Elohim Bijbel

Matteüs 14

12345678910111213141516171819202122232425262728

De dood van Johannes de Doper, 5000 mannen en Yeshua op de zee

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Herodes hoort over Yeshua

1In die tijd hoorde Herodes, de viervorst, het bericht over Yeshua.
Ἐν
(En)
in
ἐκείνῳ
(ekeino)
die
τῷ
(to)
de
καιρῷ
(kairo)
tijd
ἤκουσεν
(ekousen)
hoorde
Ἡρῴδης
(Herodes)
Herodes
ὁ
(ho)
de
τετραάρχης
(tetraarches)
viervorst
τὴν
(ten)
het
ἀκοὴν
(akoen)
bericht
Ἰησοῦ
(Iesou)
over Yeshua
Bron: SBLGNT
Uitleg

τετραάρχης (tetraarches), ‘viervorst’: heerser over een deel van een gebied, letterlijk een vierde deel.

Hier is het Herodes Antipas, een zoon van de Herodes uit 2:1.

Hij regeerde over Galilea.

Zie ook Mark. 6:14–29; Luc. 9:7–9.

2Herodes zei tegen zijn knechten: „Dit is Johannes de Doper. Johannes zelf is opgewekt uit de doden, en daarom werken de krachten in hem.”
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
τοῖς
(tois)
tegen de
παισὶν
(paisin)
knechten
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Οὗτός
(Houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
ὁ
(ho)
de
βαπτιστής
(baptistes)
doper
αὐτὸς
(autos)
hij zelf
ἠγέρθη
(egerthe)
is opgewekt
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
νεκρῶν
(nekron)
doden
καὶ
(kai)
en
διὰ
(dia)
vanwege
τοῦτο
(touto)
dit
αἱ
(hai)
de
δυνάμεις
(dynameis)
krachten
ἐνεργοῦσιν
(energousin)
werken
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

παῖς (pais), ‘knecht’: iemand die de koning dient. δυνάμεις (dynameis), ‘krachten’: krachtige werken, wonderen.

De dood van Johannes de Doper

3Want Herodes had Johannes gegrepen, hem gebonden en in de gevangenis gezet, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus.
Ὁ
(Ho)
de
γὰρ
(gar)
want
Ἡρῴδης
(Herodes)
Herodes
κρατήσας
(kratesas)
gegrepen hebbend
τὸν
(ton)
de
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
ἔδησεν
(edesen)
bond
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
φυλακῇ
(phylake)
gevangenis
ἀπέθετο
(apetheto)
zette
διὰ
(dia)
vanwege
Ἡρῳδιάδα
(Herodiada)
Herodias
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
Φιλίππου
(Philippou)
van Filippus
τοῦ
(tou)
de
ἀδελφοῦ
(adelphou)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Herodias was de vrouw van Filippus, een broer van Herodes.

4Johannes zei namelijk steeds tegen hem: „Het is u niet geoorloofd haar te hebben.”
ἔλεγεν
(elegen)
zei steeds
γὰρ
(gar)
want
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἔξεστίν
(exestin)
is geoorloofd
σοι
(soi)
u
ἔχειν
(echein)
te hebben
αὐτήν
(auten)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

Johannes verwijst naar de wet over de vrouw van een broer (Lev. 18:16; 20:21).

5Herodes wilde hem doden, maar hij was bang voor de menigte, omdat zij hem voor een profeet hielden.
καὶ
(kai)
en
θέλων
(thelon)
willend
αὐτὸν
(auton)
hem
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
doden
ἐφοβήθη
(ephobethe)
was bang
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
ὅτι
(hoti)
omdat
ὡς
(hos)
als
προφήτην
(propheten)
profeet
αὐτὸν
(auton)
hem
εἶχον
(eichon)
hielden
Bron: SBLGNT
6Toen Herodes zijn verjaardag vierde, danste de dochter van Herodias in het midden. Zij viel bij Herodes in de smaak.
γενεσίοις
(genesiois)
verjaardag
δὲ
(de)
maar
γενομένοις
(genomenois)
gevierd wordend
τοῦ
(tou)
van de
Ἡρῴδου
(Herodou)
Herodes
ὠρχήσατο
(orchesato)
danste
ἡ
(he)
de
θυγάτηρ
(thygater)
dochter
τῆς
(tes)
van de
Ἡρῳδιάδος
(Herodiados)
Herodias
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
μέσῳ
(meso)
midden
καὶ
(kai)
en
ἤρεσεν
(eresen)
viel in de smaak
τῷ
(to)
bij de
Ἡρῴδῃ
(Herode)
Herodes
Bron: SBLGNT
Uitleg

γενέσια (genesia), ‘verjaardagsfeest’: het feest op de geboortedag.

7Daarom beloofde hij haar onder ede te geven wat zij ook zou vragen.
ὅθεν
(hothen)
daarom
μετὰ
(meta)
met
ὅρκου
(horkou)
eed
ὡμολόγησεν
(homologesen)
beloofde
αὐτῇ
(aute)
haar
δοῦναι
(dounai)
te geven
ὃ
(ho)
wat
ἐὰν
(ean)
ook maar
αἰτήσηται
(aitesetai)
zij zou vragen
Bron: SBLGNT
8Aangezet door haar moeder zei zij: „Geef mij hier op een schaal het hoofd van Johannes de Doper.”
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
προβιβασθεῖσα
(probibastheisa)
aangezet
ὑπὸ
(hypo)
door
τῆς
(tes)
de
μητρὸς
(metros)
moeder
αὐτῆς
(autes)
haar
Δός
(Dos)
geef
μοι
(moi)
mij
φησίν
(phesin)
zegt zij
ὧδε
(hode)
hier
ἐπὶ
(epi)
op
πίνακι
(pinaki)
schaal
τὴν
(ten)
het
κεφαλὴν
(kephalen)
hoofd
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
τοῦ
(tou)
de
βαπτιστοῦ
(baptistou)
doper
Bron: SBLGNT
9De koning werd bedroefd. Vanwege de eden en de tafelgenoten gaf hij bevel het te geven.
καὶ
(kai)
en
λυπηθεὶς
(lypetheis)
bedroefd geworden
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
διὰ
(dia)
vanwege
τοὺς
(tous)
de
ὅρκους
(horkous)
eden
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
συνανακειμένους
(synanakeimenous)
tafelgenoten
ἐκέλευσεν
(ekeleusen)
gaf bevel
δοθῆναι
(dothenai)
het te geven
Bron: SBLGNT
10Herodes stuurde iemand en liet Johannes in de gevangenis onthoofden.
καὶ
(kai)
en
πέμψας
(pempsas)
gestuurd hebbend
ἀπεκεφάλισεν
(apekephalisen)
onthoofdde
τὸν
(ton)
de
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
φυλακῇ
(phylake)
gevangenis
Bron: SBLGNT
Uitleg

In het Grieks staat: ‘hij stuurde en onthoofdde Johannes’.

Wij hebben ‘iemand’ en ‘liet’ aangevuld, omdat het Nederlands een uitvoerder nodig heeft.

11Het hoofd van Johannes werd op een schaal gebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het naar haar moeder.
καὶ
(kai)
en
ἠνέχθη
(enechthe)
werd gebracht
ἡ
(he)
het
κεφαλὴ
(kephale)
hoofd
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἐπὶ
(epi)
op
πίνακι
(pinaki)
schaal
καὶ
(kai)
en
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
τῷ
(to)
aan het
κορασίῳ
(korasio)
meisje
καὶ
(kai)
en
ἤνεγκεν
(enenken)
bracht het
τῇ
(te)
aan de
μητρὶ
(metri)
moeder
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
12De leerlingen van Johannes kwamen, namen het lichaam mee en begroeven hem. Daarna gingen zij naar Yeshua en vertelden het Hem.
καὶ
(kai)
en
προσελθόντες
(proselthontes)
gekomen
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἦραν
(eran)
namen weg
τὸ
(to)
het
πτῶμα
(ptoma)
lichaam
καὶ
(kai)
en
ἔθαψαν
(ethapsan)
begroeven
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἐλθόντες
(elthontes)
gekomen
ἀπήγγειλαν
(apengeilan)
vertelden
τῷ
(to)
aan
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Bron: SBLGNT

Yeshua geeft 5000 mannen te eten

13Toen Yeshua dat hoorde, vertrok Hij vandaar in een boot naar een verlaten plaats, om apart te zijn. De menigten hoorden het en volgden Hem te voet vanuit de steden.
Ἀκούσας
(Akousas)
horend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἀνεχώρησεν
(anechoresen)
vertrok
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
ἐν
(en)
in
πλοίῳ
(ploio)
boot
εἰς
(eis)
naar
ἔρημον
(eremon)
verlaten
τόπον
(topon)
plaats
κατ’
(kat’)
in
ἰδίαν
(idian)
afzondering
καὶ
(kai)
en
ἀκούσαντες
(akousantes)
horend
οἱ
(hoi)
de
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
αὐτῷ
(auto)
Hem
πεζῇ
(peze)
te voet
ἀπὸ
(apo)
vanuit
τῶν
(ton)
de
πόλεων
(poleon)
steden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔρημος τόπος (eremos topos), ‘verlaten plaats’: een onbewoonde plek.

Welke plaats het is, is niet bekend.

Zie ook Mark. 6:30–44; Luc. 9:10–17; Joh. 6:1–13.

14Toen Hij uitstapte, zag Hij een grote menigte. Hij kreeg medelijden met hen en genas hun zieken.
καὶ
(kai)
en
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgegaan
εἶδεν
(eiden)
zag
πολὺν
(polyn)
grote
ὄχλον
(ochlon)
menigte
καὶ
(kai)
en
ἐσπλαγχνίσθη
(esplanchnisthe)
kreeg medelijden
ἐπ’
(ep’)
met
αὐτοῖς
(autois)
hen
καὶ
(kai)
en
ἐθεράπευσεν
(etherapeusen)
genas
τοὺς
(tous)
de
ἀρρώστους
(arrostous)
zieken
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξελθών (exelthon) is letterlijk ‘naar buiten komend’.

Wij nemen aan dat Yeshua uit de boot stapt.

σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden hebben’: van σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’, de plaats van de diepe gevoelens.

15Toen het avond werd, kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden: „Deze plaats is verlaten en het is al laat. Stuur de menigten weg, zodat zij naar de dorpen gaan en eten voor zichzelf kopen.”
ὀψίας
(opsias)
avond
δὲ
(de)
maar
γενομένης
(genomenes)
geworden
προσῆλθον
(proselthon)
kwamen naar
αὐτῷ
(auto)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἔρημός
(Eremos)
verlaten
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
τόπος
(topos)
plaats
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
het
ὥρα
(hora)
uur
ἤδη
(ede)
al
παρῆλθεν
(parelthen)
is voorbij
ἀπόλυσον
(apolyson)
stuur weg
τοὺς
(tous)
de
ὄχλους
(ochlous)
menigten
ἵνα
(hina)
opdat
ἀπελθόντες
(apelthontes)
weggegaan
εἰς
(eis)
naar
τὰς
(tas)
de
κώμας
(komas)
dorpen
ἀγοράσωσιν
(agorasosin)
zij kopen
ἑαυτοῖς
(heautois)
voor zichzelf
βρώματα
(bromata)
voedsel
Bron: SBLGNT
16Yeshua zei tegen hen: „Zij hoeven niet weg te gaan. Geef hun zelf te eten.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Οὐ
(Ou)
niet
χρείαν
(chreian)
behoefte
ἔχουσιν
(echousin)
hebben zij
ἀπελθεῖν
(apelthein)
weg te gaan
δότε
(dote)
geef
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie zelf
φαγεῖν
(phagein)
te eten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑμεῖς (hymeis), ‘jullie’, staat in het Grieks erbij en legt nadruk.

Wij vertalen dat met ‘zelf’: ‘geef hun zelf te eten’.

17Zij zeiden tegen Hem: „Wij hebben hier alleen 5 broden en 2 vissen.”
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἔχομεν
(echomen)
hebben wij
ὧδε
(hode)
hier
εἰ
(ei)
tenzij
μὴ
(me)
alleen
πέντε
(pente)
5
ἄρτους
(artous)
broden
καὶ
(kai)
en
δύο
(dyo)
2
ἰχθύας
(ichthyas)
vissen
Bron: SBLGNT
18Hij zei: „Breng ze hier bij Mij.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Φέρετέ
(Pherete)
breng
μοι
(moi)
mij
ὧδε
(hode)
hier
αὐτούς
(autous)
ze
Bron: SBLGNT
19Hij gaf de menigten opdracht in het gras te gaan zitten. Hij nam de 5 broden en de 2 vissen, keek op naar de hemel en sprak de zegen uit. Hij brak de broden en gaf ze aan de leerlingen. De leerlingen gaven ze aan de menigten.
καὶ
(kai)
en
κελεύσας
(keleusas)
bevelend
τοὺς
(tous)
de
ὄχλους
(ochlous)
menigten
ἀνακλιθῆναι
(anaklithenai)
te gaan zitten
ἐπὶ
(epi)
op
τοῦ
(tou)
het
χόρτου
(chortou)
gras
λαβὼν
(labon)
genomen hebbend
τοὺς
(tous)
de
πέντε
(pente)
5
ἄρτους
(artous)
broden
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
δύο
(dyo)
2
ἰχθύας
(ichthyas)
vissen
ἀναβλέψας
(anablepsas)
opgekeken hebbend
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
οὐρανὸν
(ouranon)
hemel
εὐλόγησεν
(eulogesen)
zegende
καὶ
(kai)
en
κλάσας
(klasas)
gebroken hebbend
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
τοὺς
(tous)
de
ἄρτους
(artous)
broden
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
τοῖς
(tois)
aan de
ὄχλοις
(ochlois)
menigten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀνακλιθῆναι (anaklithenai) is letterlijk ‘neerliggen’, zoals men aan tafel lag.

Hier zit of ligt de menigte in het gras.

20Allen aten en werden verzadigd. Zij namen op wat er overbleef van de stukken: twaalf manden vol.
καὶ
(kai)
en
ἔφαγον
(ephagon)
aten
πάντες
(pantes)
allen
καὶ
(kai)
en
ἐχορτάσθησαν
(echortasthesan)
werden verzadigd
καὶ
(kai)
en
ἦραν
(eran)
namen op
τὸ
(to)
wat
περισσεῦον
(perisseuon)
overbleef
τῶν
(ton)
van de
κλασμάτων
(klasmaton)
stukken
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
κοφίνους
(kophinous)
manden
πλήρεις
(plereis)
vol
Bron: SBLGNT
Uitleg

κόφινος (kophinos), ‘mand’: een mand van gevlochten materiaal.

In 15:37 staat een ander woord, σπυρίς (spyris); wij vertalen dat als ‘grote mand’.

In 16:9–10 houdt Yeshua beide woorden uit elkaar.

21Zij die aten, waren ongeveer 5000 mannen, zonder vrouwen en kinderen.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἐσθίοντες
(esthiontes)
etenden
ἦσαν
(esan)
waren
ἄνδρες
(andres)
mannen
ὡσεὶ
(hosei)
ongeveer
πεντακισχίλιοι
(pentakischilioi)
5000
χωρὶς
(choris)
zonder
γυναικῶν
(gynaikon)
vrouwen
καὶ
(kai)
en
παιδίων
(paidion)
kinderen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄνδρες (andres), ‘mannen’: het getal telt alleen de volwassen mannen.

Yeshua loopt over de zee

22Meteen dwong Hij de leerlingen in de boot te stappen en voor Hem uit naar de overkant te gaan, totdat Hij de menigten had weggestuurd.
Καὶ
(Kai)
en
εὐθέως
(eutheos)
meteen
ἠνάγκασεν
(enankasen)
dwong
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
ἐμβῆναι
(embenai)
in te stappen
εἰς
(eis)
in
πλοῖον
(ploion)
boot
καὶ
(kai)
en
προάγειν
(proagein)
voor te gaan
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
πέραν
(peran)
overkant
ἕως
(heos)
totdat
οὗ
(hou)
hij
ἀπολύσῃ
(apolyse)
had weggestuurd
τοὺς
(tous)
de
ὄχλους
(ochlous)
menigten
Bron: SBLGNT
23Nadat Hij de menigten had weggestuurd, ging Hij de berg op om apart te bidden. Toen het avond geworden was, was Hij daar alleen.
καὶ
(kai)
en
ἀπολύσας
(apolysas)
weggestuurd hebbend
τοὺς
(tous)
de
ὄχλους
(ochlous)
menigten
ἀνέβη
(anebe)
ging op
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
ὄρος
(oros)
berg
κατ’
(kat’)
in
ἰδίαν
(idian)
afzondering
προσεύξασθαι
(proseuxasthai)
om te bidden
ὀψίας
(opsias)
avond
δὲ
(de)
maar
γενομένης
(genomenes)
geworden
μόνος
(monos)
alleen
ἦν
(en)
was
ἐκεῖ
(ekei)
daar
Bron: SBLGNT
24De boot was al vele stadiën van het land verwijderd en werd door de golven geteisterd, want de wind was tegen.
τὸ
(to)
de
δὲ
(de)
maar
πλοῖον
(ploion)
boot
ἤδη
(ede)
al
σταδίους
(stadious)
stadiën
πολλοὺς
(pollous)
vele
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
het
γῆς
(ges)
land
ἀπεῖχεν
(apeichen)
was verwijderd
βασανιζόμενον
(basanizomenon)
geteisterd
ὑπὸ
(hypo)
door
τῶν
(ton)
de
κυμάτων
(kymaton)
golven
ἦν
(en)
was
γὰρ
(gar)
want
ἐναντίος
(enantios)
tegen
ὁ
(ho)
de
ἄνεμος
(anemos)
wind
Bron: SBLGNT
Uitleg

Een stadie (στάδιον) is ongeveer 185 meter.

25In de vierde nachtwake kwam Hij naar hen toe, lopend over de zee.
τετάρτῃ
(tetarte)
vierde
δὲ
(de)
maar
φυλακῇ
(phylake)
nachtwake
τῆς
(tes)
van de
νυκτὸς
(nyktos)
nacht
ἦλθεν
(elthen)
kwam
πρὸς
(pros)
naar
αὐτοὺς
(autous)
hen
περιπατῶν
(peripaton)
lopend
ἐπὶ
(epi)
over
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

Uitleg

De nacht was verdeeld in vier wakes.

De vierde nachtwake is ongeveer van drie tot zes uur ’s ochtends.

θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het gaat om het meer van Galilea, in het Hebreeuws de ‘zee van Kinneret’ (Num. 34:11).

Zie ookNum 34:11
26Toen de leerlingen Hem over de zee zagen lopen, schrokken zij en zeiden: „Het is een spook!” Van angst schreeuwden zij het uit.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
ἰδόντες
(idontes)
gezien hebbend
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐπὶ
(epi)
over
τῆς
(tes)
de
θαλάσσης
(thalasses)
zee
περιπατοῦντα
(peripatounta)
lopend
ἐταράχθησαν
(etarachthesan)
schrokken
λέγοντες
(legontes)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Φάντασμά
(Phantasma)
spook
ἐστιν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
φόβου
(phobou)
angst
ἔκραξαν
(ekraxan)
schreeuwden
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

Uitleg

φάντασμα (phantasma), ‘spook’: een verschijning van iemand of iets dat er niet echt is.

27Meteen sprak Yeshua tot hen en zei: „Heb moed! Ik ben het. Wees niet bang.”
εὐθὺς
(euthys)
meteen
δὲ
(de)
maar
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
λέγων
(legon)
zeggend
Θαρσεῖτε
(Tharseite)
heb moed
ἐγώ
(ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
μὴ
(me)
niet
φοβεῖσθε
(phobeisthe)
wees bang
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐγώ εἰμι (ego eimi) is letterlijk ‘Ik ben’.

In dit verband betekent het ‘Ik ben het’.

28Petrus antwoordde Hem: „Heer, als U het bent, beveel mij naar U toe te komen over het water.”
Ἀποκριθεὶς
(Apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
αὐτῷ
(auto)
Hem
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
εἶπεν
(eipen)
zei
Κύριε
(Kyrie)
Heer
εἰ
(ei)
als
σὺ
(sy)
U
εἶ
(ei)
bent
κέλευσόν
(keleuson)
beveel
με
(me)
mij
ἐλθεῖν
(elthein)
te komen
πρὸς
(pros)
naar
σὲ
(se)
U
ἐπὶ
(epi)
over
τὰ
(ta)
de
ὕδατα
(hydata)
wateren
Bron: SBLGNT
29Hij zei: „Kom.” Petrus stapte uit de boot, liep over het water en ging naar Yeshua toe.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἐλθέ
(Elthe)
kom
καὶ
(kai)
en
καταβὰς
(katabas)
afgedaald
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
πλοίου
(ploiou)
boot
Πέτρος
(Petros)
Petrus
περιεπάτησεν
(periepatesen)
liep
ἐπὶ
(epi)
over
τὰ
(ta)
de
ὕδατα
(hydata)
wateren
καὶ
(kai)
en
ἦλθεν
(elthen)
kwam
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
Bron: SBLGNT
30Maar toen hij de sterke wind zag, werd hij bang. Petrus begon te zinken en riep: „Heer, red mij!”
βλέπων
(blepon)
kijkend
δὲ
(de)
maar
τὸν
(ton)
naar de
ἄνεμον
(anemon)
wind
ἰσχυρὸν
(ischyron)
sterke
ἐφοβήθη
(ephobethe)
werd bang
καὶ
(kai)
en
ἀρξάμενος
(arxamenos)
beginnend
καταποντίζεσθαι
(katapontizesthai)
te zinken
ἔκραξεν
(ekraxen)
riep
λέγων
(legon)
zeggend
Κύριε
(Kyrie)
Heer
σῶσόν
(soson)
red
με
(me)
mij
Bron: SBLGNT
31Meteen stak Yeshua Zijn hand uit en greep hem vast. Hij zei tegen hem: „Kleingelovige, waarom twijfelde je?”
εὐθέως
(eutheos)
meteen
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐκτείνας
(ekteinas)
uitstrekkend
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
ἐπελάβετο
(epelabeto)
greep vast
αὐτοῦ
(autou)
hem
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ὀλιγόπιστε
(Oligopiste)
kleingelovige
εἰς
(eis)
tot
τί
(ti)
wat
ἐδίστασας
(edistasas)
twijfelde je
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὀλιγόπιστος (oligopistos), ‘kleingelovige’: iemand met weinig geloof.

32Toen zij in de boot stapten, ging de wind liggen.
καὶ
(kai)
en
ἀναβάντων
(anabanton)
opgestapt zijnde
αὐτῶν
(auton)
zij
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
πλοῖον
(ploion)
boot
ἐκόπασεν
(ekopasen)
ging liggen
ὁ
(ho)
de
ἄνεμος
(anemos)
wind
Bron: SBLGNT
33Zij die in de boot zaten, bogen zich voor Hem neer en zeiden: „Werkelijk, U bent Zoon van Elohim.”
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
πλοίῳ
(ploio)
boot
προσεκύνησαν
(prosekynesan)
bogen zich neer
αὐτῷ
(auto)
voor Hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἀληθῶς
(Alethos)
werkelijk
θεοῦ
(theou)
van Elohim
υἱὸς
(huios)
Zoon
εἶ
(ei)
bent U
Bron: SBLGNT
Uitleg

προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: zie 2:2. θεοῦ υἱός (theou huios), ‘Zoon van Elohim’, staat zonder lidwoord, zoals in 4:3.

Yeshua geneest de zieken van Gennesaret

34Zij staken over en kwamen aan land bij Gennesaret.
Καὶ
(Kai)
en
διαπεράσαντες
(diaperasantes)
overgestoken zijnde
ἦλθον
(elthon)
kwamen
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
het
γῆν
(gen)
land
εἰς
(eis)
naar
Γεννησαρέτ
(Gennesaret)
Gennesaret
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Gennesaret: Gennesaret is de vruchtbare vlakte aan de noordwestkant van het meer van Galilea, ten zuiden van Kapernaüm.

Uitleg

Γεννησαρέτ (Gennesaret) is een vruchtbare vlakte aan de westkant van het meer van Galilea.

35De mannen van die plaats herkenden Hem en zonden bericht naar heel die omgeving. Zij brachten alle zieken bij Hem.
καὶ
(kai)
en
ἐπιγνόντες
(epignontes)
herkend hebbend
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
ἄνδρες
(andres)
mannen
τοῦ
(tou)
van de
τόπου
(topou)
plaats
ἐκείνου
(ekeinou)
die
ἀπέστειλαν
(apesteilan)
zonden
εἰς
(eis)
naar
ὅλην
(holen)
hele
τὴν
(ten)
de
περίχωρον
(perichoron)
omgeving
ἐκείνην
(ekeinen)
die
καὶ
(kai)
en
προσήνεγκαν
(prosenenkan)
brachten
αὐτῷ
(auto)
bij Hem
πάντας
(pantas)
alle
τοὺς
(tous)
de
κακῶς
(kakos)
slecht
ἔχοντας
(echontas)
hebbenden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft ‘zij zonden naar heel die omgeving’.

Wij hebben ‘bericht’ aangevuld.

36Zij smeekten Hem of zij alleen de kwast van Zijn mantel mochten aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden gered.
καὶ
(kai)
en
παρεκάλουν
(parekaloun)
smeekten
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἵνα
(hina)
opdat
μόνον
(monon)
alleen
ἅψωνται
(hapsontai)
zij zouden aanraken
τοῦ
(tou)
de
κρασπέδου
(kraspedou)
kwast
τοῦ
(tou)
van de
ἱματίου
(himatiou)
mantel
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ὅσοι
(hosoi)
allen die
ἥψαντο
(hepsanto)
raakten aan
διεσώθησαν
(diesothesan)
werden gered
Bron: SBLGNT
Uitleg

κράσπεδον (kraspedon), ‘kwast’ of ‘rand’: de Israëlieten moesten kwasten maken aan de hoeken van hun kleren (Num. 15:38–39; Deut. 22:12).

διασῴζω (diasozo), ‘gered worden’: hier gaat het om redding van de ziekte, dus genezing.