Elohim Bijbel

Psalmen 120

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Een noodkreet tegen de leugentong

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een noodkreet tot Yahweh

1Een lied van de opgangen. In mijn nood riep ik tot Yahweh, en Hij antwoordde mij.
שִׁ֗יר
(shir)
lied van
הַֽמַּ֫עֲל֥וֹת
(hamaalot)
de opgangen
אֶל
(el)
tot
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
בַּצָּרָ֣תָה
(batsarata)
in nood
לִּ֑י
(li)
mij
קָ֝רָ֗אתִי
(qarati)
ik riep
וַֽיַּעֲנֵֽנִי
(vayaaneni)
en Hij antwoordde mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁיר הַמַּעֲלוֹת (shir hamma’alot), ‘een lied van de opgangen’: het opschrift van de psalmen 120 tot en met 134.

De betekenis is niet zeker.

Waarschijnlijk zongen pelgrims deze liederen op weg omhoog naar Jeruzalem en de tempel (zie 122:1–4), of bij de trappen van de tempel.

2Yahweh, bevrijd mijn ziel van leugenachtige lippen, van een tong vol bedrog.
יְֽהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הַצִּ֣ילָה
(hatsila)
bevrijd
נַ֭פְשִׁי
(nafshi)
mijn ziel
מִשְּׂפַת
(misefat)
van lip van
שֶׁ֑קֶר
(sheqer)
leugen
מִלָּשׁ֥וֹן
(milashon)
van tong van
רְמִיָּֽה
(remiya)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de mens als levend wezen, met zijn leven en verlangens.

Waar de zin het vraagt, vertalen wij ‘leven’ of ‘persoon’.

Wat wacht de valse tong?

3Wat zal Hij je geven, en wat zal Hij erbij doen, jij tong vol bedrog?
מַה
(ma)
wat
יִּתֵּ֣ן
(yiten)
zal Hij geven
לְ֭ךָ
(lekha)
aan jou
וּמַה
(uma)
en wat
יֹּסִ֥יף
(yosif)
zal Hij toevoegen
לָ֗ךְ
(lakh)
aan jou
לָשׁ֥וֹן
(lashon)
tong van
רְמִיָּֽה
(remiya)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws noemt geen onderwerp: ‘Wat zal geven … en wat zal toevoegen?’

Het is een vaste vorm van een eed of dreigement.

Wij lezen ‘Hij’ als Elohim of Yahweh.

Vergelijk 1 Sam. 3:17.

4Scherpe pijlen van een held, met gloeiende kolen van de bremstruik.
חִצֵּ֣י
(chitsei)
pijlen van
גִבּ֣וֹר
(gibor)
held
שְׁנוּנִ֑ים
(shenunim)
scherpe
עִ֝֗ם
(im)
met
גַּחֲלֵ֥י
(gachalei)
kolen van
רְתָמִֽים
(retamim)
bremstruik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רְתָמִים (retamim), ‘bremstruik’: een woestijnstruik waarvan het hout lang en heet gloeit.

De dichter beschrijft wat de leugentong te wachten staat: scherpe pijlen en gloeiende kolen.

Ver van huis, bij vredehaters

5Wee mij, want ik leef als vreemdeling in Mesech. Ik woon bij de tenten van Kedar.
אֽוֹיָה
(oya)
wee
לִ֭י
(li)
mij
כִּי
(ki)
want
גַ֣רְתִּי
(garti)
ik leefde als vreemdeling
מֶ֑שֶׁךְ
(meshekh)
Mesech
שָׁ֝כַ֗נְתִּי
(shakhanti)
ik woonde
עִֽם
(im)
bij
אָהֳלֵ֥י
(aholei)
tenten van
קֵדָֽר
(qedar)
Kedar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Mesech lag ver in het noorden, waarschijnlijk in het oosten van het huidige Turkije (Gen. 10:2).

Kedar was een Arabisch nomadenvolk in de woestijn ten oosten en zuiden van Kanaän (Gen. 25:13).

De twee liggen ver uit elkaar; de dichter bedoelt: ‘ik woon onder vreemden, ver van huis’.

6Te lang heeft mijn ziel gewoond bij wie de vrede haat.
רַ֭בַּת
(rabat)
lang
שָֽׁכְנָה
(shakhena)
heeft gewoond
לָּ֣הּ
(lah)
voor zich
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn ziel
עִ֝֗ם
(im)
bij
שׂוֹנֵ֥א
(sone)
hater van
שָׁלֽוֹם
(shalom)
vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Ik ben voor vrede, maar zodra ik spreek, zijn zij voor oorlog.
אֲֽנִי
(ani)
ik
שָׁ֭לוֹם
(shalom)
vrede
וְכִ֣י
(vekhi)
maar als
אֲדַבֵּ֑ר
(adaber)
ik spreek
הֵ֝֗מָּה
(hema)
zij
לַמִּלְחָמָֽה
(lamilchama)
voor oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)