Elohim Bijbel

Psalmen 22

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Van noodkreet naar lofzang: de lijdende en de volken

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Opschrift

1Voor de koorleider, naar ‘De hinde van de dageraad’. Een psalm van David.
לַ֭מְנַצֵּחַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
עַל
(al)
naar
אַיֶּ֥לֶת
(ayelet)
de hinde van
הַשַּׁ֗חַר
(hashachar)
de dageraad
מִזְמ֥וֹר
(mizmor)
een psalm
לְדָוִֽד
(ledavid)
van David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַיֶּלֶת הַשַּׁחַר (ayyelet hashachar), ‘de hinde van de dageraad’: waarschijnlijk de naam van een melodie of een aanwijzing voor de muziek.

De betekenis is onzeker.

לַמְנַצֵּחַ (lamnatseach), ‘voor de koorleider’: de betekenis is onzeker.

In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.

Waarom hebt U mij verlaten?

2Mijn El, mijn El, waarom hebt U mij verlaten? Ver van mijn redding zijn de woorden van mijn gebrul.
אֵלִ֣י
(eli)
mijn El
אֵ֭לִי
(eli)
mijn El
לָמָ֣ה
(lama)
waarom
עֲזַבְתָּ֑נִי
(azavtani)
hebt U mij verlaten
רָח֥וֹק
(rachoq)
ver van
מִֽ֝ישׁוּעָתִ֗י
(mishuati)
mijn redding
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
שַׁאֲגָתִֽי
(shaagati)
mijn gebrul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵלִי (Eli), ‘mijn El’: El is een korte vorm van Elohim.

Matt. 27:46 en Mark. 15:34 halen het begin van dit vers aan.

שְׁאָגָה (she’agah), ‘gebrul’: eigenlijk het brullen van een leeuw, hier de kreet van de lijdende. Zie ook Job 3:24.

3Mijn Elohim, overdag roep ik, maar U antwoordt niet. ’s Nachts is er geen stilte voor mij.
אֱֽלֹהַ֗י
(elohay)
mijn Elohim
אֶקְרָ֣א
(eqra)
ik roep
י֭וֹמָם
(yomam)
overdag
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תַעֲנֶ֑ה
(taane)
U antwoordt
וְ֝לַ֗יְלָה
(velayla)
en 's nachts
וְֽלֹא
(velo)
en niet
דֽוּמִיָּ֥ה
(dumiya)
stilte
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דּוּמִיָּה (dumiyyah), ‘stilte’: dit kan ‘rust’ betekenen of ‘ik zwijg niet’.

Wij laten ‘stilte’ staan.

Onze vaders vertrouwden op U

4Maar U bent heilig. U zetelt op de lofzangen van Israël.
וְאַתָּ֥ה
(veata)
maar U
קָד֑וֹשׁ
(qadosh)
heilig
י֝וֹשֵׁ֗ב
(yoshev)
zetelt
תְּהִלּ֥וֹת
(tehilot)
lofzangen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹשֵׁב תְּהִלּוֹת יִשְׂרָאֵל (yoshev tehillot Yisrael), ‘zetelend op de lofzangen van Israël’: de lof van het volk is als een troon voor Yahweh.

5Op U vertrouwden onze vaders. Zij vertrouwden, en U liet hen ontkomen.
בְּ֭ךָ
(bekha)
op U
בָּטְח֣וּ
(batechu)
vertrouwden
אֲבֹתֵ֑ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
בָּ֝טְח֗וּ
(batechu)
zij vertrouwden
וַֽתְּפַלְּטֵֽמוֹ
(vatefaletemo)
en U liet hen ontkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Tot U riepen zij om hulp en zij ontkwamen. Op U vertrouwden zij en zij werden niet beschaamd.
אֵלֶ֣יךָ
(eleikha)
tot U
זָעֲק֣וּ
(zaaqu)
riepen zij om hulp
וְנִמְלָ֑טוּ
(venimlatu)
en zij ontkwamen
בְּךָ֖
(bekha)
op U
בָטְח֣וּ
(batechu)
vertrouwden zij
וְלֹא
(velo)
en niet
בֽוֹשׁוּ
(boshu)
werden zij beschaamd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Bespot door de mensen

7Maar ik ben een worm en geen man, de smaad van de mensen, veracht door het volk.
וְאָנֹכִ֣י
(veanokhi)
maar ik
תוֹלַ֣עַת
(tolaat)
een worm
וְלֹא
(velo)
en niet
אִ֑ישׁ
(ish)
een man
חֶרְפַּ֥ת
(cherpat)
smaad van
אָ֝דָ֗ם
(adam)
de mens
וּבְז֥וּי
(uvezuy)
en veracht door
עָֽם
(am)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹלַעַת (tola’at), ‘worm’: een klein, weerloos dier.

8Allen die mij zien, bespotten mij. Zij trekken de lip op en schudden het hoofd:
כָּל
(kal)
allen
רֹ֭אַי
(roay)
die mij zien
יַלְעִ֣גוּ
(yaligu)
bespotten
לִ֑י
(li)
mij
יַפְטִ֥ירוּ
(yaftiru)
zij spreiden open
בְ֝שָׂפָ֗ה
(besafa)
de lip
יָנִ֥יעוּ
(yaniu)
zij schudden
רֹֽאשׁ
(rosh)
het hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9„Wentel het op Yahweh! Laat Hij hem laten ontkomen, laat Hij hem bevrijden, want Hij heeft behagen in hem.”
גֹּ֣ל
(gol)
wentel
אֶל
(el)
op
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
יְפַלְּטֵ֑הוּ
(yefaletehu)
laat Hij hem laten ontkomen
יַ֝צִּילֵ֗הוּ
(yatsilehu)
laat Hij hem bevrijden
כִּ֘י
(ki)
want
חָ֥פֵֽץ
(chafets)
Hij heeft behagen
בּֽוֹ
(bo)
in hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֹּל (gol), ‘wentel’: van גָּלַל (galal), ‘rollen’.

‘Wentel het op Yahweh’ betekent: laat het aan Yahweh over.

Vergelijk Spr. 16:3.

Hier zijn het de spotters die spreken.

Sinds de geboorte op U geworpen

10Want U bent het die mij uit de buik trok, die mij liet vertrouwen aan de borsten van mijn moeder.
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֣ה
(ata)
U
גֹחִ֣י
(gochi)
die mij trok
מִבָּ֑טֶן
(mibaten)
uit de buik
מַ֝בְטִיחִ֗י
(mavtichi)
die mij liet vertrouwen
עַל
(al)
aan
שְׁדֵ֥י
(shedei)
de borsten van
אִמִּֽי
(imi)
mijn moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Op U ben ik geworpen vanaf de schoot. Vanaf de buik van mijn moeder bent U mijn El.
עָ֭לֶיךָ
(aleikha)
op U
הָשְׁלַ֣כְתִּי
(hashelakhti)
ben ik geworpen
מֵרָ֑חֶם
(merachem)
vanaf de schoot
מִבֶּ֥טֶן
(mibeten)
vanaf de buik van
אִ֝מִּ֗י
(imi)
mijn moeder
אֵ֣לִי
(eli)
mijn El
אָֽתָּה
(ata)
bent U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Wees niet ver van mij, want de nood is nabij, want er is geen helper.
אַל
(al)
niet
תִּרְחַ֣ק
(tirchaq)
wees ver
מִ֭מֶּנִּי
(mimeni)
van mij
כִּי
(ki)
want
צָרָ֣ה
(tsara)
nood
קְרוֹבָ֑ה
(qerova)
is nabij
כִּי
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
er is niet
עוֹזֵֽר
(ozer)
een helper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Omringd door vijanden

13Veel jonge stieren omringen mij. De machtigen van Basan omsluiten mij.
סְ֭בָבוּנִי
(sevavuni)
omringen mij
פָּרִ֣ים
(parim)
stieren
רַבִּ֑ים
(rabim)
veel
אַבִּירֵ֖י
(abirei)
de machtigen van
בָשָׁ֣ן
(bashan)
Basan
כִּתְּרֽוּנִי
(kiteruni)
omsluiten mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Basan ligt ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, in het huidige Golan en Hauran (Syrië en Israël).

Uitleg

אַבִּירֵי בָשָׁן (abbire Bashan), ‘de machtigen van Basan’: Basan was beroemd om zijn vee, zie Deut. 32:14.

Hier zijn het sterke stieren, een beeld voor de vijanden.

14Zij sperren hun mond tegen mij open, als een leeuw die verscheurt en brult.
פָּצ֣וּ
(patsu)
zij sperren open
עָלַ֣י
(alay)
tegen mij
פִּיהֶ֑ם
(pihem)
hun mond
אַ֝רְיֵ֗ה
(arye)
een leeuw
טֹרֵ֥ף
(toref)
die verscheurt
וְשֹׁאֵֽג
(veshoeg)
en brult
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Als water ben ik uitgegoten en al mijn beenderen zijn uit elkaar gegaan. Mijn hart is als was geworden, gesmolten in het midden van mijn ingewanden.
כַּמַּ֥יִם
(kamayim)
als water
נִשְׁפַּכְתִּי֮
(nishpakhti)
ben ik uitgegoten
וְהִתְפָּֽרְד֗וּ
(vehitparedu)
en zijn uit elkaar gegaan
כָּֽל
(kal)
al
עַצְמ֫וֹתָ֥י
(atsmotay)
mijn beenderen
הָיָ֣ה
(haya)
is geworden
לִ֭בִּי
(libi)
mijn hart
כַּדּוֹנָ֑ג
(kadonag)
als was
נָ֝מֵ֗ס
(names)
gesmolten
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
מֵעָֽי
(meay)
mijn ingewanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִתְפָּרְדוּ (hitparedu), ‘zijn uit elkaar gegaan’: de beenderen raken los van elkaar.

16Mijn kracht is droog als een potscherf en mijn tong kleeft aan mijn kaken. In het stof van de dood legt U mij neer.
יָ֘בֵ֤שׁ
(yavesh)
droog is
כַּחֶ֨רֶשׂ
(kacheres)
als een potscherf
כֹּחִ֗י
(kochi)
mijn kracht
וּ֭לְשׁוֹנִי
(uleshoni)
en mijn tong
מֻדְבָּ֣ק
(mudbaq)
kleeft
מַלְקוֹחָ֑י
(malqochay)
aan mijn kaken
וְֽלַעֲפַר
(velaafar)
en in het stof van
מָ֥וֶת
(mavet)
de dood
תִּשְׁפְּתֵֽנִי
(tishpeteni)
legt U mij neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּשְׁפְּתֵנִי (tishpetheni), ‘U legt mij neer’: de vorm komt van een werkwoord dat ‘neerzetten’ betekent.

De betekenis is onzeker.

מַלְקוֹחַי (malqochai), ‘mijn kaken’: letterlijk wat de kaken en het gehemelte vasthoudt.

17Want honden omringen mij. Een gemeenschap van kwaaddoeners sluit mij in. Als een leeuw – mijn handen en mijn voeten.
כִּ֥י
(ki)
want
סְבָב֗וּנִי
(sevavuni)
omringen mij
כְּלָ֫בִ֥ים
(kelavim)
honden
עֲדַ֣ת
(adat)
een gemeenschap van
מְ֭רֵעִים
(mereim)
kwaaddoeners
הִקִּיפ֑וּנִי
(hiqifuni)
sluit mij in
כָּ֝אֲרִ֗י
(kaari)
als een leeuw
יָדַ֥י
(yaday)
mijn handen
וְרַגְלָֽי
(veraglay)
en mijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲדַת מְרֵעִים (adat mere’im), ‘een gemeenschap van kwaaddoeners’: een groep die samen kwaad doet.

Lezing

כָּאֲרִי (ka’ari), ‘als een leeuw’: in de Masoretische tekst staat hier geen werkwoord: ‘als een leeuw mijn handen en mijn voeten’.

Dat is moeilijk te verstaan.

Sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen hebben een werkwoord, ‘zij hebben doorboord’ (kara of karu).

Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk.

18Ik kan al mijn beenderen tellen. Zij kijken toe en staren naar mij.
אֲסַפֵּ֥ר
(asaper)
ik kan tellen
כָּל
(kal)
al
עַצְמוֹתָ֑י
(atsmotay)
mijn beenderen
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
יַ֝בִּ֗יטוּ
(yabitu)
kijken toe
יִרְאוּ
(yiru)
staren
בִֽי
(bi)
naar mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Zij verdelen mijn kleren onder zich en over mijn gewaad werpen zij het lot.
יְחַלְּק֣וּ
(yechalequ)
zij verdelen
בְגָדַ֣י
(begaday)
mijn kleren
לָהֶ֑ם
(lahem)
onder zich
וְעַל
(veal)
en over
לְ֝בוּשִׁ֗י
(levushi)
mijn gewaad
יַפִּ֥ילוּ
(yapilu)
werpen zij
גוֹרָֽל
(goral)
het lot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּגֶד (beged), ‘kleren’, en לְבוּשׁ (levush), ‘gewaad’: twee woorden voor kleding in een parallelle regel.

Joh. 19:24 haalt dit vers aan.

Bidden om redding

20Maar U, Yahweh, wees niet ver. Mijn sterkte, haast U mij te helpen.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
maar U
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
אַל
(al)
niet
תִּרְחָ֑ק
(tirchaq)
wees ver
אֱ֝יָלוּתִ֗י
(eyaluti)
mijn sterkte
לְעֶזְרָ֥תִי
(leezrati)
tot mijn hulp
חֽוּשָׁה
(chusha)
haast U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱיָלוּת (eyaluth), ‘sterkte’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker.

21Bevrijd mijn ziel van het zwaard, mijn enige uit de hand van de hond.
הַצִּ֣ילָה
(hatsila)
bevrijd
מֵחֶ֣רֶב
(mecherev)
van het zwaard
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn ziel
מִיַּד
(miyad)
uit de hand van
כֶּ֝֗לֶב
(kelev)
de hond
יְחִידָתִֽי
(yechidati)
mijn enige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְחִידָתִי (yechidati), ‘mijn enige’: het ene leven dat wij hebben.

22Red mij uit de muil van de leeuw. Van de hoorns van de wilde stieren af hebt U mij geantwoord.
ה֭וֹשִׁיעֵנִי
(hoshieni)
red mij
מִפִּ֣י
(mipi)
uit de muil van
אַרְיֵ֑ה
(arye)
de leeuw
וּמִקַּרְנֵ֖י
(umiqarnei)
en van de hoorns van
רֵמִ֣ים
(remim)
de wilde stieren
עֲנִיתָֽנִי
(anitani)
U hebt mij geantwoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲנִיתָּנִי (anitani), ‘U hebt mij geantwoord’: het gebed slaat hier om in zekerheid dat Yahweh heeft verhoord.

Het is een voltooide tijd; er staat geen bevel.

Lezing

רֵמִים (re’emim), ‘wilde stieren’: de medeklinkers (רמים) kunnen ook ‘hoge’ (ramim) lezen.

Wij volgen de klinkers; zo ook Num. 23:22.

Lofzang in de vergadering

23Ik zal Uw naam vertellen aan mijn broeders. Te midden van de vergadering zal ik U prijzen.
אֲסַפְּרָ֣ה
(asapera)
ik zal vertellen
שִׁמְךָ֣
(shimkha)
Uw naam
לְאֶחָ֑י
(leechay)
aan mijn broeders
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
קָהָ֣ל
(qahal)
de vergadering
אֲהַלְלֶֽךָּ
(ahalleka)
zal ik U prijzen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Jullie die Yahweh vrezen, prijs Hem! Heel het nageslacht van Jakob, eer Hem. Huiver voor Hem, heel het nageslacht van Israël.
יִרְאֵ֤י
(yirei)
die vrezen
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
הַֽלְל֗וּהוּ
(halluhu)
prijst Hem
כָּל
(kal)
heel
זֶ֣רַע
(zera)
het nageslacht van
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
כַּבְּד֑וּהוּ
(kabeduhu)
eert Hem
וְג֥וּרוּ
(veguru)
en huivert
מִ֝מֶּ֗נּוּ
(mimenu)
voor Hem
כָּל
(kal)
heel
זֶ֥רַע
(zera)
het nageslacht van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גּוּר (gur), ‘huiveren’: ontzag hebben voor Yahweh.

25Want Hij heeft de ellende van de ellendige niet veracht en niet verafschuwd. Hij heeft Zijn aangezicht niet voor hem verborgen. Toen hij tot Hem om hulp riep, heeft Hij gehoord.
כִּ֤י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
בָזָ֨ה
(baza)
heeft Hij veracht
וְלֹ֪א
(velo)
en niet
שִׁקַּ֡ץ
(shiqats)
verafschuwd
עֱנ֬וּת
(enut)
de ellende van
עָנִ֗י
(ani)
de ellendige
וְלֹא
(velo)
en niet
הִסְתִּ֣יר
(histir)
heeft Hij verborgen
פָּנָ֣יו
(panav)
Zijn aangezicht
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
voor hem
וּֽבְשַׁוְּע֖וֹ
(uveshaveo)
en toen hij om hulp riep
אֵלָ֣יו
(elav)
tot Hem
שָׁמֵֽעַ
(shamea)
heeft Hij gehoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָנִי (ani), ‘ellendige’: iemand die ellende lijdt.

Dat is een ander woord dan עֲנָוִים (anavim), ‘nederigen’, in vers 27.

26Van U komt mijn lofzang in de grote vergadering. Mijn geloften zal ik inlossen voor wie Hem vrezen.
מֵ֥אִתְּךָ֗
(meitekha)
van U
תְֽהִלָּ֫תִ֥י
(tehilati)
mijn lofzang
בְּקָהָ֥ל
(beqahal)
in de vergadering
רָ֑ב
(rav)
grote
נְדָרַ֥י
(nedaray)
mijn geloften
אֲ֝שַׁלֵּ֗ם
(ashalem)
zal ik inlossen
נֶ֣גֶד
(neged)
voor
יְרֵאָֽיו
(yereav)
wie Hem vrezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27De nederigen zullen eten en verzadigd worden. Zij die Hem zoeken, zullen Yahweh prijzen. Moge jullie hart voor altijd leven.
יֹאכְל֬וּ
(yokhlu)
zullen eten
עֲנָוִ֨ים
(anavim)
de nederigen
וְיִשְׂבָּ֗עוּ
(veyisbau)
en zich verzadigen
יְהַֽלְל֣וּ
(yehallu)
zullen prijzen
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
דֹּ֣רְשָׁ֑יו
(doreshav)
die Hem zoeken
יְחִ֖י
(yechi)
leve
לְבַבְכֶ֣ם
(levavkhem)
jullie hart
לָעַֽד
(laad)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Alle einden van de aarde keren zich tot Yahweh

28Alle einden van de aarde zullen zich herinneren en zich keren tot Yahweh. Alle families van de volken zullen zich neerbuigen voor Uw aangezicht.
יִזְכְּר֤וּ
(yizkeru)
zullen zich herinneren
וְיָשֻׁ֣בוּ
(veyashuvu)
en zich keren
אֶל
(el)
tot
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
alle
אַפְסֵי
(afsei)
einden van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
וְיִֽשְׁתַּחֲו֥וּ
(veyishtachavu)
en zullen zich neerbuigen
לְ֝פָנֶ֗יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
כָּֽל
(kal)
alle
מִשְׁפְּח֥וֹת
(mishpechot)
families van
גּוֹיִֽם
(goyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Want aan Yahweh behoort het koningschap, en Hij heerst over de volken.
כִּ֣י
(ki)
want
לַ֭יהוָה
(laYahweh)
aan Yahweh
הַמְּלוּכָ֑ה
(hamelukha)
het koningschap
וּ֝מֹשֵׁ֗ל
(umoshel)
en Hij heerst
בַּגּוֹיִֽם
(bagoyim)
over de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Alle vetten van de aarde hebben gegeten en zich neergebogen. Voor Zijn aangezicht zullen allen knielen die naar het stof neerdalen, ook wie zijn ziel niet in leven heeft gehouden.
אָכְל֬וּ
(akhelu)
zij hebben gegeten
וַיִּֽשְׁתַּחֲוּ֨וּ
(vayishtachauu)
en zich neergebogen
כָּֽל
(kal)
alle
דִּשְׁנֵי
(dishnei)
vetten van
אֶ֗רֶץ
(erets)
de aarde
לְפָנָ֣יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
יִ֭כְרְעוּ
(yikhreu)
zullen knielen
כָּל
(kal)
alle
יוֹרְדֵ֣י
(yoredei)
die neerdalen naar
עָפָ֑ר
(afar)
het stof
וְ֝נַפְשׁ֗וֹ
(venafsho)
en zijn ziel
לֹ֣א
(lo)
niet
חִיָּֽה
(chiya)
heeft hij in leven gehouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

דִּשְׁנֵי אֶרֶץ (dishne erets), ‘vetten van de aarde’: de welgestelden.

Het vers is moeilijk.

Letterlijk staat er: ‘zij hebben gegeten en zich neergebogen, alle vetten van de aarde.

Voor Zijn aangezicht zullen knielen allen die neerdalen naar het stof, en zijn ziel heeft hij niet in leven gehouden.’

Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk; de betekenis van het slot is onzeker.

31Een nageslacht zal Hem dienen. Over de Heer zal worden verteld aan het volgende geslacht.
זֶ֥רַע
(zera)
een nageslacht
יַֽעַבְדֶ֑נּוּ
(yaavdenu)
zal Hem dienen
יְסֻפַּ֖ר
(yesupar)
er zal worden verteld
לַֽאדֹנָ֣י
(ladonay)
over de Heer
לַדּֽוֹר
(lador)
aan het geslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘Heer’: hier in de derde persoon over Yahweh.

Het Hebreeuws zegt alleen ‘aan het geslacht’ (לַדּוֹר); wij schrijven ‘het volgende geslacht’, omdat vers 32 over een volk spreekt dat nog geboren wordt.

32Zij zullen komen en Zijn gerechtigheid bekendmaken aan een volk dat nog geboren wordt, want Hij heeft het gedaan.
יָ֭בֹאוּ
(yavou)
zij zullen komen
וְיַגִּ֣ידוּ
(veyagidu)
en bekendmaken
צִדְקָת֑וֹ
(tsidqato)
Zijn gerechtigheid
לְעַ֥ם
(leam)
aan een volk
נ֝וֹלָ֗ד
(nolad)
dat geboren zal worden
כִּ֣י
(ki)
want
עָשָֽׂה
(asa)
Hij heeft gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)