Elohim Bijbel

Psalmen 34

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Proef en zie dat Yahweh goed is

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Opschrift

1Van David, toen hij voor Abimelech zijn gedrag veranderde. Die joeg hem weg en hij ging heen.
לְדָוִ֗ד
(ledavid)
van David
בְּשַׁנּוֹת֣וֹ
(beshanoto)
toen hij veranderde
אֶת
(et)
(obj.)
טַ֭עְמוֹ
(tamo)
zijn gedrag
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֲבִימֶ֑לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
וַֽ֝יְגָרֲשֵׁ֗הוּ
(vaygarashehu)
en die joeg hem weg
וַיֵּלַֽךְ
(vayelakh)
en hij ging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.

טַעַם (ta’am), ‘gedrag’: letterlijk ‘smaak’, daarna ‘oordeel’ of ‘gedrag’. Wij vertalen zoals in 1 Sam. 21:14.

אֲבִימֶלֶךְ (Abimelech): in 1 Sam. 21:11–16 heet de koning van Gat Achis. Abimelech is waarschijnlijk een titel of tweede naam van de Filistijnse koning, zoals in Gen. 20:2 en 26:1.

Ik zal Yahweh zegenen

2Ik zal Yahweh zegenen op elk moment. Zijn lof is voortdurend in mijn mond.
אֲבָרֲכָ֣ה
(avarakha)
ik zal zegenen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּכָל
(bekhal)
op elk
עֵ֑ת
(et)
moment
תָּ֝מִ֗יד
(tamid)
voortdurend
תְּֽהִלָּת֥וֹ
(tehilato)
Zijn lof
בְּפִֽי
(befi)
in mijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze psalm is een acrostichon: elk vers begint met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet.

De letter vav (ו) ontbreekt, en aan het eind staat een extra vers met de letter pe (פ) in vers 23.

3In Yahweh beroemt mijn ziel zich. Laat de nederigen het horen en blij zijn.
בַּ֭יהוָה
(baYahweh)
in Yahweh
תִּתְהַלֵּ֣ל
(tithalel)
beroemt zich
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn ziel
יִשְׁמְע֖וּ
(yishmeu)
laten horen
עֲנָוִ֣ים
(anavim)
de nederigen
וְיִשְׂמָֽחוּ
(veyismachu)
en laten blij zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier de dichter zelf, zijn hele wezen.

עֲנָוִים (anavim), ‘nederigen’: mensen die klein zijn voor Yahweh, zonder aanspraak op macht.

4Maak Yahweh groot met mij. Laat ons samen Zijn naam verheffen.
גַּדְּל֣וּ
(gadelu)
maak groot
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
Yahweh
אִתִּ֑י
(iti)
met mij
וּנְרוֹמְמָ֖ה
(uneromema)
en laat ons verheffen
שְׁמ֣וֹ
(shemo)
Zijn naam
יַחְדָּֽו
(yachdav)
samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Ik zocht Yahweh en Hij antwoordde mij. Hij bevrijdde mij van al mijn angsten.
דָּרַ֣שְׁתִּי
(darashti)
ik zocht
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
וְעָנָ֑נִי
(veanani)
en Hij antwoordde mij
וּמִכָּל
(umikal)
en van al
מְ֝גוּרוֹתַ֗י
(megurotay)
mijn angsten
הִצִּילָֽנִי
(hitsilani)
bevrijdde Hij mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Zij keken naar Hem en straalden, en hun gezicht werd niet beschaamd.
הִבִּ֣יטוּ
(hibitu)
zij keken
אֵלָ֣יו
(elav)
naar Hem
וְנָהָ֑רוּ
(venaharu)
en straalden
וּ֝פְנֵיהֶ֗ם
(ufeneihem)
en hun gezicht
אַל
(al)
niet
יֶחְפָּֽרוּ
(yechparu)
werd beschaamd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

הִבִּיטוּ (hibbitu) kan een gebod zijn (‘Kijk naar Hem en straal’) of een verleden tijd (‘zij keken’).

Wij volgen de klinkers van de Masoretische tekst: verleden tijd.

7Deze ellendige riep, en Yahweh hoorde. Hij redde hem uit al zijn noden.
זֶ֤ה
(ze)
deze
עָנִ֣י
(ani)
ellendige
קָ֭רָא
(qara)
riep
וַיהוָ֣ה
(vaYahweh)
en Yahweh
שָׁמֵ֑עַ
(shamea)
hoorde
וּמִכָּל
(umikal)
en uit al
צָ֝רוֹתָ֗יו
(tsarotav)
zijn noden
הוֹשִׁיעֽוֹ
(hoshio)
redde Hij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De engel van Yahweh legert zich rondom wie Hem vrezen, en ontrukt hen.
חֹנֶ֤ה
(chone)
legert zich
מַלְאַךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֓ה
(Yahweh)
Yahweh
סָ֘בִ֤יב
(saviv)
rondom
לִֽירֵאָ֗יו
(lireav)
wie Hem vrezen
וַֽיְחַלְּצֵֽם
(vaychaletsem)
en ontrukt hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Proef en zie

9Proef en zie dat Yahweh goed is. Gelukkig de man die bij Hem schuilt.
טַעֲמ֣וּ
(taamu)
proef
וּ֭רְאוּ
(ureu)
en zie
כִּי
(ki)
dat
ט֣וֹב
(tov)
goed is
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אַֽשְׁרֵ֥י
(ashrei)
gelukkig
הַ֝גֶּ֗בֶר
(hagever)
de man
יֶחֱסֶה
(yechese)
die schuilt
בּֽוֹ
(bo)
bij Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַשְׁרֵי (ashrei), ‘gelukkig’: wie zo leeft, is gezegend en tevreden.

Zie ook 1 Petr. 2:3.

10Vrees Yahweh, Zijn heiligen, want wie Hem vrezen, lijden geen gebrek.
יְר֣אוּ
(yeru)
vrees
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
קְדֹשָׁ֑יו
(qedoshav)
Zijn heiligen
כִּי
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niet is
מַ֝חְס֗וֹר
(machsor)
gebrek
לִירֵאָֽיו
(lireav)
voor wie Hem vrezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Jonge leeuwen lijden gebrek en honger, maar wie Yahweh zoeken, ontberen geen enkel goed.
כְּ֭פִירִים
(kefirim)
jonge leeuwen
רָשׁ֣וּ
(rashu)
lijden gebrek
וְרָעֵ֑בוּ
(veraevu)
en honger
וְדֹרְשֵׁ֥י
(vedoreshei)
maar wie zoeken
יְ֝הוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹא
(lo)
niet
יַחְסְר֥וּ
(yachseru)
ontberen zij
כָל
(kal)
enig
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een onderwijs over de vrees voor Yahweh

12Kom, kinderen, luister naar mij. Ik zal jullie de vrees voor Yahweh leren.
לְֽכוּ
(lekhu)
kom
בָ֭נִים
(banim)
kinderen
שִׁמְעוּ
(shimu)
luister
לִ֑י
(li)
naar mij
יִֽרְאַ֥ת
(yirat)
de vrees voor
יְ֝הוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲלַמֶּדְכֶֽם
(alamedkhem)
ik zal jullie leren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘de vrees voor Yahweh’: ontzag en eerbied voor Yahweh.

13Wie is de man die het leven wil, die dagen liefheeft om het goede te zien?
מִֽי
(mi)
wie
הָ֭אִישׁ
(haish)
de man
הֶחָפֵ֣ץ
(hechafets)
die verlangt
חַיִּ֑ים
(chayim)
leven
אֹהֵ֥ב
(ohev)
die liefheeft
יָ֝מִ֗ים
(yamim)
dagen
לִרְא֥וֹת
(lirot)
om te zien
טֽוֹב
(tov)
het goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 13–17 worden aangehaald in 1 Petr. 3:10–12.

14Behoed je tong voor kwaad en je lippen voor het spreken van bedrog.
נְצֹ֣ר
(netsor)
behoed
לְשׁוֹנְךָ֣
(leshonekha)
je tong
מֵרָ֑ע
(mera)
voor kwaad
וּ֝שְׂפָתֶ֗יךָ
(usefateikha)
en je lippen
מִדַּבֵּ֥ר
(midaber)
voor het spreken van
מִרְמָֽה
(mirma)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Wijk af van het kwaad en doe het goede. Zoek vrede en jaag erop na.
ס֣וּר
(sur)
wijk af
מֵ֭רָע
(mera)
van kwaad
וַעֲשֵׂה
(vaase)
en doe
ט֑וֹב
(tov)
het goede
בַּקֵּ֖שׁ
(baqesh)
zoek
שָׁל֣וֹם
(shalom)
vrede
וְרָדְפֵֽהוּ
(veradefehu)
en jaag na
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh ziet de rechtvaardigen

16De ogen van Yahweh zijn op de rechtvaardigen en Zijn oren zijn bij hun hulpgeroep.
עֵינֵ֣י
(einei)
de ogen van
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
zijn op
צַדִּיקִ֑ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
וְ֝אָזְנָ֗יו
(veazenav)
en Zijn oren
אֶל
(el)
zijn bij
שַׁוְעָתָֽם
(shavatam)
hun hulpgeroep
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Het aangezicht van Yahweh is tegen wie kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde weg te snijden.
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
בְּעֹ֣שֵׂי
(beosei)
is tegen wie doen
רָ֑ע
(ra)
kwaad
לְהַכְרִ֖ית
(lehakhrit)
om af te snijden
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
van de aarde
זִכְרָֽם
(zikhram)
hun gedachtenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זִכְרָם (zichram), ‘hun gedachtenis’: wat van hen herinnerd wordt.

‘Afsnijden’ (כָּרַת, karat) betekent hier uitroeien.

18Zij riepen om hulp, en Yahweh hoorde. Hij bevrijdde hen uit al hun noden.
צָעֲק֣וּ
(tsaaqu)
zij riepen om hulp
וַיהוָ֣ה
(vaYahweh)
en Yahweh
שָׁמֵ֑עַ
(shamea)
hoorde
וּמִכָּל
(umikal)
en uit al
צָ֝רוֹתָ֗ם
(tsarotam)
hun noden
הִצִּילָֽם
(hitsilam)
bevrijdde Hij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Yahweh is nabij aan wie gebroken van hart zijn. Hij redt wie verbrijzeld van geest zijn.
קָר֣וֹב
(qarov)
nabij
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
לְנִשְׁבְּרֵי
(lenishberei)
aan de gebrokenen van
לֵ֑ב
(lev)
hart
וְֽאֶת
(veet)
en
דַּכְּאֵי
(dakeei)
de verbrijzelden van
ר֥וּחַ
(ruach)
geest
יוֹשִֽׁיעַ
(yoshia)
redt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Veel kwaad treft de rechtvaardige, maar uit alles bevrijdt Yahweh hem.
רַ֭בּוֹת
(rabot)
veel
רָע֣וֹת
(raot)
kwaad
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
de rechtvaardige
וּ֝מִכֻּלָּ֗ם
(umikulam)
en uit alles
יַצִּילֶ֥נּוּ
(yatsilenu)
bevrijdt hem
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָעוֹת (ra’ot), ‘kwaad’ (meervoud): rampen en lijden.

Het is van hetzelfde grondwoord als ‘kwaad’ in vers 14, 15, 17 en 22.

21Hij bewaart al zijn beenderen. Niet één van hen is gebroken.
שֹׁמֵ֥ר
(shomer)
bewaart
כָּל
(kal)
al
עַצְמוֹתָ֑יו
(atsmotav)
zijn beenderen
אַחַ֥ת
(achat)
één
מֵ֝הֵ֗נָּה
(mehena)
van hen
לֹ֣א
(lo)
niet
נִשְׁבָּֽרָה
(nishbara)
is gebroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Exod. 12:46 en Num. 9:12, waar van het paaslam geen been gebroken mag worden.

Joh. 19:36 verwijst naar deze woorden.

22Het kwaad zal de goddeloze doden. Wie de rechtvaardige haten, zullen schuldig zijn.
תְּמוֹתֵ֣ת
(temotet)
zal doden
רָשָׁ֣ע
(rasha)
de goddeloze
רָעָ֑ה
(raa)
het kwaad
וְשֹׂנְאֵ֖י
(vesoneei)
en wie haten
צַדִּ֣יק
(tsadiq)
de rechtvaardige
יֶאְשָֽׁמוּ
(yeshamu)
zullen schuldig zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָשַׁם (asham), ‘schuldig zijn’: het werkwoord voor schuld dragen en ervoor boeten.

Het is verwant aan ‘schuldoffer’.

Yahweh koopt vrij

23Yahweh koopt de ziel van Zijn dienaren vrij. Allen die bij Hem schuilen, zullen niet schuldig zijn.
פּוֹדֶ֣ה
(pode)
koopt vrij
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
de ziel van
עֲבָדָ֑יו
(avadav)
Zijn dienaren
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יֶ֝אְשְׁמ֗וּ
(yeshemu)
zullen schuldig zijn
כָּֽל
(kal)
allen
הַחֹסִ֥ים
(hachosim)
die schuilen
בּֽוֹ
(bo)
bij Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פּוֹדֶה (podeh), ‘koopt vrij’: van פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’: een losgeld betalen om iemand vrij te maken.