Open in de app Alle boeken Psalmen ← 6 8 → Psalmen 7 Gebed van een onschuldig vervolgde om recht
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Opschrift 1 Een Sjiggajon van David, dat hij voor Yahweh zong naar aanleiding van de woorden van Kush, een Benjaminiet.
שִׁגָּי֗וֹן
(shigayon)
sjiggajon
לְדָ֫וִ֥ד
(ledavid)
van David
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
דִּבְרֵי
(divrei)
de woorden van
יְמִינִֽי
(yemini)
een Benjaminiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.
שִׁגָּיוֹן (shiggayon), ‘Sjiggajon’: de betekenis is onzeker; het is een soort lied of muziekstuk. Vergelijk Hab. 3:1.
בֶּן־יְמִינִי (ben yemini), ‘zoon van een Benjaminiet’: dat is, een Benjaminiet (vergelijk 1 Sam. 9:21). Een Benjaminiet Kush wordt in 1 en 2 Samuël niet genoemd. Wie hij is, weten wij niet; het opschrift verbindt de psalm met de tijd van Saul en David.
Red mij van mijn vervolgers 2 Yahweh, mijn Elohim, bij U schuil ik. Red mij van al mijn vervolgers en bevrijd mij,
אֱ֭לֹהַי
(elohay)
mijn Elohim
חָסִ֑יתִי
(chasiti)
schuil ik
הוֹשִׁיעֵ֥נִי
(hoshieni)
red mij
רֹ֝דְפַ֗י
(rodefay)
mijn vervolgers
וְהַצִּילֵֽנִי
(vehatsileni)
en bevrijd mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 anders verscheurt hij mijn ziel als een leeuw en rukt haar uiteen, terwijl er niemand is die redt.
יִטְרֹ֣ף
(yitrof)
hij verscheurt
כְּאַרְיֵ֣ה
(kearye)
als een leeuw
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn ziel
פֹּ֝רֵ֗ק
(poreq)
uiteenrukkend
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven of de hele persoon.
De eed van onschuld 4 Yahweh, mijn Elohim, als ik dit heb gedaan, als er onrecht in mijn handen is,
אֱ֭לֹהַי
(elohay)
mijn Elohim
עָשִׂ֣יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
בְּכַפָּֽי
(bekhapay)
in mijn handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5 als ik kwaad heb vergolden aan wie vrede met mij had, of mijn belager zonder reden heb beroofd,
גָּ֭מַלְתִּי
(gamalti)
ik vergold
שֽׁוֹלְמִ֥י
(sholemi)
wie vrede met mij had
וָאֲחַלְּצָ֖ה
(vaachaletsa)
en ik beroofde
צוֹרְרִ֣י
(tsoreri)
mijn belager
רֵיקָֽם
(reiqam)
zonder reden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
וָאֲחַלְּצָה (va’achaltsah) is moeilijk.
Het werkwoord kan ‘bevrijden, redden’ of ‘ontdoen van, beroven’ betekenen.
De zin kan dus ook zijn: ‘en heb ik mijn belager zonder reden gered’.
Wij kiezen ‘beroofd’.
6 dan moge de vijand mijn ziel achtervolgen en inhalen, mijn leven ter aarde vertrappen en mijn eer in het stof laten wonen. Sela.
יִֽרַדֹּ֥ף
(yiradof)
moge achtervolgen
נַפְשִׁ֡י
(nafshi)
mijn ziel
וְיַשֵּׂ֗ג
(veyaseg)
en inhalen
וְיִרְמֹ֣ס
(veyirmos)
en vertrappen
לָאָ֣רֶץ
(laarets)
ter aarde
חַיָּ֑י
(chayay)
mijn leven
וּכְבוֹדִ֓י
(ukhevodi)
en mijn eer
לֶעָפָ֖ר
(leafar)
in het stof
יַשְׁכֵּ֣ן
(yashken)
laten wonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Yahweh, rechter van de volkeren 7 Sta op, Yahweh, in Uw toorn. Verhef U tegen de woede van mijn belagers. Word wakker voor mij: recht hebt U bevolen.
בְּאַפֶּ֗ךָ
(beapekha)
in Uw toorn
הִ֭נָּשֵׂא
(hinase)
verhef U
בְּעַבְר֣וֹת
(beavrot)
tegen de woede van
צוֹרְרָ֑י
(tsoreray)
mijn belagers
וְע֥וּרָה
(veura)
en word wakker
צִוִּֽיתָ
(tsivita)
hebt U bevolen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De laatste woorden zijn moeilijk.
Wij lezen: ‘recht hebt U bevolen’, dat wil zeggen: U hebt zelf bepaald dat recht moet geschieden.
8 Laat de gemeenschap van naties U omringen, en keer boven haar terug naar de hoogte.
וַעֲדַ֣ת
(vaadat)
en de gemeenschap van
תְּסוֹבְבֶ֑ךָּ
(tesoveveka)
omringe U
וְ֝עָלֶ֗יהָ
(vealeiha)
en boven haar
לַמָּר֥וֹם
(lamarom)
naar de hoogte
שֽׁוּבָה
(shuva)
keer terug
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
שׁוּבָה (shuvah), ‘keer terug’: het werkwoord kan ook van een ander werkwoord komen (yashav) en dan ‘neem plaats’ betekenen.
De bedoeling is dat Yahweh terugkeert naar de hoogte, op de rechterstoel.
9 Yahweh houdt gericht over de volkeren. Verschaf mij recht, Yahweh, naar mijn gerechtigheid en naar mijn onberispelijkheid die op mij is.
יָדִ֪ין
(yadin)
houdt gericht
שָׁפְטֵ֥נִי
(shafeteni)
verschaf mij recht
כְּצִדְקִ֖י
(ketsidqi)
naar mijn gerechtigheid
וּכְתֻמִּ֣י
(ukhetumi)
en naar mijn onberispelijkheid
עָלָֽי
(alay)
die op mij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תֹּם (tom), ‘onberispelijkheid’: heel en ongeschonden zijn.
Het gaat om dezelfde eigenschap als ‘onberispelijk’ bij Job (Job 1:1).
10 Laat toch het kwaad van de goddelozen ophouden en maak de rechtvaardige standvastig. U onderzoekt harten en nieren, rechtvaardige Elohim.
יִגְמָר
(yigmar)
laat ophouden
רְשָׁעִים֮
(reshaim)
goddelozen
וּתְכוֹנֵ֪ן
(utekhonen)
en maak standvastig
צַ֫דִּ֥יק
(tsadiq)
de rechtvaardige
וּבֹחֵ֣ן
(uvochen)
en U onderzoekt
וּכְלָי֗וֹת
(ukhelayot)
en nieren
צַדִּֽיק
(tsadiq)
rechtvaardige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּלָיוֹת (kelayot), ‘nieren’: in de Bijbel is het binnenste van een mens, de zetel van gevoelens en geweten.
‘Harten en nieren’ betekent: alles wat in een mens leeft.
11 Mijn schild is bij Elohim, die de oprechten van hart redt.
מָֽגִנִּ֥י
(magini)
mijn schild
מ֝וֹשִׁ֗יעַ
(moshia)
die redt
יִשְׁרֵי
(yishrei)
de oprechten van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Het kwaad keert zich tegen de boosdoener 12 Elohim is een rechtvaardige rechter en een El die elke dag verontwaardigd is.
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
rechtvaardige
זֹעֵ֥ם
(zoem)
verontwaardigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 Als hij zich niet bekeert, slijpt Hij Zijn zwaard. Hij spant Zijn boog en richt hem.
יָ֭שׁוּב
(yashuv)
hij zich bekeert
חַרְבּ֣וֹ
(charbo)
Zijn zwaard
יִלְט֑וֹשׁ
(yiltosh)
slijpt Hij
קַשְׁתּ֥וֹ
(qashto)
Zijn boog
דָ֝רַ֗ךְ
(darakh)
heeft Hij gespannen
וַֽיְכוֹנְנֶֽהָ
(vaykhoneneha)
en richt haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Wie ‘hij’ is en wiens zwaard en boog het zijn, is onduidelijk.
Wij lezen: als de boosdoener zich niet bekeert, maakt Yahweh Zijn wapens klaar.
Vers 14 zegt dat zij ‘voor hem’ klaarstaan.
14 Voor hem heeft Hij wapens van de dood gereedgemaakt; Zijn pijlen maakt Hij tot brandende pijlen.
הֵכִ֣ין
(hekhin)
heeft Hij gereedgemaakt
חִ֝צָּ֗יו
(chitsav)
Zijn pijlen
לְֽדֹלְקִ֥ים
(ledoleqim)
tot brandende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15 Zie, hij heeft barensweeën van onheil, hij is zwanger van moeite en baart leugen.
יְחַבֶּל
(yechabel)
heeft barensweeën van
וְהָרָ֥ה
(vehara)
en is zwanger
וְיָ֣לַד
(veyalad)
en baart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 Een kuil heeft hij gegraven en diep uitgegraven, maar hij valt in de kuil die hij maakt.
וַֽיַּחְפְּרֵ֑הוּ
(vayachperehu)
en hij groef hem diep uit
וַ֝יִּפֹּ֗ל
(vayipol)
en hij valt
בְּשַׁ֣חַת
(beshachat)
in de kuil
יִפְעָֽל
(yifal)
die hij maakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בּוֹר (bor) en שַׁחַת (shachat) zijn twee woorden voor ‘kuil’.
Wij vertalen ze beide met ‘kuil’.
17 Zijn moeite keert terug op zijn eigen hoofd, en zijn geweld daalt neer op zijn eigen kruin.
יָשׁ֣וּב
(yashuv)
keert terug
עֲמָל֣וֹ
(amalo)
zijn moeite
בְרֹאשׁ֑וֹ
(berosho)
op zijn hoofd
קָ֝דְקֳד֗וֹ
(qadeqodo)
zijn kruin
חֲמָס֥וֹ
(chamaso)
zijn geweld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Dankzegging 18 Ik zal Yahweh danken om Zijn gerechtigheid, en de naam van Yahweh, de Allerhoogste, bezingen.
אוֹדֶ֣ה
(ode)
ik zal danken
כְּצִדְק֑וֹ
(ketsidqo)
naar Zijn gerechtigheid
וַ֝אֲזַמְּרָ֗ה
(vaazamera)
en ik zal bezingen
עֶלְיֽוֹן
(elyon)
de Allerhoogste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֶלְיוֹן (Eljon), ‘de Allerhoogste’: een naam voor Elohim als de hoogste boven alle machten.
Vergelijk Gen. 14:18–20.