Het deel van Manasse en de klacht van het huis van Jozef
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het lot voor Manasse
1Dit was het lot voor de stam Manasse, want hij was de eerstgeborene van Jozef. Het was voor Machir, de eerstgeborene van Manasse en de vader van Gilead. Want hij was een krijgsman. Gilead en Basan werden van hem.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
הַגּוֹרָל֙
(hagoral)
het lot
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
כִּי
(ki)
want
ה֖וּא
(hu)
hij
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Jozef
לְמָכִיר֩
(lemakhir)
voor Machir
בְּכ֨וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
מְנַשֶּׁ֜ה
(menashe)
Manasse
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
הַגִּלְעָ֗ד
(hagilad)
Gilead
כִּ֣י
(ki)
want
ה֤וּא
(hu)
hij
הָיָה֙
(haya)
was
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het was
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
הַגִּלְעָ֥ד
(hagilad)
Gilead
וְהַבָּשָֽׁן
(vehabashan)
en Basan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, ten zuiden van de rivier de Jarmuk (nu Jordanië).
Basan ligt ten noorden daarvan, rond de Golanhoogte en de Hauran (nu Syrië en Israël).
Uitleg
Machir was de oudste zoon van Manasse (Gen. 50:23; Num. 26:29).
Zijn land aan de oostkant van de Jordaan was al verdeeld: Num. 32:39–42; Deut. 3:13–15.
Lezing
Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord (‘voor Machir …’).
2Ook voor de overige zonen van Manasse kwam er een lot, per familie: voor de zonen van Abiëzer, voor de zonen van Chelek, voor de zonen van Asriël, voor de zonen van Sjechem, voor de zonen van Chefer en voor de zonen van Sjemida. Dit zijn de mannelijke zonen van Manasse, de zoon van Jozef, per familie.
וַ֠יְהִי
(vayhi)
en het was
לִבְנֵ֨י
(livnei)
voor de zonen van
מְנַשֶּׁ֥ה
(menashe)
Manasse
הַנּוֹתָרִים֮
(hanotarim)
de overigen
לְמִשְׁפְּחֹתָם֒
(lemishpechotam)
naar hun families
לִבְנֵ֨י
(livnei)
voor de zonen van
אֲבִיעֶ֜זֶר
(aviezer)
Abiëzer
וְלִבְנֵי
(velivnei)
en voor de zonen van
חֵ֗לֶק
(cheleq)
Chelek
וְלִבְנֵ֤י
(velivnei)
en voor de zonen van
אַשְׂרִיאֵל֙
(asriel)
Asriël
וְלִבְנֵי
(velivnei)
en voor de zonen van
שֶׁ֔כֶם
(shekhem)
Sjechem
וְלִבְנֵי
(velivnei)
en voor de zonen van
חֵ֖פֶר
(chefer)
Chefer
וְלִבְנֵ֣י
(velivnei)
en voor de zonen van
שְׁמִידָ֑ע
(shemida)
Sjemida
אֵ֠לֶּה
(ele)
dit zijn
בְּנֵ֨י
(benei)
de zonen van
מְנַשֶּׁ֧ה
(menashe)
Manasse
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
הַזְּכָרִ֖ים
(hazekharim)
de mannelijke
לְמִשְׁפְּחֹתָֽם
(lemishpechotam)
naar hun families
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Abiëzer is dezelfde naam als Iëzer in Num. 26:30; het is de korte vorm.
3Selofchad, de zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar alleen dochters. Dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirza.
וְלִצְלָפְחָד֩
(velitslafechad)
en voor Selofchad
בֶּן
(ben)
zoon van
חֵ֨פֶר
(chefer)
Chefer
בֶּן
(ben)
zoon van
גִּלְעָ֜ד
(gilad)
Gilead
בֶּן
(ben)
zoon van
מָכִ֣יר
(makhir)
Machir
בֶּן
(ben)
zoon van
מְנַשֶּׁ֗ה
(menashe)
Manasse
לֹא
(lo)
niet
הָ֥יוּ
(hayu)
waren
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
בָּנִ֖ים
(banim)
zonen
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
בָּנ֑וֹת
(banot)
dochters
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit zijn
שְׁמ֣וֹת
(shemot)
de namen van
בְּנֹתָ֔יו
(benotav)
zijn dochters
מַחְלָ֣ה
(machla)
Machla
וְנֹעָ֔ה
(venoa)
en Noa
חָגְלָ֥ה
(chagela)
Chogla
מִלְכָּ֖ה
(milka)
Milka
וְתִרְצָֽה
(vetirtsa)
en Tirza
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Selofchad had alleen dochters.
Zij kregen een erfdeel in Num. 27:1–11.
Aan dat erfdeel werd later een voorwaarde verbonden in Num. 36:1–12.
4Zij kwamen naar voren bij Eleazar, de priester, bij Jozua, de zoon van Nun, en bij de leiders. Zij zeiden: „Yahweh heeft Mozes geboden ons een erfdeel te geven te midden van onze broers.” Toen gaf hij hun een erfdeel te midden van de broers van hun vader, volgens het woord van Yahweh.
וַתִּקְרַ֡בְנָה
(vatiqravna)
en zij kwamen dichtbij
לִפְנֵי֩
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֶלְעָזָ֨ר
(elazar)
Eleazar
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
וְלִפְנֵ֣י
(velifnei)
en voor het aangezicht van
יְהוֹשֻׁ֣עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֗וּן
(nun)
Nun
וְלִפְנֵ֤י
(velifnei)
en voor het aangezicht van
הַנְּשִׂיאִים֙
(hanesiim)
de leiders
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
צִוָּ֣ה
(tsiva)
heeft geboden
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
לָֽתֶת
(latet)
om te geven
לָ֥נוּ
(lanu)
aan ons
נַחֲלָ֖ה
(nachala)
een erfdeel
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
אַחֵ֑ינוּ
(acheinu)
onze broers
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en hij gaf
לָהֶ֜ם
(lahem)
aan hen
אֶל
(el)
naar
פִּ֤י
(pi)
de mond van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
נַֽחֲלָ֔ה
(nachala)
een erfdeel
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
אֲחֵ֥י
(achei)
de broers van
אֲבִיהֶֽן
(avihen)
hun vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is de uitvoering van wat Yahweh in Num. 27:5–7 aan Mozes zei.
Lezing
Het Hebreeuws zegt ‘hij gaf’ zonder de naam te noemen.
Wij begrijpen dat Jozua dit deed, samen met Eleazar.
5Zo vielen er tien kavels aan Manasse toe. Daar kwamen het land Gilead en Basan nog bij, dat aan de overkant van de Jordaan ligt.
וַיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en vielen
חַבְלֵֽי
(chavlei)
de kavels van
מְנַשֶּׁ֖ה
(menashe)
Manasse
עֲשָׂרָ֑ה
(asara)
tien
לְבַ֞ד
(levad)
afgezien van
מֵאֶ֤רֶץ
(meerets)
het land van
הַגִּלְעָד֙
(hagilad)
Gilead
וְהַבָּשָׁ֔ן
(vehabashan)
en Basan
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
מֵעֵ֥בֶר
(meever)
aan de overkant van
לַיַּרְדֵּֽן
(layarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
חֶבֶל (chevel), ‘kavel’: eigenlijk ‘touw’ of ‘meetsnoer’, waarmee land wordt afgemeten, en daarna het afgemeten stuk land (Deut. 32:9).
Wij gebruiken ‘kavel’ voor chevel en ‘deel’ voor חֵלֶק (chelek).
Lezing
Wij verstaan de tien kavels zo: vijf voor de families van vers 2 (zonder Chefer) en vijf voor de dochters van Selofchad uit de familie van Chefer (vers 3).
Dat is een gangbare verklaring, maar de tekst zegt het niet.
9De grens daalde af naar de beek Kana, ten zuiden van de beek. Deze steden waren voor Efraïm, te midden van de steden van Manasse. De grens van Manasse liep ten noorden van de beek en zijn einde lag bij de zee.
וְיָרַ֣ד
(veyarad)
en daalde af
הַגְּבוּל֩
(hagevul)
de grens
נַ֨חַל
(nachal)
de beek
קָנָ֜ה
(qana)
Kana
נֶ֣גְבָּה
(negba)
zuidwaarts
לַנַּ֗חַל
(lanachal)
van de beek
עָרִ֤ים
(arim)
steden
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
לְאֶפְרַ֔יִם
(leefrayim)
voor Efraïm
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
עָרֵ֣י
(arei)
de steden van
מְנַשֶּׁ֑ה
(menashe)
Manasse
וּגְב֤וּל
(ugevul)
en de grens van
מְנַשֶּׁה֙
(menashe)
Manasse
מִצְּפ֣וֹן
(mitsefon)
ten noorden van
לַנַּ֔חַל
(lanachal)
de beek
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
תֹצְאֹתָ֖יו
(totseotav)
zijn einde
הַיָּֽמָּה
(hayama)
naar de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De beek Kana is waarschijnlijk het Wadi Qana, ten westen van Sichem (Westelijke Jordaanoever).
Dat is waarschijnlijk, niet zeker.
Zie Beek Kana (Wadi Qana): De beek Kana is waarschijnlijk het Wadi Qana, dat naar het westen stroomt, naar de Jarkon.
Uitleg
Een deel van Efraïm ligt dus binnen het gebied van Manasse (zie vers 8).
10Het zuiden was voor Efraïm en het noorden voor Manasse. De zee was zijn grens. In het noorden raakten zij aan Aser en in het oosten aan Issachar.
נֶ֣גְבָּה
(negba)
zuidwaarts
לְאֶפְרַ֗יִם
(leefrayim)
voor Efraïm
וְצָפ֨וֹנָה֙
(vetsafona)
en noordwaarts
לִמְנַשֶּׁ֔ה
(limnashe)
voor Manasse
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
גְּבוּל֑וֹ
(gevulo)
zijn grens
וּבְאָשֵׁר֙
(uveasher)
en aan Aser
יִפְגְּע֣וּן
(yifgeun)
raakten zij
מִצָּפ֔וֹן
(mitsafon)
in het noorden
וּבְיִשָּׂשכָ֖ר
(uveyisashkhar)
en aan Issachar
מִמִּזְרָֽח
(mimizrach)
in het oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Manasse had ook, in Issachar en in Aser: Bet-Sean met zijn dorpen en Jibleam met zijn dorpen. Ook had hij de inwoners van Dor met zijn dorpen, de inwoners van En-Dor met zijn dorpen, de inwoners van Taänak met zijn dorpen en de inwoners van Megiddo met zijn dorpen. Dat zijn de drie hoogten.
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en het was
לִמְנַשֶּׁ֜ה
(limnashe)
voor Manasse
בְּיִשָּׂשכָ֣ר
(beyisashkhar)
in Issachar
וּבְאָשֵׁ֗ר
(uveasher)
en in Aser
בֵּית
(beit)
Bet
שְׁאָ֣ן
(shean)
Sean
וּ֠בְנוֹתֶיהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
וְיִבְלְעָ֨ם
(veyivleam)
en Jibleam
וּבְנוֹתֶ֜יהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
יֹשְׁבֵ֧י
(yoshevei)
de inwoners van
דֹ֣אר
(dor)
Dor
וּבְנוֹתֶ֗יהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
וְיֹשְׁבֵ֤י
(veyoshevei)
en de inwoners van
עֵֽין
(ein)
En
דֹּר֙
(dor)
Dor
וּבְנֹתֶ֔יהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
וְיֹשְׁבֵ֤י
(veyoshevei)
en de inwoners van
תַעְנַךְ֙
(tanakh)
Taänak
וּבְנֹתֶ֔יהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
וְיֹשְׁבֵ֥י
(veyoshevei)
en de inwoners van
מְגִדּ֖וֹ
(megido)
Megiddo
וּבְנוֹתֶ֑יהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
שְׁלֹ֖שֶׁת
(sheloshet)
drie
הַנָּֽפֶת
(hanafet)
de hoogten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Bet-Sean is het huidige Beit She’an in het noorden van Israël.
Jibleam ligt waarschijnlijk bij Khirbet Bel’ameh, bij Jenin (Westelijke Jordaanoever).
Dor is Tel Dor, aan de kust van Israël.
En-Dor ligt waarschijnlijk bij Endor aan de voet van de Tabor (Israël).
Taänak is Tell Ta’anak, bij Jenin.
Megiddo is Tel Megiddo (Israël).
Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea.
Uitleg
בָּנוֹת (banot), ‘dochters’: de dorpen rondom een stad, die erbij horen.
Wij schrijven ‘zijn dorpen’.
הַנָּפֶת (hannafet), ‘de hoogten’: een zeldzaam woord, ook in Joz. 11:2 en 12:23 voor streken bij Dor.
Lezing
Wij vertalen ‘de drie hoogten’.
De betekenis is niet zeker.
Ook mogelijk is ‘de drie heuvelstreken’ of een samenvatting van de steden die zojuist genoemd zijn.
14De zonen van Jozef spraken met Jozua en zeiden: „Waarom heb je mij als erfdeel maar één lot en één kavel gegeven? Ik ben toch een groot volk. Tot nu toe heeft Yahweh mij gezegend.”
וַֽיְדַבְּרוּ֙
(vaydaberu)
en spraken
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
met
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
מַדּוּעַ֩
(madua)
waarom
נָתַ֨תָּה
(natata)
heb je gegeven
לִּ֜י
(li)
aan mij
נַחֲלָ֗ה
(nachala)
als erfdeel
גּוֹרָ֤ל
(goral)
een lot
אֶחָד֙
(echad)
één
וְחֶ֣בֶל
(vechevel)
en een kavel
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וַֽאֲנִ֣י
(vaani)
terwijl ik
עַם
(am)
een volk
רָ֔ב
(rav)
groot
עַ֥ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עַד
(ad)
tot
כֹּ֖ה
(ko)
nu
בֵּֽרְכַ֥נִי
(berekhani)
heeft gezegend mij
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘De zonen van Jozef’ zijn Efraïm en Manasse.
Zij spreken hier samen als één volk, in het enkelvoud (‘mij’, ‘ik’).
15Jozua zei tot hen: „Als je een groot volk bent, trek dan op naar het woud. Kap daar voor jezelf het bos weg, in het land van de Perizzieten en de Refaïeten. Want het bergland van Efraïm is te krap voor je.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tot hen
יְהוֹשֻׁ֗עַ
(yehoshua)
Jozua
אִם
(im)
als
עַם
(am)
een volk
רַ֤ב
(rav)
groot
אַתָּה֙
(ata)
jij bent
עֲלֵ֣ה
(ale)
trek op
לְךָ֣
(lekha)
voor jezelf
הַיַּ֔עְרָה
(hayara)
naar het woud
וּבֵרֵאתָ֤
(uvereta)
en kap weg
לְךָ֙
(lekha)
voor jezelf
שָׁ֔ם
(sham)
daar
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
הַפְּרִזִּ֖י
(haperizi)
de Perizziet
וְהָֽרְפָאִ֑ים
(veharefaim)
en de Refaïeten
כִּֽי
(ki)
want
אָ֥ץ
(ats)
te krap is
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
הַר
(har)
het bergland van
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.
Uitleg
בָּרָא (bara), ‘kappen’: hier in de zin van bomen omhakken en het land vrijmaken.
Hetzelfde werkwoord betekent in Gen. 1:1 ‘scheppen’.
Lezing
Welk woud bedoeld is, weten wij niet.
Misschien gaat het om bosland in Gilead, waar de Refaïeten woonden (Deut. 3:11, 13).
16De zonen van Jozef zeiden: „Het bergland is niet genoeg voor ons. Alle Kanaänieten die in het land van de vallei wonen, hebben ijzeren strijdwagens. Dat geldt zowel voor hen in Bet-Sean en zijn dorpen als voor hen in de vallei van Jizreël.”
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
לֹֽא
(lo)
niet
יִמָּ֥צֵא
(yimatse)
wordt gevonden
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
הָהָ֑ר
(hahar)
het bergland
וְרֶ֣כֶב
(verekhev)
en strijdwagens
בַּרְזֶ֗ל
(barzel)
van ijzer
בְּכָל
(bekhal)
bij alle
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaäniet
הַיֹּשֵׁ֣ב
(hayoshev)
die woont
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
הָעֵ֔מֶק
(haemeq)
de vallei
לַֽאֲשֶׁ֤ר
(laasher)
voor wie
בְּבֵית
(beveit)
in Bet
שְׁאָן֙
(shean)
Sean
וּבְנוֹתֶ֔יהָ
(uvenoteiha)
en haar dochters
וְלַֽאֲשֶׁ֖ר
(velaasher)
en voor wie
בְּעֵ֥מֶק
(beemeq)
in de vallei van
יִזְרְעֶֽאל
(yizreel)
Jizreël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea.
Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.
Uitleg
רֶכֶב בַּרְזֶל (rekev barzel), ‘ijzeren strijdwagens’: een verzamelnaam voor veel wagens, mogelijk met ijzer beslagen.
17Jozua zei tegen het huis van Jozef, tegen Efraïm en Manasse: „Je bent een groot volk en je hebt grote kracht. Je zult niet maar één lot hebben.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
לְאֶפְרַ֥יִם
(leefrayim)
tot Efraïm
וְלִמְנַשֶּׁ֖ה
(velimnashe)
en tot Manasse
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
עַם
(am)
een volk
רַ֣ב
(rav)
groot
אַתָּ֗ה
(ata)
jij bent
וְכֹ֤חַ
(vekhoach)
en kracht
גָּדוֹל֙
(gadol)
grote
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
לֹֽא
(lo)
niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
גּוֹרָ֥ל
(goral)
een lot
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Want het bergland zal van jou zijn. Het is een woud, maar je zult het kappen. Het zal van jou zijn tot aan zijn uiteinden. Want je zult de Kanaänieten verdrijven, ook al hebben zij ijzeren strijdwagens en zijn zij sterk.”
כִּ֣י
(ki)
want
הַ֤ר
(har)
het bergland
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לָּךְ֙
(lakh)
voor jou
כִּֽי
(ki)
want
יַ֣עַר
(yaar)
een woud
ה֔וּא
(hu)
het is
וּבֵ֣רֵאת֔וֹ
(uvereto)
en je zult het kappen
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en zal zijn
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
תֹּֽצְאֹתָ֑יו
(totseotav)
zijn uiteinden
כִּֽי
(ki)
want
תוֹרִ֣ישׁ
(torish)
je zult verdrijven
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽכְּנַעֲנִ֗י
(hakenaani)
de Kanaäniet
כִּ֣י
(ki)
want
רֶ֤כֶב
(rekhev)
strijdwagens
בַּרְזֶל֙
(barzel)
van ijzer
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
כִּ֥י
(ki)
want
חָזָ֖ק
(chazaq)
sterk
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)