Zie, Mijn Knecht; een nieuw lied; een blind en doof volk
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Zie, Mijn Knecht
1„Zie, Mijn Knecht, die Ik steun. Mijn uitverkorene, in wie Mijn ziel behagen heeft. Ik heb Mijn Geest op hem gelegd. Hij brengt het recht uit naar de volken.
הֵ֤ן
(hen)
zie
עַבְדִּי֙
(avdi)
Mijn Knecht
אֶתְמָךְ
(etmakh)
Ik steun
בּ֔וֹ
(bo)
op hem
בְּחִירִ֖י
(bechiri)
Mijn uitverkorene
רָצְתָ֣ה
(ratseta)
heeft behagen
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
Mijn ziel
נָתַ֤תִּי
(natati)
Ik heb gelegd
רוּחִי֙
(ruchi)
Mijn Geest
עָלָ֔יו
(alav)
op hem
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
recht
לַגּוֹיִ֥ם
(lagoyim)
aan de volken
יוֹצִֽיא
(yotsi)
brengt hij uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn Knecht’: Yahweh stelt Zijn Knecht voor.
Dit is het eerste van vier knechtsliederen: 42:1–4, 49:1–6, 50:4–9 en 52:13–53:12.
Wie de Knecht is, zegt de tekst hier niet.
In 41:8 heet Israël ‘Mijn knecht’; in vers 19 staat ‘de knecht van Yahweh’.
Of de Knecht het volk Israël is of een enkele persoon, laten wij open.
Matt. 12:18–21 haalt deze verzen aan.
נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: Zijn eigen wezen; ‘in wie Mijn ziel behagen heeft’ betekent: Hij heeft vreugde in hem.
מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: de rechtsorde die Yahweh wil, vaak met gerechtigheid verbonden.
5Zo zegt de El, Yahweh, die de hemel geschapen en uitgespannen heeft. Hij heeft de aarde uitgespreid, met alles wat uit haar voortkomt. Hij geeft adem aan het volk op haar en geest aan wie erover lopen:
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
הָאֵ֣ל
(hael)
de El
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בּוֹרֵ֤א
(bore)
die schept
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
וְנ֣וֹטֵיהֶ֔ם
(venoteihem)
en die haar uitspant
רֹקַ֥ע
(roqa)
die uitspreidt
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וְצֶאֱצָאֶ֑יהָ
(vetseetsaeiha)
en wat daaruit komt
נֹתֵ֤ן
(noten)
die geeft
נְשָׁמָה֙
(neshama)
adem
לָעָ֣ם
(laam)
aan het volk
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
op haar
וְר֖וּחַ
(veruach)
en geest
לַהֹלְכִ֥ים
(laholekhim)
aan wie lopen
בָּֽהּ
(bah)
erover
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָאֵל (ha’el), ‘de El’: El met lidwoord, een naam voor Elohim.
Met deze aanhef beginnen de woorden van vers 6–9.
De aanhef zelf staat zwart.
נְשָׁמָה (neshamah), ‘adem’: levensadem. רוּחַ (ruach), ‘geest’: hier wat leven geeft.
6„Ik, Yahweh, heb je geroepen in gerechtigheid. Ik houd je bij de hand vast en behoed je. Ik maak je tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de volken,
אֲנִ֧י
(ani)
Ik
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
קְרָאתִ֥יךָֽ
(qeratikha)
heb je geroepen
בְצֶ֖דֶק
(betsedeq)
in gerechtigheid
וְאַחְזֵ֣ק
(veachzeq)
en Ik houd vast
בְּיָדֶ֑ךָ
(beyadekha)
bij je hand
וְאֶצָּרְךָ֗
(veetsarekha)
en Ik behoed je
וְאֶתֶּנְךָ֛
(veetenkha)
en Ik maak je
לִבְרִ֥ית
(livrit)
tot een verbond van
עָ֖ם
(am)
het volk
לְא֥וֹר
(leor)
tot een licht van
גּוֹיִֽם
(goyim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Met ‘je’ wordt de Knecht van vers 1 aangesproken.
לִבְרִית עָם (livrit am), ‘tot een verbond voor het volk’: onzeker is of ‘volk’ hier Israël is of de mensheid. אוֹר גּוֹיִם (or goyim), ‘een licht voor de volken’: zie ook Jes. 49:6 en, in het Nieuwe Testament, Luc. 2:32.
10Zing voor Yahweh een nieuw lied. Zing Zijn lof vanaf het einde van de aarde, jullie die de zee bevaren, en alles wat haar vult, de eilanden en hun bewoners.
שִׁ֤ירוּ
(shiru)
zing
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
שִׁ֣יר
(shir)
een lied
חָדָ֔שׁ
(chadash)
nieuw
תְּהִלָּת֖וֹ
(tehilato)
Zijn lof
מִקְצֵ֣ה
(miqtse)
vanaf het einde van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
יוֹרְדֵ֤י
(yoredei)
die afdalen naar
הַיָּם֙
(hayam)
de zee
וּמְלֹא֔וֹ
(umeloo)
en wat haar vult
אִיִּ֖ים
(iyim)
eilanden
וְיֹשְׁבֵיהֶֽם
(veyosheveihem)
en hun bewoners
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׁיר חָדָשׁ (shir chadash), ‘een nieuw lied’: zo ook Ps. 96:1 en Ps. 98:1.
יוֹרְדֵי הַיָּם (yordei hayyam), ‘zij die de zee bevaren’: letterlijk ‘zij die afdalen naar de zee’.
11Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, en de dorpen waar Kedar woont. Laat de bewoners van de rots jubelen. Laat hen roepen vanaf de toppen van de bergen.
יִשְׂא֤וּ
(yisu)
laten verheffen
מִדְבָּר֙
(midbar)
woestijn
וְעָרָ֔יו
(vearav)
en haar steden
חֲצֵרִ֖ים
(chatserim)
dorpen
תֵּשֵׁ֣ב
(teshev)
woont
קֵדָ֑ר
(qedar)
Kedar
יָרֹ֨נּוּ֙
(yaronu)
laten jubelen
יֹ֣שְׁבֵי
(yoshevei)
bewoners van
סֶ֔לַע
(sela)
de rots
מֵרֹ֥אשׁ
(merosh)
vanaf de top van
הָרִ֖ים
(harim)
bergen
יִצְוָֽחוּ
(yitsvachu)
laten roepen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kedar (ligging onzeker): Kedar is een Arabisch nomadenvolk (Genesis 25:13), dat in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän woonde, in het noordwesten van Arabië.
De precieze ligging is niet zeker.
Uitleg
Het Hebreeuws laat bij ‘laat verheffen’ het voorwerp weg: wij vullen ‘de stem’ aan.
קֵדָר (Qedar), ‘Kedar’: een volk van nomaden in de woestijn ten oosten van het land (Gen. 25:13; Ps. 120:5).
סֶלַע (sela), ‘rots’: ook de naam van een stad in Edom (2 Kon. 14:7). Wij vertalen ‘de rots’, het woord uit het gewone spraakgebruik.
13Yahweh trekt uit als een held. Als een krijgsman wekt Hij Zijn ijver op. Hij heft de strijdkreet aan, ja, Hij schreeuwt luid. Over Zijn vijanden toont Hij Zich machtig.
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כַּגִּבּ֣וֹר
(kagibor)
als een held
יֵצֵ֔א
(yetse)
trekt Hij uit
כְּאִ֥ישׁ
(keish)
als een man van
מִלְחָמ֖וֹת
(milchamot)
oorlogen
יָעִ֣יר
(yair)
wekt Hij op
קִנְאָ֑ה
(qina)
ijver
יָרִ֨יעַ֙
(yaria)
heft Hij de strijdkreet aan
אַף
(af)
ja
יַצְרִ֔יחַ
(yatsriach)
schreeuwt Hij luid
עַל
(al)
tegen
אֹיְבָ֖יו
(oyevav)
Zijn vijanden
יִתְגַּבָּֽר
(yitgabar)
toont Hij Zich machtig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִנְאָה (qin’ah), ‘ijver’: gloeiende inzet voor wat Hem toebehoort.
16Ik laat blinden gaan op een weg die zij niet kennen. Over paden die zij niet kennen, laat Ik hen lopen. Ik maak de duisternis voor hen tot licht en de kromme plekken tot vlak land. Dit zijn de dingen die Ik doe. Ik verlaat ze niet.
וְהוֹלַכְתִּ֣י
(veholakhti)
en Ik laat gaan
עִוְרִ֗ים
(ivrim)
blinden
בְּדֶ֨רֶךְ֙
(bederekh)
op een weg
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֔עוּ
(yadau)
zij kennen
בִּנְתִיב֥וֹת
(bintivot)
over paden
לֹֽא
(lo)
niet
יָדְע֖וּ
(yadeu)
zij kennen
אַדְרִיכֵ֑ם
(adrikhem)
Ik laat hen lopen
אָשִׂים֩
(asim)
Ik maak
מַחְשָׁ֨ךְ
(machshakh)
duisternis
לִפְנֵיהֶ֜ם
(lifneihem)
voor hen
לָא֗וֹר
(laor)
tot licht
וּמַֽעֲקַשִּׁים֙
(umaaqashim)
en kromme plekken
לְמִישׁ֔וֹר
(lemishor)
tot vlak land
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de dingen
עֲשִׂיתִ֖ם
(asitim)
Ik doe ze
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עֲזַבְתִּֽים
(azavtim)
Ik verlaat ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַעֲקַשִּׁים (ma’aqashim), ‘kromme plekken’, en מִישׁוֹר (mishor), ‘vlak land’: verwant met ‘wat oneffen is’ en ‘vlak land’ in 40:4.
22En dit is een beroofd en geplunderd volk. De jonge mannen zijn allemaal verstrikt, en in gevangenhuizen zijn zij verborgen. Zij zijn tot buit geworden, en er is niemand die bevrijdt. Zij zijn geplunderd, en er is niemand die zegt: „Geef terug!”
וְהוּא֮
(vehu)
en dit
עַם
(am)
volk
בָּז֣וּז
(bazuz)
beroofd
וְשָׁסוּי֒
(veshasuy)
en geplunderd
הָפֵ֤חַ
(hafeach)
verstrikt
בַּֽחוּרִים֙
(bachurim)
jonge mannen
כֻּלָּ֔ם
(kulam)
allen
וּבְבָתֵּ֥י
(uvevatei)
en in huizen van
כְלָאִ֖ים
(kelaim)
gevangenis
הָחְבָּ֑אוּ
(hachbau)
zijn verborgen
הָי֤וּ
(hayu)
zij zijn geworden
לָבַז֙
(lavaz)
tot buit
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is niet
מַצִּ֔יל
(matsil)
een bevrijder
מְשִׁסָּ֖ה
(meshisa)
plundering
וְאֵין
(veein)
en er is niet
אֹמֵ֥ר
(omer)
een die zegt
הָשַֽׁב
(hashav)
geef terug
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָפֵחַ בַּחוּרִים (hafe’ach bachurim), ‘verstrikt, jonge mannen’: het eerste woord komt alleen hier voor.
Met andere klinkers kan בַּחוּרִים ook ‘in holen’ betekenen (בַּחֹרִים, bachorim).
Dat past bij ‘verstrikt in kuilen’.
De betekenis is niet zeker; wij volgen de klinkers van de tekst.
24Wie heeft Jakob als buit overgegeven, en Israël aan de plunderaars? Was het niet Yahweh? Tegen Hem hebben wij gezondigd. Zij wilden niet in Zijn wegen gaan en luisterden niet naar Zijn wet.
מִֽי
(mi)
wie
נָתַ֨ן
(natan)
heeft gegeven
לִמְשִׁסָּ֧ה
(limshisa)
tot plundering
יַעֲקֹ֛ב
(yaaqov)
Jakob
וְיִשְׂרָאֵ֥ל
(veyisrael)
en Israël
לְבֹזְזִ֖ים
(levozezim)
aan plunderaars
הֲל֣וֹא
(halo)
is het niet
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
ז֚וּ
(zu)
Hij
חָטָ֣אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
ל֔וֹ
(lo)
tegen Hem
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָב֤וּ
(avu)
wilden zij
בִדְרָכָיו֙
(bidrakhav)
in Zijn wegen
הָל֔וֹךְ
(halokh)
gaan
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמְע֖וּ
(shameu)
luisterden zij
בְּתוֹרָתֽוֹ
(betorato)
naar Zijn wet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier spreekt de profeet, namens het volk: ‘wij hebben gezondigd’.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft een iets andere vorm: לִמְשׁוֹסָה (limshosah).
De voorgelezen tekst (qere) heeft לִמְשִׁסָּה (limshissah), ‘tot plundering’.
25Hij goot de gloed van Zijn toorn over hem uit, en de kracht van de oorlog. Die zette hem rondom in vlam, maar hij wist het niet. Het brandde in hem, maar hij nam het niet ter harte.
וַיִּשְׁפֹּ֤ךְ
(vayishpokh)
en Hij goot uit
עָלָיו֙
(alav)
over hem
חֵמָ֣ה
(chema)
gloed van
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וֶעֱז֖וּז
(veezuz)
en kracht van
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
וַתְּלַהֲטֵ֤הוּ
(vatelahatehu)
en het zette hem in vlam
מִסָּבִיב֙
(misaviv)
rondom
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָדָ֔ע
(yada)
wist hij
וַתִּבְעַר
(vativar)
en het brandde
בּ֖וֹ
(bo)
in hem
וְלֹא
(velo)
en niet
יָשִׂ֥ים
(yasim)
nam hij
עַל
(al)
op
לֵֽב
(lev)
hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֵמָה אַפּוֹ (chemah appo), ‘de gloed van Zijn toorn’: letterlijk ‘de hitte van Zijn neus’; de neus staat voor de snuivende woede.