Elohim Bijbel

Deuteronomium 2

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

Langs Ezau, Moab en Ammon naar Sichon

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Rond het bergland Seïr

1Toen keerden wij om en braken op naar de woestijn, de weg naar de Rietzee, zoals Yahweh tot mij had gesproken. Wij trokken lange tijd rond het bergland Seïr.
וַנֵּ֜פֶן
(vanefen)
en wij keerden om
וַנִּסַּ֤ע
(vanisa)
en wij braken op
הַמִּדְבָּ֨רָה֙
(hamidbara)
naar de woestijn
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg naar
יַם
(yam)
de zee van
ס֔וּף
(suf)
Suf
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
had gesproken
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
וַנָּ֥סָב
(vanasav)
en wij trokken rond
אֶת
(et)
(obj.)
הַר
(har)
het bergland van
שֵׂעִ֖יר
(seir)
Seïr
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
רַבִּֽים
(rabim)
vele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

Rietzee: zie Exod. 13:18.

De tocht omlaag langs de Rietzee is de omweg waartoe Israël na de opstand werd veroordeeld (Num. 14:25).

2Yahweh zei tegen mij:
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3„Jullie zijn lang genoeg rond dit bergland getrokken. Draai naar het noorden.
רַב
(rav)
genoeg
לָכֶ֕ם
(lakhem)
voor jullie
סֹ֖ב
(sov)
rond te trekken
אֶת
(et)
(obj.)
הָהָ֣ר
(hahar)
het bergland
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
פְּנ֥וּ
(penu)
draai
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
צָפֹֽנָה
(tsafona)
naar het noorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Geef het volk dit bevel: Jullie trekken door het gebied van jullie broeders, de zonen van Ezau, die in Seïr wonen. Zij zullen bang voor jullie zijn, maar wees heel voorzichtig.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעָם֮
(haam)
het volk
צַ֣ו
(tsav)
geef bevel
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
עֹֽבְרִ֗ים
(overim)
trekken door
בִּגְבוּל֙
(bigvul)
het gebied van
אֲחֵיכֶ֣ם
(acheikhem)
jullie broeders
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
die wonen
בְּשֵׂעִ֑יר
(beseir)
in Seïr
וְיִֽירְא֣וּ
(veyireu)
en zij zullen bang zijn
מִכֶּ֔ם
(mikem)
voor jullie
וְנִשְׁמַרְתֶּ֖ם
(venishmartem)
en wees voorzichtig
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Seïr is het bergland ten oosten van de Araba, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Daar woonden de nakomelingen van Ezau, ook Edom genoemd (Gen. 36:8).

Uitleg

Ezau is de broer van Jakob; daarom heten de Edomieten ‘jullie broeders’.

5Begin geen strijd met hen. Want Ik zal jullie niets van hun land geven, zelfs geen voetbreed. Want Ik heb het bergland Seïr aan Ezau als bezit gegeven.
אַל
(al)
niet
תִּתְגָּר֣וּ
(titgaru)
begin strijd
בָ֔ם
(bam)
met hen
כִּ֠י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
אֶתֵּ֤ן
(eten)
zal Ik geven
לָכֶם֙
(lakhem)
aan jullie
מֵֽאַרְצָ֔ם
(meartsam)
van hun land
עַ֖ד
(ad)
tot
מִדְרַ֣ךְ
(midrakh)
de tred van
כַּף
(kaf)
de voetzool van
רָ֑גֶל
(ragel)
voet
כִּֽי
(ki)
want
יְרֻשָּׁ֣ה
(yerusha)
bezit
לְעֵשָׂ֔ו
(leesav)
aan Ezau
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֥ר
(har)
het bergland van
שֵׂעִֽיר
(seir)
Seïr
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

מִדְרַךְ כַּף־רָגֶל (midrakh kaf-regel), ‘voetbreed’: letterlijk ‘de tred van een voetzool’, dus zelfs zo weinig als een voet beslaat.

Vergelijk Jozua 24:4.

6Voedsel moeten jullie van hen kopen voor geld, dan kunnen jullie eten. Ook water moeten jullie van hen kopen voor geld, dan kunnen jullie drinken.”
אֹ֣כֶל
(okhel)
voedsel
תִּשְׁבְּר֧וּ
(tishberu)
zullen jullie kopen
מֵֽאִתָּ֛ם
(meitam)
van hen
בַּכֶּ֖סֶף
(bakesef)
voor geld
וַאֲכַלְתֶּ֑ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
וְגַם
(vegam)
en ook
מַ֜יִם
(mayim)
water
תִּכְר֧וּ
(tikhru)
zullen jullie kopen
מֵאִתָּ֛ם
(meitam)
van hen
בַּכֶּ֖סֶף
(bakesef)
voor geld
וּשְׁתִיתֶֽם
(ushetitem)
en jullie zullen drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Twee zeldzame werkwoorden: שָׁבַר (shavar), ‘koopwaar kopen’ (vooral graan), en כָּרָה (karah), ‘kopen’; in Hos. 3:2 betekent hetzelfde woord ‘kopen’.

Beide hebben hier de betekenis ‘kopen’.

7Want Yahweh, jullie Elohim, heeft jullie gezegend in al het werk van jullie hand. Hij heeft jullie tocht door deze grote woestijn gekend. Veertig jaar al is Yahweh, jullie Elohim, met jullie. Jullie hebben aan niets gebrek gehad.
כִּי֩
(ki)
want
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בֵּֽרַכְךָ֗
(berakhkha)
heeft gezegend
בְּכֹל֙
(bekhol)
in al
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
het werk van
יָדֶ֔ךָ
(yadekha)
je hand
יָדַ֣ע
(yada)
heeft gekend
לֶכְתְּךָ֔
(lekhtekha)
je gaan
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּדְבָּ֥ר
(hamidbar)
de woestijn
הַגָּדֹ֖ל
(hagadol)
grote
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
זֶ֣ה
(ze)
deze
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je Elohim
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met je
לֹ֥א
(lo)
niet
חָסַ֖רְתָּ
(chasarta)
heb je gemist
דָּבָֽר
(davar)
iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Wij lezen dit vers als woorden van Mozes tot het volk, niet als woorden van Yahweh: ‘veertig jaar al’ klopt met het moment waarop Mozes spreekt, niet met het moment van de tocht rond Seïr.

8Wij trokken langs onze broeders, de zonen van Ezau, die in Seïr wonen, weg van de weg van de Araba, van Elat en van Ezjon-Geber. Wij keerden om en trokken over de weg van de woestijn van Moab.
וַֽנַּעֲבֹ֞ר
(vanaavor)
en wij trokken langs
מֵאֵ֧ת
(meet)
weg van
אַחֵ֣ינוּ
(acheinu)
onze broeders
בְנֵי
(benei)
de zonen van
עֵשָׂ֗ו
(esav)
Ezau
הַיֹּֽשְׁבִים֙
(hayoshevim)
die wonen
בְּשֵׂעִ֔יר
(beseir)
in Seïr
מִדֶּ֨רֶךְ֙
(miderekh)
weg van de weg van
הָֽעֲרָבָ֔ה
(haarava)
de Araba
מֵאֵילַ֖ת
(meeilat)
van Elat
וּמֵעֶצְיֹ֣ן
(umeetsyon)
en van Ezjon
גָּ֑בֶר
(gaver)
Geber
וַנֵּ֨פֶן֙
(vanefen)
en wij keerden om
וַֽנַּעֲבֹ֔ר
(vanaavor)
en wij trokken
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
de weg van
מִדְבַּ֥ר
(midbar)
de woestijn van
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Elat ligt aan de noordpunt van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba (Jordanië) en Eilat (Israël).

Ezjon-Geber lag daar vlakbij; de juiste plek is niet bekend.

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba.

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Moab en Ammon blijven ongemoeid

9Yahweh zei tegen mij: „Bedreig Moab niet en begin geen oorlog met hen. Want Ik zal je niets van zijn land als bezit geven. Want Ar heb Ik aan de zonen van Lot als bezit gegeven.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
אֶל
(el)
niet
תָּ֨צַר֙
(tatsar)
bedreig
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וְאַל
(veal)
en niet
תִּתְגָּ֥ר
(titgar)
begin strijd
בָּ֖ם
(bam)
met hen
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
כִּ֠י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
אֶתֵּ֨ן
(eten)
zal Ik geven
לְךָ֤
(lekha)
aan jou
מֵֽאַרְצוֹ֙
(meartso)
van zijn land
יְרֻשָּׁ֔ה
(yerusha)
bezit
כִּ֣י
(ki)
want
לִבְנֵי
(livnei)
aan de zonen van
ל֔וֹט
(lot)
Lot
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
עָ֖ר
(ar)
Ar
יְרֻשָּֽׁה
(yerusha)
bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ar is een stad of gebied in Moab, ten oosten van de Dode Zee; de juiste plek is onzeker (Num. 21:15, 28).

Uitleg

Moab en Ammon stammen af van Lot (Gen. 19:36–38).

10De Emieten woonden er vroeger, een groot, talrijk en lang volk, zoals de Anakieten.
הָאֵמִ֥ים
(haemim)
de Emieten
לְפָנִ֖ים
(lefanim)
vroeger
יָ֣שְׁבוּ
(yashevu)
woonden
בָ֑הּ
(bah)
daarin
עַ֣ם
(am)
een volk
גָּד֥וֹל
(gadol)
groot
וְרַ֛ב
(verav)
en talrijk
וָרָ֖ם
(varam)
en lang
כָּעֲנָקִֽים
(kaanaqim)
als de Anakieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Emieten (אֵמִים, emim), ‘schrikwekkenden’: een volk van grote mensen dat vroeger in Moab woonde.

Zie ook Gen. 14:5.

11Ook zij worden als Refaïeten beschouwd, net als de Anakieten, maar de Moabieten noemen hen Emieten.
רְפָאִ֛ים
(refaim)
Refaïeten
יֵחָשְׁב֥וּ
(yechashevu)
worden beschouwd
אַף
(af)
ook
הֵ֖ם
(hem)
zij
כָּעֲנָקִ֑ים
(kaanaqim)
als de Anakieten
וְהַמֹּ֣אָבִ֔ים
(vehamoavim)
en de Moabieten
יִקְרְא֥וּ
(yiqreu)
noemen
לָהֶ֖ם
(lahem)
hen
אֵמִֽים
(emim)
Emieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Refaïeten (רְפָאִים, refaim): een volk van grote mensen (Gen. 14:5; 15:20).

Anakieten (עֲנָקִים, anaqim) zijn verwant (Deut. 1:28).

12In Seïr woonden vroeger de Chorieten. De zonen van Ezau namen hun land in bezit, vernietigden hen voor hun ogen en gingen in hun plaats wonen. Zo deed Israël met het land dat het in bezit kreeg, dat Yahweh hun gaf.
וּבְשֵׂעִ֞יר
(uveseir)
en in Seïr
יָשְׁב֣וּ
(yashevu)
woonden
הַחֹרִים֮
(hachorim)
de Chorieten
לְפָנִים֒
(lefanim)
vroeger
וּבְנֵ֧י
(uvenei)
en de zonen van
עֵשָׂ֣ו
(esav)
Ezau
יִֽירָשׁ֗וּם
(yirashum)
namen hen in bezit
וַיַּשְׁמִידוּם֙
(vayashmidum)
en vernietigden hen
מִפְּנֵיהֶ֔ם
(mipeneihem)
voor hun aangezicht
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en gingen wonen
תַּחְתָּ֑ם
(tachtam)
in hun plaats
כַּאֲשֶׁ֧ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂ֣ה
(asa)
deed
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לְאֶ֨רֶץ֙
(leerets)
met het land van
יְרֻשָּׁת֔וֹ
(yerushato)
zijn bezit
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Chorieten (חֹרִים, chorim): de oorspronkelijke bewoners van Seïr (Gen. 14:6; 36:20).

13„Sta nu op en steek de beek Zered over.” Wij staken de beek Zered over.
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
קֻ֛מוּ
(qumu)
sta op
וְעִבְר֥וּ
(veivru)
en steek over
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
אֶת
(et)
(obj.)
נַ֣חַל
(nachal)
de beek
זָ֑רֶד
(zared)
Zered
וַֽנַּעֲבֹ֖ר
(vanaavor)
en wij staken over
אֶת
(et)
(obj.)
נַ֥חַל
(nachal)
de beek
זָֽרֶד
(zared)
Zered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De beek Zered ligt waarschijnlijk bij het huidige Wadi al-Hasa in Jordanië, de zuidgrens van Moab.

14De tijd dat wij liepen van Kades-Barnea tot wij de beek Zered overstaken, was 38 jaar. Toen was heel het geslacht van de krijgers uit het kamp verdwenen, zoals Yahweh hun gezworen had.
וְהַיָּמִ֞ים
(vehayamim)
en de dagen
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָלַ֣כְנוּ
(halakhnu)
wij liepen
מִקָּדֵ֣שׁ
(miqadesh)
van Kades
בַּרְנֵ֗עַ
(barnea)
Barnea
עַ֤ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עָבַ֨רְנוּ֙
(avarnu)
wij overstaken
אֶת
(et)
(obj.)
נַ֣חַל
(nachal)
de beek
זֶ֔רֶד
(zered)
Zered
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁמֹנֶ֖ה
(ushemone)
en acht
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
עַד
(ad)
tot
תֹּ֨ם
(tom)
verdween
כָּל
(kal)
heel
הַדּ֜וֹר
(hador)
het geslacht
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
de krijgers van
הַמִּלְחָמָה֙
(hamilchama)
de oorlog
מִקֶּ֣רֶב
(miqerev)
uit het midden van
הַֽמַּחֲנֶ֔ה
(hamachane)
het kamp
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
נִשְׁבַּ֥ע
(nishba)
had gezworen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev.

Zie Zered: De Zered is de beek die waarschijnlijk het Wadi al-Hasa is.

Zij stroomt naar het zuidoostelijke deel van de Dode Zee.

Uitleg

Van Kades-Barnea tot de Zered is 38 jaar.

Samen met de tijd daarvoor komt dat op ongeveer veertig jaar sinds de uittocht (vergelijk Num. 14:33–34).

15Ook was de hand van Yahweh tegen hen, om hen uit het kamp te verdelgen, tot zij allemaal verdwenen waren.
וְגַ֤ם
(vegam)
en ook
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הָ֣יְתָה
(hayeta)
was
בָּ֔ם
(bam)
tegen hen
לְהֻמָּ֖ם
(lehumam)
om hen te verdelgen
מִקֶּ֣רֶב
(miqerev)
uit het midden van
הַֽמַּחֲנֶ֑ה
(hamachane)
het kamp
עַ֖ד
(ad)
tot
תֻּמָּֽם
(tumam)
hun verdwijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De beek Zered en het einde van het oude geslacht

16Toen al de krijgers uit het volk waren gestorven,
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en het was
כַאֲשֶׁר
(kaasher)
toen
תַּ֜מּוּ
(tamu)
waren verdwenen
כָּל
(kal)
alle
אַנְשֵׁ֧י
(anshei)
de krijgers van
הַמִּלְחָמָ֛ה
(hamilchama)
de oorlog
לָמ֖וּת
(lamut)
om te sterven
מִקֶּ֥רֶב
(miqerev)
uit het midden van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17sprak Yahweh tot mij:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18„Jij trekt vandaag door het gebied van Moab, door Ar.
אַתָּ֨ה
(ata)
jij
עֹבֵ֥ר
(over)
trekt door
הַיּ֛וֹם
(hayom)
vandaag
אֶת
(et)
(obj.)
גְּב֥וּל
(gevul)
het gebied van
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
אֶת
(et)
(obj.)
עָֽר
(ar)
Ar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

19Je komt dicht bij de zonen van Ammon. Bedreig hen niet en begin geen strijd met hen. Want Ik zal je niets van het land van de zonen van Ammon als bezit geven. Want Ik heb het aan de zonen van Lot als bezit gegeven.”
וְקָרַבְתָּ֗
(veqaravta)
en je zult dichtbij komen
מ֚וּל
(mul)
tegenover
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
אַל
(al)
niet
תְּצֻרֵ֖ם
(tetsurem)
bedreig hen
וְאַל
(veal)
en niet
תִּתְגָּ֣ר
(titgar)
begin strijd
בָּ֑ם
(bam)
met hen
כִּ֣י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
אֶ֠תֵּן
(eten)
zal Ik geven
מֵאֶ֨רֶץ
(meerets)
van het land van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
עַמּ֤וֹן
(amon)
Ammon
לְךָ֙
(lekha)
aan jou
יְרֻשָּׁ֔ה
(yerusha)
bezit
כִּ֥י
(ki)
want
לִבְנֵי
(livnei)
aan de zonen van
ל֖וֹט
(lot)
Lot
נְתַתִּ֥יהָ
(netatiha)
Ik heb het gegeven
יְרֻשָּֽׁה
(yerusha)
bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

20Ook dat land geldt als land van de Refaïeten. Refaïeten woonden er vroeger, maar de Ammonieten noemen hen Zamzummieten.
אֶֽרֶץ
(erets)
het land van
רְפָאִ֥ים
(refaim)
Refaïeten
תֵּחָשֵׁ֖ב
(techashev)
wordt beschouwd
אַף
(af)
ook
הִ֑וא
(hi)
het
רְפָאִ֤ים
(refaim)
Refaïeten
יָֽשְׁבוּ
(yashevu)
woonden
בָהּ֙
(bah)
daarin
לְפָנִ֔ים
(lefanim)
vroeger
וְהָֽעַמֹּנִ֔ים
(vehaamonim)
en de Ammonieten
יִקְרְא֥וּ
(yiqreu)
noemen
לָהֶ֖ם
(lahem)
hen
זַמְזֻמִּֽים
(zamzumim)
Zamzummieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

Zamzummieten (זַמְזֻמִּים, zamzummim): de naam die de Ammonieten gaven aan de Refaïeten in hun land.

Mogelijk zijn dit de Zuzieten uit Gen. 14:5.

Zie ookGen 14:5
21Het was een groot, talrijk en lang volk, zoals de Anakieten. Maar Yahweh vernietigde hen voor hun ogen. De Ammonieten namen hun land in bezit en gingen in hun plaats wonen,
עַ֣ם
(am)
een volk
גָּד֥וֹל
(gadol)
groot
וְרַ֛ב
(verav)
en talrijk
וָרָ֖ם
(varam)
en lang
כָּעֲנָקִ֑ים
(kaanaqim)
als de Anakieten
וַיַּשְׁמִידֵ֤ם
(vayashmidem)
en vernietigde hen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מִפְּנֵיהֶ֔ם
(mipeneihem)
voor hun aangezicht
וַיִּירָשֻׁ֖ם
(vayirashum)
en zij namen hen in bezit
וַיֵּשְׁב֥וּ
(vayeshevu)
en gingen wonen
תַחְתָּֽם
(tachtam)
in hun plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

22zoals Hij deed voor de zonen van Ezau die in Seïr wonen, toen Hij de Chorieten voor hun ogen vernietigde. Zij namen hun land in bezit en gingen in hun plaats wonen, tot op deze dag.
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂה֙
(asa)
deed
לִבְנֵ֣י
(livnei)
voor de zonen van
עֵשָׂ֔ו
(esav)
Ezau
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
die wonen
בְּשֵׂעִ֑יר
(beseir)
in Seïr
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
toen
הִשְׁמִ֤יד
(hishmid)
Hij vernietigde
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֹרִי֙
(hachori)
de Choriet
מִפְּנֵיהֶ֔ם
(mipeneihem)
voor hun aangezicht
וַיִּֽירָשֻׁם֙
(vayirashum)
en zij namen hen in bezit
וַיֵּשְׁב֣וּ
(vayeshevu)
en gingen wonen
תַחְתָּ֔ם
(tachtam)
in hun plaats
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

23Ook de Awwieten, die in dorpen woonden tot aan Gaza, werden vernietigd door de Kaftorim, die uit Kaftor kwamen. Zij gingen in hun plaats wonen.
וְהָֽעַוִּ֛ים
(vehaavim)
en de Awwieten
הַיֹּשְׁבִ֥ים
(hayoshevim)
die wonen
בַּחֲצֵרִ֖ים
(bachatserim)
in dorpen
עַד
(ad)
tot
עַזָּ֑ה
(aza)
Gaza
כַּפְתֹּרִים֙
(kaftorim)
de Kaftorim
הַיֹּצְאִ֣ים
(hayotseim)
die uitgaan
מִכַּפְתּ֔וֹר
(mikaftor)
uit Kaftor
הִשְׁמִידֻ֖ם
(hishmidum)
vernietigden hen
וַיֵּשְׁב֥וּ
(vayeshevu)
en gingen wonen
תַחְתָּֽם
(tachtam)
in hun plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Awwieten woonden in het zuiden van Kanaän, bij Gaza (Gaza-stad, nu in de Gazastrook).

Kaftor is waarschijnlijk Kreta; de Kaftorim zijn verbonden met de Filistijnen (Gen. 10:14; Jer. 47:4; Amos 9:7).

Sichon, de koning van Chesbon

24„Sta op, breek op en steek de beek Arnon over. Zie, Ik heb Sichon, de koning van Chesbon, de Amoriet, en zijn land in je hand gegeven. Begin het in bezit te nemen en begin de strijd tegen hem.
ק֣וּמוּ
(qumu)
sta op
סְּע֗וּ
(seu)
breek op
וְעִבְרוּ֮
(veivru)
en steek over
אֶת
(et)
(obj.)
נַ֣חַל
(nachal)
de beek
אַרְנֹן֒
(arnon)
Arnon
רְאֵ֣ה
(ree)
zie
נָתַ֣תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
בְ֠יָדְךָ
(beyadekha)
in je hand
אֶת
(et)
(obj.)
סִיחֹ֨ן
(sichon)
Sichon
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
חֶשְׁבּ֧וֹן
(cheshbon)
Chesbon
הָֽאֱמֹרִ֛י
(haemori)
de Amoriet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַרְצ֖וֹ
(artso)
zijn land
הָחֵ֣ל
(hachel)
begin
רָ֑שׁ
(rash)
neem in bezit
וְהִתְגָּ֥ר
(vehitgar)
en begin strijd
בּ֖וֹ
(bo)
tegen hem
מִלְחָמָֽה
(milchama)
oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De beek Arnon is nu de Wadi Mujib in Jordanië; zij mondt uit in de Dode Zee en vormde de grens van Moab met de Amorieten.

Chesbon: zie 1:4.

Uitleg

Sichon: zie Num. 21:21–31.

25Vandaag begin Ik de schrik en de angst voor jou te leggen op de volken onder heel de hemel. Wanneer zij van je horen, zullen zij beven en sidderen voor je.”
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
אָחֵל֙
(achel)
begin Ik
תֵּ֤ת
(tet)
te leggen
פַּחְדְּךָ֙
(pachdekha)
je schrik
וְיִרְאָ֣תְךָ֔
(veyiratekha)
en je angst
עַל
(al)
op
פְּנֵי֙
(penei)
het aangezicht van
הָֽעַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
כָּל
(kal)
heel
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יִשְׁמְעוּן֙
(yishmeun)
zullen horen
שִׁמְעֲךָ֔
(shimakha)
je bericht
וְרָגְז֥וּ
(veragezu)
en zullen beven
וְחָל֖וּ
(vechalu)
en zullen sidderen
מִפָּנֶֽיךָ
(mipaneikha)
voor je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Ik stuurde boden uit de woestijn Kedemot naar Sichon, de koning van Chesbon, met woorden van vrede:
וָאֶשְׁלַ֤ח
(vaeshlach)
en ik zond
מַלְאָכִים֙
(malakhim)
boden
מִמִּדְבַּ֣ר
(mimidbar)
uit de woestijn van
קְדֵמ֔וֹת
(qedemot)
Kedemot
אֶל
(el)
naar
סִיח֖וֹן
(sichon)
Sichon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
חֶשְׁבּ֑וֹן
(cheshbon)
Chesbon
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
שָׁל֖וֹם
(shalom)
vrede
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kedemot ligt ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië.

De juiste plek is niet bekend.

Zie ook Jozua 13:18.

Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.

27„Laat mij door uw land trekken. Ik zal alleen over de weg gaan, over de weg. Ik wijk niet af naar rechts of naar links.
אֶעְבְּרָ֣ה
(ebera)
laat mij trekken
בְאַרְצֶ֔ךָ
(beartsekha)
door uw land
בַּדֶּ֥רֶךְ
(baderekh)
op de weg
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֵלֵ֑ךְ
(elekh)
zal ik gaan
לֹ֥א
(lo)
niet
אָס֖וּר
(asur)
zal ik afwijken
יָמִ֥ין
(yamin)
rechts
וּשְׂמֹֽאול
(usemovl)
en links
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Voedsel zult u mij voor geld verkopen, dan eet ik. Water zult u mij voor geld geven, dan drink ik. Laat mij alleen te voet doortrekken,
אֹ֣כֶל
(okhel)
voedsel
בַּכֶּ֤סֶף
(bakesef)
voor geld
תַּשְׁבִּרֵ֨נִי֙
(tashbireni)
zult u mij verkopen
וְאָכַ֔לְתִּי
(veakhalti)
en ik zal eten
וּמַ֛יִם
(umayim)
en water
בַּכֶּ֥סֶף
(bakesef)
voor geld
תִּתֶּן
(titen)
zult u geven
לִ֖י
(li)
aan mij
וְשָׁתִ֑יתִי
(veshatiti)
en ik zal drinken
רַ֖ק
(raq)
alleen
אֶעְבְּרָ֥ה
(ebera)
laat mij trekken
בְרַגְלָֽי
(beraglay)
te voet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookNum 20:19
29zoals de zonen van Ezau, die in Seïr wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, voor mij hebben gedaan. Dat blijft zo, totdat ik de Jordaan oversteek naar het land dat Yahweh, onze Elohim, ons geeft.”
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
עָֽשׂוּ
(asu)
deden
לִ֜י
(li)
voor mij
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
עֵשָׂ֗ו
(esav)
Ezau
הַיֹּֽשְׁבִים֙
(hayoshevim)
die wonen
בְּשֵׂעִ֔יר
(beseir)
in Seïr
וְהַמּ֣וֹאָבִ֔ים
(vehamoavim)
en de Moabieten
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
die wonen
בְּעָ֑ר
(bear)
in Ar
עַ֤ד
(ad)
tot
אֲשֶֽׁר
(asher)
dat
אֶֽעֱבֹר֙
(eevor)
ik overstek
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
אֶל
(el)
naar
הָאָ֕רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
נֹתֵ֥ן
(noten)
geeft
לָֽנוּ
(lanu)
aan ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

Volgens Num. 20:14–21 weigerde Edom Israël de doortocht; Israël ging om Edom heen (Num. 21:4).

Hier gaat het erom dat Edom en Moab Israël voedsel en water verkochten.

30Maar Sichon, de koning van Chesbon, wilde ons niet laten doortrekken. Want Yahweh, jullie Elohim, had zijn geest verhard en zijn hart koppig gemaakt, om hem in jullie hand te geven, zoals het vandaag is.
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אָבָ֗ה
(ava)
wilde
סִיחֹן֙
(sichon)
Sichon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
חֶשְׁבּ֔וֹן
(cheshbon)
Chesbon
הַעֲבִרֵ֖נוּ
(haavirenu)
ons laten doortrekken
בּ֑וֹ
(bo)
door hem
כִּֽי
(ki)
want
הִקְשָׁה֩
(hiqsha)
had verhard
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
רוּח֗וֹ
(rucho)
zijn geest
וְאִמֵּץ֙
(veimets)
en maakte koppig
אֶת
(et)
(obj.)
לְבָב֔וֹ
(levavo)
zijn hart
לְמַ֛עַן
(lemaan)
opdat
תִּתּ֥וֹ
(tito)
Hij hem zou geven
בְיָדְךָ֖
(beyadekha)
in je hand
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.

Uitleg

Het ‘verharden’ van Sichons geest en hart is hetzelfde woord als bij de farao: zie Exod. 7:3.

Hier staat het in een oorlog die Yahweh zelf wil.

31Yahweh zei tegen mij: „Zie, Ik ben begonnen Sichon en zijn land aan je over te geven. Begin het in bezit te nemen, om zijn land te erven.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
רְאֵ֗ה
(ree)
zie
הַֽחִלֹּ֨תִי֙
(hachiloti)
Ik ben begonnen
תֵּ֣ת
(tet)
te geven
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor je uit
אֶת
(et)
(obj.)
סִיחֹ֖ן
(sichon)
Sichon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַרְצ֑וֹ
(artso)
zijn land
הָחֵ֣ל
(hachel)
begin
רָ֔שׁ
(rash)
neem in bezit
לָרֶ֖שֶׁת
(lareshet)
om te erven
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצֽוֹ
(artso)
zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Sichon trok ons tegemoet, hij en heel zijn volk, om te strijden bij Jahaz.
וַיֵּצֵא֩
(vayetse)
en trok uit
סִיחֹ֨ן
(sichon)
Sichon
לִקְרָאתֵ֜נוּ
(liqratenu)
ons tegemoet
ה֧וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
עַמּ֛וֹ
(amo)
zijn volk
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
ter oorlog
יָֽהְצָה
(yahetsa)
naar Jahaz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jahaz lag in Moab, bij de Arnon.

De precieze plek is onzeker (Num. 21:23).

33Yahweh, onze Elohim, gaf hem aan ons over. Wij versloegen hem, zijn zonen en heel zijn volk.
וַֽיִּתְּנֵ֛הוּ
(vayitenehu)
en gaf hem
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לְפָנֵ֑ינוּ
(lefaneinu)
voor ons uit
וַנַּ֥ךְ
(vanakh)
en wij sloegen
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
עַמּֽוֹ
(amo)
zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Wij namen toen al zijn steden in en legden elke stad onder de ban: de mannen, de vrouwen en de kleine kinderen. Wij lieten niemand over.
וַנִּלְכֹּ֤ד
(vanilkod)
en wij namen in
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
עָרָיו֙
(arav)
zijn steden
בָּעֵ֣ת
(baet)
in tijd
הַהִ֔וא
(hahi)
die
וַֽנַּחֲרֵם֙
(vanacharem)
en wij legden onder de ban
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
elke
עִ֣יר
(ir)
stad
מְתִ֔ם
(metim)
van mannen
וְהַנָּשִׁ֖ים
(vehanashim)
en de vrouwen
וְהַטָּ֑ף
(vehataf)
en de kleine kinderen
לֹ֥א
(lo)
niet
הִשְׁאַ֖רְנוּ
(hisharnu)
wij lieten over
שָׂרִֽיד
(sarid)
overlevende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵרֶם (cherem), ‘ban’: iets wordt aan Yahweh gewijd door het geheel te vernietigen.

Zie ook Deut. 7:2 en 20:16–18.

35Alleen het vee roofden wij voor onszelf, met de buit van de steden die wij hadden ingenomen.
רַ֥ק
(raq)
alleen
הַבְּהֵמָ֖ה
(habehema)
het vee
בָּזַ֣זְנוּ
(bazaznu)
roofden wij
לָ֑נוּ
(lanu)
voor ons
וּשְׁלַ֥ל
(ushelal)
en de buit van
הֶעָרִ֖ים
(hearim)
de steden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לָכָֽדְנוּ
(lakhadenu)
wij hadden ingenomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Aroër ligt aan de oever van de beek Arnon. Van Aroër en van de stad in het dal tot aan Gilead was er geen stad die te sterk voor ons was. Yahweh, onze Elohim, gaf alles aan ons over.
מֵֽעֲרֹעֵ֡ר
(mearoer)
van Aroër
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
עַל
(al)
aan
שְׂפַת
(sefat)
de oever van
נַ֨חַל
(nachal)
de beek
אַרְנֹ֜ן
(arnon)
Arnon
וְהָעִ֨יר
(vehair)
en de stad
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
בַּנַּ֨חַל֙
(banachal)
in het dal
וְעַד
(vead)
en tot
הַגִּלְעָ֔ד
(hagilad)
Gilead
לֹ֤א
(lo)
niet
הָֽיְתָה֙
(hayeta)
was
קִרְיָ֔ה
(qirya)
stad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׂגְבָ֖ה
(sageva)
te hoog was
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
voor ons
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֹּ֕ל
(hakol)
alles
נָתַ֛ן
(natan)
gaf
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לְפָנֵֽינוּ
(lefaneinu)
voor ons uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Aroër lag aan de noordrand van de kloof van de Arnon, bij het huidige Aroer, Jordanië.

Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, ten noorden van de Arnon.

37Alleen het land van de zonen van Ammon hebben jullie niet genaderd: heel de oever van de beek Jabbok en de steden van het bergland. Dat was alles wat Yahweh, onze Elohim, had geboden.
רַ֛ק
(raq)
alleen
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
עַמּ֖וֹן
(amon)
Ammon
לֹ֣א
(lo)
niet
קָרָ֑בְתָּ
(qaravta)
heb je genaderd
כָּל
(kal)
heel
יַ֞ד
(yad)
de zijde van
נַ֤חַל
(nachal)
de beek
יַבֹּק֙
(yaboq)
Jabbok
וְעָרֵ֣י
(vearei)
en de steden van
הָהָ֔ר
(hahar)
het bergland
וְכֹ֥ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֖ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Jabbok is nu de Zarqa-rivier in Jordanië.

Hij vormde de grens van het land van Ammon.