Elohim Bijbel

Exodus 3

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De brandende braamstruik en de naam van Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De brandende braamstruik

1Mozes weidde de kudde van Jetro, zijn schoonvader, de priester van Midian. Hij dreef de kudde ver de woestijn in en kwam bij de berg van Elohim, bij Horeb.
וּמֹשֶׁ֗ה
(umoshe)
en Mozes
הָיָ֥ה
(haya)
was
רֹעֶ֛ה
(roe)
herder
אֶת
(et)
(obj.)
צֹ֛אן
(tson)
de kudde van
יִתְר֥וֹ
(yitro)
Jetro
חֹתְנ֖וֹ
(choteno)
zijn schoonvader
כֹּהֵ֣ן
(kohen)
priester van
מִדְיָ֑ן
(midyan)
Midian
וַיִּנְהַ֤ג
(vayinhag)
en hij dreef
אֶת
(et)
(obj.)
הַצֹּאן֙
(hatson)
de kudde
אַחַ֣ר
(achar)
achter
הַמִּדְבָּ֔ר
(hamidbar)
de woestijn
וַיָּבֹ֛א
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
naar
הַ֥ר
(har)
de berg van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
חֹרֵֽבָה
(choreva)
richting Horeb
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Midian lag in het noordwesten van het Arabisch schiereiland; Horeb, ‘de berg van Elohim’, wordt traditioneel gezocht op het Sinaïschiereiland (Djebel Musa), maar zeker is dat niet.

Zie ook 18:5 en 19:1–2.

Uitleg

Jetro heet in 2:18 Reüel (zie ook Num. 10:29).

חֹרֵבָה (Chorevah) heeft de richtingsuitgang -ah: ‘naar Horeb toe’.

2De engel van Yahweh verscheen hem in een vuurvlam, uit het midden van een braamstruik. Hij zag, en zie, de braamstruik stond in brand, maar de braamstruik werd niet verteerd.
וַ֠יֵּרָא
(vayera)
en verscheen
מַלְאַ֨ךְ
(malakh)
de engel van
יְהֹוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֛יו
(elav)
aan hem
בְּלַבַּת
(belabat)
in een vlam van
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
הַסְּנֶ֑ה
(hasene)
de braamstruik
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en hij zag
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
הַסְּנֶה֙
(hasene)
de braamstruik
בֹּעֵ֣ר
(boer)
brandde
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
in het vuur
וְהַסְּנֶ֖ה
(vehasene)
en de braamstruik
אֵינֶ֥נּוּ
(einenu)
niet
אֻכָּֽל
(ukal)
werd verteerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘engel van Yahweh’ (מַלְאַךְ יְהוָה, mal’akh Yahweh) is in vers 4 niet te onderscheiden van Yahweh Zelf en Elohim: dezelfde spreker.

סְנֶה (seneh), ‘braamstruik’, doet denken aan de naam Sinaï.

3Mozes zei: „Laat mij toch afwijken om dit grote verschijnsel te zien: waarom verbrandt de braamstruik niet?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אָסֻֽרָה
(asura)
laat mij afwijken
נָּ֣א
(na)
toch
וְאֶרְאֶ֔ה
(veere)
en zien
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּרְאֶ֥ה
(hamare)
het gezicht
הַגָּדֹ֖ל
(hagadol)
grote
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
מַדּ֖וּעַ
(madua)
waarom
לֹא
(lo)
niet
יִבְעַ֥ר
(yivar)
verbrandt
הַסְּנֶֽה
(hasene)
de braamstruik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Toen Yahweh zag dat hij afweek om te kijken, riep Elohim hem uit het midden van de braamstruik toe: „Mozes, Mozes!” Hij zei: „Hier ben ik.”
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en zag
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֣י
(ki)
dat
סָ֣ר
(sar)
hij afweek
לִרְא֑וֹת
(lirot)
om te zien
וַיִּקְרָא֩
(vayiqra)
en riep
אֵלָ֨יו
(elav)
tot hem
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
הַסְּנֶ֗ה
(hasene)
de braamstruik
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּֽנִי
(hineni)
hier ben ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Hij zei: „Kom niet dichterbij. Trek je sandalen van je voeten, want de plaats waarop je staat is heilige grond.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אַל
(al)
niet
תִּקְרַ֣ב
(tiqrav)
kom nader
הֲלֹ֑ם
(halom)
hierheen
שַׁל
(shal)
trek uit
נְעָלֶ֨יךָ֙
(nealeikha)
je sandalen
מֵעַ֣ל
(meal)
van aan
רַגְלֶ֔יךָ
(ragleikha)
je voeten
כִּ֣י
(ki)
want
הַמָּק֗וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarop
אַתָּה֙
(ata)
jij
עוֹמֵ֣ד
(omed)
staat
עָלָ֔יו
(alav)
erop
אַדְמַת
(admat)
grond van
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
הֽוּא
(hu)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het uittrekken van de sandalen is een teken van eerbied; het komt ook voor in Joz. 5:15.

‘Heilige grond’ is heilig omdat Yahweh er is.

6Hij zei: „Ik ben Elohim van je vader, Elohim van Abraham, Elohim van Isaak en Elohim van Jakob.” Mozes verborg zijn gezicht, want hij was bang naar Elohim te kijken.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אָנֹכִי֙
(anokhi)
Ik
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
אֱלֹהֵ֧י
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִצְחָ֖ק
(yitschaq)
Isaak
וֵאלֹהֵ֣י
(velohei)
en Elohim van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וַיַּסְתֵּ֤ר
(vayaster)
en verborg
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
פָּנָ֔יו
(panav)
zijn gezicht
כִּ֣י
(ki)
want
יָרֵ֔א
(yare)
hij vreesde
מֵהַבִּ֖יט
(mehabit)
om te kijken
אֶל
(el)
naar
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Elohim van je vader’ staat in het enkelvoud; Elohim van Abraham, Isaak en Jakob verbindt Mozes met de belofte aan de aartsvaders (2:24).

Yeshua haalt dit vers aan in Matt. 22:32 als bewijs voor de opstanding.

Yahweh ziet de ellende van Zijn volk

7Yahweh zei: „Ik heb de ellende van Mijn volk in Egypte gezien en hun noodkreet vanwege hun drijvers gehoord, want Ik ken hun lijden.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
רָאֹ֥ה
(rao)
gezien
רָאִ֛יתִי
(raiti)
heb Ik gezien
אֶת
(et)
(obj.)
עֳנִ֥י
(oni)
de ellende van
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בְּמִצְרָ֑יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
וְאֶת
(veet)
en
צַעֲקָתָ֤ם
(tsaaqatam)
hun noodkreet
שָׁמַ֨עְתִּי֙
(shamati)
heb Ik gehoord
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
נֹֽגְשָׂ֔יו
(nogesav)
zijn drijvers
כִּ֥י
(ki)
want
יָדַ֖עְתִּי
(yadati)
Ik ken
אֶת
(et)
(obj.)
מַכְאֹבָֽיו
(makhovav)
zijn lijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

8Ik ben afgedaald om hen te redden uit de hand van Egypte en hen uit dat land op te voeren naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar de plaats van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.
וָאֵרֵ֞ד
(vaered)
en Ik ben afgedaald
לְהַצִּיל֣וֹ
(lehatsilo)
om hem te redden
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
מִצְרַ֗יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּֽלְהַעֲלֹתוֹ֮
(ulehaaloto)
en om hem op te voeren
מִן
(min)
uit
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַהִוא֒
(hahi)
dat
אֶל
(el)
naar
אֶ֤רֶץ
(erets)
een land
טוֹבָה֙
(tova)
goed
וּרְחָבָ֔ה
(urechava)
en ruim
אֶל
(el)
naar
אֶ֛רֶץ
(erets)
een land
זָבַ֥ת
(zavat)
vloeiend van
חָלָ֖ב
(chalav)
melk
וּדְבָ֑שׁ
(udevash)
en honing
אֶל
(el)
naar
מְק֤וֹם
(meqom)
de plaats van
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaäniet
וְהַ֣חִתִּ֔י
(vehachiti)
en de Hethiet
וְהָֽאֱמֹרִי֙
(vehaemori)
en de Amoriet
וְהַפְּרִזִּ֔י
(vehaperizi)
en de Perizziet
וְהַחִוִּ֖י
(vehachivi)
en de Chiwwiet
וְהַיְבוּסִֽי
(vehayvusi)
en de Jebusiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Het land dat ‘overvloeit van melk en honing’ (זָבַת חָלָב וּדְבָשׁ, zavat chalav udevash) is een vaste uitdrukking (3:17; 13:5; 33:3; Lev. 20:24).

De zes volken uit dit vers zijn een kortere reeks van de tien volken in Gen. 15:19–21.

9En nu, zie, de noodkreet van de zonen van Israël is tot Mij gekomen, en Ik heb ook gezien hoe de Egyptenaren hen onderdrukken.
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
צַעֲקַ֥ת
(tsaaqat)
de noodkreet van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בָּ֣אָה
(baa)
is gekomen
אֵלָ֑י
(elay)
tot Mij
וְגַם
(vegam)
en ook
רָאִ֨יתִי֙
(raiti)
heb Ik gezien
אֶת
(et)
(obj.)
הַלַּ֔חַץ
(halachats)
de onderdrukking
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
לֹחֲצִ֥ים
(lochatsim)
hen onderdrukt
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Ga nu, Ik zend je naar de farao, en leid Mijn volk, de zonen van Israël, uit Egypte.”
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
לְכָ֔ה
(lekha)
ga
וְאֶֽשְׁלָחֲךָ֖
(veeshlachakha)
en Ik zal je zenden
אֶל
(el)
naar
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
וְהוֹצֵ֛א
(vehotse)
en leid uit
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Mozes aarzelt

11Mozes zei tot Elohim: „Wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de zonen van Israël uit Egypte zou leiden?”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
הָ֣אֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
מִ֣י
(mi)
wie
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
ben ik
כִּ֥י
(ki)
dat
אֵלֵ֖ךְ
(elekh)
ik ga
אֶל
(el)
naar
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
וְכִ֥י
(vekhi)
en dat
אוֹצִ֛יא
(otsi)
ik uitleid
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

12Hij zei: „Ik zal met je zijn. En dit is voor jou het teken dat Ik je gezonden heb: wanneer je het volk uit Egypte hebt geleid, zullen jullie Elohim dienen op deze berg.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
כִּֽי
(ki)
dat
אֶֽהְיֶ֣ה
(ehye)
Ik zal zijn
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met je
וְזֶה
(veze)
en dit
לְּךָ֣
(lekha)
is voor jou
הָא֔וֹת
(haot)
het teken
כִּ֥י
(ki)
dat
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
Ik
שְׁלַחְתִּ֑יךָ
(shelachtikha)
je gezonden heb
בְּהוֹצִֽיאֲךָ֤
(behotsiakha)
als je uitleidt
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָם֙
(haam)
het volk
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
תַּֽעַבְדוּן֙
(taavdun)
zullen jullie dienen
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
עַ֖ל
(al)
op
הָהָ֥ר
(hahar)
de berg
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Het teken ligt in de toekomst: pas wanneer het volk op deze berg Elohim dient, zal blijken dat Hij Mozes heeft gezonden.

Het werkwoord עָבַד (avad), ‘dienen’, is hetzelfde als in 1:13–14: uit de dienst voor de farao komt dienst voor Elohim.

De naam van Yahweh

13Mozes zei tot Elohim: „Zie, als ik kom bij de zonen van Israël en tot hen zeg: ‘Elohim van jullie vaderen heeft mij naar jullie gezonden’, en zij tot mij zeggen: ‘Wat is Zijn naam?’, wat moet ik hun dan zeggen?”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
הָֽאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
בָא֮
(ba)
kom
אֶל
(el)
naar
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתִּ֣י
(veamarti)
en ik zal zeggen
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
אֲבוֹתֵיכֶ֖ם
(avoteikhem)
jullie vaderen
שְׁלָחַ֣נִי
(shelachani)
heeft mij gezonden
אֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
naar jullie
וְאָֽמְרוּ
(veameru)
en zij zullen zeggen
לִ֣י
(li)
tot mij
מַה
(ma)
wat
שְּׁמ֔וֹ
(shemo)
is Zijn naam
מָ֥ה
(ma)
wat
אֹמַ֖ר
(omar)
zal ik zeggen
אֲלֵהֶֽם
(alehem)
tot hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes vraagt naar de naam omdat een naam in het Oude Nabije Oosten het wezen en de macht van een god uitdrukt.

14Elohim zei tot Mozes: „Ik ben die Ik ben.” Hij zei: „Zo moet je tot de zonen van Israël zeggen: ‘Ik ben heeft mij naar jullie gezonden.’”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֶֽהְיֶ֖ה
(ehye)
Ik ben
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אֶֽהְיֶ֑ה
(ehye)
Ik ben
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
כֹּ֤ה
(ko)
zo
תֹאמַר֙
(tomar)
zul je zeggen
לִבְנֵ֣י
(livnei)
tegen de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶֽהְיֶ֖ה
(ehye)
Ik ben
שְׁלָחַ֥נִי
(shelachani)
heeft mij gezonden
אֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
naar jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De naam יְהוָה (Yahweh) in vers 15 is van hetzelfde werkwoord (היה, hayah, ‘zijn’) afgeleid: Yahweh is ‘Hij is’ of ‘Hij zal zijn’.

Lezing

אֶהְיֶה אֲשֶׁר אֶהְיֶה (ehyeh asher ehyeh) kan worden vertaald met ‘Ik ben die Ik ben’, ‘Ik zal zijn die Ik zijn zal’ of ‘Ik ben wie Ik ben’.

Het werkwoord is in het Hebreeuws onvoltooid en kan een heden of toekomst uitdrukken; de Griekse vertaling heeft ‘Ik ben de Zijnde’.

Wij kiezen ‘Ik ben die Ik ben’, naast ‘Ik ben’ in de tweede helft van het vers.

15Elohim zei verder tot Mozes: „Zo moet je tot de zonen van Israël zeggen: ‘Yahweh, Elohim van jullie vaderen, Elohim van Abraham, Elohim van Isaak en Elohim van Jakob, heeft mij naar jullie gezonden.’ Dit is Mijn naam voor eeuwig, en dit is Mijn gedachtenis van generatie op generatie.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
ע֨וֹד
(od)
verder
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
כֹּֽה
(ko)
zo
תֹאמַר֮
(tomar)
zul je zeggen
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אֲבֹתֵיכֶ֗ם
(avoteikhem)
jullie vaderen
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִצְחָ֛ק
(yitschaq)
Isaak
וֵאלֹהֵ֥י
(velohei)
en Elohim van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
שְׁלָחַ֣נִי
(shelachani)
heeft mij gezonden
אֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
naar jullie
זֶה
(ze)
dit
שְּׁמִ֣י
(shemi)
is Mijn naam
לְעֹלָ֔ם
(leolam)
voor eeuwig
וְזֶ֥ה
(veze)
en dit
זִכְרִ֖י
(zikhri)
is Mijn gedachtenis
לְדֹ֥ר
(ledor)
van generatie
דֹּֽר
(dor)
tot generatie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de plechtige bekendmaking van de naam Yahweh; zie ook 6:2–3, waar Hij zegt dat Hij Zich aan de aartsvaders niet met deze naam bekendmaakte.

In Genesis wordt de naam wel gebruikt (bijvoorbeeld Gen. 4:26), zodat dit vers gaat over de betekenis ervan.

Wat Mozes tot Israël en de farao moet zeggen

16Ga, verzamel de oudsten van Israël en zeg tot hen: ‘Yahweh, Elohim van jullie vaderen, Elohim van Abraham, Isaak en Jakob, is mij verschenen en heeft gezegd: Ik heb jullie zeker bezocht en gezien wat jullie in Egypte wordt aangedaan.
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
וְאָֽסַפְתָּ֞
(veasafta)
en verzamel
אֶת
(et)
(obj.)
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֤
(veamarta)
en zeg
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
אֲבֹֽתֵיכֶם֙
(avoteikhem)
jullie vaderen
נִרְאָ֣ה
(nira)
is verschenen
אֵלַ֔י
(elay)
aan mij
אֱלֹהֵ֧י
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
יִצְחָ֥ק
(yitschaq)
Isaak
וְיַעֲקֹ֖ב
(veyaaqov)
en Jakob
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
פָּקֹ֤ד
(paqod)
bezocht
פָּקַ֨דְתִּי֙
(paqadti)
heb Ik bezocht
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הֶעָשׂ֥וּי
(heasuy)
wat gedaan wordt
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
בְּמִצְרָֽיִם
(bemitsrayim)
in Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

17Ik zei: Ik zal jullie uit de ellende van Egypte opvoeren naar het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, naar een land dat overvloeit van melk en honing.’
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en Ik zei
אַעֲלֶ֣ה
(aale)
Ik zal opvoeren
אֶתְכֶם֮
(etkhem)
jullie
מֵעֳנִ֣י
(meoni)
uit de ellende van
מִצְרַיִם֒
(mitsrayim)
Egypte
אֶל
(el)
naar
אֶ֤רֶץ
(erets)
het land van
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaäniet
וְהַ֣חִתִּ֔י
(vehachiti)
en de Hethiet
וְהָֽאֱמֹרִי֙
(vehaemori)
en de Amoriet
וְהַפְּרִזִּ֔י
(vehaperizi)
en de Perizziet
וְהַחִוִּ֖י
(vehachivi)
en de Chiwwiet
וְהַיְבוּסִ֑י
(vehayvusi)
en de Jebusiet
אֶל
(el)
naar
אֶ֛רֶץ
(erets)
een land
זָבַ֥ת
(zavat)
vloeiend van
חָלָ֖ב
(chalav)
melk
וּדְבָֽשׁ
(udevash)
en honing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

18Zij zullen naar je stem luisteren. Dan ga je, jij en de oudsten van Israël, naar de koning van Egypte en zeggen jullie tot hem: ‘Yahweh, Elohim van de Hebreeën, is ons tegemoetgekomen. Laat ons nu een reis van drie dagen de woestijn in gaan om te offeren aan Yahweh, onze Elohim.’
וְשָׁמְע֖וּ
(veshameu)
en zij zullen luisteren
לְקֹלֶ֑ךָ
(leqolekha)
naar je stem
וּבָאתָ֡
(uvata)
en je zult komen
אַתָּה֩
(ata)
jij
וְזִקְנֵ֨י
(veziqnei)
en de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
מִצְרַ֗יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַאֲמַרְתֶּ֤ם
(vaamartem)
en jullie zullen zeggen
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
הָֽעִבְרִיִּים֙
(haivriyim)
de Hebreeën
נִקְרָ֣ה
(niqra)
is ons tegengekomen
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
ons
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
נֵֽלֲכָה
(nelakha)
laten wij gaan
נָּ֞א
(na)
toch
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
een weg van
שְׁלֹ֤שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִים֙
(yamim)
dagen
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
וְנִזְבְּחָ֖ה
(venizbecha)
en laten wij offeren
לַֽיהוָ֥ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

De vraag is eerst alleen om drie dagen de woestijn in te mogen gaan om te offeren; dit wordt herhaald in 5:3 en 8:23.

De uitdrukking ‘Elohim van de Hebreeën’ komt ook voor in 5:3 en 7:16.

19Maar Ik weet dat de koning van Egypte jullie niet zal laten gaan, zelfs niet door een sterke hand.
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en Ik
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
weet
כִּ֠י
(ki)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יִתֵּ֥ן
(yiten)
zal geven
אֶתְכֶ֛ם
(etkhem)
jullie
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
לַהֲלֹ֑ךְ
(lahalokh)
om te gaan
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
בְּיָ֥ד
(beyad)
door een hand
חֲזָקָֽה
(chazaqa)
sterke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

20Ik zal Mijn hand uitstrekken en Egypte slaan met al Mijn wonderen die Ik in zijn midden zal doen. Daarna zal hij jullie laten gaan.
וְשָׁלַחְתִּ֤י
(veshalachti)
en Ik zal uitstrekken
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
וְהִכֵּיתִ֣י
(vehikeiti)
en Ik zal slaan
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּכֹל֙
(bekhol)
met alle
נִפְלְאֹתַ֔י
(nifleotay)
Mijn wonderen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אֶֽעֱשֶׂ֖ה
(eese)
Ik zal doen
בְּקִרְבּ֑וֹ
(beqirbo)
in zijn midden
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en daarna
כֵ֖ן
(ken)
zo
יְשַׁלַּ֥ח
(yeshalach)
zal hij laten gaan
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

21Ik zal dit volk gunst doen vinden in de ogen van de Egyptenaren, en wanneer jullie gaan, zullen jullie niet met lege handen gaan.
וְנָתַתִּ֛י
(venatati)
en Ik zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
חֵ֥ן
(chen)
gunst van
הָֽעָם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
כִּ֣י
(ki)
wanneer
תֵֽלֵכ֔וּן
(telekhun)
jullie gaan
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵלְכ֖וּ
(telekhu)
zullen jullie gaan
רֵיקָֽם
(reiqam)
met lege handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Elke vrouw zal van haar buurvrouw en van de vrouw die bij haar in huis woont zilveren en gouden voorwerpen en kleren vragen. Die zullen jullie op jullie zonen en dochters leggen, en zo zullen jullie Egypte plunderen.”
וְשָׁאֲלָ֨ה
(veshaala)
en zal vragen
אִשָּׁ֤ה
(isha)
een vrouw
מִשְּׁכֶנְתָּהּ֙
(mishekhentah)
van haar buurvrouw
וּמִגָּרַ֣ת
(umigarat)
en van de gast in
בֵּיתָ֔הּ
(beitah)
haar huis
כְּלֵי
(kelei)
voorwerpen van
כֶ֛סֶף
(kesef)
zilver
וּכְלֵ֥י
(ukhelei)
en voorwerpen van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
וּשְׂמָלֹ֑ת
(usemalot)
en kleren
וְשַׂמְתֶּ֗ם
(vesamtem)
en jullie zullen leggen
עַל
(al)
op
בְּנֵיכֶם֙
(beneikhem)
jullie zonen
וְעַל
(veal)
en op
בְּנֹ֣תֵיכֶ֔ם
(benoteikhem)
jullie dochters
וְנִצַּלְתֶּ֖ם
(venitsaltem)
en jullie zullen plunderen
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שָׁאַל (sha’al) betekent ‘vragen’; of het ‘lenen’ of ‘eisen’ is, ligt in de tekst open (zie 11:2–3; 12:35–36).

נָצַל (natsal) in het laatste werkwoord is ‘ontrukken’ of ‘plunderen’ (letterlijk ‘redden, ontrukken’).

Gen. 15:14 beloofde: ‘daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen’.