Elohim Bijbel

Psalmen 91

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Wie bij de Allerhoogste woont

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Veilig in de schuilplaats van de Allerhoogste

1Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste woont, vernacht in de schaduw van Sjaddai.
יֹ֭שֵׁב
(yoshev)
wie woont
בְּסֵ֣תֶר
(beseter)
in de schuilplaats van
עֶלְי֑וֹן
(elyon)
de Allerhoogste
בְּצֵ֥ל
(betsel)
in de schaduw van
שַׁ֝דַּ֗י
(shaday)
Sjaddai
יִתְלוֹנָֽן
(yitlonan)
vernacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze psalm kent meer dan één stem.

In de verzen 1–2 spreekt een dichter over zichzelf.

In de verzen 3–13 wordt een ander aangesproken met ‘je’; in vers 9 antwoordt de dichter weer.

In de verzen 14–16 spreekt Yahweh zelf.

Wij laten de verdeling zien met rood in de verzen 14–16 en geven geen namen van sprekers die de tekst niet noemt.

עֶלְיוֹן (Elyon), ‘de Allerhoogste’, en שַׁדַּי (Sjaddai): twee namen van Elohim.

2Ik zeg tot Yahweh: „Mijn toevlucht en mijn burcht, mijn Elohim, op wie ik vertrouw.”
אֹמַ֗ר
(omar)
ik zeg
לַֽ֭יהוָה
(laYahweh)
tot Yahweh
מַחְסִ֣י
(machsi)
mijn toevlucht
וּמְצוּדָתִ֑י
(umetsudati)
en mijn burcht
אֱ֝לֹהַ֗י
(elohay)
mijn Elohim
אֶבְטַח
(evtach)
ik vertrouw
בּֽוֹ
(bo)
op Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Beschermd tegen gevaar

3Want Hij bevrijdt jou van de strik van de vogelaar, van de dodelijke pest.
כִּ֤י
(ki)
want
ה֣וּא
(hu)
Hij
יַ֭צִּֽילְךָ
(yatsilekha)
bevrijdt jou
מִפַּ֥ח
(mipach)
van de strik van
יָק֗וּשׁ
(yaqush)
de vogelaar
מִדֶּ֥בֶר
(midever)
van de pest
הַוּֽוֹת
(hauot)
van het verderf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דֶּבֶר (dever), ‘pest’: een dodelijke ziekte die zich verspreidt.

הַוּוֹת (havvot), ‘verderf’ of ‘ondergang’: de ellende die volgt.

4Met Zijn veren bedekt Hij je, en onder Zijn vleugels vind je toevlucht. Zijn waarheid is een schild en een beschutting.
בְּאֶבְרָת֨וֹ
(beevrato)
met Zijn veren
יָ֣סֶךְ
(yasekh)
bedekt Hij
לָ֭ךְ
(lakh)
je
וְתַֽחַת
(vetachat)
en onder
כְּנָפָ֣יו
(kenafav)
Zijn vleugels
תֶּחְסֶ֑ה
(techse)
vind je toevlucht
צִנָּ֖ה
(tsina)
schild
וְֽסֹחֵרָ֣ה
(vesochera)
en beschutting
אֲמִתּֽוֹ
(amito)
Zijn waarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֹחֵרָה (socherah), ‘beschutting’: dit woord komt alleen hier voor.

De betekenis is onzeker; mogelijk een schild of een wal.

Wij nemen het als ‘beschutting’.

אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: Yahweh houdt Zijn woord.

5Je zult niet bang zijn voor de verschrikking van de nacht, voor de pijl die overdag vliegt.
לֹא
(lo)
niet
תִ֭ירָא
(tira)
zul je bang zijn
מִפַּ֣חַד
(mipachad)
voor de verschrikking van
לָ֑יְלָה
(layela)
de nacht
מֵ֝חֵ֗ץ
(mechets)
de pijl
יָע֥וּף
(yauf)
die vliegt
יוֹמָֽם
(yomam)
overdag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Ook niet voor de pest die in de duisternis rondgaat, voor de plaag die op het middaguur verwoest.
מִ֭דֶּבֶר
(midever)
van de pest
בָּאֹ֣פֶל
(baofel)
in de duisternis
יַהֲלֹ֑ךְ
(yahalokh)
die rondgaat
מִ֝קֶּ֗טֶב
(miqetev)
van de plaag
יָשׁ֥וּד
(yashud)
die verwoest
צָהֳרָֽיִם
(tsahorayim)
op het middaguur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶטֶב (qetev), ‘plaag’: een verwoestende ramp.

Het woord komt ook voor in Deut. 32:24.

7Duizend vallen er aan je zijde en tienduizend aan je rechterhand. Naar jou komt het niet.
יִפֹּ֤ל
(yipol)
vallen
מִצִּדְּךָ֨
(mitsidekha)
aan je zijde
אֶ֗לֶף
(elef)
duizend
וּרְבָבָ֥ה
(urevava)
en tienduizend
מִימִינֶ֑ךָ
(miminekha)
aan je rechterhand
אֵ֝לֶ֗יךָ
(eleikha)
naar jou
לֹ֣א
(lo)
niet
יִגָּֽשׁ
(yigash)
komt het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Alleen met je ogen zul je toezien, en je zult zien hoe de goddelozen worden vergolden.
רַ֭ק
(raq)
alleen
בְּעֵינֶ֣יךָ
(beeineikha)
met je ogen
תַבִּ֑יט
(tabit)
zul je toezien
וְשִׁלֻּמַ֖ת
(veshilumat)
en de vergelding van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
de goddelozen
תִּרְאֶֽה
(tire)
zul je zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De engelen van Yahweh

9Want U, Yahweh, bent mijn toevlucht! De Allerhoogste heb je tot je woonplaats gemaakt.
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֣ה
(ata)
U
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
מַחְסִ֑י
(machsi)
mijn toevlucht
עֶ֝לְי֗וֹן
(elyon)
de Allerhoogste
שַׂ֣מְתָּ
(samta)
heb je gemaakt
מְעוֹנֶֽךָ
(meonekha)
tot je woonplaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Geen kwaad zal je overkomen, en geen plaag nadert je tent.
לֹֽא
(lo)
niet
תְאֻנֶּ֣ה
(teune)
zal overkomen
אֵלֶ֣יךָ
(eleikha)
je
רָעָ֑ה
(raa)
kwaad
וְ֝נֶ֗גַע
(venega)
en plaag
לֹא
(lo)
niet
יִקְרַ֥ב
(yiqrav)
nadert
בְּאָהֳלֶֽךָ
(beaholekha)
je tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Want Hij geeft Zijn engelen de opdracht over jou om je te beschermen op al je wegen.
כִּ֣י
(ki)
want
מַ֭לְאָכָיו
(malakhav)
Zijn engelen
יְצַוֶּה
(yetsave)
geeft Hij opdracht
לָּ֑ךְ
(lakh)
over jou
לִ֝שְׁמָרְךָ֗
(lishmarekha)
om je te beschermen
בְּכָל
(bekhal)
op al
דְּרָכֶֽיךָ
(derakheikha)
je wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 11–12 worden in het Nieuwe Testament aangehaald: Matt. 4:6 en Luc. 4:10–11.

12Op de handen zullen zij je dragen, opdat je voet niet tegen een steen stoot.
עַל
(al)
op
כַּפַּ֥יִם
(kapayim)
handen
יִשָּׂא֑וּנְךָ
(yisaunekha)
zullen zij je dragen
פֶּן
(pen)
opdat niet
תִּגֹּ֖ף
(tigof)
je stoot
בָּאֶ֣בֶן
(baeven)
tegen een steen
רַגְלֶֽךָ
(raglekha)
je voet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Over leeuw en adder zul je lopen, jonge leeuw en draak zul je vertrappen.
עַל
(al)
over
שַׁ֣חַל
(shachal)
leeuw
וָפֶ֣תֶן
(vafeten)
en adder
תִּדְרֹ֑ךְ
(tidrokh)
zul je lopen
תִּרְמֹ֖ס
(tirmos)
zul je vertrappen
כְּפִ֣יר
(kefir)
jonge leeuw
וְתַנִּֽין
(vetanin)
en draak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁחַל (shachal), ‘leeuw’; כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’; פֶּתֶן (peten), ‘adder’; תַּנִּין (tannin), ‘draak’: een groot slangachtig dier of zeemonster.

Het woord is elders (Gen. 1:21; Ps. 74:13; 148:7) in het meervoud ‘zeemonsters’; hier is het een slangachtig dier op het land, vandaar ‘draak’.

De dieren staan voor de gevaren die de mens bedreigen.

Yahweh zelf spreekt

14„Omdat hij aan Mij gehecht is, zal Ik hem redden. Ik zal hem hoog beschermen, omdat hij Mijn naam kent.
כִּ֤י
(ki)
want
בִ֣י
(bi)
aan Mij
חָ֭שַׁק
(chashaq)
hij is gehecht
וַאֲפַלְּטֵ֑הוּ
(vaafaletehu)
dus ik zal hem redden
אֲ֝שַׂגְּבֵ֗הוּ
(asagevehu)
ik zal hem hoog beschermen
כִּֽי
(ki)
want
יָדַ֥ע
(yada)
hij kent
שְׁמִֽי
(shemi)
Mijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreekt Yahweh in de eerste persoon.

Wij zetten de woorden van vers 14–16 rood.

חָשַׁק (chashaq), ‘gehecht zijn’: met liefde aan iemand vasthouden. Zie ook Deut. 7:7.

15Hij zal Mij aanroepen en Ik zal hem antwoorden. Ik ben met hem in de nood. Ik zal hem bevrijden en hem eren.
יִקְרָאֵ֨נִי
(yiqraeni)
hij zal Mij aanroepen
וְֽאֶעֱנֵ֗הוּ
(veeenehu)
en ik zal hem antwoorden
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
Ik
בְצָרָ֑ה
(betsara)
in de nood
אֲ֝חַלְּצֵ֗הוּ
(achaletsehu)
ik zal hem bevrijden
וַֽאֲכַבְּדֵֽהוּ
(vaakhabedehu)
en ik zal hem eren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Ps. 50:15.

16Met lange dagen zal Ik hem verzadigen en hem Mijn redding laten zien.”
אֹ֣רֶךְ
(orekh)
lengte van
יָ֭מִים
(yamim)
dagen
אַשְׂבִּיעֵ֑הוּ
(asbiehu)
ik zal hem verzadigen
וְ֝אַרְאֵ֗הוּ
(vearehu)
en ik zal hem laten zien
בִּֽישׁוּעָתִֽי
(bishuati)
in Mijn redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)