Openbaring 16
De 7 schalen van de woede van Elohim worden uitgegoten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De opdracht om de 7 schalen uit te gieten
φωνὴ μεγάλη (fone megale), ‘luide stem’: de stem komt uit het heiligdom (15:8), waar de heerlijkheid van Elohim is; het Grieks zegt niet wie spreekt.
In het Grieks spreekt de stem over ‘de woede van Elohim’ in de derde persoon; daarom staat de stem zwart. ἐκχέω (ekcheo), ‘uitgieten’: het werkwoord blijft in de hele reeks (verzen 1–4, 6, 8, 10, 12, 17). φιάλη (fiale), ‘schaal’: zie 15:7.
Zie ook Openb. 15:7; Openb. 15:8; Ps. 69:25; Jes. 66:6; Sef. 3:8.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden μεγάλης φωνῆς (megales fones), ‘grote stem’ en ἐκχέετε (ekcheete), ‘giet uit’.
Wij volgen de SBLGNT.
De eerste schaal: de zweren
ἕλκος (helkos), ‘zweer’, een open wond; vergelijk de zesde plaag van Egypte (Exod. 9:8–11). χάραγμα (charagma), ‘merkteken’: ingekerfd of ingebrand; het merkteken van het beest staat in 13:16–17. προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: voor het beeld van het beest (13:15).
Zie ook Exod. 9:8–11; Deut. 28:35; Openb. 13:16–17.
De tweede en de derde schaal: zee en rivieren
ψυχὴ ζωῆς (psyche zoes), ‘ziel van leven’, dat is: ‘levende ziel’; het Griekse ‘ziel’ betekent hier elk levend wezen.
De zee wordt ‘bloed, als van een dode’.
Vergelijk de eerste plaag van Egypte (Exod. 7:20–21).
Zie ook Exod. 7:20–21; Openb. 8:8–9.
De SBLGNT markeert hier varianten bij δεύτερος (deuteros), ‘tweede’; ζωῆς (zoes), ‘levende’ en τὰ (ta), ‘wat’.
Wij volgen de SBLGNT.
Het Grieks heeft ‘en het werd bloed’ in het enkelvoud; wij vertalen ‘zij werden bloed’.
Vergelijk de eerste plaag van Egypte.
Zie ook Exod. 7:19–20; Ps. 78:44; Openb. 8:10.
De SBLGNT markeert bij καὶ (kai), ‘en’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ὁ ἄγγελος τῶν ὑδάτων (ho angelos ton hydaton), ‘de engel van de wateren’: de engel die over de wateren gaat; vergelijk de engel over het vuur (14:18). ὁ ὢν καὶ ὁ ἦν (ho on kai ho en), ‘Hij die is en die was’: in 1:4 en 1:8 volgt ‘en Die komt’; hier staat dat niet. ὅσιος (hosios), ‘getrouw’: zie 15:4; hier met lidwoord, ‘de Getrouwe’.
‘Omdat U dit geoordeeld hebt’: het oordeel is de straf van vers 4.
Wij laten de aanhaling doorlopen tot vers 6.
Zie ook Openb. 1:4; Openb. 1:8; Openb. 14:18; Ps. 145:17.
De SBLGNT markeert bij ὁ (ho), ‘de’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
‘Het bloed van heiligen en profeten’: zie 6:9–10, 11:7–10 en 17:6.
‘Bloed hebt U hun te drinken gegeven’: het water is bloed geworden, de straf past bij de misdaad (vergelijk 17:6; 18:24). ἄξιοί εἰσιν (axioi eisin), ‘zij zijn het waard’: zij verdienen het.
Zie ook Openb. 6:9–10; Openb. 17:6; Openb. 18:24; Jes. 49:26.
De SBLGNT markeert bij δέδωκας (dedokas), ‘hebt gegeven’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
θυσιαστήριον (thysiasterion), ‘altaar’: het Grieks heeft ‘hoorde het altaar zeggen’, dus het altaar zelf, of iemand ‘van het altaar’ (vergelijk 6:9; 8:3–5; 9:13).
Wij volgen het Grieks. κρίσις (krisis), ‘oordeel’.
De woorden ‘Yahweh Elohim, de Almachtige’ als in 15:3; de bevestiging ‘waar en rechtvaardig’ klinkt als 15:3 en Ps. 19:10 (‘de bepalingen van Yahweh zijn waarheid; zij zijn tezamen rechtvaardig’).
Zie ook Openb. 6:9; Openb. 8:3; Openb. 15:3; Ps. 19:10.
De vierde schaal: de zon
Het Grieks heeft ‘en het werd aan hem gegeven’, ‘hem’ is de zon (ἥλιος, helios, mannelijk); wij schrijven ‘haar’. καυματίζω (kaumatizo), ‘verschroeien, verbranden’.
Het Grieks noemt niet wie het geeft.
Vergelijk de vierde bazuin (8:12), waar de zon juist verduisterd wordt.
Zie ook Openb. 8:12.
De SBLGNT markeert hier varianten bij τέταρτος (tetartos), ‘vierde’ en de woorden τοὺς ἀνθρώπους ἐν πυρί (tous anthropous en pyri), ‘de mensen met vuur’.
Wij volgen de SBLGNT.
καῦμα (kauma), ‘hitte’. βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’: spreken tegen Elohim; zo ook in de verzen 11 en 21.
‘Die gezag heeft over deze plagen’: Elohim heeft de macht over de plagen; de mensen erkennen dat niet. μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’: de mensen veranderen niet van denken (zie ook vers 11 en 2:21; 9:20–21).
‘Heerlijkheid geven’: eer geven aan Elohim; vergelijk 14:7.
Zie ook Openb. 9:20–21; Openb. 14:7.
De SBLGNT markeert hier varianten bij ἐβλασφήμησαν (eblasfemesan), ‘lasterden’ en τὴν (ten), ‘het’.
Wij volgen de SBLGNT.
De vijfde schaal: het koninkrijk van het beest
θρόνος (thronos), ‘troon’: de zetel van de macht van het beest (13:2). σκοτόω (skotoo), ‘verduisteren’: het koninkrijk wordt donker, zoals Egypte in de negende plaag (Exod. 10:21–23). μασάομαι (masaomai), ‘kauwen, knagen’: zij knagen van pijn aan hun tong.
Zie ook Exod. 10:21–23; Openb. 13:2.
ὁ θεὸς τοῦ οὐρανοῦ (ho theos tou ouranou), ‘de Elohim van de hemel’: een naam die in het Oude Testament voor Elohim wordt gebruikt (Ezra 1:2; Neh. 1:4; Dan. 2:18). πόνος (ponos), ‘pijn’; ἕλκος (helkos), ‘zweer’: zie vers 2.
Zie ook Ezra 1:2; Neh. 1:4; Dan. 2:18.
De zesde schaal: de Eufraat en Harmagedon
Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.
Εὐφράτης (Eufrates), ‘Eufraat’: de rivier in het oosten van het Beloofde Land (Gen. 15:18). ἐξηράνθη (exeranthe), ‘droogde op’: zoals de Rietzee en de Jordaan (Exod. 14:21; Joz. 3:16–17) en zoals de Eufraat bij de val van Babel (Jes. 44:27; Jer. 50:38; 51:36). ἀπὸ ἀνατολῆς ἡλίου (apo anatoles heliou), ‘uit de opgang van de zon’: dat is: uit het oosten.
Het Grieks noemt niet wie de koningen zijn.
Zie ook Gen. 15:18; Jes. 44:27; Jer. 50:38; Jer. 51:36; Openb. 9:14.
De SBLGNT markeert bij τὸν (ton), ‘de’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
De drie sprekende monden zijn die van de draak (12:3, 12:9), het beest uit de zee (13:1) en de valse profeet, dat is het beest van de aarde (13:11; 19:20).
Het Grieks heeft ‘drie onreine geesten, als kikkers’. ἀκάθαρτος (akathartos), ‘onrein’.
De kikkers verwijzen naar de tweede plaag van Egypte (Exod. 7:26–8:11; in de Nederlandse telling Exod. 8:1–15).
Zie ook Exod. 7:26–8:11; Openb. 12:3; Openb. 13:1; Openb. 13:11; Openb. 19:20.
De SBLGNT markeert bij de woorden τρία ἀκάθαρτα (tria akatharta), ‘drie onrein’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Het Grieks begint met ‘zijn immers’ en heeft een werkwoord in het enkelvoud, ἐκπορεύεται (ekporeuetai), ‘gaat uit’: het onderwerp is een onzijdig meervoud.
Wij vertalen ‘zij gaan uit’. δαιμόνιον (daimonion), ‘demon’; σημεῖον (semeion), ‘teken’. οἰκουμένη (oikoumene), ‘bewoonde wereld’.
‘De grote dag van Elohim, de Almachtige’: de dag van Yahweh uit de profeten (Joël 2:11; Zef. 1:14).
Zie ook Joël 2:11; Zef. 1:14.
De SBLGNT markeert bij ἡμέρας (hemeras), ‘dag’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Dit vers wordt in de SBLGNT met gedachtestrepen in de tekst gezet; het onderbreekt het verhaal.
De spreker is Yeshua: ‘Zie, Ik kom als een dief’ is Zijn eigen woord (vergelijk Matt. 24:43–44; Luc. 12:39–40; 1 Tess. 5:2; 2 Petr. 3:10; Openb. 3:3).
Wij zetten het daarom rood. γρηγορέω (gregoreo), ‘waken’. τηρέω (tereo), ‘bewaren’. ἱμάτια (himatia), ‘kleren, bovenkleren’. ἀσχημοσύνη (aschemosyne), ‘schande, naaktheid’. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: hier: zijn leven leiden.
Zie ook Matt. 24:43–44; Luc. 12:39–40; 1 Tess. 5:2; Openb. 3:3; Openb. 3:18.
Zie Harmagedon (ligging onzeker): Harmagedon is een Hebreeuwse naam in Griekse letters, vaak verstaan als ‘berg van Megiddo’.
Het Grieks zegt niet waar de plaats ligt; het punt is het gebied van Megiddo, in de Jizreëlvlakte, en is onzeker.
Ἁρμαγεδών (Harmagedon): een Hebreeuwse naam in Griekse letters.
Het woord wordt vaak verstaan als ‘berg van Megiddo’ (Hebr. har, ‘berg’, en Megiddo, de plaats van Richt. 5:19 en 2 Kon. 23:29); de spelling wordt verschillend verklaard, en het Grieks zegt niet waar de plaats ligt.
Wij schrijven ‘Harmagedon’ en kiezen geen ligging.
Het Grieks heeft een enkelvoud zonder genoemd onderwerp (‘hij verzamelde hen’); de zin sluit aan op vers 14.
Zie ook Richt. 5:19; 2 Kon. 23:29; Zach. 12:11.
De zevende schaal: „Het is geschied!”
ἀήρ (aer), ‘lucht’.
De stem komt uit het heiligdom, van de troon. Γέγονεν (gegonen), ‘het is geschied’: hetzelfde woord als in 21:6, daar in de mond van Hem die op de troon zit.
Hier noemt het Grieks de spreker niet; de woorden staan zwart.
Zie ook Openb. 21:6; Openb. 11:19.
De SBLGNT markeert hier varianten bij ἐκ (ek), ‘uit’ en ναοῦ (naou), ‘heiligdom’.
Wij volgen de SBLGNT.
Vergelijk voor ‘bliksems, stemmen en donderslagen’ 4:5, 8:5 en 11:19. σεισμός (seismos), ‘aardbeving’.
Het Grieks heeft ‘zoals er niet geweest is, sinds mensen op de aarde zijn geworden’; vergelijk Dan. 12:1 en Exod. 9:18, 9:24.
Zie ook Exod. 19:16; Dan. 12:1; Openb. 4:5; Openb. 8:5; Openb. 11:19.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden φωναὶ καὶ βρονταί (fonai kai brontai), ‘stemmen en donderslagen’; ἐγένετο (egeneto), ‘kwam’ en de woorden ἄνθρωποι ἐγένοντο (anthropoi egenonto), ‘mensen waren’.
Wij volgen de SBLGNT.
ἐγένετο εἰς τρία μέρη (egeneto eis tria mere), ‘werd tot drie delen’: een Hebreeuws gekleurde uitdrukking; wij vertalen ‘werd in drie delen’.
Het Grieks noemt eerst ‘de grote stad’ (ἡ πόλις ἡ μεγάλη) en daarna ‘Babylon, de grote’. Βαβυλών (Babylon): wij schrijven ‘Babylon’ voor het Griekse woord (in het Oude Testament ‘Babel’, zoals Jes. 13).
De tekst zegt niet welke stad bedoeld is; wij kiezen niet. μνημονεύω (mnemoneuo), ‘denken aan, herdenken’: ‘werd herdacht voor het aangezicht van Elohim’ is: Elohim dacht aan haar.
‘De beker met de wijn van de woede van Zijn toorn’: zie ook 14:10 (beker van Zijn toorn). θυμός (thymos), ‘woede’; ὀργή (orge), ‘toorn’.
Zie ook Jes. 51:17; Jer. 25:15; Openb. 11:8; Openb. 14:8; Openb. 14:10; Openb. 17:18.
Vergelijk 6:14 (alle bergen en eilanden werden van hun plaats bewogen) en 21:1 (de zee is niet meer). φεύγω (feugo), ‘vluchten’.
Zie ook Openb. 6:14.
ταλαντιαῖος (talantiaios), ‘een talent zwaar’: een talent is ongeveer 30 tot 40 kilogram (de gewichten van de oudheid verschilden per streek); het gaat om een zeer grote hagelsteen. χάλαζα (chalaza), ‘hagel’.
Vergelijk de zevende plaag van Egypte, de hagel (Exod. 9:22–26), en Joz. 10:11.
De mensen lasteren Elohim weer, zoals in de verzen 9 en 11.
Zie ook Exod. 9:22–26; Joz. 10:11; Openb. 11:19.