Elohim Bijbel

Psalmen 2

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Yahweh en Zijn gezalfde koning

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De volken komen in opstand

1Waarom woeden de volken en bedenken de naties iets zinloos?
לָ֭מָּה
(lama)
waarom
רָגְשׁ֣וּ
(rageshu)
woeden
גוֹיִ֑ם
(goyim)
volken
וּ֝לְאֻמִּ֗ים
(uleumim)
en naties
יֶהְגּוּ
(yehgu)
bedenken
רִֽיק
(riq)
iets zinloos
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יֶהְגּוּ (yehgu), ‘zij bedenken’: hetzelfde werkwoord als ‘overpeinst’ in Ps. 1:2.

Hier gaat het om het prevelen van plannen.

רִיק (riq), ‘iets zinloos’: leeg, vruchteloos. Psalm 2 heeft in de Hebreeuwse tekst geen opschrift.

2De koningen van de aarde stellen zich op en vorsten overleggen samen tegen Yahweh en tegen Zijn gezalfde:
יִ֥תְיַצְּב֨וּ
(yityatsevu)
stellen zich op
מַלְכֵי
(malkhei)
koningen van
אֶ֗רֶץ
(erets)
de aarde
וְרוֹזְנִ֥ים
(verozenim)
en vorsten
נֽוֹסְדוּ
(nosedu)
overleggen
יָ֑חַד
(yachad)
samen
עַל
(al)
tegen
יְ֝הוָה
(Yahweh)
Yahweh
וְעַל
(veal)
en tegen
מְשִׁיחֽוֹ
(meshicho)
Zijn gezalfde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָשִׁיחַ (mashiach), ‘gezalfde’: de koning die met olie is gezalfd, zoals David in 1 Sam. 16:13 en Saul in 1 Sam. 10:1.

Het woord is hier verbonden met ‘Yahweh’: de aanval op de koning is een aanval op Hem.

3„Laten wij hun boeien verscheuren en hun touwen van ons afwerpen.”
נְֽ֭נַתְּקָה
(nenateqa)
laten wij verscheuren
אֶת
(et)
(obj.)
מֽוֹסְרוֹתֵ֑ימוֹ
(moseroteimo)
hun boeien
וְנַשְׁלִ֖יכָה
(venashlikha)
en laten wij werpen
מִמֶּ֣נּוּ
(mimenu)
van ons
עֲבֹתֵֽימוֹ
(avoteimo)
hun touwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh lacht

4Hij die in de hemel zetelt, lacht; de Heer spot met hen.
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
Hij die zetelt
בַּשָּׁמַ֣יִם
(bashamayim)
in de hemel
יִשְׂחָ֑ק
(yischaq)
lacht
אֲ֝דֹנָ֗י
(adonay)
de Heer
יִלְעַג
(yilag)
spot
לָֽמוֹ
(lamo)
met hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: hier staat het woord in de derde persoon, als naam voor Yahweh.

Waar mensen Yahweh aanspreken, vertalen wij ‘mijn Heer’.

5Dan spreekt Hij hen toe in Zijn toorn en verschrikt hen in Zijn brandende woede:
אָ֤ז
(az)
dan
יְדַבֵּ֣ר
(yedaber)
spreekt Hij
אֵלֵ֣ימוֹ
(eleimo)
tot hen
בְאַפּ֑וֹ
(beapo)
in Zijn toorn
וּֽבַחֲרוֹנ֥וֹ
(uvacharono)
en in Zijn brandende woede
יְבַהֲלֵֽמוֹ
(yevahalemo)
verschrikt hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh stelt Zijn koning in

6„Ik zelf heb Mijn koning ingesteld op Sion, Mijn heilige berg.”
וַ֭אֲנִי
(vaani)
en Ik
נָסַ֣כְתִּי
(nasakhti)
heb ingesteld
מַלְכִּ֑י
(malki)
Mijn koning
עַל
(al)
op
צִ֝יּ֗וֹן
(tsiyon)
Sion
הַר
(har)
berg van
קָדְשִֽׁי
(qadeshi)
Mijn heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Vers 6 is rood: Yahweh spreekt zelf.

נָסַכְתִּי (nasakhti), ‘Ik heb ingesteld’: het werkwoord betekent eigenlijk ‘gieten’ en is hier ‘neerzetten, instellen’.

Sion is de heilige berg bij Jeruzalem.

Het besluit van Yahweh

7Ik wil het besluit van Yahweh vertellen. Hij zei tot mij: „Mijn zoon ben jij. Ik heb jou vandaag verwekt.
אֲסַפְּרָ֗ה
(asapera)
ik wil vertellen
אֶֽ֫ל
(el)
over
חֹ֥ק
(choq)
het besluit van
יְֽהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אָמַ֘ר
(amar)
Hij zei
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
בְּנִ֥י
(beni)
mijn zoon
אַ֑תָּה
(ata)
jij
אֲ֝נִ֗י
(ani)
Ik
הַיּ֥וֹם
(hayom)
vandaag
יְלִדְתִּֽיךָ
(yelidtikha)
heb Ik jou verwekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De spreker is de koning.

Hij haalt het besluit van Yahweh aan; de woorden van Yahweh (verzen 7–9) zijn rood.

חֹק (choq), ‘besluit’: een vaststaand besluit of verordening.

יְלִדְתִּיךָ (yelidtikha), ‘Ik heb jou verwekt’: op de dag van zijn troonsbestijging wordt de koning als ‘zoon’ van Yahweh aangenomen. Vergelijk 2 Sam. 7:14. Zie ook Hand. 13:33 en Hebr. 1:5.

8Vraag het Mij, dan geef Ik de volken als jouw erfdeel en de einden van de aarde als jouw bezit.
שְׁאַ֤ל
(sheal)
vraag
מִמֶּ֗נִּי
(mimeni)
van Mij
וְאֶתְּנָ֣ה
(veetena)
en Ik geef
ג֭וֹיִם
(goyim)
volken
נַחֲלָתֶ֑ךָ
(nachalatekha)
als je erfdeel
וַ֝אֲחֻזָּתְךָ֗
(vaachuzatekha)
en als je bezit
אַפְסֵי
(afsei)
einden van
אָֽרֶץ
(arets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Je zult hen breken met een ijzeren staf; als aardewerk van een pottenbakker verbrijzel je hen.”
תְּ֭רֹעֵם
(teroem)
je zult hen breken
בְּשֵׁ֣בֶט
(beshevet)
met een staf van
בַּרְזֶ֑ל
(barzel)
ijzer
כִּכְלִ֖י
(kikhli)
als een vat van
יוֹצֵ֣ר
(yotser)
een pottenbakker
תְּנַפְּצֵֽם
(tenapetsem)
je zult hen verbrijzelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De klinkers van de Masoretische tekst lezen תְּרֹעֵם (tero’em) van het werkwoord ‘breken’.

Met dezelfde medeklinkers kan men ook ‘hoeden, weiden’ lezen (tir’em).

Wij volgen de klinkers en vertalen ‘breken’.

Waarschuwing aan de koningen

10Nu dan, koningen, word verstandig. Laat je waarschuwen, rechters van de aarde.
וְ֭עַתָּה
(veata)
en nu
מְלָכִ֣ים
(melakhim)
koningen
הַשְׂכִּ֑ילוּ
(haskilu)
word verstandig
הִ֝וָּסְר֗וּ
(hivaseru)
laat je waarschuwen
שֹׁ֣פְטֵי
(shofetei)
rechters van
אָֽרֶץ
(arets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִוָּסְרוּ (hivvasru), ‘laat je waarschuwen’: laat je onderwijzen of terechtwijzen.

11Dien Yahweh met ontzag en juich met beven.
עִבְד֣וּ
(ivdu)
dient
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיִרְאָ֑ה
(beyira)
met ontzag
וְ֝גִ֗ילוּ
(vegilu)
en juicht
בִּרְעָדָֽה
(birada)
met beven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Kus de zoon, anders wordt Hij toornig en komen jullie om op de weg, want Zijn toorn ontbrandt snel. Gelukkig allen die bij Hem schuilen.
נַשְּׁקוּ
(nashequ)
kus
בַ֡ר
(bar)
de zoon
פֶּן
(pen)
opdat niet
יֶאֱנַ֤ף
(yeenaf)
Hij toornig wordt
וְתֹ֬אבְדוּ
(vetovdu)
en jullie omkomen
דֶ֗רֶךְ
(derekh)
op de weg
כִּֽי
(ki)
want
יִבְעַ֣ר
(yivar)
ontbrandt
כִּמְעַ֣ט
(kimat)
snel
אַפּ֑וֹ
(apo)
Zijn toorn
אַ֝שְׁרֵ֗י
(ashrei)
gelukkig
כָּל
(kal)
allen
ח֥וֹסֵי
(chosei)
die schuilen
בֽוֹ
(bo)
bij Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

בַּר (bar), ‘zoon’, is Aramees.

In het Hebreeuws betekent bar meestal ‘rein, zuiver’ (Ps. 24:4; 73:1).

Daarom is ook ‘huldig in reinheid’ mogelijk.

Wij kiezen ‘Kus de zoon’: de kus is een teken van eerbied voor de koning (1 Sam. 10:1).

Onduidelijk is wie ‘Hij’ in ‘anders wordt Hij toornig’ is: Yahweh of de zoon. Wij lezen Yahweh, zoals in vers 5.