Elohim Bijbel

Psalmen 38

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Een zieke belijdt zijn zonde en wacht op Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Tuchtig mij niet in Uw woede

1Een psalm. Van David. Om te gedenken.
מִזְמ֖וֹר
(mizmor)
psalm
לְדָוִ֣ד
(ledavid)
van David
לְהַזְכִּֽיר
(lehazkir)
om te gedenken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְהַזְכִּיר (lehazkir), ‘om te gedenken’: de betekenis is onzeker.

Het woord staat ook in het opschrift van Ps. 70:1.

In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.

2Yahweh, wijs mij niet terecht in Uw verbolgenheid. Tuchtig mij niet in Uw woede.
יְֽהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אַל
(al)
niet
בְּקֶצְפְּךָ֥
(beqetspekha)
in Uw verbolgenheid
תוֹכִיחֵ֑נִי
(tokhicheni)
wijs mij terecht
וּֽבַחֲמָתְךָ֥
(uvachamatekha)
en in Uw woede
תְיַסְּרֵֽנִי
(teyasereni)
tuchtig mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 2 lijkt sterk op Ps. 6:2.

3Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand daalt op mij neer.
כִּֽי
(ki)
want
חִ֭צֶּיךָ
(chitseikha)
Uw pijlen
נִ֣חֲתוּ
(nichatu)
zijn neergedaald
בִ֑י
(bi)
in mij
וַתִּנְחַ֖ת
(vatinchat)
en neerdaalt
עָלַ֣י
(alay)
op mij
יָדֶֽךָ
(yadekha)
Uw hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘pijlen’ zijn een beeld voor Yahwehs oordeel dat de dichter treft.

Vergelijk Job 6:4.

Mijn lichaam en mijn zonde

4Er is niets heels in mijn vlees vanwege Uw gramschap. Er is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonde.
אֵין
(ein)
er is niet
מְתֹ֣ם
(metom)
heel
בִּ֭בְשָׂרִי
(bivsari)
in mijn vlees
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
זַעְמֶ֑ךָ
(zamekha)
Uw gramschap
אֵין
(ein)
er is niet
שָׁל֥וֹם
(shalom)
vrede
בַּ֝עֲצָמַ֗י
(baatsamay)
in mijn beenderen
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
vanwege
חַטָּאתִֽי
(chatati)
mijn zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd heen. Als een zware last zijn zij te zwaar voor mij.
כִּ֣י
(ki)
want
עֲ֭וֺנֹתַי
(avonotay)
mijn ongerechtigheden
עָבְר֣וּ
(averu)
gaan over
רֹאשִׁ֑י
(roshi)
mijn hoofd
כְּמַשָּׂ֥א
(kemasa)
als last
כָ֝בֵ֗ד
(kaved)
zware
יִכְבְּד֥וּ
(yikhbedu)
zijn te zwaar
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Mijn striemen stinken en zijn ontstoken vanwege mijn dwaasheid.
הִבְאִ֣ישׁוּ
(hivishu)
zij stinken
נָ֭מַקּוּ
(namaqu)
zij etteren
חַבּוּרֹתָ֑י
(chaburotay)
mijn striemen
מִ֝פְּנֵ֗י
(mipenei)
vanwege
אִוַּלְתִּֽי
(ivalti)
mijn dwaasheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַבּוּרֹתַי (chabburotai), ‘striemen’: sporen van slagen, open of gezwollen wonden.

7Ik ben gekromd en diep gebogen. De hele dag loop ik in het zwart rond.
נַעֲוֵ֣יתִי
(naaveiti)
ik ben gekromd
שַׁחֹ֣תִי
(shachoti)
ik ben gebogen
עַד
(ad)
tot
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
כָּל
(kal)
heel
הַ֝יּ֗וֹם
(hayom)
de dag
קֹדֵ֥ר
(qoder)
in het zwart
הִלָּֽכְתִּי
(hilakhti)
ik loop rond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Want mijn lendenen zijn vol van een brandende ontsteking, en er is niets heels in mijn vlees.
כִּֽי
(ki)
want
כְ֭סָלַי
(kesalay)
mijn lendenen
מָלְא֣וּ
(maleu)
zijn vol
נִקְלֶ֑ה
(niqle)
brandende ontsteking
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
מְ֝תֹ֗ם
(metom)
heel
בִּבְשָׂרִֽי
(bivsari)
in mijn vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

נִקְלֶה (nikleh), ‘brandende ontsteking’: het woord is onzeker.

Het komt waarschijnlijk van ‘branden’ en kan ook ‘iets verachtelijks’ betekenen.

9Ik ben verlamd en vermorzeld, zeer. Ik brul van het kreunen van mijn hart.
נְפוּג֣וֹתִי
(nefugoti)
ik ben verlamd
וְנִדְכֵּ֣יתִי
(venidkeiti)
en vermorzeld
עַד
(ad)
tot
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
שָׁ֝אַ֗גְתִּי
(shaagti)
ik brul
מִֽנַּהֲמַ֥ת
(minahamat)
van het kreunen van
לִבִּֽי
(libi)
mijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Mijn Heer, al mijn verlangen ligt open voor U, en mijn zucht is niet voor U verborgen.
אֲֽדֹנָי
(adonay)
mijn Heer
נֶגְדְּךָ֥
(negdekha)
voor U
כָל
(kal)
al
תַּאֲוָתִ֑י
(taavati)
mijn verlangen
וְ֝אַנְחָתִ֗י
(veanchati)
en mijn zucht
מִמְּךָ֥
(mimekha)
voor U
לֹא
(lo)
niet
נִסְתָּֽרָה
(nistara)
is verborgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: een aanspreking van Yahweh.

11Mijn hart bonst, mijn kracht heeft mij verlaten. Ook het licht van mijn ogen is niet meer bij mij.
לִבִּ֣י
(libi)
mijn hart
סְ֭חַרְחַר
(secharchar)
bonst
עֲזָבַ֣נִי
(azavani)
heeft verlaten mij
כֹחִ֑י
(kochi)
mijn kracht
וְֽאוֹר
(veor)
en licht van
עֵינַ֥י
(einay)
mijn ogen
גַּם
(gam)
ook
הֵ֝֗ם
(hem)
zij
אֵ֣ין
(ein)
niet
אִתִּֽי
(iti)
bij mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְחַרְחַר (secharchar), ‘bonst’: een zeldzaam woord voor een hart dat snel en onrustig klopt.

Verlaten en belaagd

12Mijn geliefden en mijn vrienden staan tegenover mijn plaag, en mijn naasten staan van veraf.
אֹֽהֲבַ֨י
(ohavay)
mijn geliefden
וְרֵעַ֗י
(vereay)
en mijn vrienden
מִנֶּ֣גֶד
(mineged)
tegenover
נִגְעִ֣י
(nigi)
mijn plaag
יַעֲמֹ֑דוּ
(yaamodu)
staan
וּ֝קְרוֹבַ֗י
(uqerovay)
en mijn naasten
מֵרָחֹ֥ק
(merachoq)
van veraf
עָמָֽדוּ
(amadu)
staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Zij die mijn leven zoeken, leggen strikken. Zij die mijn ongeluk zoeken, spreken verderf, en de hele dag mompelen zij bedrog.
וַיְנַקְשׁ֤וּ
(vaynaqshu)
en zij leggen strikken
מְבַקְשֵׁ֬י
(mevaqshei)
zoekers van
נַפְשִׁ֗י
(nafshi)
mijn leven
וְדֹרְשֵׁ֣י
(vedoreshei)
en zoekers van
רָ֭עָתִי
(raati)
mijn ongeluk
דִּבְּר֣וּ
(diberu)
spreken
הַוּ֑וֹת
(hauot)
verderf
וּ֝מִרְמ֗וֹת
(umirmot)
en bedrog
כָּל
(kal)
heel
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
יֶהְגּֽוּ
(yehgu)
mompelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de levende mens.

Hier vertalen wij ‘leven’, omdat de vijanden naar het leven staan.

14Maar ik ben als een dove: ik hoor niet. Ik ben als een stomme die zijn mond niet opent.
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
כְ֭חֵרֵשׁ
(kecheresh)
als dove
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶשְׁמָ֑ע
(eshma)
ik hoor
וּ֝כְאִלֵּ֗ם
(ukheilem)
en als stomme
לֹ֣א
(lo)
niet
יִפְתַּח
(yiftach)
opent
פִּֽיו
(piv)
zijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Ik ben geworden als een man die niet hoort en in wiens mond geen weerwoorden zijn.
וָאֱהִ֗י
(vaehi)
en ik ben geworden
כְּ֭אִישׁ
(keish)
als man
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
שֹׁמֵ֑עַ
(shomea)
hoort
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
בְּ֝פִ֗יו
(befiv)
in zijn mond
תּוֹכָחֽוֹת
(tokhachot)
weerwoorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Op U wacht ik

16Want op U, Yahweh, heb ik gewacht. U zult antwoorden, mijn Heer, mijn Elohim.
כִּֽי
(ki)
want
לְךָ֣
(lekha)
op U
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
הוֹחָ֑לְתִּי
(hochalti)
ik heb gewacht
אַתָּ֥ה
(ata)
U
תַ֝עֲנֶ֗ה
(taane)
zult antwoorden
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
mijn Heer
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Want ik zei: „Laat hen zich niet over mij verheugen! Als mijn voet wankelt, maken zij zich groot tegen mij.”
כִּֽי
(ki)
want
אָ֭מַרְתִּי
(amarti)
ik zei
פֶּן
(pen)
dat niet
יִשְׂמְחוּ
(yismechu)
zij zich verheugen
לִ֑י
(li)
over mij
בְּמ֥וֹט
(bemot)
als wankelt
רַ֝גְלִ֗י
(ragli)
mijn voet
עָלַ֥י
(alay)
tegen mij
הִגְדִּֽילוּ
(higdilu)
zij maken zich groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Want ik ben gereed om te struikelen, en mijn pijn is altijd voor mij.
כִּֽי
(ki)
want
אֲ֭נִי
(ani)
ik
לְצֶ֣לַע
(letsela)
om te struikelen
נָכ֑וֹן
(nakhon)
ben gereed
וּמַכְאוֹבִ֖י
(umakhovi)
en mijn pijn
נֶגְדִּ֣י
(negdi)
voor mij
תָמִֽיד
(tamid)
altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֶלַע (tsela), ‘struikelen’: ook in Ps. 35:15 (‘val’).

19Want ik belijd mijn ongerechtigheid. Ik ben bezorgd om mijn zonde.
כִּֽי
(ki)
want
עֲוֺנִ֥י
(avoni)
mijn ongerechtigheid
אַגִּ֑יד
(agid)
ik belijd
אֶ֝דְאַ֗ג
(edag)
ik ben bezorgd
מֵֽחַטָּאתִֽי
(mechatati)
om mijn zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Maar mijn vijanden zijn levend en sterk, en velen haten mij ten onrechte.
וְֽ֭אֹיְבַי
(veoyevay)
en mijn vijanden
חַיִּ֣ים
(chayim)
levend
עָצֵ֑מוּ
(atsemu)
zijn sterk
וְרַבּ֖וּ
(verabu)
en velen zijn
שֹׂנְאַ֣י
(soneay)
mijn haters
שָֽׁקֶר
(shaqer)
ten onrechte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Zij die kwaad voor goed vergelden, treden als tegenstanders tegen mij op, omdat ik het goede najaag.
וּמְשַׁלְּמֵ֣י
(umeshalemei)
en vergelders van
רָ֭עָה
(raa)
kwaad
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
טוֹבָ֑ה
(tova)
goed
יִ֝שְׂטְנ֗וּנִי
(yistenuni)
zijn tegenstanders van mij
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
רָֽדְפִי
(radefi)
mijn najagen
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִשְׂטְנוּנִי (yistenuni), ‘zij treden als tegenstanders tegen mij op’: het werkwoord is verwant aan het woord ‘satan’, ‘tegenstander’.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is רדופי (radofi).

De te lezen vorm (qere) is רדפי (rodfi).

Beide betekenen ‘mijn najagen’.

Wij volgen de qere.

22Verlaat mij niet, Yahweh. Mijn Elohim, wees niet ver van mij.
אַל
(al)
niet
תַּֽעַזְבֵ֥נִי
(taazveni)
verlaat mij
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱ֝לֹהַ֗י
(elohay)
mijn Elohim
אַל
(al)
niet
תִּרְחַ֥ק
(tirchaq)
wees ver
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
van mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Haast U om mij te helpen, mijn Heer, mijn redding.
ח֥וּשָׁה
(chusha)
haast U
לְעֶזְרָתִ֑י
(leezrati)
tot mijn hulp
אֲ֝דֹנָ֗י
(adonay)
mijn Heer
תְּשׁוּעָתִֽי
(teshuati)
mijn redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)