Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Drie bezoekers bij Mamre
1Yahweh verscheen aan Abraham bij de eiken van Mamre. Abraham zat in de opening van zijn tent, toen de dag op zijn heetst was.
וַיֵּרָ֤א
(vayera)
en hij verscheen
אֵלָיו֙
(elav)
aan hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּאֵלֹנֵ֖י
(beelonei)
bij de eiken van
מַמְרֵ֑א
(mamre)
Mamre
וְה֛וּא
(vehu)
en hij
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
zittend
פֶּֽתַח
(petach)
ingang van
הָאֹ֖הֶל
(haohel)
de tent
כְּחֹ֥ם
(kechom)
in de hitte van
הַיּֽוֹם
(hayom)
de dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
מַמְרֵא (Mamre) lag bij Hebron (nu Al-Chalil, Westelijke Jordaanoever); de plek wordt gewoonlijk gezocht bij Ramat al-Chalil, zo’n 3 km ten noorden van de stad.
Uitleg
אֵלֹנֵי מַמְרֵא (elonei Mamre): ‘de eiken van Mamre’, of: terebinten.
Aanvullend
Jubileeën 16:1 en Jasher 18:4 zeggen dat de drie bezoekers engelen waren.
2Abraham keek op en zag, en zie: drie mannen stonden vlak bij hem. Zodra hij ze zag, rende hij vanuit de tentopening naar hen toe en wierp zich voor hen neer op de grond.
וַיִּשָּׂ֤א
(vayisa)
en hij sloeg op
עֵינָיו֙
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֔רְא
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
נִצָּבִ֖ים
(nitsavim)
staand
עָלָ֑יו
(alav)
bij hem
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en hij zag
וַיָּ֤רָץ
(vayarats)
en hij rende
לִקְרָאתָם֙
(liqratam)
hun tegemoet
מִפֶּ֣תַח
(mipetach)
van de ingang van
הָאֹ֔הֶל
(haohel)
de tent
וַיִּשְׁתַּ֖חוּ
(vayishtachu)
en hij boog zich neer
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Ik haal intussen een stuk brood, zodat U op krachten komt. Daarna kunt U verder, want daarom bent U immers bij Uw dienaar langsgekomen.” Zij zeiden: „Doe zoals je gezegd hebt.”
וְאֶקְחָ֨ה
(veeqcha)
en ik zal halen
פַת
(pat)
een stuk
לֶ֜חֶם
(lechem)
brood
וְסַעֲד֤וּ
(vesaadu)
en sterkt
לִבְּכֶם֙
(libekhem)
Uw hart
אַחַ֣ר
(achar)
daarna
תַּעֲבֹ֔רוּ
(taavoru)
gaat U verder
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
daarom
כֵּ֥ן
(ken)
daarom
עֲבַרְתֶּ֖ם
(avartem)
bent U gekomen
עַֽל
(al)
bij
עַבְדְּכֶ֑ם
(avdekhem)
Uw dienaar
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
כֵּ֥ן
(ken)
zo
תַּעֲשֶׂ֖ה
(taase)
doe maar
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּֽרְתָּ
(dibarta)
je hebt gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סַעֲדוּ לִבְּכֶם (sa’adu libbekhem), letterlijk: ‘om jullie hart te sterken’.
Het antwoord van de drie samen is niet rood: daar spreken ook de twee engelen mee.
8Daarna nam hij dikke melk en melk, en het kalf dat klaargemaakt was, en zette het hun voor. Zelf bleef hij onder de boom bij hen staan terwijl zij aten.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
חֶמְאָ֜ה
(chema)
dikke melk
וְחָלָ֗ב
(vechalav)
en melk
וּבֶן
(uven)
en jong van
הַבָּקָר֙
(habaqar)
het rund
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עָשָׂ֔ה
(asa)
hij had bereid
וַיִּתֵּ֖ן
(vayiten)
en hij zette voor
לִפְנֵיהֶ֑ם
(lifneihem)
hen
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
עֹמֵ֧ד
(omed)
staand
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
bij hen
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
הָעֵ֖ץ
(haets)
de boom
וַיֹּאכֵֽלוּ
(vayokhelu)
en ze aten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶמְאָה (chem’ah), ‘dikke melk’.
Het woord is onzeker: ook ‘room’ of ‘boter’ is mogelijk.
10Een van hen zei: „Ik kom zeker bij je terug, wanneer de tijd van het leven aanbreekt, en dan heeft Sarah, je vrouw, een zoon.” Sarah stond te luisteren bij de tentopening, die achter Hem lag.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
שׁ֣וֹב
(shov)
terugkeren
אָשׁ֤וּב
(ashuv)
Ik zal terugkeren
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
naar je
כָּעֵ֣ת
(kaet)
op de tijd
חַיָּ֔ה
(chaya)
levend
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
בֵ֖ן
(ben)
een zoon
לְשָׂרָ֣ה
(lesara)
voor Sarah
אִשְׁתֶּ֑ךָ
(ishtekha)
je vrouw
וְשָׂרָ֥ה
(vesara)
en Sarah
שֹׁמַ֛עַת
(shomaat)
luisterend
פֶּ֥תַח
(petach)
ingang van
הָאֹ֖הֶל
(haohel)
de tent
וְה֥וּא
(vehu)
en Hij
אַחֲרָֽיו
(acharav)
achter Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כָּעֵת חַיָּה (ka’et chayah) is een onzekere uitdrukking; meestal opgevat als ‘volgend jaar om deze tijd’ (vgl.
Gen. 17:21).
‘Een van hen’ is Yahweh (zie vers 13).
‘Achter Hem’: het Hebreeuws heeft alleen ‘achter hem’, de spreker.
14Is er iets te wonderlijk voor Yahweh? Op de vastgestelde tijd kom Ik bij je terug, wanneer de tijd van het leven aanbreekt, en dan heeft Sarah een zoon.”
הֲיִפָּלֵ֥א
(hayipale)
is te wonderbaarlijk
מֵיְהוָ֖ה
(meYahweh)
voor Yahweh
דָּבָ֑ר
(davar)
iets
לַמּוֹעֵ֞ד
(lamoed)
op de vastgestelde tijd
אָשׁ֥וּב
(ashuv)
Ik zal terugkeren
אֵלֶ֛יךָ
(eleikha)
naar je
כָּעֵ֥ת
(kaet)
op de tijd
חַיָּ֖ה
(chaya)
levend
וּלְשָׂרָ֥ה
(ulesara)
en voor Sarah
בֵֽן
(ben)
een zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Want Ik heb hem gekend: hij zal zijn zonen en zijn huis na hem opdragen de weg van Yahweh te bewaren door gerechtigheid en recht te doen. Zo laat Yahweh over Abraham komen wat Hij over hem gesproken heeft.”
כִּ֣י
(ki)
want
יְדַעְתִּ֗יו
(yedativ)
Ik heb hem gekend
לְמַעַן֩
(lemaan)
opdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יְצַוֶּ֜ה
(yetsave)
hij zal bevelen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בָּנָ֤יו
(banav)
zijn zonen
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בֵּיתוֹ֙
(beito)
zijn huis
אַחֲרָ֔יו
(acharav)
na hem
וְשָֽׁמְרוּ֙
(veshameru)
en ze zullen bewaren
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
צְדָקָ֖ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
וּמִשְׁפָּ֑ט
(umishpat)
en recht
לְמַ֗עַן
(lemaan)
opdat
הָבִ֤יא
(havi)
brengt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
אֵ֥ת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
דִּבֶּ֖ר
(diber)
Hij heeft gesproken
עָלָֽיו
(alav)
over hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְדַעְתִּיו (yedatiw), ‘Ik heb hem gekend’, kan hier ‘uitgekozen’ betekenen; vgl.
20Yahweh zei: „De noodkreet over Sodom en Gomorra is werkelijk groot, en hun zonde is zeer zwaar.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
זַעֲקַ֛ת
(zaaqat)
noodkreet van
סְדֹ֥ם
(sedom)
Sodom
וַעֲמֹרָ֖ה
(vaamora)
en Gomorra
כִּי
(ki)
want
רָ֑בָּה
(raba)
is groot
וְחַ֨טָּאתָ֔ם
(vechatatam)
en hun zonde
כִּ֥י
(ki)
want
כָבְדָ֖ה
(kaveda)
is zwaar
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
עֲמֹרָה (Amora; in de tekst: Gomorra): de ligging is onbekend; het lag in dezelfde streek als Sodom, waarschijnlijk in de Jordaanvallei ten noorden van de Dode Zee (anderen zoeken het ten zuiden ervan).
Aanvullend
Jasher 19:1 noemt vier rechters voor Sodom, Gomorra, Adma en Zeboïm (Sarak, Sarkar, Zebanak en Menon); Genesis noemt hen niet.
24Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad. Zult U dan toch wegvagen, en de plaats niet vergeven omwille van de vijftig rechtvaardigen die erin zijn?
אוּלַ֥י
(ulay)
misschien
יֵ֛שׁ
(yesh)
zijn er
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
צַדִּיקִ֖ם
(tsadiqim)
rechtvaardigen
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
הַאַ֤ף
(haaf)
zult U werkelijk
תִּסְפֶּה֙
(tispe)
wegvagen
וְלֹא
(velo)
en niet
תִשָּׂ֣א
(tisa)
vergeven
לַמָּק֔וֹם
(lamaqom)
aan de plaats
לְמַ֛עַן
(lemaan)
omwille van
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
הַצַּדִּיקִ֖ם
(hatsadiqim)
de rechtvaardigen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּקִרְבָּֽהּ
(beqirbah)
in haar midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָשָׂא (nasa) betekent letterlijk ‘dragen’ en ook ‘vergeven’.
25Het is ondenkbaar dat U zoiets doet: een rechtvaardige doden samen met een goddeloze, zodat het de rechtvaardige vergaat als de goddeloze. Dat is ondenkbaar! Zou de Rechter van heel de aarde geen recht doen?”
חָלִ֨לָה
(chalila)
ver zij het
לְּךָ֜
(lekha)
van U
מֵעֲשֹׂ֣ת
(measot)
om te doen
כַּדָּבָ֣ר
(kadavar)
zoals de zaak
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
לְהָמִ֤ית
(lehamit)
om te doden
צַדִּיק֙
(tsadiq)
een rechtvaardige
עִם
(im)
met
רָשָׁ֔ע
(rasha)
een goddeloze
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en dat zou zijn
כַצַּדִּ֖יק
(katsadiq)
als de rechtvaardige
כָּרָשָׁ֑ע
(karasha)
als de goddeloze
חָלִ֣לָה
(chalila)
ver zij het
לָּ֔ךְ
(lakh)
van U
הֲשֹׁפֵט֙
(hashofet)
zou de rechter van
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
לֹ֥א
(lo)
niet
יַעֲשֶׂ֖ה
(yaase)
doen
מִשְׁפָּֽט
(mishpat)
recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf. Zult U om die vijf de hele stad vernietigen?” Hij zei: „Ik zal haar niet vernietigen als Ik er vijfenveertig vind.”
א֠וּלַי
(ulay)
misschien
יַחְסְר֞וּן
(yachserun)
ontbreken er
חֲמִשִּׁ֤ים
(chamishim)
vijftig
הַצַּדִּיקִם֙
(hatsadiqim)
de rechtvaardigen
חֲמִשָּׁ֔ה
(chamisha)
vijf
הֲתַשְׁחִ֥ית
(hatashchit)
zult U verderven
בַּחֲמִשָּׁ֖ה
(bachamisha)
om de vijf
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אַשְׁחִ֔ית
(ashchit)
Ik zal verderven
אִם
(im)
als
אֶמְצָ֣א
(emtsa)
Ik vind
שָׁ֔ם
(sham)
daar
אַרְבָּעִ֖ים
(arbaim)
veertig
וַחֲמִשָּֽׁה
(vachamisha)
en vijf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In vers 28–32 staat in het Hebreeuws alleen ‘hij zei’; de namen zijn toegevoegd voor de leesbaarheid.
30Abraham zei: „Laat mijn Heer toch niet kwaad worden als ik spreek. Misschien worden er dertig gevonden.” Hij zei: „Ik zal het niet doen als Ik er dertig vind.”
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַל
(al)
niet
נָ֞א
(na)
toch
יִ֤חַר
(yichar)
moge branden
לַֽאדֹנָי֙
(ladonay)
voor mijn Heer
וַאֲדַבֵּ֔רָה
(vaadabera)
en laat mij spreken
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
יִמָּצְא֥וּן
(yimatseun)
worden gevonden
שָׁ֖ם
(sham)
daar
שְׁלֹשִׁ֑ים
(sheloshim)
dertig
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶֽעֱשֶׂ֔ה
(eese)
Ik zal doen
אִם
(im)
als
אֶמְצָ֥א
(emtsa)
Ik vind
שָׁ֖ם
(sham)
daar
שְׁלֹשִֽׁים
(sheloshim)
dertig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Abraham zei: „Zie, ik heb het gewaagd tot mijn Heer te spreken. Misschien worden er twintig gevonden.” Hij zei: „Ik zal niet vernietigen omwille van de twintig.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּֽה
(hine)
zie
נָ֤א
(na)
toch
הוֹאַ֨לְתִּי֙
(hoalti)
ik heb het gewaagd
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
te spreken
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנָ֔י
(adonay)
mijn Heer
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
יִמָּצְא֥וּן
(yimatseun)
worden gevonden
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עֶשְׂרִ֑ים
(esrim)
twintig
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אַשְׁחִ֔ית
(ashchit)
Ik zal verderven
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
omwille van
הָֽעֶשְׂרִֽים
(haesrim)
de twintig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Abraham zei: „Laat mijn Heer toch niet kwaad worden als ik nog alleen deze ene keer spreek. Misschien worden er tien gevonden.” Hij zei: „Ik zal niet vernietigen omwille van de tien.”
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַל
(al)
niet
נָ֞א
(na)
toch
יִ֤חַר
(yichar)
moge branden
לַֽאדֹנָי֙
(ladonay)
voor mijn Heer
וַאֲדַבְּרָ֣ה
(vaadabera)
en laat mij spreken
אַךְ
(akh)
maar
הַפַּ֔עַם
(hapaam)
deze keer
אוּלַ֛י
(ulay)
misschien
יִמָּצְא֥וּן
(yimatseun)
worden gevonden
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עֲשָׂרָ֑ה
(asara)
tien
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
אַשְׁחִ֔ית
(ashchit)
Ik zal verderven
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
omwille van
הָעֲשָׂרָֽה
(haasara)
de tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)