Elohim Bijbel

Jesaja 63

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Yahweh komt uit Bozra; het gebed van de profeet om Zijn trouw

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wie komt daar uit Edom?

1Wie is Hij die uit Edom komt, in felrode kleren uit Bozra? Hij die schitterend is in Zijn gewaad en voortschrijdt in de grootheid van Zijn kracht? „Ik, die in gerechtigheid spreek, machtig om te redden.”
מִי
(mi)
wie
זֶ֣ה
(ze)
is Hij
בָּ֣א
(ba)
die komt
מֵאֱד֗וֹם
(meedom)
uit Edom
חֲמ֤וּץ
(chamuts)
felrood van
בְּגָדִים֙
(begadim)
kleren
מִבָּצְרָ֔ה
(mibatsera)
uit Bozra
זֶ֚ה
(ze)
Hij
הָד֣וּר
(hadur)
die schitterend is
בִּלְבוּשׁ֔וֹ
(bilvusho)
in Zijn gewaad
צֹעֶ֖ה
(tsoe)
voortschrijdend
בְּרֹ֣ב
(berov)
in de grootheid van
כֹּח֑וֹ
(kocho)
Zijn kracht
אֲנִ֛י
(ani)
Ik
מְדַבֵּ֥ר
(medaber)
die spreek
בִּצְדָקָ֖ה
(bitsdaqa)
in gerechtigheid
רַ֥ב
(rav)
machtig
לְהוֹשִֽׁיעַ
(lehoshia)
om te redden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie Bozra: Bozra (Buseirah) lag in het zuiden van het huidige Jordanië, in het gebied van Edom.

Uitleg

אֱדוֹם (Edom) en בָּצְרָה (Botsrah), ‘Bozra’: Edom ligt ten zuidoosten van de Dode Zee en Bozra was een belangrijke stad van Edom (zie Jes. 34:6).

De figuur komt dus uit het land van het oordeel (vergelijk Jes. 34:5–6).

Wij schrijven ‘Hij’ en ‘Zijn’ met hoofdletter, omdat deze figuur in dit vers zelf als Yahweh spreekt: ‘Ik, die in gerechtigheid spreek, machtig om te redden’. Die woorden staan rood; de vraag van de profeet staat zwart.

חָמוּץ (chamuts), ‘felrood’: de betekenis is onzeker; het kan ook ‘gekleurd’ of ‘gevlekt’ betekenen. צֹעֶה (tso’eh), ‘voortschrijdend’: een zeldzaam woord; de betekenis is onzeker.

2Waarom is Uw gewaad rood, en zijn Uw kleren als van iemand die in de perskuip treedt?
מַדּ֥וּעַ
(madua)
waarom
אָדֹ֖ם
(adom)
rood
לִלְבוּשֶׁ֑ךָ
(lilvushekha)
is Uw gewaad
וּבְגָדֶ֖יךָ
(uvegadeikha)
en Uw kleren
כְּדֹרֵ֥ךְ
(kedorekh)
als van iemand die treedt
בְּגַֽת
(begat)
in de perskuip
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גַּת (gat), ‘perskuip’: de kuip waarin men druiven met de voeten treedt.

Het sap spat dan op de kleren; zie vers 3.

3„De wijnpers heb Ik alleen getreden. Van de volken was er niemand bij Mij. Ik trad hen in Mijn toorn en stampte op hen in Mijn grimmigheid. Hun sap spatte op Mijn kleren, en heel Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.
פּוּרָ֣ה
(pura)
een wijnpers
דָּרַ֣כְתִּי
(darakhti)
heb Ik getreden
לְבַדִּ֗י
(levadi)
alleen
וּמֵֽעַמִּים֙
(umeamim)
en van de volken
אֵֽין
(ein)
niet is er
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
אִתִּ֔י
(iti)
met Mij
וְאֶדְרְכֵ֣ם
(veedrekhem)
en Ik trad hen
בְּאַפִּ֔י
(beapi)
in Mijn toorn
וְאֶרְמְסֵ֖ם
(veermesem)
en Ik stampte op hen
בַּחֲמָתִ֑י
(bachamati)
in Mijn grimmigheid
וְיֵ֤ז
(veyez)
en spatte
נִצְחָם֙
(nitscham)
hun sap
עַל
(al)
op
בְּגָדַ֔י
(begaday)
Mijn kleren
וְכָל
(vekhal)
en heel
מַלְבּוּשַׁ֖י
(malbushay)
Mijn gewaad
אֶגְאָֽלְתִּי
(egalti)
heb Ik bezoedeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פּוּרָה (purah), ‘wijnpers’: de trog waarin druiven worden getreden.

Het is een ander woord dan גַּת (gat) in vers 2.

נִצְחָם (nitsham), ‘hun sap’: een zeldzaam woord; de betekenis is onzeker (‘sap’ of ‘bloed’). Het beeld is dat de volken als druiven worden getreden; in vers 6 komt het woord terug.

אֶגְאָלְתִּי (eg’alti), ‘heb Ik bezoedeld’: van גָּאַל (ga’al) II, ‘bezoedelen’. Dat is een ander werkwoord dan גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’ (vers 4, 9 en 16). Vergelijk Openb. 19:13 en 19:15.

4Want de dag van wraak was in Mijn hart, en het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
כִּ֛י
(ki)
want
י֥וֹם
(yom)
de dag van
נָקָ֖ם
(naqam)
wraak
בְּלִבִּ֑י
(belibi)
was in Mijn hart
וּשְׁנַ֥ת
(ushenat)
en het jaar van
גְּאוּלַ֖י
(geulay)
Mijn verlosten
בָּֽאָה
(baa)
was gekomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹם נָקָם (yom naqam), ‘dag van wraak’: zie Jes. 34:8 en 61:2.

גְּאוּלַי (ge’ulai), ‘Mijn verlosten’: van גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’. Het kan ook ‘Mijn verlossing’ betekenen. Wij kiezen ‘Mijn verlosten’, passend bij ‘Mijn volk’ in vers 8.

5Ik keek, maar er was niemand die hielp. Ik stond versteld, maar er was niemand die steunde. Toen redde Mijn eigen arm Mij, en Mijn grimmigheid steunde Mij.
וְאַבִּיט֙
(veabit)
en Ik keek
וְאֵ֣ין
(veein)
en niemand
עֹזֵ֔ר
(ozer)
die hielp
וְאֶשְׁתּוֹמֵ֖ם
(veeshtomem)
en Ik stond versteld
וְאֵ֣ין
(veein)
en niemand
סוֹמֵ֑ךְ
(somekh)
die steunde
וַתּ֤וֹשַֽׁע
(vatosha)
toen redde
לִי֙
(li)
Mij
זְרֹעִ֔י
(zeroi)
Mijn arm
וַחֲמָתִ֖י
(vachamati)
en Mijn grimmigheid
הִ֥יא
(hi)
zij
סְמָכָֽתְנִי
(semakhateni)
steunde Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Jes. 59:16, waar hetzelfde beeld voorkomt: Yahweh ziet dat er niemand is.

6Ik vertrapte volken in Mijn toorn en maakte hen dronken in Mijn grimmigheid. Ik liet hun sap neerstromen op de aarde.”
וְאָב֤וּס
(veavus)
en Ik vertrapte
עַמִּים֙
(amim)
volken
בְּאַפִּ֔י
(beapi)
in Mijn toorn
וַאֲשַׁכְּרֵ֖ם
(vaashakerem)
en Ik maakte hen dronken
בַּחֲמָתִ֑י
(bachamati)
in Mijn grimmigheid
וְאוֹרִ֥יד
(veorid)
en Ik liet neerstromen
לָאָ֖רֶץ
(laarets)
op de aarde
נִצְחָֽם
(nitscham)
hun sap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וָאָבוּס (va’avus), ‘Ik vertrapte’: hetzelfde werkwoord als in vers 18, waar de tegenstanders het heiligdom ‘vertrapten’.

וָאֲשַׁכְּרֵם (va’ashakkerem), ‘en Ik maakte hen dronken’: het beeld van de beker van Zijn toorn.

De trouw van Yahweh in het verleden

7De daden van trouw van Yahweh zal ik vermelden, de lofprijzingen van Yahweh, overeenkomstig alles wat Yahweh ons heeft bewezen. Hij bewees het huis van Israël veel goeds, naar Zijn ontferming en naar de grootheid van Zijn trouw.
חַֽסְדֵ֨י
(chasdei)
de daden van trouw van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אַזְכִּיר֙
(azkir)
zal ik vermelden
תְּהִלֹּ֣ת
(tehilot)
de lofprijzingen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּעַ֕ל
(keal)
overeenkomstig
כֹּ֥ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
גְּמָלָ֖נוּ
(gemalanu)
Hij ons heeft bewezen
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְרַב
(verav)
en het grote
טוּב֙
(tuv)
goede
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
dat
גְּמָלָ֥ם
(gemalam)
Hij hun heeft bewezen
כְּֽרַחֲמָ֖יו
(kerachamav)
naar Zijn ontferming
וּכְרֹ֥ב
(ukherov)
en naar de grootheid van
חֲסָדָֽיו
(chasadav)
Zijn trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier begint het gebed van de profeet.

Het loopt door tot en met Jes. 64:11 en staat zwart; alleen de woorden van Yahweh in vers 8 zijn rood.

חַסְדֵי יְהוָה (chasdei Yahweh), ‘de daden van trouw van Yahweh’: het woord חֶסֶד (chesed) vertalen wij ‘trouw’.

גָּמַל (gamal), ‘bewijzen’: iemand iets aandoen, hier goed.

8Hij zei: „Zij zijn immers Mijn volk, zonen die niet zullen bedriegen.” En Hij werd hun redder.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
אַךְ
(akh)
zeker
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
הֵ֔מָּה
(hema)
zij
בָּנִ֖ים
(banim)
zonen
לֹ֣א
(lo)
niet
יְשַׁקֵּ֑רוּ
(yeshaqeru)
zullen bedriegen
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en Hij werd
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לְמוֹשִֽׁיעַ
(lemoshia)
tot redder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh wordt hier geciteerd binnen het gebed.

Zijn woorden staan rood.

לֹא יְשַׁקֵּרוּ (lo yeshaqqeru), ‘die niet zullen bedriegen’: zij zullen Hem niet ontrouw zijn.

9In al hun benauwdheid was het voor Hem benauwd. De engel van Zijn aangezicht redde hen. In Zijn liefde en Zijn mededogen verloste Hijzelf hen. Hij tilde hen op en droeg hen, al de dagen van lang geleden.
בְּֽכָל
(bekhal)
in al
צָרָתָ֣ם
(tsaratam)
hun benauwdheid
ל֣וֹ
(lo)
voor Hem
צָ֗ר
(tsar)
was het benauwd
וּמַלְאַ֤ךְ
(umalakh)
en de engel van
פָּנָיו֙
(panav)
Zijn aangezicht
הֽוֹשִׁיעָ֔ם
(hoshiam)
redde hen
בְּאַהֲבָת֥וֹ
(beahavato)
in Zijn liefde
וּבְחֶמְלָת֖וֹ
(uvechemlato)
en in Zijn mededogen
ה֣וּא
(hu)
Hijzelf
גְאָלָ֑ם
(gealam)
verloste hen
וַֽיְנַטְּלֵ֥ם
(vaynatelem)
en Hij tilde hen op
וַֽיְנַשְּׂאֵ֖ם
(vaynaseem)
en Hij droeg hen
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
עוֹלָֽם
(olam)
lang geleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאַךְ פָּנָיו (malakh panav), ‘de engel van Zijn aangezicht’: de engel die uit Zijn tegenwoordigheid komt en Zijn aanwezigheid draagt.

Vergelijk Exod. 23:20 en 33:14.

יְמֵי עוֹלָם (yemei olam), ‘de dagen van lang geleden’: zoals in Amos 9:11.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is לֹא (lo), ‘niet’; het gelezen woord (qere) is לוֹ (lo), ‘voor Hem’.

Beide klinken gelijk.

Wij volgen het gelezen woord: ‘voor Hem was het benauwd’.

10Maar zij waren weerspannig en bedroefden Zijn heilige Geest. Toen werd Hij hun vijand: Hijzelf streed tegen hen.
וְהֵ֛מָּה
(vehema)
maar zij
מָר֥וּ
(maru)
waren weerspannig
וְעִצְּב֖וּ
(veitsevu)
en bedroefden
אֶת
(et)
(obj.)
ר֣וּחַ
(ruach)
de Geest van
קָדְשׁ֑וֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
וַיֵּהָפֵ֥ךְ
(vayehafekh)
toen veranderde Hij
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor hen
לְאוֹיֵ֖ב
(leoyev)
in een vijand
ה֥וּא
(hu)
Hijzelf
נִלְחַם
(nilcham)
streed
בָּֽם
(bam)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ קָדְשׁוֹ (ruach qodsho), ‘Zijn heilige Geest’: de uitdrukking komt in het Oude Testament slechts op twee plaatsen voor, hier (en in vers 11) en in Ps. 51:13.

עִצְּבוּ (itstsevu), ‘zij bedroefden’: het werkwoord betekent ‘pijn doen’, ‘verdriet doen’.

11Toen dacht men terug aan de dagen van lang geleden, aan Mozes en zijn volk. Waar is Hij die hen uit de zee deed opkomen, met de herders van Zijn kudde? Waar is Hij die Zijn heilige Geest in hun midden legde?
וַיִּזְכֹּ֥ר
(vayizkor)
en men dacht terug
יְמֵֽי
(yemei)
aan de dagen van
עוֹלָ֖ם
(olam)
lang geleden
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
עַמּ֑וֹ
(amo)
zijn volk
אַיֵּ֣ה
(aye)
waar is
הַֽמַּעֲלֵ֣ם
(hamaalem)
Hij die hen deed opkomen
מִיָּ֗ם
(miyam)
uit de zee
אֵ֚ת
(et)
met
רֹעֵ֣י
(roei)
de herders van
צֹאנ֔וֹ
(tsono)
Zijn kudde
אַיֵּ֛ה
(aye)
waar is
הַשָּׂ֥ם
(hasam)
Hij die legde
בְּקִרְבּ֖וֹ
(beqirbo)
in hun midden
אֶת
(et)
(obj.)
ר֥וּחַ
(ruach)
de Geest van
קָדְשֽׁוֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het onderwerp van ‘dacht terug’ (וַיִּזְכֹּר, vayizkor) is onduidelijk: het kan Yahweh zijn, het volk, of onbepaald ‘men’.

De vragen die volgen (‘Waar is Hij …’) klinken als woorden van het volk.

Daarom vertalen wij ‘men’.

מֹשֶׁה עַמּוֹ (Moshe ammo), ‘Mozes en zijn volk’: letterlijk ‘Mozes, zijn volk’. Het ‘zijn’ kan op Mozes of op Yahweh slaan.

רֹעֵי צֹאנוֹ (ro’ei tsono), ‘herders van Zijn kudde’: het Hebreeuws heeft hier een meervoud. Dat kunnen Mozes en Aäron zijn (zie Ps. 77:21).

De doortocht door de zee: Exod. 14:21 en Exod. 15. De Geest die in hun midden werd gelegd: Num. 11:17 en 11:25.

12Die Zijn luisterrijke arm aan de rechterhand van Mozes liet gaan? Die het water voor hen deed splijten om Zich een naam voor eeuwig te maken?
מוֹלִיךְ֙
(molikh)
Hij die liet gaan
לִימִ֣ין
(limin)
aan de rechterhand van
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
זְר֖וֹעַ
(zeroa)
de arm van
תִּפְאַרְתּ֑וֹ
(tifarto)
Zijn luister
בּ֤וֹקֵֽעַ
(boqea)
die splijt
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
מִפְּנֵיהֶ֔ם
(mipeneihem)
voor hen
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te maken
ל֖וֹ
(lo)
voor Zich
שֵׁ֥ם
(shem)
een naam
עוֹלָֽם
(olam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זְרוֹעַ תִּפְאַרְתּוֹ (zero’a tif’arto), ‘Zijn luisterrijke arm’: letterlijk ‘de arm van Zijn luister’.

Vergelijk Exod. 15:6 en 15:16.

שֵׁם עוֹלָם (shem olam), ‘een naam voor eeuwig’: een naam die blijft.

13Die hen door de diepten liet gaan, als een paard in de woestijn, zonder dat zij struikelden?
מוֹלִיכָ֖ם
(molikham)
die hen liet gaan
בַּתְּהֹמ֑וֹת
(batehomot)
door de diepten
כַּסּ֥וּס
(kasus)
als een paard
בַּמִּדְבָּ֖ר
(bamidbar)
in de woestijn
לֹ֥א
(lo)
niet
יִכָּשֵֽׁלוּ
(yikashelu)
zij struikelden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּהֹמוֹת (tehomot), ‘diepten’: hetzelfde woord als in Exod. 15:5 en 15:8.

14Zoals het vee dat in het dal afdaalt, liet de Geest van Yahweh hen rusten. Zo leidde U Uw volk, om voor U een luisterrijke naam te maken.
כַּבְּהֵמָה֙
(kabehema)
zoals het vee
בַּבִּקְעָ֣ה
(babiqa)
in het dal
תֵרֵ֔ד
(tered)
dat afdaalt
ר֥וּחַ
(ruach)
de Geest van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תְּנִיחֶ֑נּוּ
(tenichenu)
liet hen rusten
כֵּ֚ן
(ken)
zo
נִהַ֣גְתָּ
(nihagta)
leidde U
עַמְּךָ֔
(amekha)
Uw volk
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te maken
לְךָ֖
(lekha)
voor U
שֵׁ֥ם
(shem)
een naam van
תִּפְאָֽרֶת
(tifaret)
luister
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּקְעָה (biq’ah), ‘dal’: een laagte of vlakte.

Het beeld is vee dat afdaalt naar een dal om te rusten en te grazen.

Hier gaat het gebed over van ‘Hij’ naar ‘U’.

Kijk neer uit de hemel

15Kijk neer uit de hemel en zie, vanuit Uw heilige en luisterrijke woning. Waar zijn Uw ijver en Uw machtige daden? De beroering van Uw binnenste en Uw ontferming worden tegenover mij ingehouden.
הַבֵּ֤ט
(habet)
kijk neer
מִשָּׁמַ֨יִם֙
(mishamayim)
uit de hemel
וּרְאֵ֔ה
(uree)
en zie
מִזְּבֻ֥ל
(mizevul)
vanuit de woning van
קָדְשְׁךָ֖
(qadeshekha)
Uw heiligheid
וְתִפְאַרְתֶּ֑ךָ
(vetifartekha)
en Uw luister
אַיֵּ֤ה
(aye)
waar is
קִנְאָֽתְךָ֙
(qinatekha)
Uw ijver
וּגְב֣וּרֹתֶ֔ךָ
(ugevurotekha)
en Uw machtige daden
הֲמ֥וֹן
(hamon)
de beroering van
מֵעֶ֛יךָ
(meeikha)
Uw binnenste
וְֽרַחֲמֶ֖יךָ
(verachameikha)
en Uw ontferming
אֵלַ֥י
(elay)
tegenover mij
הִתְאַפָּֽקוּ
(hitapaqu)
worden ingehouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲמוֹן מֵעֶיךָ (hamon me’ekha), ‘de beroering van Uw binnenste’: letterlijk ‘het gedruis van Uw ingewanden’, een beeld voor diepe bewogenheid.

זְבֻל (zevul), ‘woning’: de verheven woonplaats van Yahweh in de hemel.

16Want U bent onze Vader. Abraham kent ons niet, en Israël erkent ons niet. U, Yahweh, bent onze Vader. Onze Verlosser van oudsher is Uw naam.
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֣ה
(ata)
U
אָבִ֔ינוּ
(avinu)
bent onze vader
כִּ֤י
(ki)
want
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
לֹ֣א
(lo)
niet
יְדָעָ֔נוּ
(yedaanu)
kent ons
וְיִשְׂרָאֵ֖ל
(veyisrael)
en Israël
לֹ֣א
(lo)
niet
יַכִּירָ֑נוּ
(yakiranu)
erkent ons
אַתָּ֤ה
(ata)
U
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אָבִ֔ינוּ
(avinu)
bent onze vader
גֹּאֲלֵ֥נוּ
(goalenu)
onze Verlosser
מֵֽעוֹלָ֖ם
(meolam)
van oudsher
שְׁמֶֽךָ
(shemekha)
is Uw naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָבִינוּ (avinu), ‘onze Vader’: Yahweh als Vader van Zijn volk; vergelijk Deut. 32:6.

גֹּאֲלֵנוּ (go’alenu), ‘onze Verlosser’: de go’el is de naaste verwant die loskoopt en iemands recht herstelt. Vergelijk Jes. 43:14.

מֵעוֹלָם (me’olam), ‘van oudsher’: letterlijk ‘van olam af’.

17Waarom laat U ons dwalen, Yahweh, weg van Uw wegen? Waarom maakt U ons hart hard, zodat wij U niet vrezen? Keer terug omwille van Uw knechten, de stammen van Uw erfdeel.
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
תַתְעֵ֤נוּ
(tatenu)
laat U ons dwalen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מִדְּרָכֶ֔יךָ
(miderakheikha)
van Uw wegen
תַּקְשִׁ֥יחַ
(taqshiach)
maakt U hard
לִבֵּ֖נוּ
(libenu)
ons hart
מִיִּרְאָתֶ֑ךָ
(miyiratekha)
zodat wij U niet vrezen
שׁ֚וּב
(shuv)
keer terug
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
עֲבָדֶ֔יךָ
(avadeikha)
Uw knechten
שִׁבְטֵ֖י
(shivtei)
de stammen van
נַחֲלָתֶֽךָ
(nachalatekha)
Uw erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּתְעֵנוּ (tat’enu), ‘laat U ons dwalen’: het werkwoord betekent ‘doen dwalen’.

תַּקְשִׁיחַ (taqshiach), ‘maakt U hard’: het hart wordt ongevoelig, zodat het U niet vreest. Het gebed klaagt hier Yahweh aan; het laat open waarom.

18Uw heilige volk bezat het maar kort. Onze tegenstanders hebben Uw heiligdom vertrapt.
לַמִּצְעָ֕ר
(lamitsar)
voor een korte tijd
יָרְשׁ֖וּ
(yareshu)
bezat het
עַם
(am)
het volk van
קָדְשֶׁ֑ךָ
(qadeshekha)
Uw heiligheid
צָרֵ֕ינוּ
(tsareinu)
onze tegenstanders
בּוֹסְס֖וּ
(bosesu)
hebben vertrapt
מִקְדָּשֶֽׁךָ
(miqdashekha)
Uw heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לַמִּצְעָר (lammits’ar), ‘maar kort’: een moeilijk Hebreeuws woord.

De betekenis is onzeker: ‘voor een korte tijd’ of ‘voor een klein deel’.

Ook het onderwerp en het voorwerp van ‘bezat’ zijn niet genoemd.

Wij lezen: Uw heilige volk bezat het land maar kort.

Och, dat U de hemel scheurde

19Van oudsher zijn wij als mensen over wie U niet heerste, over wie Uw naam niet is uitgeroepen. O, dat U de hemel scheurde en neerdaalde! Voor Uw aangezicht zouden de bergen wegvloeien.
הָיִ֗ינוּ
(hayinu)
wij zijn
מֵֽעוֹלָם֙
(meolam)
van oudsher
לֹֽא
(lo)
niet
מָשַׁ֣לְתָּ
(mashalta)
heerste U
בָּ֔ם
(bam)
over hen
לֹֽא
(lo)
niet
נִקְרָ֥א
(niqra)
is uitgeroepen
שִׁמְךָ֖
(shimkha)
Uw naam
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
over hen
לוּא
(lu)
o, dat
קָרַ֤עְתָּ
(qarata)
U scheurde
שָׁמַ֨יִם֙
(shamayim)
de hemel
יָרַ֔דְתָּ
(yaradta)
U daalde neer
מִפָּנֶ֖יךָ
(mipaneikha)
voor Uw aangezicht
הָרִ֥ים
(harim)
bergen
נָזֹֽלּוּ
(nazolu)
zouden wegvloeien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Nederlandse telling begint Jes. 64 met de woorden ‘O, dat U de hemel scheurde’.

In het Hebreeuws behoren die woorden nog tot Jes. 63:19.

Daarom is Hebr. 63:19 (tweede helft) = NL 64:1, en Hebr. 64:1–11 = NL 64:2–12.

הָיִינוּ מֵעוֹלָם (hayinu me’olam), ‘van oudsher zijn wij’: het kan ook ‘al lang zijn wij’ betekenen.

לוּ (lu), ‘o, dat’: een wens die nog niet vervuld is. נָזֹלּוּ (nazollu), ‘zouden wegvloeien’: de bergen stromen weg als water.

Zie ookPs 79:6Ps 135:4Amos 9:12Hand 14:16Rom 9:4Heb 63:19Heb 64:1–11