Elohim Bijbel

Genesis 18

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Yahweh bij de eiken van Mamre

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Drie bezoekers bij Mamre

1Yahweh verscheen aan Abraham bij de eiken van Mamre. Abraham zat in de opening van zijn tent, toen de dag op zijn heetst was.
וַיֵּרָ֤א
(vayera)
en hij verscheen
אֵלָיו֙
(elav)
aan hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּאֵלֹנֵ֖י
(beelonei)
bij de eiken van
מַמְרֵ֑א
(mamre)
Mamre
וְה֛וּא
(vehu)
en hij
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
zittend
פֶּֽתַח
(petach)
ingang van
הָאֹ֖הֶל
(haohel)
de tent
כְּחֹ֥ם
(kechom)
in de hitte van
הַיּֽוֹם
(hayom)
de dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

מַמְרֵא (Mamre) lag bij Hebron (nu Al-Chalil, Westelijke Jordaanoever); de plek wordt gewoonlijk gezocht bij Ramat al-Chalil, zo’n 3 km ten noorden van de stad.

Uitleg

אֵלֹנֵי מַמְרֵא (elonei Mamre): ‘de eiken van Mamre’, of: terebinten.

Aanvullend

Jubileeën 16:1 en Jasher 18:4 zeggen dat de drie bezoekers engelen waren.

2Abraham keek op en zag, en zie: drie mannen stonden vlak bij hem. Zodra hij ze zag, rende hij vanuit de tentopening naar hen toe en wierp zich voor hen neer op de grond.
וַיִּשָּׂ֤א
(vayisa)
en hij sloeg op
עֵינָיו֙
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֔רְא
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
נִצָּבִ֖ים
(nitsavim)
staand
עָלָ֑יו
(alav)
bij hem
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en hij zag
וַיָּ֤רָץ
(vayarats)
en hij rende
לִקְרָאתָם֙
(liqratam)
hun tegemoet
מִפֶּ֣תַח
(mipetach)
van de ingang van
הָאֹ֔הֶל
(haohel)
de tent
וַיִּשְׁתַּ֖חוּ
(vayishtachu)
en hij boog zich neer
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Abraham zei: „Mijn Heer, als ik gunst in Uw ogen gevonden heb, ga dan toch niet aan Uw dienaar voorbij.
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
אֲדֹנָ֗י
(adonay)
mijn Heer
אִם
(im)
als
נָ֨א
(na)
toch
מָצָ֤אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
in Uw ogen
אַל
(al)
niet
נָ֥א
(na)
toch
תַעֲבֹ֖ר
(taavor)
ga voorbij
מֵעַ֥ל
(meal)
van bij
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
Uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), in de Masoretische tekst gepunteerd als aanspreekvorm voor Elohim (zo ook vers 27 en 30–32).

Vers 3 richt zich tot één persoon, vers 4–5 tot alle drie.

Hoofdletter-U in vers 3–5 omdat Yahweh een van de drie is; de twee anderen zijn engelen.

Dit is een keuze.

4Laat er een beetje water gehaald worden. Dan kunt U Uw voeten wassen en uitrusten onder de boom.
יֻקַּֽח
(yuqach)
laat gehaald worden
נָ֣א
(na)
toch
מְעַט
(meat)
een beetje
מַ֔יִם
(mayim)
water
וְרַחֲצ֖וּ
(verachatsu)
en wast
רַגְלֵיכֶ֑ם
(ragleikhem)
Uw voeten
וְהִֽשָּׁעֲנ֖וּ
(vehishaanu)
en rust uit
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הָעֵֽץ
(haets)
de boom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Ik haal intussen een stuk brood, zodat U op krachten komt. Daarna kunt U verder, want daarom bent U immers bij Uw dienaar langsgekomen.” Zij zeiden: „Doe zoals je gezegd hebt.”
וְאֶקְחָ֨ה
(veeqcha)
en ik zal halen
פַת
(pat)
een stuk
לֶ֜חֶם
(lechem)
brood
וְסַעֲד֤וּ
(vesaadu)
en sterkt
לִבְּכֶם֙
(libekhem)
Uw hart
אַחַ֣ר
(achar)
daarna
תַּעֲבֹ֔רוּ
(taavoru)
gaat U verder
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
daarom
כֵּ֥ן
(ken)
daarom
עֲבַרְתֶּ֖ם
(avartem)
bent U gekomen
עַֽל
(al)
bij
עַבְדְּכֶ֑ם
(avdekhem)
Uw dienaar
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
כֵּ֥ן
(ken)
zo
תַּעֲשֶׂ֖ה
(taase)
doe maar
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּֽרְתָּ
(dibarta)
je hebt gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סַעֲדוּ לִבְּכֶם (sa’adu libbekhem), letterlijk: ‘om jullie hart te sterken’.

Het antwoord van de drie samen is niet rood: daar spreken ook de twee engelen mee.

6Abraham haastte zich de tent in, naar Sarah, en zei: „Vlug, neem drie maten meel, het fijnste, kneed het en bak er ronde broden van.”
וַיְמַהֵ֧ר
(vaymaher)
en hij haastte zich
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
הָאֹ֖הֱלָה
(haohela)
naar de tent
אֶל
(el)
naar
שָׂרָ֑ה
(sara)
Sarah
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מַהֲרִ֞י
(mahari)
haast je
שְׁלֹ֤שׁ
(shelosh)
drie
סְאִים֙
(seim)
maten
קֶ֣מַח
(qemach)
meel
סֹ֔לֶת
(solet)
fijn meel
ל֖וּשִׁי
(lushi)
kneed
וַעֲשִׂ֥י
(vaasi)
en maak
עֻגֽוֹת
(ugot)
broden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een סְאָה (se’a) is ongeveer 7 tot 8 liter, dus drie maten is ongeveer 22 liter: een grote hoeveelheid.

7Abraham rende naar de kudde, koos een mals en goed kalf en gaf het aan de jongen, die zich haastte het klaar te maken.
וְאֶל
(veel)
en naar
הַבָּקָ֖ר
(habaqar)
de kudde
רָ֣ץ
(rats)
rende
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
בֶּן
(ben)
jong van
בָּקָ֜ר
(baqar)
rund
רַ֤ךְ
(rakh)
mals
וָטוֹב֙
(vatov)
en goed
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en hij gaf
אֶל
(el)
aan
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
וַיְמַהֵ֖ר
(vaymaher)
en hij haastte zich
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te bereiden
אֹתֽוֹ
(oto)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנַּעַר (hanna’ar), ‘de jongen’, is hier de jonge knecht.

Aanvullend

Jasher 18:6 noemt hem Eliëzer.

8Daarna nam hij dikke melk en melk, en het kalf dat klaargemaakt was, en zette het hun voor. Zelf bleef hij onder de boom bij hen staan terwijl zij aten.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
חֶמְאָ֜ה
(chema)
dikke melk
וְחָלָ֗ב
(vechalav)
en melk
וּבֶן
(uven)
en jong van
הַבָּקָר֙
(habaqar)
het rund
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עָשָׂ֔ה
(asa)
hij had bereid
וַיִּתֵּ֖ן
(vayiten)
en hij zette voor
לִפְנֵיהֶ֑ם
(lifneihem)
hen
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
עֹמֵ֧ד
(omed)
staand
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
bij hen
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הָעֵ֖ץ
(haets)
de boom
וַיֹּאכֵֽלוּ
(vayokhelu)
en ze aten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶמְאָה (chem’ah), ‘dikke melk’.

Het woord is onzeker: ook ‘room’ of ‘boter’ is mogelijk.

De belofte van een zoon

9Zij vroegen hem: „Waar is Sarah, je vrouw?” Abraham zei: „Daar, in de tent.”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeiden
אֵׄלָׄ֔יׄוׄ
(elav)
tot hem
אַיֵּ֖ה
(aye)
waar
שָׂרָ֣ה
(sara)
Sarah
אִשְׁתֶּ֑ךָ
(ishtekha)
je vrouw
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
בָאֹֽהֶל
(baohel)
in de tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Een van hen zei: „Ik kom zeker bij je terug, wanneer de tijd van het leven aanbreekt, en dan heeft Sarah, je vrouw, een zoon.” Sarah stond te luisteren bij de tentopening, die achter Hem lag.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
שׁ֣וֹב
(shov)
terugkeren
אָשׁ֤וּב
(ashuv)
Ik zal terugkeren
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
naar je
כָּעֵ֣ת
(kaet)
op de tijd
חַיָּ֔ה
(chaya)
levend
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
בֵ֖ן
(ben)
een zoon
לְשָׂרָ֣ה
(lesara)
voor Sarah
אִשְׁתֶּ֑ךָ
(ishtekha)
je vrouw
וְשָׂרָ֥ה
(vesara)
en Sarah
שֹׁמַ֛עַת
(shomaat)
luisterend
פֶּ֥תַח
(petach)
ingang van
הָאֹ֖הֶל
(haohel)
de tent
וְה֥וּא
(vehu)
en Hij
אַחֲרָֽיו
(acharav)
achter Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּעֵת חַיָּה (ka’et chayah) is een onzekere uitdrukking; meestal opgevat als ‘volgend jaar om deze tijd’ (vgl.

Gen. 17:21).

‘Een van hen’ is Yahweh (zie vers 13).

‘Achter Hem’: het Hebreeuws heeft alleen ‘achter hem’, de spreker.

11Abraham en Sarah waren oud, hoogbejaard; het ging Sarah niet meer zoals het vrouwen gewoonlijk gaat.
וְאַבְרָהָ֤ם
(veavraham)
en Abraham
וְשָׂרָה֙
(vesara)
en Sarah
זְקֵנִ֔ים
(zeqenim)
oud
בָּאִ֖ים
(baim)
gevorderd
בַּיָּמִ֑ים
(bayamim)
in dagen
חָדַל֙
(chadal)
opgehouden
לִהְי֣וֹת
(lihyot)
te zijn
לְשָׂרָ֔ה
(lesara)
voor Sarah
אֹ֖רַח
(orach)
gewoonte
כַּנָּשִֽׁים
(kanashim)
zoals vrouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Sarah lachte in zichzelf en zei: „Nu ik versleten ben, zou ik nog genot kennen? En mijn heer is oud!”
וַתִּצְחַ֥ק
(vatitschaq)
en ze lachte
שָׂרָ֖ה
(sara)
Sarah
בְּקִרְבָּ֣הּ
(beqirbah)
in haar binnenste
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
nadat
בְלֹתִי֙
(beloti)
vergaan zijn
הָֽיְתָה
(hayeta)
is geweest
לִּ֣י
(li)
voor mij
עֶדְנָ֔ה
(edna)
genot
וַֽאדֹנִ֖י
(vadoni)
en mijn heer
זָקֵֽן
(zaqen)
oud is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: Sarah noemt Abraham zo; vgl. 1 Petr. 3:6.

13Yahweh zei tegen Abraham: „Waarom lachte Sarah en zei: ‘Zal ik werkelijk baren, nu ik oud ben?’
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
זֶּה֩
(ze)
dit
צָחֲקָ֨ה
(tsachaqa)
lachte
שָׂרָ֜ה
(sara)
Sarah
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
הַאַ֥ף
(haaf)
zal ik werkelijk
אֻמְנָ֛ם
(umnam)
inderdaad
אֵלֵ֖ד
(eled)
baren
וַאֲנִ֥י
(vaani)
terwijl ik
זָקַֽנְתִּי
(zaqanti)
oud ben
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Is er iets te wonderlijk voor Yahweh? Op de vastgestelde tijd kom Ik bij je terug, wanneer de tijd van het leven aanbreekt, en dan heeft Sarah een zoon.”
הֲיִפָּלֵ֥א
(hayipale)
is te wonderbaarlijk
מֵיְהוָ֖ה
(meYahweh)
voor Yahweh
דָּבָ֑ר
(davar)
iets
לַמּוֹעֵ֞ד
(lamoed)
op de vastgestelde tijd
אָשׁ֥וּב
(ashuv)
Ik zal terugkeren
אֵלֶ֛יךָ
(eleikha)
naar je
כָּעֵ֥ת
(kaet)
op de tijd
חַיָּ֖ה
(chaya)
levend
וּלְשָׂרָ֥ה
(ulesara)
en voor Sarah
בֵֽן
(ben)
een zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Sarah ontkende het: „Ik heb niet gelachen”, want ze was bang. Maar Hij zei: „Nee, je hebt wel gelachen.”
וַתְּכַחֵ֨שׁ
(vatekhachesh)
en ze ontkende
שָׂרָ֧ה
(sara)
Sarah
לֵאמֹ֛ר
(lemor)
zeggend
לֹ֥א
(lo)
niet
צָחַ֖קְתִּי
(tsachaqti)
ik heb gelachen
כִּ֣י
(ki)
want
יָרֵ֑אָה
(yarea)
ze was bang
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֖א
(lo)
nee
כִּ֥י
(ki)
maar
צָחָֽקְתְּ
(tsachaqt)
je hebt gelachen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh en Sodom

16De mannen stonden op en keken van daar neer op Sodom. Abraham liep met hen mee om hen uit te geleiden.
וַיָּקֻ֤מוּ
(vayaqumu)
en ze stonden op
מִשָּׁם֙
(misham)
vanaf daar
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
וַיַּשְׁקִ֖פוּ
(vayashqifu)
en ze keken uit
עַל
(al)
over
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
סְדֹ֑ם
(sedom)
Sodom
וְאַ֨בְרָהָ֔ם
(veavraham)
en Abraham
הֹלֵ֥ךְ
(holekh)
gaand
עִמָּ֖ם
(imam)
met hen
לְשַׁלְּחָֽם
(leshalecham)
om hen uit te laten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

סְדֹם (Sodom) lag waarschijnlijk in de Jordaanvallei, ten noorden van de Dode Zee (anderen zoeken het ten zuiden van de Dode Zee).

De precieze plek is onzeker; voorgesteld wordt Tall el-Hammam.

17Yahweh zei: „Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik op het punt sta te doen?
וַֽיהֹוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
אָמָ֑ר
(amar)
zei
הַֽמְכַסֶּ֤ה
(hamkhase)
zal Ik verbergen
אֲנִי֙
(ani)
Ik
מֵֽאַבְרָהָ֔ם
(meavraham)
voor Abraham
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
wat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
עֹשֶֽׂה
(ose)
doe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Abraham zal immers zeker een groot en machtig volk worden, en alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden.
וְאַ֨בְרָהָ֔ם
(veavraham)
en Abraham
הָי֧וֹ
(hayo)
zijn
יִֽהְיֶ֛ה
(yihye)
zal worden
לְג֥וֹי
(legoy)
tot een volk
גָּד֖וֹל
(gadol)
groot
וְעָצ֑וּם
(veatsum)
en machtig
וְנִ֨בְרְכוּ
(venivrekhu)
en zullen gezegend worden
ב֔וֹ
(bo)
in hem
כֹּ֖ל
(kol)
alle
גּוֹיֵ֥י
(goyei)
volken van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Want Ik heb hem gekend: hij zal zijn zonen en zijn huis na hem opdragen de weg van Yahweh te bewaren door gerechtigheid en recht te doen. Zo laat Yahweh over Abraham komen wat Hij over hem gesproken heeft.”
כִּ֣י
(ki)
want
יְדַעְתִּ֗יו
(yedativ)
Ik heb hem gekend
לְמַעַן֩
(lemaan)
opdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יְצַוֶּ֜ה
(yetsave)
hij zal bevelen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בָּנָ֤יו
(banav)
zijn zonen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בֵּיתוֹ֙
(beito)
zijn huis
אַחֲרָ֔יו
(acharav)
na hem
וְשָֽׁמְרוּ֙
(veshameru)
en ze zullen bewaren
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
צְדָקָ֖ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
וּמִשְׁפָּ֑ט
(umishpat)
en recht
לְמַ֗עַן
(lemaan)
opdat
הָבִ֤יא
(havi)
brengt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
אֵ֥ת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
דִּבֶּ֖ר
(diber)
Hij heeft gesproken
עָלָֽיו
(alav)
over hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְדַעְתִּיו (yedatiw), ‘Ik heb hem gekend’, kan hier ‘uitgekozen’ betekenen; vgl.

Amos 3:2 en Jer. 1:5.

20Yahweh zei: „De noodkreet over Sodom en Gomorra is werkelijk groot, en hun zonde is zeer zwaar.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
זַעֲקַ֛ת
(zaaqat)
noodkreet van
סְדֹ֥ם
(sedom)
Sodom
וַעֲמֹרָ֖ה
(vaamora)
en Gomorra
כִּי
(ki)
want
רָ֑בָּה
(raba)
is groot
וְחַ֨טָּאתָ֔ם
(vechatatam)
en hun zonde
כִּ֥י
(ki)
want
כָבְדָ֖ה
(kaveda)
is zwaar
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

עֲמֹרָה (Amora; in de tekst: Gomorra): de ligging is onbekend; het lag in dezelfde streek als Sodom, waarschijnlijk in de Jordaanvallei ten noorden van de Dode Zee (anderen zoeken het ten zuiden ervan).

Aanvullend

Jasher 19:1 noemt vier rechters voor Sodom, Gomorra, Adma en Zeboïm (Sarak, Sarkar, Zebanak en Menon); Genesis noemt hen niet.

21Ik daal nu af om te zien of zij het helemaal zo gedaan hebben als de noodkreet die tot Mij gekomen is. En zo niet, dan weet Ik het.”
אֵֽרֲדָה
(erada)
laat Mij afdalen
נָּ֣א
(na)
toch
וְאֶרְאֶ֔ה
(veere)
en laat Mij zien
הַכְּצַעֲקָתָ֛הּ
(haketsaaqatah)
is het naar haar noodkreet
הַבָּ֥אָה
(habaa)
die gekomen is
אֵלַ֖י
(elay)
tot Mij
עָשׂ֣וּ
(asu)
hebben ze gedaan
כָּלָ֑ה
(kala)
helemaal
וְאִם
(veim)
en zo
לֹ֖א
(lo)
niet
אֵדָֽעָה
(edaa)
laat Mij het weten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּלָה (kalah) kan ‘helemaal’ of ‘tot vernietiging’ betekenen.

Wij vertalen ‘helemaal’.

Abraham pleit voor Sodom

22De mannen keerden zich daarvandaan en gingen naar Sodom, maar Abraham bleef nog staan voor Yahweh.
וַיִּפְנ֤וּ
(vayifnu)
en ze keerden zich
מִשָּׁם֙
(misham)
vandaar
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en ze gingen
סְדֹ֑מָה
(sedoma)
naar Sodom
וְאַ֨בְרָהָ֔ם
(veavraham)
en Abraham
עוֹדֶ֥נּוּ
(odenu)
nog
עֹמֵ֖ד
(omed)
staand
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

Een van de תִּקּוּנֵי סוֹפְרִים (tikkune soferim), scribale correcties.

De oorspronkelijke lezing was waarschijnlijk: ‘Yahweh bleef nog staan voor Abraham.’

23Abraham kwam naderbij en zei: „Zult U een rechtvaardige samen met een goddeloze wegvagen?
וַיִּגַּ֥שׁ
(vayigash)
en hij trad naderbij
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
הַאַ֣ף
(haaf)
zult U werkelijk
תִּסְפֶּ֔ה
(tispe)
wegvagen
צַדִּ֖יק
(tsadiq)
een rechtvaardige
עִם
(im)
met
רָשָֽׁע
(rasha)
een goddeloze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad. Zult U dan toch wegvagen, en de plaats niet vergeven omwille van de vijftig rechtvaardigen die erin zijn?
אוּלַ֥י
(ulay)
misschien
יֵ֛שׁ
(yesh)
zijn er
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
צַדִּיקִ֖ם
(tsadiqim)
rechtvaardigen
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
הַאַ֤ף
(haaf)
zult U werkelijk
תִּסְפֶּה֙
(tispe)
wegvagen
וְלֹא
(velo)
en niet
תִשָּׂ֣א
(tisa)
vergeven
לַמָּק֔וֹם
(lamaqom)
aan de plaats
לְמַ֛עַן
(lemaan)
omwille van
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
הַצַּדִּיקִ֖ם
(hatsadiqim)
de rechtvaardigen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּקִרְבָּֽהּ
(beqirbah)
in haar midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשָׂא (nasa) betekent letterlijk ‘dragen’ en ook ‘vergeven’.

Hetzelfde woord staat in vers 26.

25Het is ondenkbaar dat U zoiets doet: een rechtvaardige doden samen met een goddeloze, zodat het de rechtvaardige vergaat als de goddeloze. Dat is ondenkbaar! Zou de Rechter van heel de aarde geen recht doen?”
חָלִ֨לָה
(chalila)
ver zij het
לְּךָ֜
(lekha)
van U
מֵעֲשֹׂ֣ת
(measot)
om te doen
כַּדָּבָ֣ר
(kadavar)
zoals de zaak
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
לְהָמִ֤ית
(lehamit)
om te doden
צַדִּיק֙
(tsadiq)
een rechtvaardige
עִם
(im)
met
רָשָׁ֔ע
(rasha)
een goddeloze
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en dat zou zijn
כַצַּדִּ֖יק
(katsadiq)
als de rechtvaardige
כָּרָשָׁ֑ע
(karasha)
als de goddeloze
חָלִ֣לָה
(chalila)
ver zij het
לָּ֔ךְ
(lakh)
van U
הֲשֹׁפֵט֙
(hashofet)
zou de rechter van
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
לֹ֥א
(lo)
niet
יַעֲשֶׂ֖ה
(yaase)
doen
מִשְׁפָּֽט
(mishpat)
recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Yahweh zei: „Als Ik in Sodom, in de stad, vijftig rechtvaardigen vind, dan zal Ik de hele plaats vergeven omwille van hen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
אֶמְצָ֥א
(emtsa)
Ik vind
בִסְדֹ֛ם
(bisdom)
in Sodom
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
צַדִּיקִ֖ם
(tsadiqim)
rechtvaardigen
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וְנָשָׂ֥אתִי
(venasati)
dan zal Ik vergeven
לְכָל
(lekhal)
aan heel
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
בַּעֲבוּרָֽם
(baavuram)
om hunnentwil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

27Abraham antwoordde: „Zie, ik heb het gewaagd tot mijn Heer te spreken, ik die stof en as ben.
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֤א
(na)
toch
הוֹאַ֨לְתִּי֙
(hoalti)
ik heb het gewaagd
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
te spreken
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנָ֔י
(adonay)
mijn Heer
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en ik
עָפָ֥ר
(afar)
stof
וָאֵֽפֶר
(vaefer)
en as
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf. Zult U om die vijf de hele stad vernietigen?” Hij zei: „Ik zal haar niet vernietigen als Ik er vijfenveertig vind.”
א֠וּלַי
(ulay)
misschien
יַחְסְר֞וּן
(yachserun)
ontbreken er
חֲמִשִּׁ֤ים
(chamishim)
vijftig
הַצַּדִּיקִם֙
(hatsadiqim)
de rechtvaardigen
חֲמִשָּׁ֔ה
(chamisha)
vijf
הֲתַשְׁחִ֥ית
(hatashchit)
zult U verderven
בַּחֲמִשָּׁ֖ה
(bachamisha)
om de vijf
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אַשְׁחִ֔ית
(ashchit)
Ik zal verderven
אִם
(im)
als
אֶמְצָ֣א
(emtsa)
Ik vind
שָׁ֔ם
(sham)
daar
אַרְבָּעִ֖ים
(arbaim)
veertig
וַחֲמִשָּֽׁה
(vachamisha)
en vijf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In vers 28–32 staat in het Hebreeuws alleen ‘hij zei’; de namen zijn toegevoegd voor de leesbaarheid.

29Abraham ging nog verder en zei tegen Hem: „Misschien worden er veertig gevonden.” Hij zei: „Dan zal Ik het niet doen, omwille van de veertig.”
וַיֹּ֨סֶף
(vayosef)
en hij ging voort
ע֜וֹד
(od)
nog
לְדַבֵּ֤ר
(ledaber)
te spreken
אֵלָיו֙
(elav)
tot Hem
וַיֹּאמַ֔ר
(vayomar)
en hij zei
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
יִמָּצְא֥וּן
(yimatseun)
worden gevonden
שָׁ֖ם
(sham)
daar
אַרְבָּעִ֑ים
(arbaim)
veertig
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶֽעֱשֶׂ֔ה
(eese)
Ik zal doen
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
omwille van
הָאַרְבָּעִֽים
(haarbaim)
de veertig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Abraham zei: „Laat mijn Heer toch niet kwaad worden als ik spreek. Misschien worden er dertig gevonden.” Hij zei: „Ik zal het niet doen als Ik er dertig vind.”
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַל
(al)
niet
נָ֞א
(na)
toch
יִ֤חַר
(yichar)
moge branden
לַֽאדֹנָי֙
(ladonay)
voor mijn Heer
וַאֲדַבֵּ֔רָה
(vaadabera)
en laat mij spreken
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
יִמָּצְא֥וּן
(yimatseun)
worden gevonden
שָׁ֖ם
(sham)
daar
שְׁלֹשִׁ֑ים
(sheloshim)
dertig
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶֽעֱשֶׂ֔ה
(eese)
Ik zal doen
אִם
(im)
als
אֶמְצָ֥א
(emtsa)
Ik vind
שָׁ֖ם
(sham)
daar
שְׁלֹשִֽׁים
(sheloshim)
dertig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Abraham zei: „Zie, ik heb het gewaagd tot mijn Heer te spreken. Misschien worden er twintig gevonden.” Hij zei: „Ik zal niet vernietigen omwille van de twintig.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּֽה
(hine)
zie
נָ֤א
(na)
toch
הוֹאַ֨לְתִּי֙
(hoalti)
ik heb het gewaagd
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
te spreken
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנָ֔י
(adonay)
mijn Heer
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
יִמָּצְא֥וּן
(yimatseun)
worden gevonden
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עֶשְׂרִ֑ים
(esrim)
twintig
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אַשְׁחִ֔ית
(ashchit)
Ik zal verderven
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
omwille van
הָֽעֶשְׂרִֽים
(haesrim)
de twintig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Abraham zei: „Laat mijn Heer toch niet kwaad worden als ik nog alleen deze ene keer spreek. Misschien worden er tien gevonden.” Hij zei: „Ik zal niet vernietigen omwille van de tien.”
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַל
(al)
niet
נָ֞א
(na)
toch
יִ֤חַר
(yichar)
moge branden
לַֽאדֹנָי֙
(ladonay)
voor mijn Heer
וַאֲדַבְּרָ֣ה
(vaadabera)
en laat mij spreken
אַךְ
(akh)
maar
הַפַּ֔עַם
(hapaam)
deze keer
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
יִמָּצְא֥וּן
(yimatseun)
worden gevonden
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עֲשָׂרָ֑ה
(asara)
tien
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אַשְׁחִ֔ית
(ashchit)
Ik zal verderven
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
omwille van
הָעֲשָׂרָֽה
(haasara)
de tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Toen Yahweh klaar was met spreken tot Abraham, ging Hij weg. En Abraham keerde terug naar zijn plaats.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
toen
כִּלָּ֔ה
(kila)
Hij klaar was
לְדַבֵּ֖ר
(ledaber)
met spreken
אֶל
(el)
tot
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וְאַבְרָהָ֖ם
(veavraham)
en Abraham
שָׁ֥ב
(shav)
keerde terug
לִמְקֹמֽוֹ
(limqomo)
naar zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)