Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh verschijnt voor de tweede keer
1Salomo was klaar met het bouwen van het huis van Yahweh, het huis van de koning en alles waar hij zijn zin op had gezet: alles wat Salomo wilde maken.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כְּכַלּ֣וֹת
(kekhalot)
toen hij klaar was
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
לִבְנ֥וֹת
(livnot)
met bouwen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
חֵ֣שֶׁק
(chesheq)
verlangen van
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
חָפֵ֖ץ
(chafets)
hij wilde
לַעֲשֽׂוֹת
(laasot)
te maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘het huis van Yahweh’: de tempel in Jeruzalem.
3Yahweh zei tegen hem: „Ik heb je gebed gehoord en de smeekbede die je voor Mijn aangezicht hebt gedaan. Ik heb dit huis dat je gebouwd hebt geheiligd, om Mijn naam daar voor altijd te vestigen. Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn, alle dagen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
שָׁ֠מַעְתִּי
(shamati)
Ik heb gehoord
אֶת
(et)
(obj.)
תְּפִלָּתְךָ֣
(tefilatekha)
je gebed
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תְּחִנָּתְךָ֮
(techinatekha)
je smeekbede
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הִתְחַנַּ֣נְתָּה
(hitchananta)
je hebt gesmeekt
לְפָנַי֒
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
הִקְדַּ֗שְׁתִּי
(hiqdashti)
Ik heb geheiligd
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֤יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּה֙
(haze)
dit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בָּנִ֔תָה
(banita)
je hebt gebouwd
לָשֽׂוּם
(lasum)
om te vestigen
שְׁמִ֥י
(shemi)
Mijn naam
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
וְהָי֨וּ
(vehayu)
en zullen zijn
עֵינַ֧י
(einay)
Mijn ogen
וְלִבִּ֛י
(velibi)
en Mijn hart
שָׁ֖ם
(sham)
daar
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּפִלָּה (tefillah), ‘gebed’, en תְּחִנָּה (techinnah), ‘smeekbede’: het tweede woord is een bede om gunst (chen).
Zie het gebed van Salomo in hoofdstuk 8.
לָשׂוּם שְׁמִי (lasum shemi), ‘om Mijn naam te vestigen’: de naam van Yahweh wordt in het huis ‘neergelegd’. Zo noemt Deut. 12:5 de plaats die Yahweh kiest.
4En jij, als je voor Mijn aangezicht leeft zoals je vader David geleefd heeft, met een oprecht hart en in rechtschapenheid, en alles doet wat Ik je geboden heb, en als je Mijn voorschriften en Mijn rechtsregels bewaart,
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en jij
אִם
(im)
als
תֵּלֵ֣ךְ
(telekh)
je wandelt
לְפָנַ֗י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
הָלַ֜ךְ
(halakh)
wandelde
דָּוִ֤ד
(david)
David
אָבִ֨יךָ֙
(avikha)
je vader
בְּתָם
(betam)
in oprechtheid van
לֵבָ֣ב
(levav)
hart
וּבְיֹ֔שֶׁר
(uveyosher)
en in rechtschapenheid
לַעֲשׂ֕וֹת
(laasot)
om te doen
כְּכֹ֖ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
צִוִּיתִ֑יךָ
(tsivitikha)
Ik heb je geboden
חֻקַּ֥י
(chuqay)
Mijn voorschriften
וּמִשְׁפָּטַ֖י
(umishpatay)
en Mijn rechtsregels
תִּשְׁמֹֽר
(tishmor)
je bewaart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּתָם־לֵבָב (betom-levav) en וּבְיֹשֶׁר (uveyosher), ‘in oprechtheid van hart’ en ‘in rechtschapenheid’: beide woorden gaan over een hart dat geen tweede bedoeling heeft.
Dat is iets anders dan het ‘volledige’ hart (שָׁלֵם, shalem) van 11:4 en 11:6.
5dan zal Ik de troon van je koningschap over Israël voor altijd laten bestaan. Zo heb Ik tegen je vader David gesproken: ‘Er zal je nooit een man ontbreken op de troon van Israël.’
וַהֲקִ֨מֹתִ֜י
(vahaqimoti)
en Ik zal doen bestaan
אֶת
(et)
(obj.)
כִּסֵּ֧א
(kise)
troon van
מַֽמְלַכְתְּךָ֛
(mamlakhtekha)
je koningschap
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְעֹלָ֑ם
(leolam)
tot eeuwig
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּ֗רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
עַל
(al)
over
דָּוִ֤ד
(david)
David
אָבִ֨יךָ֙
(avikha)
je vader
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹֽא
(lo)
niet
יִכָּרֵ֤ת
(yikaret)
zal worden afgesneden
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
אִ֔ישׁ
(ish)
man
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
כִּסֵּ֥א
(kise)
troon van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֹא־יִכָּרֵת לְךָ אִישׁ (lo yikkaret lekha ish), letterlijk: ‘een man zal voor jou niet worden afgesneden’.
Hier staat hetzelfde werkwoord als ‘afsnijden’ in vers 7.
Yahweh citeert hier Zijn eigen belofte aan David (2 Sam. 7:12–16; 1 Kron. 17:11–14). Omdat Hij zelf spreekt, blijft dit rood.
6Maar als jullie je van Mij afkeren, jullie en jullie zonen, en Mijn geboden en voorschriften niet bewaren die Ik jullie voorgehouden heb, en als jullie andere goden gaan dienen en je voor hen neerbuigen,
אִם
(im)
als
שׁ֨וֹב
(shov)
afkeren
תְּשֻׁב֜וּן
(teshuvun)
jullie keren af
אַתֶּ֤ם
(atem)
jullie
וּבְנֵיכֶם֙
(uveneikhem)
en jullie zonen
מֵֽאַחֲרַ֔י
(meacharay)
van achter Mij
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תִשְׁמְרוּ֙
(tishmeru)
jullie bewaren
מִצְוֺתַ֣י
(mitsvotay)
Mijn geboden
חֻקֹּתַ֔י
(chuqotay)
Mijn voorschriften
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לִפְנֵיכֶ֑ם
(lifneikhem)
voor jullie
וַהֲלַכְתֶּ֗ם
(vahalakhtem)
en jullie gaan
וַעֲבַדְתֶּם֙
(vaavadtem)
en jullie dienen
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וְהִשְׁתַּחֲוִיתֶ֖ם
(vehishtachavitem)
en jullie buigen neer
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf vers 6 staat het Hebreeuws in het meervoud (‘jullie’): Yahweh spreekt nu niet meer tot Salomo alleen, maar ook tot zijn zonen en tot het volk dat na hem komt.
7dan zal Ik Israël afsnijden van de grond die Ik hun gegeven heb. Het huis dat Ik voor Mijn naam geheiligd heb, werp Ik weg van Mijn aangezicht. Israël zal een spreekwoord worden en een voorwerp van spot onder alle volken.
וְהִכְרַתִּ֣י
(vehikhrati)
en Ik zal afsnijden
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
מֵעַ֨ל
(meal)
van op
פְּנֵ֤י
(penei)
het aangezicht van
הָאֲדָמָה֙
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָתַ֣תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לָהֶ֔ם
(lahem)
hun
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבַּ֨יִת֙
(habayit)
het huis
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הִקְדַּ֣שְׁתִּי
(hiqdashti)
Ik heb geheiligd
לִשְׁמִ֔י
(lishmi)
voor Mijn naam
אֲשַׁלַּ֖ח
(ashalach)
Ik zal wegwerpen
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
פָּנָ֑י
(panay)
Mijn aangezicht
וְהָיָ֧ה
(vehaya)
en zal worden
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
לְמָשָׁ֥ל
(lemashal)
tot spreekwoord
וְלִשְׁנִינָ֖ה
(velishnina)
en tot spot
בְּכָל
(bekhal)
onder alle
הָעַמִּֽים
(haamim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8En dit huis zal hoog zijn. Ieder die erlangs gaat, zal zich verbazen en fluiten. Dan zullen ze zeggen: ‘Waarom heeft Yahweh dit land en dit huis zo behandeld?’
וְהַבַּ֤יִת
(vehabayit)
en dit huis
הַזֶּה֙
(haze)
dit
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
עֶלְי֔וֹן
(elyon)
hoog
כָּל
(kal)
allen
עֹבֵ֥ר
(over)
die voorbijgaat
עָלָ֖יו
(alav)
erover
יִשֹּׁ֣ם
(yishom)
zal zich verbazen
וְשָׁרָ֑ק
(vesharaq)
en zal fluiten
וְאָמְר֗וּ
(veameru)
en ze zullen zeggen
עַל
(al)
over
מֶ֨ה
(me)
wat
עָשָׂ֤ה
(asa)
heeft gedaan
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כָּ֔כָה
(kakha)
zo
לָאָ֥רֶץ
(laarets)
aan het land
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
וְלַבַּ֥יִת
(velabayit)
en aan het huis
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
In de Masoretische tekst staat עֶלְיוֹן (elyon), ‘hoog’.
Sommige oude vertalingen lezen een andere vorm, met de betekenis ‘puinhoop’.
9En ze zullen zeggen: ‘Omdat zij Yahweh, hun Elohim, hebben verlaten, die hun vaders uit het land Egypte heeft geleid. Zij hielden vast aan andere goden, bogen zich voor hen neer en dienden hen. Daarom heeft Yahweh dit hele onheil over hen gebracht.’”
וְאָמְר֗וּ
(veameru)
en ze zullen zeggen
עַל֩
(al)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
עָזְב֜וּ
(azevu)
ze hebben verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֗ם
(eloheihem)
hun Elohim
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הוֹצִ֣יא
(hotsi)
leidde uit
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבֹתָם֮
(avotam)
hun vaders
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרַיִם֒
(mitsrayim)
Egypte
וַֽיַּחֲזִ֨קוּ֙
(vayachaziqu)
en ze hielden vast
בֵּאלֹהִ֣ים
(bElohim)
aan goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וַיִּשְׁתַּחֲו֥וּ
(vayishtachavu)
en ze bogen neer
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
וַיַּעַבְדֻ֑ם
(vayaavdum)
en ze dienden hen
עַל
(al)
om
כֵּ֗ן
(ken)
zo
הֵבִ֤יא
(hevi)
heeft gebracht
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het onheil
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
11Hiram, de koning van Tyrus, had Salomo cederhout en cypressenhout en goud geleverd, alles wat hij wenste. Toen gaf koning Salomo aan Hiram twintig steden in het land Galilea.
חִירָ֣ם
(chiram)
Hiram
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
צֹ֠ר
(tsor)
Tyrus
נִשָּׂ֨א
(nisa)
had geleverd
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹ֜ה
(shelomo)
Salomo
בַּעֲצֵי֩
(baatsei)
met hout van
אֲרָזִ֨ים
(arazim)
cederen
וּבַעֲצֵ֧י
(uvaatsei)
en met hout van
בְרוֹשִׁ֛ים
(beroshim)
cypressen
וּבַזָּהָ֖ב
(uvazahav)
en met goud
לְכָל
(lekhal)
naar al
חֶפְצ֑וֹ
(cheftso)
zijn wens
אָ֡ז
(az)
toen
יִתֵּן֩
(yiten)
gaf
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֤ה
(shelomo)
Salomo
לְחִירָם֙
(lechiram)
aan Hiram
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
עִ֔יר
(ir)
stad
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land
הַגָּלִֽיל
(hagalil)
Galilea
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Galilea (גָּלִיל, galil, ‘kring’) is het noorden van het huidige Israël, boven de vlakte van Jizreël.
De tekst zegt niet welke twintig steden het waren.
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Uitleg
Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilogram.
15Dit is het verslag van de dwangarbeid die koning Salomo had opgelegd. Die was voor het bouwen van het huis van Yahweh, zijn eigen huis, de Millo, de muur van Jeruzalem, Chasor, Megiddo en Gezer.
וְזֶ֨ה
(veze)
en dit
דְבַר
(devar)
het verslag van
הַמַּ֜ס
(hamas)
de dwangarbeid
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
הֶעֱלָ֣ה
(heela)
had opgelegd
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
לִבְנוֹת֩
(livnot)
om te bouwen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֨ית
(beit)
huis van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּיתוֹ֙
(beito)
zijn huis
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּלּ֔וֹא
(hamilo)
de Millo
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
חוֹמַ֣ת
(chomat)
muur van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חָצֹ֥ר
(chatsor)
Chasor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מְגִדּ֖וֹ
(megido)
Megiddo
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גָּֽזֶר
(gazer)
Gezer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Chasor lag in het noorden van Israël, bij het huidige Tel Chatsor.
Megiddo lag in de vlakte van Jizreël, bij Tel Megiddo.
Gezer lag tussen Jeruzalem en de kust, bij Tel Gezer.
Dit zijn drie versterkte steden aan belangrijke wegen.
Zie Millo (Jeruzalem): De Millo was een terras of opvulling bij de burcht van Sion, in Jeruzalem.
De precieze plaats is niet vast te stellen.
Uitleg
מַס (mas), ‘dwangarbeid’: arbeid die het volk verplicht moest leveren.
Zo noemen wij het ook in Joz. 16:10 en 2 Sam. 20:24.
הַמִּלּוֹא (hammillo), ‘de Millo’: een opvulling of terras in de stad van David (2 Sam. 5:9). Wat het precies was, is onzeker.
16Farao, de koning van Egypte, was opgetrokken en had Gezer ingenomen. Hij verbrandde de stad met vuur en doodde de Kanaänieten die in de stad woonden. Daarna gaf hij haar als bruidsgeschenk aan zijn dochter, de vrouw van Salomo.
פַּרְעֹ֨ה
(paro)
Farao
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֜יִם
(mitsrayim)
Egypte
עָלָ֗ה
(ala)
was opgetrokken
וַיִּלְכֹּ֤ד
(vayilkod)
en nam in
אֶת
(et)
(obj.)
גֶּ֨זֶר֙
(gezer)
Gezer
וַיִּשְׂרְפָ֣הּ
(vayisrefah)
en verbrandde haar
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
met vuur
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽכְּנַעֲנִ֛י
(hakenaani)
de Kanaäniet
הַיֹּשֵׁ֥ב
(hayoshev)
die woonde
בָּעִ֖יר
(bair)
in de stad
הָרָ֑ג
(harag)
doodde hij
וַֽיִּתְּנָהּ֙
(vayitenah)
en gaf haar
שִׁלֻּחִ֔ים
(shiluchim)
bruidsgeschenken
לְבִתּ֖וֹ
(levito)
aan zijn dochter
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gezer ligt ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Tel Gezer, Israël.
Zie ook Joz. 16:10.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
שִׁלֻּחִים (shilluchim), ‘bruidsgeschenk’: wat een vader zijn dochter meegeeft bij het huwelijk.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Beneden-Bet-Choron lag aan de weg van Jeruzalem naar de kust, ten noordwesten van Jeruzalem, bij het huidige Bet Ur et-Tachta, Westelijke Jordaanoever.
Zie Gezer: Gezer (Tel Gezer) lag aan de rand van de Sefela, aan de weg van de kust naar Jeruzalem.
19Hij bouwde ook alle voorraadsteden die van Salomo waren, de steden voor de wagens en de steden voor de ruiters. Hij bouwde ook alles waar Salomo zijn zin op had gezet, in Jeruzalem, in de Libanon en in het hele land van zijn heerschappij.
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
עָרֵ֤י
(arei)
steden van
הַֽמִּסְכְּנוֹת֙
(hamiskenot)
de voorraad
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָי֣וּ
(hayu)
waren
לִשְׁלֹמֹ֔ה
(lishlomo)
van Salomo
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
הָרֶ֔כֶב
(harekhev)
de wagens
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
הַפָּרָשִׁ֑ים
(haparashim)
de ruiters
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
חֵ֣שֶׁק
(chesheq)
verlangen van
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
חָשַׁק֙
(chashaq)
hij verlangde
לִבְנ֤וֹת
(livnot)
te bouwen
בִּירוּשָׁלִַ֨ם֙
(birushaliam)
in Jeruzalem
וּבַלְּבָנ֔וֹן
(uvalevanon)
en in de Libanon
וּבְכֹ֖ל
(uvekhol)
en in heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מֶמְשַׁלְתּֽוֹ
(memshalto)
zijn heerschappij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.
Uitleg
עָרֵי הַמִּסְכְּנוֹת (arei hammiskenot), ‘voorraadsteden’: steden om voorraad op te slaan, zoals Exod. 1:11.
חֵשֶׁק (cheshek), ‘wat men graag wil’: alles waar Salomo zijn zin op had gezet.
20Al het volk dat nog over was van de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten, die niet tot de zonen van Israël behoorden,
כָּל
(kal)
heel
הָ֠עָם
(haam)
het volk
הַנּוֹתָ֨ר
(hanotar)
dat overbleef
מִן
(min)
van
הָאֱמֹרִ֜י
(haemori)
de Amoriet
הַחִתִּ֤י
(hachiti)
de Hethiet
הַפְּרִזִּי֙
(haperizi)
de Perizziet
הַחִוִּ֣י
(hachivi)
de Chiwwiet
וְהַיְבוּסִ֔י
(vehayvusi)
en de Jebusiet
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21hun zonen, die na hen in het land waren overgebleven en die de zonen van Israël niet hadden kunnen bannen: hen liet Salomo opkomen voor de dwangarbeid van slaven, tot op deze dag.
בְּנֵיהֶ֗ם
(beneihem)
hun zonen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נֹתְר֤וּ
(noteru)
waren overgebleven
אַחֲרֵיהֶם֙
(achareihem)
na hen
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יָכְל֛וּ
(yakhelu)
konden
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְהַֽחֲרִימָ֑ם
(lehacharimam)
hen te bannen
וַיַּעֲלֵ֤ם
(vayaalem)
en liet hen opkomen
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
לְמַס
(lemas)
tot dwangarbeid van
עֹבֵ֔ד
(oved)
slaaf
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְהַחֲרִימָם (lehacharimam), ‘hen aan de ban te wijden’: de volken van Kanaän hadden aan de ban gewijd moeten worden (Deut. 7:2; 20:17).
22Van de zonen van Israël maakte Salomo geen slaaf. Want zij waren zijn krijgslieden, zijn dienaren, zijn aanvoerders en zijn derde mannen, en de aanvoerders van zijn wagens en zijn ruiters.
וּמִבְּנֵי֙
(umibenei)
en van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לֹֽא
(lo)
niet
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
עָ֑בֶד
(aved)
slaaf
כִּי
(ki)
want
הֵ֞ם
(hem)
zij
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֗ה
(hamilchama)
de oorlog
וַעֲבָדָיו֙
(vaavadav)
en zijn dienaren
וְשָׂרָ֣יו
(vesarav)
en zijn aanvoerders
וְשָׁלִשָׁ֔יו
(veshalishav)
en zijn derde mannen
וְשָׂרֵ֥י
(vesarei)
en aanvoerders van
רִכְבּ֖וֹ
(rikhbo)
zijn wagens
וּפָרָשָֽׁיו
(ufarashav)
en zijn ruiters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁלִישׁ (shalish), ‘derde man’: een man van hoge rang, vaak de derde man op de strijdwagen naast de wagenmenner en de krijger.
25Drie keer per jaar bracht Salomo brandoffers en vredeoffers op het altaar dat hij voor Yahweh gebouwd had. Hij liet er ook rook mee opgaan op wat voor het aangezicht van Yahweh stond. Zo maakte hij het huis af.
וְהֶעֱלָ֣ה
(veheela)
en bracht op
שְׁלֹמֹ֡ה
(shelomo)
Salomo
שָׁלֹשׁ֩
(shalosh)
drie
פְּעָמִ֨ים
(peamim)
keer
בַּשָּׁנָ֜ה
(bashana)
per jaar
עֹל֣וֹת
(olot)
brandoffers
וּשְׁלָמִ֗ים
(ushelamim)
en vredeoffers
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בָּנָ֣ה
(bana)
hij had gebouwd
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְהַקְטֵ֣יר
(vehaqteir)
en liet in rook opgaan
אִתּ֔וֹ
(ito)
ermee
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
wat
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְשִׁלַּ֖ם
(veshilam)
en voltooide
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
אֹתוֹ (oto), letterlijk ‘met het’ of ‘erop’: de tekst zegt niet waarmee of waarop de rook opging.
Wij vertalen ‘er rook mee’ en laten open wat ‘wat voor het aangezicht van Yahweh stond’ is; waarschijnlijk is het altaar voor de hoofdzaal bedoeld.