Elohim Bijbel

Psalmen 81

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Hoor, mijn volk

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Voor de koorleider. Op de gittit. Van Asaf.
לַמְנַצֵּ֬חַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
עַֽל
(al)
op
הַגִּתִּ֬ית
(hagitit)
de gittit
לְאָסָֽף
(leasaf)
van Asaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.

הַגִּתִּית (haggittit), ‘de gittit’: een muziekterm van onzekere betekenis, misschien ‘uit Gat’ (een melodie of instrument). Wij laten het onvertaald. Zie ook Ps. 8:1; 84:1.

Jubel voor Elohim

2Jubel voor Elohim, onze sterkte. Juich voor de Elohim van Jakob.
הַ֭רְנִינוּ
(harninu)
jubel
לֵאלֹהִ֣ים
(lElohim)
voor Elohim
עוּזֵּ֑נוּ
(uzenu)
onze sterkte
הָ֝רִ֗יעוּ
(hariu)
juich
לֵאלֹהֵ֥י
(lelohei)
voor de Elohim van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Hef een lied aan en sla de tamboerijn, de lieflijke lier met de harp.
שְֽׂאוּ
(seu)
hef op
זִ֭מְרָה
(zimra)
lied
וּתְנוּ
(utenu)
en geef
תֹ֑ף
(tof)
tamboerijn
כִּנּ֖וֹר
(kinor)
lier
נָעִ֣ים
(naim)
lieflijke
עִם
(im)
met
נָֽבֶל
(navel)
harp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֹּף (tof), ‘tamboerijn’; כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’; נֶבֶל (nevel), ‘harp’.

4Blaas de ramshoorn bij de nieuwe maan, bij de volle maan, op onze feestdag.
תִּקְע֣וּ
(tiqu)
blaas
בַחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
bij de nieuwe maan
שׁוֹפָ֑ר
(shofar)
ramshoorn
בַּ֝כֵּ֗סֶה
(bakese)
bij de volle maan
לְי֣וֹם
(leyom)
op de dag van
חַגֵּֽנוּ
(chagenu)
ons feest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’; חֹדֶשׁ (chodesh), ‘nieuwe maan’, het begin van de maand.

כֶּסֶה (keseh), ‘volle maan’: de betekenis is onzeker (vergelijk Spr. 7:20). Welk feest bedoeld wordt, is niet zeker; mogelijk het feest op de eerste dag van de zevende maand (Lev. 23:24; Num. 29:1) of het Loofhuttenfeest (Lev. 23:34).

5Want het is een verordening voor Israël, een recht van de Elohim van Jakob.
כִּ֤י
(ki)
want
חֹ֣ק
(choq)
verordening
לְיִשְׂרָאֵ֣ל
(leyisrael)
voor Israël
ה֑וּא
(hu)
het
מִ֝שְׁפָּ֗ט
(mishpat)
recht
לֵאלֹהֵ֥י
(lelohei)
van de Elohim van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een woord dat de dichter hoort

6Als getuigenis heeft Hij het in Jozef gesteld, toen Hij uittrok tegen het land Egypte. Ik hoor een taal die ik niet kende:
עֵ֤דוּת
(edut)
getuigenis
בִּֽיה֘וֹסֵ֤ף
(bihosef)
in Jozef
שָׂמ֗וֹ
(samo)
Hij stelde het
בְּ֭צֵאתוֹ
(betseto)
bij Zijn uittocht
עַל
(al)
tegen
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
שְׂפַ֖ת
(sefat)
taal van
לֹא
(lo)
niet
יָדַ֣עְתִּי
(yadati)
ik kende
אֶשְׁמָֽע
(eshma)
ik hoor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

יְהוֹסֵף (Yehosef), ‘Jozef’, in een langere spelling met de korte vorm van Yahweh erin.

Dit is de enige plek waar de naam zo geschreven staat.

‘Jozef’ staat hier voor het volk Israël.

שְׂפַת לֹא־יָדַעְתִּי אֶשְׁמָע (sefat lo yadati eshma), ‘een taal die ik niet kende, hoor ik’: de spreker is hier de dichter, die een woord van Elohim hoort. Het woord van Elohim zelf, in rood, begint in vers 7.

Lezing

בְּצֵאתוֹ עַל־אֶרֶץ מִצְרָיִם (betseto al erets Mitsrayim), ‘toen Hij uittrok tegen het land Egypte’: de tekst zegt niet wie uittrekt.

Het kan ook Jozef zijn, die over Egypte trok.

Wij kiezen Elohim, omdat Hij in vers 5 en 11 de handelende is.

Zie ook Exod. 12:12.

7„Ik heb zijn schouder van de last ontlast; zijn handen verlieten de draagmand.
הֲסִיר֣וֹתִי
(hasiroti)
Ik heb ontlast
מִסֵּ֣בֶל
(misevel)
van de last
שִׁכְמ֑וֹ
(shikhmo)
zijn schouder
כַּ֝פָּ֗יו
(kapav)
zijn handen
מִדּ֥וּד
(midud)
van de draagmand
תַּעֲבֹֽרְנָה
(taavorena)
zij verlieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דּוּד (dud), ‘draagmand’: een mand voor lasten, bijvoorbeeld bakstenen.

Elders betekent het woord ‘pot’ (1 Sam. 2:14).

Zie ook Exod. 1:14; 6:6.

8In de nood riep je, en Ik heb je gered. Ik antwoordde je in de schuilplaats van de donder. Ik heb je beproefd bij het water van Meriba. Sela.
בַּצָּרָ֥ה
(batsara)
in de nood
קָרָ֗אתָ
(qarata)
je riep
וָאֲחַ֫לְּצֶ֥ךָּ
(vaachaletseka)
en Ik redde je
אֶ֭עֶנְךָ
(eenkha)
Ik antwoord je
בְּסֵ֣תֶר
(beseter)
in de schuilplaats van
רַ֑עַם
(raam)
donder
אֶבְחָֽנְךָ֨
(evchanekha)
Ik beproef je
עַל
(al)
bij
מֵ֖י
(mei)
water van
מְרִיבָ֣ה
(meriva)
Meriba
סֶֽלָה
(sela)
Sela
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Meriba (‘twist’) is de naam van twee plaatsen waar het volk Yahweh op de proef stelde: bij Refidim bij de berg Horeb (Exod. 17:1–7) en bij Kades (Num. 20:1–13).

De ligging is onzeker; Kades wordt gezocht bij Ain Qudeirat in de Negev (Israël).

Uitleg

סֶלָה (Sela): een woord van onzekere betekenis, waarschijnlijk een muzikaal teken of een pauze.

סֵתֶר רַעַם (seter ra’am), ‘schuilplaats van de donder’: de wolk met donder waaruit Elohim sprak bij de Sinaï. Zie ook Exod. 19:16–19.

9Hoor, Mijn volk, dan getuig Ik tegen je. Israël, als je maar naar Mij zou luisteren!
שְׁמַ֣ע
(shema)
hoor
עַ֭מִּי
(ami)
Mijn volk
וְאָעִ֣ידָה
(veaida)
en Ik getuig
בָּ֑ךְ
(bakh)
tegen jou
יִ֝שְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אִם
(im)
als
תִּֽשְׁמַֽע
(tishma)
je zou luisteren
לִֽי
(li)
naar Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Er zal bij jou geen vreemde god zijn, en je zult je niet buigen voor een buitenlandse god.
לֹֽא
(lo)
niet
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
er zal zijn
בְ֭ךָ
(bekha)
bij jou
אֵ֣ל
(el)
god
זָ֑ר
(zar)
vreemde
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִ֝שְׁתַּחֲוֶ֗ה
(tishtachave)
je zult je buigen
לְאֵ֣ל
(leel)
voor god
נֵכָֽר
(nekhar)
buitenlandse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵל זָר (el zar), ‘vreemde god’, en אֵל נֵכָר (el nechar), ‘buitenlandse god’: goden van andere volken.

Zie ook Exod. 20:3–5; Deut. 32:12.

11Ik ben Yahweh, jouw Elohim, die je uit het land Egypte liet optrekken. Doe je mond wijd open, dan zal Ik hem vullen.
אָנֹכִ֨י
(anokhi)
Ik
יְה֘וָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
הַֽ֭מַּעַלְךָ
(hamaalkha)
die je omhoog liet komen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
הַרְחֶב
(harchev)
open wijd
פִּ֝֗יךָ
(pikha)
je mond
וַאֲמַלְאֵֽהוּ
(vaamalehu)
en Ik zal hem vullen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ (anochi Yahweh Elohecha), ‘Ik ben Yahweh, jouw Elohim’: het begin van de tien woorden.

Zie ook Exod. 20:2; Deut. 5:6.

12Maar Mijn volk luisterde niet naar Mijn stem, en Israël wilde Mij niet.
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁמַ֣ע
(shama)
luisterde
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
לְקוֹלִ֑י
(leqoli)
naar Mijn stem
וְ֝יִשְׂרָאֵ֗ל
(veyisrael)
en Israël
לֹא
(lo)
niet
אָ֥בָה
(ava)
wilde
לִֽי
(li)
Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Toen liet Ik hen gaan in de koppigheid van hun hart. Zij gingen hun eigen plannen na.
וָֽ֭אֲשַׁלְּחֵהוּ
(vaashalechehu)
en Ik liet hem gaan
בִּשְׁרִיר֣וּת
(bishrirut)
in de koppigheid van
לִבָּ֑ם
(libam)
hun hart
יֵ֝לְכ֗וּ
(yelekhu)
zij gingen
בְּֽמוֹעֲצוֹתֵיהֶֽם
(bemoatsoteihem)
in hun eigen plannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁרִירוּת לֵב (sherirut lev), ‘hardheid van het hart’: koppigheid.

Zie ook Deut. 29:18; Jer. 3:17.

Als Mijn volk maar luisterde

14Och, dat Mijn volk naar Mij luisterde, dat Israël op Mijn wegen liep!
ל֗וּ
(lu)
o dat
עַ֭מִּי
(ami)
Mijn volk
שֹׁמֵ֣עַֽ
(shomea)
luisterde
לִ֑י
(li)
naar Mij
יִ֝שְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
בִּדְרָכַ֥י
(bidrakhay)
op Mijn wegen
יְהַלֵּֽכוּ
(yehalekhu)
liep
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Dan zou Ik hun vijanden snel onderwerpen en Mijn hand tegen hun tegenstanders keren.
כִּ֭מְעַט
(kimat)
bijna
אוֹיְבֵיהֶ֣ם
(oyeveihem)
hun vijanden
אַכְנִ֑יעַ
(akhnia)
Ik zou onderwerpen
וְעַ֥ל
(veal)
en tegen
צָ֝רֵיהֶ֗ם
(tsareihem)
hun tegenstanders
אָשִׁ֥יב
(ashiv)
Ik zou keren
יָדִֽי
(yadi)
Mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16De haters van Yahweh zouden zich huichelend aan Hem onderwerpen, en hun tijd zou voor eeuwig zijn.
מְשַׂנְאֵ֣י
(mesanei)
de haters van
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
יְכַֽחֲשׁוּ
(yekhachashu)
zouden huichelen
ל֑וֹ
(lo)
voor Hem
וִיהִ֖י
(vihi)
en zou zijn
עִתָּ֣ם
(itam)
hun tijd
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de verzen 16–17 verandert de aanspreking: Yahweh wordt in de derde persoon genoemd (‘Yahweh’, ‘Hem’, ‘Hij’), en in vers 17 volgt weer ‘Ik’.

Wij laten de Masoretische tekst staan en houden het rood tot en met vers 17.

יְכַחֲשׁוּ לוֹ (yechachashu lo), letterlijk ‘zij liegen tegen Hem’: zij onderwerpen zich uit schijn. Zie ook Ps. 18:45.

עִתָּם (ittam), ‘hun tijd’: of de tijd van Israël, of het lot van de haters. Wij vertalen letterlijk.

17Hij zou hen laten eten van het vet van de tarwe. Met honing uit de rots zou Ik je verzadigen.”
וַֽ֭יַּאֲכִילֵהוּ
(vayaakhilehu)
en Hij zou laten eten
מֵחֵ֣לֶב
(mechelev)
van het vet van
חִטָּ֑ה
(chita)
tarwe
וּ֝מִצּ֗וּר
(umitsur)
en uit de rots
דְּבַ֣שׁ
(devash)
honing
אַשְׂבִּיעֶֽךָ
(asbiekha)
Ik zou verzadigen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵחֵלֶב חִטָּה (mechelev chittah), letterlijk ‘van het vet van de tarwe’: het beste van de tarwe.

Zie ook Deut. 32:14.