Elohim Bijbel

Psalmen 142

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Een gebed in de grot

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Opschrift

1Een Maskil van David, toen hij in de grot was. Een gebed.
מַשְׂכִּ֥יל
(maskil)
Maskil
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
van David
בִּהְיוֹת֖וֹ
(bihyoto)
toen hij was
בַמְּעָרָ֣ה
(bameara)
in de grot
תְפִלָּֽה
(tefila)
een gebed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Grot (Adullam?; ligging onzeker): In de opschriften van Psalm 57 en 142 wordt niet gezegd welke grot bedoeld is.

Volgens 1 Samuël 22:1 vluchtte David naar de grot van Adullam, in de Sefela ten zuidwesten van Jeruzalem.

Dit is niet zeker.

Zie Grot (En-Gedi?; ligging onzeker): Een andere grot uit het leven van David is die bij En-Gedi, aan de Dode Zee (1 Samuël 24:4).

Welke grot de opschriften van Psalm 57 en 142 bedoelen, is niet zeker.

Uitleg

In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.

מַשְׂכִּיל (Maskil): betekenis onzeker; waarschijnlijk een leerdicht of kunstig lied. תְּפִלָּה (tefillah), ‘gebed’.

Het opschrift noemt een grot. Dit kan de grot van Adullam zijn (1 Sam. 22:1) of de grot bij En-Gedi (1 Sam. 24:4). Beide verhalen staan in 1 Samuël; het opschrift zegt niet welke.

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de persoon zelf, met zijn leven (vers 5 en 8).

Ik roep tot Yahweh

2Met mijn stem roep ik tot Yahweh. Met mijn stem smeek ik Yahweh om gunst.
ק֭וֹלִי
(qoli)
mijn stem
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶזְעָ֑ק
(ezaq)
roep ik
ק֝וֹלִ֗י
(qoli)
mijn stem
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶתְחַנָּֽן
(etchanan)
smeek ik om gunst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Ik stort mijn klacht uit voor Zijn aangezicht. Mijn nood maak ik voor Zijn aangezicht bekend.
אֶשְׁפֹּ֣ךְ
(eshpokh)
ik stort uit
לְפָנָ֣יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
שִׂיחִ֑י
(sichi)
mijn klacht
צָ֝רָתִ֗י
(tsarati)
mijn nood
לְפָנָ֥יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
אַגִּֽיד
(agid)
maak ik bekend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Niemand kent mij

4Terwijl mijn geest in mij bezwijkt, kent U mijn pad. Op het pad waarop ik ga, hebben zij een valstrik voor mij verborgen.
בְּהִתְעַטֵּ֬ף
(behitatef)
terwijl bezwijkt
עָלַ֨י
(alay)
in mij
רוּחִ֗י
(ruchi)
mijn geest
וְאַתָּה֮
(veata)
en U
יָדַ֪עְתָּ
(yadata)
kent
נְֽתִיבָ֫תִ֥י
(netivati)
mijn pad
בְּאֹֽרַח
(beorach)
op het pad
ז֥וּ
(zu)
dat
אֲהַלֵּ֑ךְ
(ahalekh)
ik ga
טָמְנ֖וּ
(tamenu)
zij hebben verborgen
פַ֣ח
(pach)
een valstrik
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘geest’: hier de levenskracht van de dichter, zijn adem en moed.

עָטַף (atav), ‘bezwijken’: letterlijk ‘zich omhullen’, dat wil zeggen: flauwvallen, verkwijnen.

5Kijk naar rechts en zie: er is niemand die mij kent. Elke toevlucht is mij ontnomen. Niemand vraagt naar mijn ziel.
הַבֵּ֤יט
(habeit)
kijk
יָמִ֨ין
(yamin)
naar rechts
וּרְאֵה֮
(uree)
en zie
וְאֵֽין
(veein)
en er is niet
לִ֪י
(li)
voor mij
מַ֫כִּ֥יר
(makir)
een die kent
אָבַ֣ד
(avad)
is verloren
מָנ֣וֹס
(manos)
toevlucht
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
van mij
אֵ֖ין
(ein)
er is niet
דּוֹרֵ֣שׁ
(doresh)
een die vraagt
לְנַפְשִֽׁי
(lenafshi)
naar mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Naar rechts’: de rechterkant is de plaats van de helper of getuige (vergelijk Ps. 109:31).

Er staat niemand aan de rechterkant van de dichter.

מַכִּיר (makkir), ‘een die kent’: iemand die hem erkent en voor hem opkomt.

U bent mijn schuilplaats

6Tot U heb ik geroepen, Yahweh. Ik zei: „U bent mijn schuilplaats, mijn deel in het land van de levenden.”
זָעַ֥קְתִּי
(zaaqti)
ik heb geroepen
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot U
יְה֫וָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אָ֭מַרְתִּי
(amarti)
ik zei
אַתָּ֣ה
(ata)
U
מַחְסִ֑י
(machsi)
bent mijn schuilplaats
חֶ֝לְקִ֗י
(chelqi)
mijn deel
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
הַֽחַיִּים
(hachayim)
de levenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Mijn deel in het land van de levenden’: Yahweh is zijn erfdeel, zoals Yahweh het deel van Levi was (Num. 18:20).

7Luister naar mijn roep, want ik ben zeer zwak. Red mij van mijn vervolgers, want zij zijn sterker dan ik.
הַקְשִׁ֤יבָה
(haqshiva)
luister
אֶֽל
(el)
naar
רִנָּתִי֮
(rinati)
mijn roep
כִּֽי
(ki)
want
דַלּ֪וֹתִ֫י
(daloti)
ik ben zwak
מְאֹ֥ד
(meod)
zeer
הַצִּילֵ֥נִי
(hatsileni)
red mij
מֵרֹדְפַ֑י
(merodefay)
van mijn vervolgers
כִּ֖י
(ki)
want
אָמְצ֣וּ
(ametsu)
zij zijn sterker
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
dan ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Leid mijn ziel uit de gevangenis, om Uw naam te danken. De rechtvaardigen zullen zich om mij scharen, want U zult mij goed doen.
ה֘וֹצִ֤יאָה
(hotsia)
leid uit
מִמַּסְגֵּ֨ר
(mimasger)
de gevangenis
נַפְשִׁי֮
(nafshi)
mijn ziel
לְהוֹד֪וֹת
(lehodot)
om te danken
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁ֫מֶ֥ךָ
(shemekha)
Uw naam
בִּ֭י
(bi)
om mij
יַכְתִּ֣רוּ
(yakhtiru)
zullen zich scharen
צַדִּיקִ֑ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
כִּ֖י
(ki)
want
תִגְמֹ֣ל
(tigmol)
U zult goed doen
עָלָֽי
(alay)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִמַּסְגֵּר (mimmasger), ‘uit de gevangenis’: het is ook een beeld voor de benauwdheid van de grot.

כָּתַר (katar), ‘zich scharen’: zich rondom iemand opstellen.

Het kan ook ‘zij kronen mij’ betekenen.

Onzeker.

גָּמַל (gamal), ‘goed doen’: iemand behandelen zoals hij verdient, hier ten goede.