad)
de een
אֶת
(et)
tot
אַחַ֗ד
(achad)
de ander
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
tot
אָחִיו֙
(achiv)
zijn broer
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בֹּֽאוּ
(bou)
komt
נָ֣א
(na)
toch
וְשִׁמְע֔וּ
(veshimu)
en hoort
מָ֣ה
(ma)
wat
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
het woord
הַיּוֹצֵ֖א
(hayotse)
dat uitgaat
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנִּדְבָּרִים בְּךָ (hannidbarim bekha), ‘die over je praten’: letterlijk ‘die in je spreken’.

Het gaat om gesprekken over Ezechiël bij de muren en in de deuropeningen.

הַדָּבָר הַיּוֹצֵא מֵאֵת יְהוָה (haddavar hayyotse me’et Yahweh), ‘het woord dat van Yahweh uitgaat’: zij komen graag luisteren naar het woord.

31Zij komen naar je toe zoals een volk samenkomt. Zij zitten voor je als Mijn volk en horen je woorden, maar zij doen ze niet. Want met hun mond tonen zij liefde, maar hun hart gaat achter hun winst aan.
וְיָב֣וֹאוּ
(veyavou)
en zij komen
אֵ֠לֶיךָ
(eleikha)
naar je
כִּמְבוֹא
(kimvo)
zoals het komen van
עָ֞ם
(am)
een volk
וְיֵשְׁב֤וּ
(veyeshevu)
en zij zitten
לְפָנֶ֨יךָ֙
(lefaneikha)
voor je
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
וְשָֽׁמְעוּ֙
(veshameu)
en zij horen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרֶ֔יךָ
(devareikha)
je woorden
וְאוֹתָ֖ם
(veotam)
en ze
לֹ֣א
(lo)
niet
יַֽעֲשׂ֑וּ
(yaasu)
doen zij
כִּֽי
(ki)
want
עֲגָבִ֤ים
(agavim)
liefdesbetuigingen
בְּפִיהֶם֙
(befihem)
in hun mond
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
עֹשִׂ֔ים
(osim)
doen
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
בִצְעָ֖ם
(bitsam)
hun winst
לִבָּ֥ם
(libam)
hun hart
הֹלֵֽךְ
(holekh)
gaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲגָבִים (agavim), ‘liefde’: een zeldzaam woord voor hartstochtelijke liefde.

Het staat ook in vers 32, waar het een ‘liefdeslied’ is.

Met hun mond tonen zij liefde voor het woord.

בֶּצַע (betsa), ‘winst’: gewin, vaak oneerlijk verkregen; vergelijk Exod. 18:21.

32Zie, je bent voor hen als een liefdeslied van iemand met een mooie stem, die goed speelt. Zij horen je woorden, maar zij doen ze niet.
וְהִנְּךָ֤
(vehinekha)
en zie jou
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
כְּשִׁ֣יר
(keshir)
als een lied van
עֲגָבִ֔ים
(agavim)
liefde
יְפֵ֥ה
(yefe)
mooi van
ק֖וֹל
(qol)
stem
וּמֵטִ֣ב
(umetiv)
en goed
נַגֵּ֑ן
(nagen)
speelt
וְשָֽׁמְעוּ֙
(veshameu)
en zij horen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרֶ֔יךָ
(devareikha)
je woorden
וְעֹשִׂ֥ים
(veosim)
en doend
אֵינָ֖ם
(einam)
zijn niet
אוֹתָֽם
(otam)
ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁיר עֲגָבִים (shir agavim), ‘liefdeslied’: Ezechiël is voor hen een lied om naar te luisteren, mooi gezongen en goed gespeeld, maar zonder gevolgen.

33Wanneer het komt, en zie, het komt, dan zullen zij weten dat er een profeet in hun midden is geweest.”
וּבְבֹאָ֑הּ
(uvevoah)
en wanneer het komt
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
בָאָ֔ה
(baa)
het komt
וְיָ֣דְע֔וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּ֥י
(ki)
dat
נָבִ֖יא
(navi)
een profeet
הָיָ֥ה
(haya)
was
בְתוֹכָֽם
(betokham)
in hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּאָה (ba’ah), ‘het komt’: wat Yahweh heeft aangekondigd, de val van het land.

Wanneer het komt, weten zij dat er een profeet in hun midden was.

Zie ook Ezech. 2:5.