Elohim Bijbel

Exodus 34

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De nieuwe tafelen en Yahweh's naam

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Nieuwe tafelen

1Yahweh zei tot Mozes: „Houw twee stenen tafelen uit, zoals de eerste. En Ik zal op de tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen stonden, die je hebt gebroken.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
פְּסָל
(pesal)
houw uit
לְךָ֛
(lekha)
voor jezelf
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
לֻחֹ֥ת
(luchot)
tafelen van
אֲבָנִ֖ים
(avanim)
stenen
כָּרִאשֹׁנִ֑ים
(karishonim)
zoals de eerste
וְכָתַבְתִּי֙
(vekhatavti)
en Ik zal schrijven
עַל
(al)
op
הַלֻּחֹ֔ת
(haluchot)
de tafelen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָי֛וּ
(hayu)
waren
עַל
(al)
op
הַלֻּחֹ֥ת
(haluchot)
de tafelen
הָרִאשֹׁנִ֖ים
(harishonim)
de eerste
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שִׁבַּֽרְתָּ
(shibarta)
je brak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit zijn de tweede tafelen, nadat Mozes de eerste had gebroken (Exod. 32:19).

Deut. 10:1–5 beschrijft dit ook.

2Wees gereed voor de morgen en ga in de morgen de berg Sinaï op en kom daar voor Mij staan, op de top van de berg.
וֶהְיֵ֥ה
(vehye)
en wees
נָכ֖וֹן
(nakhon)
gereed
לַבֹּ֑קֶר
(laboqer)
voor de morgen
וְעָלִ֤יתָ
(vealita)
en ga op
בַבֹּ֨קֶר֙
(baboqer)
in de morgen
אֶל
(el)
naar
הַ֣ר
(har)
berg
סִינַ֔י
(sinay)
Sinaï
וְנִצַּבְתָּ֥
(venitsavta)
en sta
לִ֛י
(li)
voor Mij
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עַל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
top van
הָהָֽר
(hahar)
de berg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

3Niemand mag met je opgaan, en nergens op de hele berg mag iemand zich laten zien; ook mogen schapen en runderen niet grazen tegenover die berg.”
וְאִישׁ֙
(veish)
en niemand
לֹֽא
(lo)
niet
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
zal opgaan
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met je
וְגַם
(vegam)
en ook
אִ֥ישׁ
(ish)
niemand
אַל
(al)
niet
יֵרָ֖א
(yera)
zal gezien worden
בְּכָל
(bekhal)
op heel
הָהָ֑ר
(hahar)
de berg
גַּם
(gam)
ook
הַצֹּ֤אן
(hatson)
de schapen
וְהַבָּקָר֙
(vehabaqar)
en de runderen
אַל
(al)
niet
יִרְע֔וּ
(yiru)
zullen grazen
אֶל
(el)
naar
מ֖וּל
(mul)
tegenover
הָהָ֥ר
(hahar)
de berg
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Mozes hieuw twee stenen tafelen uit, zoals de eerste. Hij stond in de morgen vroeg op en ging de berg Sinaï op, zoals Yahweh hem geboden had, en nam de twee stenen tafelen in zijn hand.
וַיִּפְסֹ֡ל
(vayifsol)
en hieuw uit
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
לֻחֹ֨ת
(luchot)
tafelen van
אֲבָנִ֜ים
(avanim)
stenen
כָּרִאשֹׁנִ֗ים
(karishonim)
zoals de eerste
וַיַּשְׁכֵּ֨ם
(vayashkem)
en stond vroeg op
מֹשֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
בַבֹּ֨קֶר֙
(baboqer)
in de morgen
וַיַּ֨עַל֙
(vayaal)
en ging op
אֶל
(el)
naar
הַ֣ר
(har)
berg
סִינַ֔י
(sinay)
Sinaï
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
שְׁנֵ֖י
(shenei)
twee
לֻחֹ֥ת
(luchot)
tafelen van
אֲבָנִֽים
(avanim)
stenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Yahweh maakt Zijn naam bekend

5Yahweh daalde neer in de wolk, ging daar bij hem staan en riep de naam Yahweh uit.
וַיֵּ֤רֶד
(vayered)
en daalde neer
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בֶּֽעָנָ֔ן
(beanan)
in de wolk
וַיִּתְיַצֵּ֥ב
(vayityatsev)
en ging staan
עִמּ֖וֹ
(imo)
bij hem
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en riep uit
בְשֵׁ֖ם
(beshem)
de naam
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh daalt neer in de wolk en roept Zijn eigen naam uit; vergelijk Exod. 33:19.

6Yahweh ging aan hem voorbij en riep: „Yahweh, Yahweh, een barmhartige en genadige El, langzaam tot toorn, rijk aan trouw en betrouwbaarheid,
וַיַּעֲבֹ֨ר
(vayaavor)
en ging voorbij
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
פָּנָיו֮
(panav)
zijn aangezicht
וַיִּקְרָא֒
(vayiqra)
en riep
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֥ל
(el)
El
רַח֖וּם
(rachum)
barmhartig
וְחַנּ֑וּן
(vechanun)
en genadig
אֶ֥רֶךְ
(erekh)
langzaam van
אַפַּ֖יִם
(apayim)
toorn
וְרַב
(verav)
en rijk aan
חֶ֥סֶד
(chesed)
trouw
וֶאֱמֶֽת
(veemet)
en betrouwbaarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze woorden, ook wel de ‘dertien eigenschappen’ genoemd, worden in de Bijbel vaak herhaald.

Zie Num. 14:18; Ps. 86:15; 103:8; Joël 2:13; Jona 4:2.

חֶסֶד (chesed) is ‘trouw’ (verbondsliefde) en אֱמֶת (emet) ‘betrouwbaarheid’ of ‘waarheid’.

7die trouw bewaart voor duizenden, schuld, overtreding en zonde vergeeft, maar de schuldige niet onschuldig houdt; die de schuld van vaders bezoekt aan kinderen en kleinkinderen, aan het derde en het vierde geslacht.”
נֹצֵ֥ר
(notser)
bewarend
חֶ֨סֶד֙
(chesed)
trouw
לָאֲלָפִ֔ים
(laalafim)
voor duizenden
נֹשֵׂ֥א
(nose)
vergevend
עָוֺ֛ן
(avon)
schuld
וָפֶ֖שַׁע
(vafesha)
en overtreding
וְחַטָּאָ֑ה
(vechataa)
en zonde
וְנַקֵּה֙
(venaqe)
maar niet onschuldig houdend
לֹ֣א
(lo)
niet
יְנַקֶּ֔ה
(yenaqe)
houdt onschuldig
פֹּקֵ֣ד
(poqed)
bezoekend
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
אָב֗וֹת
(avot)
vaders
עַל
(al)
over
בָּנִים֙
(banim)
kinderen
וְעַל
(veal)
en over
בְּנֵ֣י
(benei)
kinderen van
בָנִ֔ים
(banim)
kinderen
עַל
(al)
over
שִׁלֵּשִׁ֖ים
(shileshim)
derden
וְעַל
(veal)
en over
רִבֵּעִֽים
(ribeim)
vierden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De schuldige niet onschuldig houden’ betekent: Yahweh laat zonde niet ongestraft.

Zie Exod. 20:5–6.

נֹשֵׂא (nose), letterlijk ‘dragend’, vertalen wij hier met ‘vergeven’.

Mozes pleit en Yahweh sluit een verbond

8Mozes boog haastig zijn hoofd ter aarde en wierp zich neer.
וַיְמַהֵ֖ר
(vaymaher)
en haastte zich
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַיִּקֹּ֥ד
(vayiqod)
en boog
אַ֖רְצָה
(artsa)
ter aarde
וַיִּשְׁתָּֽחוּ
(vayishtachu)
en wierp zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hij zei: „Als ik gunst gevonden heb in Uw ogen, mijn Heer, ga dan, mijn Heer, in ons midden, want het is een halsstarrig volk; vergeef onze schuld en onze zonde en neem ons aan als Uw erfdeel.”
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en zei
אִם
(im)
als
נָא֩
(na)
toch
מָצָ֨אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵ֤ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֨יךָ֙
(beeineikha)
in Uw ogen
אֲדֹנָ֔י
(adonay)
mijn Heer
יֵֽלֶךְ
(yelekh)
ga
נָ֥א
(na)
toch
אֲדֹנָ֖י
(adonay)
mijn Heer
בְּקִרְבֵּ֑נוּ
(beqirbenu)
in ons midden
כִּ֤י
(ki)
want
עַם
(am)
volk
קְשֵׁה
(qeshe)
hard van
עֹ֨רֶף֙
(oref)
nek
ה֔וּא
(hu)
het is
וְסָלַחְתָּ֛
(vesalachta)
en vergeef
לַעֲוֺנֵ֥נוּ
(laavonenu)
onze schuld
וּלְחַטָּאתֵ֖נוּ
(ulechatatenu)
en onze zonde
וּנְחַלְתָּֽנוּ
(unechaltanu)
en neem ons aan als erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, staat hier in Mozes' aanspraak.

נָחַל (nachal) betekent ‘in bezit nemen als erfdeel’.

10Hij zei: „Zie, Ik sluit een verbond. Voor het oog van heel je volk zal Ik wonderen doen die nog nooit zijn geschapen op heel de aarde en onder alle volken; heel het volk waaronder je bent, zal het werk van Yahweh zien, want ontzagwekkend is wat Ik met je zal doen.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אָנֹכִי֮
(anokhi)
Ik
כֹּרֵ֣ת
(koret)
sluit
בְּרִית֒
(berit)
verbond
נֶ֤גֶד
(neged)
tegenover
כָּֽל
(kal)
heel
עַמְּךָ֙
(amekha)
je volk
אֶעֱשֶׂ֣ה
(eese)
Ik zal doen
נִפְלָאֹ֔ת
(niflaot)
wonderen
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
נִבְרְא֥וּ
(nivreu)
zijn geschapen
בְכָל
(bekhal)
in heel
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וּבְכָל
(uvekhal)
en in alle
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
וְרָאָ֣ה
(veraa)
en zal zien
כָל
(kal)
heel
הָ֠עָם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אַתָּ֨ה
(ata)
jij
בְקִרְבּ֜וֹ
(beqirbo)
in zijn midden
אֶת
(et)
(obj.)
מַעֲשֵׂ֤ה
(maase)
het werk van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
נוֹרָ֣א
(nora)
ontzagwekkend
ה֔וּא
(hu)
het is
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
עֹשֶׂ֥ה
(ose)
doe
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפְלָאֹת (nifla'ot) zijn ‘wonderen’, daden die buiten het gewone vallen.

נִבְרְאוּ (nivre'u), ‘zijn geschapen’, komt van het werkwoord ‘scheppen’ (בָּרָא, bara).

De voorwaarden van het verbond

11Neem in acht wat Ik je vandaag gebied. Zie, Ik verdrijf voor je uit de Amorieten, Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.
שְׁמָ֨ר
(shemar)
neem in acht
לְךָ֔
(lekha)
voor jezelf
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
Ik
מְצַוְּךָ֣
(metsavekha)
gebied je
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
הִנְנִ֧י
(hinni)
zie Mij
גֹרֵ֣שׁ
(goresh)
verdrijvend
מִפָּנֶ֗יךָ
(mipaneikha)
voor je
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֱמֹרִי֙
(haemori)
de Amorieten
וְהַֽכְּנַעֲנִ֔י
(vehakenaani)
en Kanaänieten
וְהַחִתִּי֙
(vehachiti)
en Hethieten
וְהַפְּרִזִּ֔י
(vehaperizi)
en Perizzieten
וְהַחִוִּ֖י
(vehachivi)
en Chiwwieten
וְהַיְבוּסִֽי
(vehayvusi)
en Jebusieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Hoed je ervoor een verbond te sluiten met de inwoners van het land waar je binnengaat, zodat het geen valstrik wordt in je midden.
הִשָּׁ֣מֶר
(hishamer)
hoed
לְךָ֗
(lekha)
jezelf
פֶּן
(pen)
opdat niet
תִּכְרֹ֤ת
(tikhrot)
je sluit
בְּרִית֙
(berit)
verbond
לְיוֹשֵׁ֣ב
(leyoshev)
met de inwoner van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
בָּ֣א
(ba)
binnenkomt
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
erin
פֶּן
(pen)
opdat niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
het wordt
לְמוֹקֵ֖שׁ
(lemoqesh)
tot een valstrik
בְּקִרְבֶּֽךָ
(beqirbekha)
in je midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Maar hun altaren moeten jullie afbreken, hun gewijde stenen stukslaan en hun heilige palen omhakken.
כִּ֤י
(ki)
maar
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבְּחֹתָם֙
(mizbechotam)
hun altaren
תִּתֹּצ֔וּן
(titotsun)
zullen jullie afbreken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַצֵּבֹתָ֖ם
(matsevotam)
hun gewijde stenen
תְּשַׁבֵּר֑וּן
(teshaberun)
zullen jullie stukslaan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲשֵׁרָ֖יו
(asherav)
zijn heilige palen
תִּכְרֹתֽוּן
(tikhrotun)
zullen jullie omhakken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲשֵׁרִים (asherim) zijn heilige palen of bomen van de Kanaänitische godin Asjera.

14Want je mag je niet neerbuigen voor een andere god. Want Yahweh, wiens naam Na-ijverig is, is een na-ijverige El.
כִּ֛י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
תִֽשְׁתַּחֲוֶ֖ה
(tishtachave)
zul je buigen
לְאֵ֣ל
(leel)
voor een god
אַחֵ֑ר
(acher)
andere
כִּ֤י
(ki)
want
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
קַנָּ֣א
(qana)
na-ijverig
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
Zijn naam
אֵ֥ל
(el)
El
קַנָּ֖א
(qana)
na-ijverig
הֽוּא
(hu)
Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קַנָּא (qanna), ‘na-ijverig’: zie Exod. 20:5.

15Sluit geen verbond met de inwoners van het land; als zij zich aan hun goden overgeven en aan hun goden offeren, nodigen zij je uit en eet je van hun offer.
פֶּן
(pen)
opdat niet
תִּכְרֹ֥ת
(tikhrot)
je sluit
בְּרִ֖ית
(berit)
verbond
לְיוֹשֵׁ֣ב
(leyoshev)
met de inwoner van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְזָנ֣וּ
(vezanu)
en zij zich overgeven
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
אֱלֹֽהֵיהֶ֗ם
(eloheihem)
hun goden
וְזָבְחוּ֙
(vezavechu)
en offeren
לֵאלֹ֣הֵיהֶ֔ם
(leloheihem)
aan hun goden
וְקָרָ֣א
(veqara)
en hij nodigt
לְךָ֔
(lekha)
je uit
וְאָכַלְתָּ֖
(veakhalta)
en je eet
מִזִּבְחֽוֹ
(mizivcho)
van zijn offer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Neem voor je zonen geen vrouwen van hun dochters, want als hun dochters zich aan hun goden overgeven, brengen zij ook je zonen ertoe zich aan hun goden over te geven.
וְלָקַחְתָּ֥
(velaqachta)
en neem
מִבְּנֹתָ֖יו
(mibenotav)
van zijn dochters
לְבָנֶ֑יךָ
(levaneikha)
voor je zonen
וְזָנ֣וּ
(vezanu)
en zij zich overgeven
בְנֹתָ֗יו
(benotav)
zijn dochters
אַחֲרֵי֙
(acharei)
achter
אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ן
(eloheihen)
hun goden
וְהִזְנוּ֙
(vehiznu)
en laten overgeven
אֶת
(et)
(obj.)
בָּנֶ֔יךָ
(baneikha)
je zonen
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
אֱלֹהֵיהֶֽן
(eloheihen)
hun goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָנָה (zanah) is hier ‘zich overgeven aan’, met de betekenis van geestelijke ontrouw, ook letterlijk als hoererij.

17Je mag geen gegoten goden voor jezelf maken.
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
goden van
מַסֵּכָ֖ה
(masekha)
gegoten
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעֲשֶׂה
(taase)
zul je maken
לָּֽךְ
(lakh)
voor jezelf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Het feest van de ongezuurde broden moet je houden. Zeven dagen lang moet je ongezuurde broden eten, zoals Ik je geboden heb, op de vastgestelde tijd in de maand Abib. Want in de maand Abib ben je uit Egypte getrokken.
אֶת
(et)
(obj.)
חַ֣ג
(chag)
feest van
הַמַּצּוֹת֮
(hamatsot)
de ongezuurde broden
תִּשְׁמֹר֒
(tishmor)
zul je houden
שִׁבְעַ֨ת
(shivat)
zeven
יָמִ֜ים
(yamim)
dagen
תֹּאכַ֤ל
(tokhal)
zul je eten
מַצּוֹת֙
(matsot)
ongezuurde broden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
zoals
צִוִּיתִ֔ךָ
(tsivitikha)
Ik gebood je
לְמוֹעֵ֖ד
(lemoed)
op de vastgestelde tijd van
חֹ֣דֶשׁ
(chodesh)
maand van
הָאָבִ֑יב
(haaviv)
de Abib
כִּ֚י
(ki)
want
בְּחֹ֣דֶשׁ
(bechodesh)
in de maand van
הָֽאָבִ֔יב
(haaviv)
de Abib
יָצָ֖אתָ
(yatsata)
je trok uit
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Vers 18–26 herhalen veel uit het boek van het verbond, zie Exod. 23:10–19.

19Alles wat de moederschoot opent, is voor Mij, ook al je mannelijk vee, het eerstgeborene van stier en schaap.
כָּל
(kal)
alles
פֶּ֥טֶר
(peter)
wat opent
רֶ֖חֶם
(rechem)
de moederschoot
לִ֑י
(li)
voor Mij
וְכָֽל
(vekhal)
en al
מִקְנְךָ֙
(miqnekha)
je vee
תִּזָּכָ֔ר
(tizakhar)
je mannelijke
פֶּ֖טֶר
(peter)
opening van
שׁ֥וֹר
(shor)
stier
וָשֶֽׂה
(vase)
en schaap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Exod. 13:2, 12–13.

20Het eerstgeborene van een ezel moet je inlossen met een schaap; als je het niet inlost, moet je zijn nek breken. Ieder eerstgeborene van je zonen moet je inlossen. Niemand mag met lege handen voor Mijn aangezicht verschijnen.
וּפֶ֤טֶר
(ufeter)
en het eerstgeborene van
חֲמוֹר֙
(chamor)
ezel
תִּפְדֶּ֣ה
(tifde)
zul je inlossen
בְשֶׂ֔ה
(bese)
met een schaap
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֥א
(lo)
niet
תִפְדֶּ֖ה
(tifde)
zul je inlossen
וַעֲרַפְתּ֑וֹ
(vaarafto)
dan zul je zijn nek breken
כֹּ֣ל
(kol)
alle
בְּכ֤וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
בָּנֶ֨יךָ֙
(baneikha)
je zonen
תִּפְדֶּ֔ה
(tifde)
zul je inlossen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יֵרָא֥וּ
(yerau)
zullen verschijnen
פָנַ֖י
(panay)
voor Mijn aangezicht
רֵיקָֽם
(reiqam)
met lege handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Zes dagen moet je werken, maar op de zevende dag moet je rusten; ook in de ploegtijd en in de oogsttijd moet je rusten.
שֵׁ֤שֶׁת
(sheshet)
zes
יָמִים֙
(yamim)
dagen
תַּעֲבֹ֔ד
(taavod)
zul je werken
וּבַיּ֥וֹם
(uvayom)
en op de dag
הַשְּׁבִיעִ֖י
(hashevii)
de zevende
תִּשְׁבֹּ֑ת
(tishbot)
zul je rusten
בֶּחָרִ֥ישׁ
(becharish)
in de ploegtijd
וּבַקָּצִ֖יר
(uvaqatsir)
en in de oogsttijd
תִּשְׁבֹּֽת
(tishbot)
zul je rusten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Het feest van de weken moet je vieren, met de eerstelingen van de tarweoogst, en het feest van de inzameling bij de wisseling van het jaar.
וְחַ֤ג
(vechag)
en feest van
שָׁבֻעֹת֙
(shavuot)
de weken
תַּעֲשֶׂ֣ה
(taase)
zul je houden
לְךָ֔
(lekha)
voor jezelf
בִּכּוּרֵ֖י
(bikurei)
eerstelingen van
קְצִ֣יר
(qetsir)
oogst van
חִטִּ֑ים
(chitim)
tarwe
וְחַג֙
(vechag)
en feest van
הָֽאָסִ֔יף
(haasif)
de inzameling
תְּקוּפַ֖ת
(tequfat)
wisseling van
הַשָּׁנָֽה
(hashana)
het jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַג שָׁבֻעֹת (chag shavu'ot), ‘feest van de weken’: vijftig dagen na het Pesach, ook ‘oogstfeest’ genoemd (Exod. 23:16).

Zie Lev. 23:15–21.

23Drie keer per jaar moet al je mannelijk volk voor het aangezicht van de Heer, Yahweh, Elohim van Israël, verschijnen.
שָׁלֹ֥שׁ
(shalosh)
drie
פְּעָמִ֖ים
(peamim)
keer
בַּשָּׁנָ֑ה
(bashana)
in het jaar
יֵרָאֶה֙
(yerae)
zal verschijnen
כָּל
(kal)
elke
זְכ֣וּרְךָ֔
(zekhurekha)
mannelijke van jou
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֛י
(penei)
het aangezicht van
הָֽאָדֹ֥ן
(haadon)
de Heer
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Want Ik zal volken voor je verdrijven en je gebied vergroten, en niemand zal je land begeren wanneer je drie keer per jaar opgaat om voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, te verschijnen.
כִּֽי
(ki)
want
אוֹרִ֤ישׁ
(orish)
Ik zal verdrijven
גּוֹיִם֙
(goyim)
volken
מִפָּנֶ֔יךָ
(mipaneikha)
voor je
וְהִרְחַבְתִּ֖י
(vehirchavti)
en Ik zal vergroten
אֶת
(et)
(obj.)
גְּבוּלֶ֑ךָ
(gevulekha)
je gebied
וְלֹא
(velo)
en niet
יַחְמֹ֥ד
(yachmod)
zal begeren
אִישׁ֙
(ish)
iemand
אֶֽת
(et)
(obj.)
אַרְצְךָ֔
(artsekha)
je land
בַּעֲלֹֽתְךָ֗
(baalotekha)
bij je opgaan
לֵרָאוֹת֙
(leraot)
om te verschijnen
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵי֙
(penei)
het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
שָׁלֹ֥שׁ
(shalosh)
drie
פְּעָמִ֖ים
(peamim)
keer
בַּשָּׁנָֽה
(bashana)
in het jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Je mag het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren bij gezuurd brood, en het slachtoffer van het Pesachfeest mag niet tot de morgen overnachten.
לֹֽא
(lo)
niet
תִשְׁחַ֥ט
(tishchat)
zul je slachten
עַל
(al)
met
חָמֵ֖ץ
(chamets)
gezuurd brood
דַּם
(dam)
bloed van
זִבְחִ֑י
(zivchi)
Mijn slachtoffer
וְלֹא
(velo)
en niet
יָלִ֣ין
(yalin)
zal overnachten
לַבֹּ֔קֶר
(laboqer)
tot de morgen
זֶ֖בַח
(zevach)
slachtoffer van
חַ֥ג
(chag)
feest van
הַפָּֽסַח
(hapasach)
het Pesach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Het beste van de eerstelingen van je grond moet je naar het huis van Yahweh, je Elohim, brengen. Je mag een bokje niet koken in de melk van zijn moeder.”
רֵאשִׁ֗ית
(reshit)
het beste van
בִּכּוּרֵי֙
(bikurei)
de eerstelingen van
אַדְמָ֣תְךָ֔
(admatekha)
je grond
תָּבִ֕יא
(tavi)
zul je brengen
בֵּ֖ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לֹא
(lo)
niet
תְבַשֵּׁ֥ל
(tevashel)
zul je koken
גְּדִ֖י
(gedi)
een bokje
בַּחֲלֵ֥ב
(bachalev)
in de melk van
אִמּֽוֹ
(imo)
zijn moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Exod. 23:19; Deut. 14:21.

Mozes schrijft de woorden van het verbond

27Yahweh zei tot Mozes: „Schrijf deze woorden voor jezelf op, want op grond van deze woorden sluit Ik een verbond met jou en met Israël.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
כְּתָב
(ketav)
schrijf
לְךָ֖
(lekha)
voor jezelf
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
כִּ֞י
(ki)
want
עַל
(al)
naar
פִּ֣י
(pi)
de mond van
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
כָּרַ֧תִּי
(karati)
sloot Ik
אִתְּךָ֛
(itekha)
met jou
בְּרִ֖ית
(berit)
een verbond
וְאֶת
(veet)
en met
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Deze woorden’ verwijst naar de bepalingen in vers 10–26.

28Daar was hij met Yahweh veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood en dronk geen water. Hij schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de Tien Woorden.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en hij was
שָׁ֣ם
(sham)
daar
עִם
(im)
met
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
יוֹם֙
(yom)
dag
וְאַרְבָּעִ֣ים
(vearbaim)
en veertig
לַ֔יְלָה
(layla)
nacht
לֶ֚חֶם
(lechem)
brood
לֹ֣א
(lo)
niet
אָכַ֔ל
(akhal)
at hij
וּמַ֖יִם
(umayim)
en water
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁתָ֑ה
(shata)
dronk hij
וַיִּכְתֹּ֣ב
(vayikhtov)
en schreef
עַל
(al)
op
הַלֻּחֹ֗ת
(haluchot)
de tafelen
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
woorden van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
עֲשֶׂ֖רֶת
(aseret)
tien van
הַדְּבָרִֽים
(hadevarim)
de woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲשֶׂרֶת הַדְּבָרִים (aseret hadevarim), ‘de Tien Woorden’; zie Exod. 20:1–17; Deut. 4:13.

Mozes' gezicht straalt

29Toen Mozes van de berg Sinaï afdaalde, met de twee tafelen van het getuigenis in zijn hand, wist hij niet dat de huid van zijn gezicht straalde doordat hij met Hem gesproken had.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het geschiedde
בְּרֶ֤דֶת
(beredet)
bij het afdalen van
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
מֵהַ֣ר
(mehar)
van de berg
סִינַ֔י
(sinay)
Sinaï
וּשְׁנֵ֨י
(ushenei)
en twee
לֻחֹ֤ת
(luchot)
tafelen van
הָֽעֵדֻת֙
(haedut)
het getuigenis
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
בְּרִדְתּ֖וֹ
(beridto)
bij zijn afdalen
מִן
(min)
van
הָהָ֑ר
(hahar)
de berg
וּמֹשֶׁ֣ה
(umoshe)
en Mozes
לֹֽא
(lo)
niet
יָדַ֗ע
(yada)
wist
כִּ֥י
(ki)
dat
קָרַ֛ן
(qaran)
straalde
ע֥וֹר
(or)
huid van
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
בְּדַבְּר֥וֹ
(bedabero)
doordat hij sprak
אִתּֽוֹ
(ito)
met Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Uitleg

קָרַן (qaran) betekent ‘stralen’.

In de Latijnse Vulgaat werd dit ‘gehoornd’ (cornuta), wat tot het beeld van Mozes met hoorns leidde.

Het Hebreeuwse woord voor ‘hoorn’ is קֶרֶן (qeren).

30Aäron en alle zonen van Israël zagen Mozes, en zie, de huid van zijn gezicht straalde; zij waren bang om dicht bij hem te komen.
וַיַּ֨רְא
(vayar)
en zag
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
וְכָל
(vekhal)
en alle
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
קָרַ֖ן
(qaran)
straalde
ע֣וֹר
(or)
huid van
פָּנָ֑יו
(panav)
zijn gezicht
וַיִּֽירְא֖וּ
(vayireu)
en ze waren bang
מִגֶּ֥שֶׁת
(migeshet)
om te naderen
אֵלָֽיו
(elav)
tot hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Mozes riep hen, en Aäron en alle leiders van de gemeenschap kwamen naar hem terug, en Mozes sprak met hen.
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
hen
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
וַיָּשֻׁ֧בוּ
(vayashuvu)
en kwamen terug
אֵלָ֛יו
(elav)
tot hem
אַהֲרֹ֥ן
(aharon)
Aäron
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַנְּשִׂאִ֖ים
(hanesiim)
leiders in
בָּעֵדָ֑ה
(baeda)
de gemeenschap
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
אֲלֵהֶֽם
(alehem)
met hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Daarna kwamen alle zonen van Israël dichterbij, en hij gebood hun alles wat Yahweh op de berg Sinaï met hem gesproken had.
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en daarna
כֵ֥ן
(ken)
zo
נִגְּשׁ֖וּ
(nigeshu)
naderden
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיְצַוֵּ֕ם
(vaytsavem)
en hij gebood hun
אֵת֩
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
דִּבֶּ֧ר
(diber)
sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
סִינָֽי
(sinay)
Sinaï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

33Toen Mozes klaar was met hen te spreken, legde hij een sluier over zijn gezicht.
וַיְכַ֣ל
(vaykhal)
en maakte een einde
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
מִדַּבֵּ֖ר
(midaber)
van het spreken
אִתָּ֑ם
(itam)
met hen
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en legde
עַל
(al)
over
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
מַסְוֶֽה
(masve)
een sluier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַסְוֶה (masweh) is een sluier.

Paulus verwijst hiernaar in 2 Kor. 3:7–18.

34Maar telkens als Mozes voor het aangezicht van Yahweh kwam om met Hem te spreken, deed hij de sluier af totdat hij naar buiten kwam. Dan kwam hij naar buiten en sprak tot de zonen van Israël wat hem was opgedragen.
וּבְבֹ֨א
(uvevo)
en bij het binnengaan van
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
om te spreken
אִתּ֔וֹ
(ito)
met Hem
יָסִ֥יר
(yasir)
deed hij af
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּסְוֶ֖ה
(hamasve)
de sluier
עַד
(ad)
tot
צֵאת֑וֹ
(tseto)
zijn uitgaan
וְיָצָ֗א
(veyatsa)
en ging uit
וְדִבֶּר֙
(vediber)
en sprak
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
יְצֻוֶּֽה
(yetsuve)
hem werd opgedragen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes legt de sluier af wanneer hij met Yahweh spreekt en doet hem weer om wanneer hij het volk toespreekt.

35De zonen van Israël zagen het gezicht van Mozes, dat de huid van zijn gezicht straalde; en Mozes deed de sluier weer over zijn gezicht, totdat hij binnenging om met Hem te spreken.
וְרָא֤וּ
(verau)
en zagen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
כִּ֣י
(ki)
dat
קָרַ֔ן
(qaran)
straalde
ע֖וֹר
(or)
huid van
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וְהֵשִׁ֨יב
(veheshiv)
en zette terug
מֹשֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּסְוֶה֙
(hamasve)
de sluier
עַל
(al)
over
פָּנָ֔יו
(panav)
zijn gezicht
עַד
(ad)
totdat
בֹּא֖וֹ
(boo)
hij binnenging
לְדַבֵּ֥ר
(ledaber)
om te spreken
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)