Elohim Bijbel

Richteren 2

123456789101112131415161718192021

De engel van Yahweh in Bochim en het patroon van de rechters

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De engel van Yahweh in Bochim

1De engel van Yahweh trok op van Gilgal naar Bochim. Hij zei: „Ik heb jullie uit Egypte laten optrekken. Ik heb jullie gebracht naar het land waarover Ik aan jullie vaders heb gezworen. Ik zei: ‘Ik zal Mijn verbond met jullie nooit verbreken.
וַיַּ֧עַל
(vayaal)
en trok op
מַלְאַךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מִן
(min)
van
הַגִּלְגָּ֖ל
(hagilgal)
Gilgal
אֶל
(el)
naar
הַבֹּכִ֑ים
(habokhim)
Bochim
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
אַעֲלֶ֨ה
(aale)
Ik heb laten optrekken
אֶתְכֶ֜ם
(etkhem)
jullie
מִמִּצְרַ֗יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וָאָבִ֤יא
(vaavi)
en Ik heb gebracht
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
אֶל
(el)
naar
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֨עְתִּי֙
(nishbati)
Ik heb gezworen
לַאֲבֹ֣תֵיכֶ֔ם
(laavoteikhem)
aan jullie vaders
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en Ik zei
לֹֽא
(lo)
niet
אָפֵ֧ר
(afer)
zal Ik verbreken
בְּרִיתִ֛י
(beriti)
Mijn verbond
אִתְּכֶ֖ם
(itekhem)
met jullie
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bochim betekent ‘de huilenden’ (vers 5).

De plaats ligt waarschijnlijk in het bergland van Efraïm, in de buurt van Betel.

De ligging is onzeker.

Gilgal ligt bij Jericho, in de Jordaanvallei.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מַלְאַךְ יהוה (mal’ak Yahweh), ‘engel van Yahweh’: een bode van Yahweh.

Hier spreekt hij in de ik-vorm, zoals in Gen. 16:10 en Exod. 3:2–6.

Zijn identiteit wordt verschillend uitgelegd (zie de voetnoot bij Gen. 16:7); daarom staan zijn woorden cursief.

Zie ook Richt. 6:11–24.

Lezing

In de Septuaginta staat bij Bochim ook ‘en naar Betel en naar het huis van Israël’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

2Jullie mogen met de inwoners van dit land geen verbond sluiten. Jullie moeten hun altaren afbreken.’ Maar jullie hebben niet naar Mijn stem geluisterd. Wat is dit dat jullie hebben gedaan?
וְאַתֶּ֗ם
(veatem)
en jullie
לֹֽא
(lo)
niet
תִכְרְת֤וּ
(tikhretu)
zullen sluiten
בְרִית֙
(berit)
een verbond
לְיֽוֹשְׁבֵי֙
(leyoshevei)
met de inwoners van
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
מִזְבְּחוֹתֵיהֶ֖ם
(mizbechoteihem)
hun altaren
תִּתֹּצ֑וּן
(titotsun)
zullen jullie afbreken
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֥ם
(shematem)
hebben jullie geluisterd
בְּקֹלִ֖י
(beqoli)
naar Mijn stem
מַה
(ma)
wat
זֹּ֥את
(zot)
dit
עֲשִׂיתֶֽם
(asitem)
hebben jullie gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh herinnert aan het gebod in Exod. 23:32–33, Exod. 34:12–13 en Deut. 7:2–5: geen verbond sluiten met de volken van Kanaän, en hun altaren afbreken.

Het citaat ‘Ik zal Mijn verbond nooit verbreken … afbreken’ loopt van vers 1 tot vers 2.

3Ik heb ook gezegd: ‘Ik zal hen niet voor jullie verdrijven.’ Zij zullen jullie belagers zijn. Hun goden zullen een valstrik voor jullie zijn.”
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אָמַ֔רְתִּי
(amarti)
Ik heb gezegd
לֹֽא
(lo)
niet
אֲגָרֵ֥שׁ
(agaresh)
zal Ik verdrijven
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
מִפְּנֵיכֶ֑ם
(mipeneikhem)
voor jullie weg
וְהָי֤וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לְצִדִּ֔ים
(letsidim)
tot belagers
וֵאלֹ֣הֵיהֶ֔ם
(veloheihem)
en hun goden
יִהְי֥וּ
(yihyu)
zullen zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לְמוֹקֵֽשׁ
(lemoqesh)
tot een valstrik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier לְצִדִּים (letsiddim), letterlijk ‘tot zijden’.

Wij vertalen ‘belagers’.

Vergelijk Num. 33:55: ‘prikkels in jullie ogen’ en ‘doornen in jullie zij’.

Lezing

Het woord is niet zeker.

Sommige oude vertalingen lezen ‘benauwers’ of ‘vijanden’.

Wij houden het dichtbij de Masoretische tekst: ‘belagers’.

4Toen de engel van Yahweh deze woorden tot alle zonen van Israël had gesproken, verhief het volk zijn stem en huilde.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כְּדַבֵּ֞ר
(kedaber)
toen sprak
מַלְאַ֤ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אֶֽל
(el)
tot
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֖י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en zij hieven op
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
קוֹלָ֖ם
(qolam)
hun stem
וַיִּבְכּֽוּ
(vayivku)
en zij huilden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Zij noemden die plaats Bochim. Daar brachten zij slachtoffers aan Yahweh.
וַֽיִּקְרְא֛וּ
(vayiqreu)
en zij noemden
שֵֽׁם
(shem)
de naam van
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַה֖וּא
(hahu)
die
בֹּכִ֑ים
(bokhim)
Bochim
וַיִּזְבְּחוּ
(vayizbechu)
en zij brachten slachtoffers
שָׁ֖ם
(sham)
daar
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bochim (ligging onzeker): Bochim lag in het bergland van Efraïm, bij Betel.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

בֹּכִים (bochim), ‘huilenden’: de plaats is naar het huilen van het volk genoemd.

Jozua sterft en een nieuw geslacht komt op

6Jozua stuurde het volk weg. De zonen van Israël gingen, ieder naar zijn erfdeel, om het land in bezit te nemen.
וַיְשַׁלַּ֥ח
(vayshalach)
en zond weg
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיֵּלְכ֧וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְנַחֲלָת֖וֹ
(lenachalato)
naar zijn erfdeel
לָרֶ֥שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 6–9 herhalen bijna woordelijk Joz. 24:28–31.

Daar staat het einde van Jozua; hier begint daarmee het verhaal van de rechters.

7Het volk diende Yahweh al de dagen van Jozua en al de dagen van de oudsten die na Jozua nog lang leefden. Zij hadden al het grote werk van Yahweh gezien dat Hij voor Israël had gedaan.
וַיַּעַבְד֤וּ
(vayaavdu)
en zij dienden
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
יְהוֹשֻׁ֑עַ
(yehoshua)
Jozua
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
הַזְּקֵנִ֗ים
(hazeqenim)
de oudsten
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הֶאֱרִ֤יכוּ
(heerikhu)
verlengden
יָמִים֙
(yamim)
dagen
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
na
יְהוֹשׁ֔וּעַ
(yehoshua)
Jozua
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
רָא֗וּ
(rau)
hadden gezien
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
מַעֲשֵׂ֤ה
(maase)
het werk van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
het grote
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עָשָׂ֖ה
(asa)
Hij deed
לְיִשְׂרָאֵֽל
(leyisrael)
voor Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws schrijft de naam van Jozua hier met een andere spelling (יְהוֹשׁוּעַ).

Wij vertalen steeds ‘Jozua’.

8Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Yahweh, stierf. Hij was 110 jaar oud.
וַיָּ֛מָת
(vayamat)
en stierf
יְהוֹשֻׁ֥עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֖וּן
(nun)
Nun
עֶ֣בֶד
(eved)
dienaar van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בֶּן
(ben)
zoon van
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וָעֶ֖שֶׂר
(vaeser)
en tien
שָׁנִֽים
(shanim)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dat Jozua 110 jaar werd, staat ook in Joz. 24:29.

9Zij begroeven hem in het gebied van zijn erfdeel, in Timnat-Cheres, in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäsj.
וַיִּקְבְּר֤וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אוֹתוֹ֙
(oto)
hem
בִּגְב֣וּל
(bigvul)
in het gebied van
נַחֲלָת֔וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
בְּתִמְנַת
(betimnat)
in Timnat
חֶ֖רֶס
(cheres)
Cheres
בְּהַ֣ר
(behar)
in het bergland van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
מִצְּפ֖וֹן
(mitsefon)
ten noorden van
לְהַר
(lehar)
de berg
גָּֽעַשׁ
(gaash)
Gaäsj
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Timnat-Cheres ligt in het bergland van Efraïm, waarschijnlijk bij Khirbet Tibnah in de Westelijke Jordaanoever.

In Joz. 24:30 staat de naam Timnat-Serach; dat is dezelfde plaats met twee letters omgewisseld.

De berg Gaäsj is onzeker.

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

10Ook heel dat geslacht werd verzameld bij zijn vaders. Na hen kwam een ander geslacht op dat Yahweh niet kende, en ook niet het werk dat Hij voor Israël had gedaan.
וְגַם֙
(vegam)
en ook
כָּל
(kal)
heel
הַדּ֣וֹר
(hador)
het geslacht
הַה֔וּא
(hahu)
dat
נֶאֶסְפ֖וּ
(neesfu)
werden verzameld
אֶל
(el)
bij
אֲבוֹתָ֑יו
(avotav)
zijn vaders
וַיָּקָם֩
(vayaqam)
en stond op
דּ֨וֹר
(dor)
een geslacht
אַחֵ֜ר
(acher)
ander
אַחֲרֵיהֶ֗ם
(achareihem)
na hen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יָֽדְעוּ֙
(yadeu)
kende
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְגַם֙
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽמַּעֲשֶׂ֔ה
(hamaase)
het werk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עָשָׂ֖ה
(asa)
Hij deed
לְיִשְׂרָאֵֽל
(leyisrael)
voor Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָסַף (asaf), ‘verzamelen’: ‘bij zijn vaders verzameld worden’ is een gewone manier om te zeggen dat iemand sterft en bij de overleden voorouders komt.

Israël valt af, Yahweh laat rechters opstaan

11De zonen van Israël deden wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Zij dienden de Baäls.
וַיַּעֲשׂ֧וּ
(vayaasu)
en zij deden
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּעַבְד֖וּ
(vayaavdu)
en zij dienden
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּעָלִֽים
(habealim)
de Baäls
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּעָלִים (be’alim), ‘Baäls’: Baäl betekent ‘heer’ of ‘bezitter’.

Zo heette de god van de Kanaänieten, op elke plaats weer anders.

Daarom staat het woord hier in het meervoud.

12Zij verlieten Yahweh, de Elohim van hun vaders, die hen uit het land Egypte had geleid. Zij volgden andere goden, goden van de volken om hen heen. Zij bogen zich voor hen neer en tergden Yahweh.
וַיַּעַזְב֞וּ
(vayaazvu)
en zij verlieten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתָ֗ם
(avotam)
hun vaders
הַמּוֹצִ֣יא
(hamotsi)
die leidde
אוֹתָם֮
(otam)
hen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַיִם֒
(mitsrayim)
Egypte
וַיֵּלְכ֞וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֗ים
(acherim)
andere
מֵאֱלֹהֵ֤י
(meelohei)
uit de goden van
הָֽעַמִּים֙
(haamim)
de volken
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
סְבִיב֣וֹתֵיהֶ֔ם
(sevivoteihem)
rondom hen
וַיִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ
(vayishtachavu)
en zij bogen zich
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
וַיַּכְעִ֖סוּ
(vayakhisu)
en zij tergden
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

כָּעַס (ka’as), ‘tergen’: Yahweh boos maken.

Vergelijk Deut. 4:25.

13Zij verlieten Yahweh en dienden Baäl en de Astarten.
וַיַּעַזְב֖וּ
(vayaazvu)
en zij verlieten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּעַבְד֥וּ
(vayaavdu)
en zij dienden
לַבַּ֖עַל
(labaal)
Baäl
וְלָעַשְׁתָּרֽוֹת
(velaashtarot)
en de Astarten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַשְׁתָּרוֹת (ashtarot), ‘Astarten’: de vrouwelijke godheden van Kanaän, naast Baäl.

14De toorn van Yahweh ontbrandde tegen Israël. Hij gaf hen over aan plunderaars, die hen plunderden. Hij verkocht hen aan hun vijanden rondom. Zij konden niet meer standhouden tegenover hun vijanden.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֤ף
(af)
toorn van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַֽיִּתְּנֵם֙
(vayitenem)
en gaf hen
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
שֹׁסִ֔ים
(shosim)
plunderaars
וַיָּשֹׁ֖סּוּ
(vayashosu)
en zij plunderden
אוֹתָ֑ם
(otam)
hen
וַֽיִּמְכְּרֵ֞ם
(vayimkerem)
en verkocht hen
בְּיַ֤ד
(beyad)
in de hand van
אֽוֹיְבֵיהֶם֙
(oyeveihem)
hun vijanden
מִסָּבִ֔יב
(misaviv)
rondom
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָכְל֣וּ
(yakhelu)
konden zij
ע֔וֹד
(od)
meer
לַעֲמֹ֖ד
(laamod)
standhouden
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
tegenover
אוֹיְבֵיהֶֽם
(oyeveihem)
hun vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָכַר (makhar), ‘verkopen’: Yahweh geeft Israël in de macht van de vijand, alsof Hij hen verkoopt.

Zie ook Richt. 3:8.

15Overal waar zij op uittrokken, was de hand van Yahweh tegen hen, ten kwade. Het was zoals Yahweh had gesproken en zoals Yahweh hun had gezworen. Het werd heel benauwd voor hen.
בְּכֹ֣ל
(bekhol)
in alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
יָצְא֗וּ
(yatseu)
zij uittrokken
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הָיְתָה
(hayeta)
was
בָּ֣ם
(bam)
tegen hen
לְרָעָ֔ה
(leraa)
ten kwade
כַּֽאֲשֶׁר֙
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֣ר
(diber)
Hij had gesproken
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְכַאֲשֶׁ֛ר
(vekhaasher)
en zoals
נִשְׁבַּ֥ע
(nishba)
had gezworen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לָהֶ֑ם
(lahem)
aan hen
וַיֵּ֥צֶר
(vayetser)
en het werd benauwd
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Yahweh liet rechters opstaan. Zij redden hen uit de hand van hun plunderaars.
וַיָּ֥קֶם
(vayaqem)
en liet opstaan
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שֹֽׁפְטִ֑ים
(shofetim)
rechters
וַיּ֣וֹשִׁיע֔וּם
(vayoshium)
en zij redden hen
מִיַּ֖ד
(miyad)
uit de hand van
שֹׁסֵיהֶֽם
(shoseihem)
hun plunderaars
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁפְטִים (shofetim), ‘rechters’: in dit boek zijn dat leiders die het volk redden én recht spraken.

Zij worden door Yahweh aangewezen, niet door mensen gekozen.

17Maar ook naar hun rechters luisterden zij niet. Zij hoereerden achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer. Zij weken snel af van de weg die hun vaders waren gegaan om te luisteren naar de geboden van Yahweh. Zo deden zij niet.
וְגַ֤ם
(vegam)
en ook
אֶל
(el)
naar
שֹֽׁפְטֵיהֶם֙
(shofeteihem)
hun rechters
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁמֵ֔עוּ
(shameu)
luisterden zij
כִּ֣י
(ki)
want
זָנ֗וּ
(zanu)
zij hoereerden
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וַיִּֽשְׁתַּחֲו֖וּ
(vayishtachavu)
en zij bogen zich
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
סָ֣רוּ
(saru)
zij weken af
מַהֵ֗ר
(maher)
snel
מִן
(min)
van
הַדֶּ֜רֶךְ
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הָלְכ֧וּ
(halekhu)
gingen
אֲבוֹתָ֛ם
(avotam)
hun vaders
לִשְׁמֹ֥עַ
(lishmoa)
om te luisteren naar
מִצְוֺת
(mitsvot)
de geboden van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹא
(lo)
niet
עָ֥שׂוּ
(asu)
deden zij
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָנָה (zanah), ‘hoereren’: ontrouw zijn aan Yahweh, zoals een echtgenote ontrouw is.

Vergelijk Num. 25:1.

18Als Yahweh rechters voor hen liet opstaan, was Yahweh met de rechter. Hij redde hen uit de hand van hun vijanden, al de dagen van de rechter. Want Yahweh kreeg medelijden vanwege hun kermen, vanwege hun onderdrukkers en hun verdrukkers.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
הֵקִ֨ים
(heqim)
liet opstaan
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לָהֶם֮
(lahem)
voor hen
שֹֽׁפְטִים֒
(shofetim)
rechters
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
dan was
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עִם
(im)
met
הַשֹּׁפֵ֔ט
(hashofet)
de rechter
וְהֽוֹשִׁיעָם֙
(vehoshiam)
en Hij redde hen
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
אֹֽיְבֵיהֶ֔ם
(oyeveihem)
hun vijanden
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
הַשּׁוֹפֵ֑ט
(hashofet)
de rechter
כִּֽי
(ki)
want
יִנָּחֵ֤ם
(yinachem)
kreeg medelijden
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מִנַּֽאֲקָתָ֔ם
(minaaqatam)
vanwege hun kermen
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
vanwege
לֹחֲצֵיהֶ֖ם
(lochatseihem)
hun onderdrukkers
וְדֹחֲקֵיהֶֽם
(vedochaqeihem)
en hun verdrukkers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִחַם (nicham), ‘medelijden krijgen’: het woord kan ook ‘berouw hebben’ betekenen.

Hier gaat het om Yahwehs medelijden met het volk.

נְאָקָה (ne’aqah), ‘kermen’: hetzelfde woord als in Exod. 2:24.

19Maar als de rechter stierf, vielen zij terug en handelden zij verdorvener dan hun vaders. Zij volgden andere goden, dienden hen en bogen zich voor hen neer. Zij lieten niet af van hun daden en van hun harde weg.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het was
בְּמ֣וֹת
(bemot)
bij het sterven van
הַשּׁוֹפֵ֗ט
(hashofet)
de rechter
יָשֻׁ֨בוּ֙
(yashuvu)
zij keerden terug
וְהִשְׁחִ֣יתוּ
(vehishchitu)
en zij handelden verdorven
מֵֽאֲבוֹתָ֔ם
(meavotam)
meer dan hun vaders
לָלֶ֗כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
לְעָבְדָ֖ם
(leavedam)
om hen te dienen
וּלְהִשְׁתַּחֲוֺ֣ת
(ulehishtachavot)
en zich neer te buigen
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
לֹ֤א
(lo)
niet
הִפִּ֨ילוּ֙
(hipilu)
lieten zij vallen
מִמַּ֣עַלְלֵיהֶ֔ם
(mimaalleihem)
van hun daden
וּמִדַּרְכָּ֖ם
(umidarkam)
en van hun weg
הַקָּשָֽׁה
(haqasha)
de harde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh laat de volken blijven

20De toorn van Yahweh ontbrandde tegen Israël. Hij zei: „Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden dat Ik hun vaders heb geboden, en niet naar Mijn stem heeft geluisterd,
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֥ף
(af)
toorn van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יַעַן֩
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
עָבְר֜וּ
(averu)
hebben overtreden
הַגּ֣וֹי
(hagoy)
het volk
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִי֙
(beriti)
Mijn verbond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
צִוִּ֣יתִי
(tsiviti)
Ik heb geboden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבוֹתָ֔ם
(avotam)
hun vaders
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמְע֖וּ
(shameu)
hebben zij geluisterd
לְקוֹלִֽי
(leqoli)
naar Mijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 20–22 zijn één lange zin van Yahweh: ‘Omdat … zal ook Ik … zo stel Ik’.

Wij hebben de zin gesplitst, maar de volgorde van het Hebreeuws blijft.

21zal ook Ik niemand meer voor hen verdrijven van de volken die Jozua heeft achtergelaten toen hij stierf.
גַּם
(gam)
ook
אֲנִי֙
(ani)
Ik
לֹ֣א
(lo)
niet
אוֹסִ֔יף
(osif)
zal Ik meer
לְהוֹרִ֥ישׁ
(lehorish)
verdrijven
אִ֖ישׁ
(ish)
iemand
מִפְּנֵיהֶ֑ם
(mipeneihem)
voor hen weg
מִן
(min)
van
הַגּוֹיִ֛ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָזַ֥ב
(azav)
achterliet
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
וַיָּמֹֽת
(vayamot)
en stierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Zo stel Ik Israël door hen op de proef: zullen zij de weg van Yahweh bewaren en erop gaan, zoals hun vaders deden, of niet?”
לְמַ֛עַן
(lemaan)
opdat
נַסּ֥וֹת
(nasot)
op de proef te stellen
בָּ֖ם
(bam)
door hen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הֲשֹׁמְרִ֣ים
(hashomerim)
zullen zij bewaren
הֵם֩
(hem)
zij
אֶת
(et)
(obj.)
דֶּ֨רֶךְ
(derekh)
de weg van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te gaan
בָּ֗ם
(bam)
erop
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
שָׁמְר֥וּ
(shameru)
hebben bewaard
אֲבוֹתָ֖ם
(avotam)
hun vaders
אִם
(im)
of
לֹֽא
(lo)
niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De volken blijven om Israël op de proef te stellen.

Zie ook Richt. 3:1–4.

23Yahweh liet deze volken blijven. Hij verdreef hen niet snel en gaf hen niet in de hand van Jozua.
וַיַּנַּ֤ח
(vayanach)
en liet blijven
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַגּוֹיִ֣ם
(hagoyim)
de volken
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
om niet
הוֹרִישָׁ֖ם
(horisham)
hen te verdrijven
מַהֵ֑ר
(maher)
snel
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נְתָנָ֖ם
(netanam)
gaf hen
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
יְהוֹשֻֽׁעַ
(yehoshua)
Jozua
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)