Elohim Bijbel

Exodus 13

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De eerstgeborenen, de ongezuurde broden en de weg door de woestijn

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De eerstgeborenen zijn voor Yahweh

1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Wijd Mij elke eerstgeborene, elke eerste die de moederschoot opent onder de zonen van Israël, bij mens en dier. Hij is van Mij.”
קַדֶּשׁ
(qadesh)
wijd
לִ֨י
(li)
aan Mij
כָל
(kal)
elke
בְּכ֜וֹר
(bekhor)
eerstgeborene
פֶּ֤טֶר
(peter)
opener van
כָּל
(kal)
elke
רֶ֨חֶם֙
(rechem)
moederschoot
בִּבְנֵ֣י
(bivnei)
onder de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בָּאָדָ֖ם
(baadam)
bij mens
וּבַבְּהֵמָ֑ה
(uvabehema)
en bij dier
לִ֖י
(li)
van Mij
הֽוּא
(hu)
is hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּטֶר רֶחֶם (peter rechem), ‘opener van de moederschoot’, is de eerstgeborene.

Zowel mens als dier is aan Yahweh gewijd; zie 22:28–29; 34:19–20; Num. 3:11–13; 18:15–16.

Gedenk deze dag

3Mozes zei tot het volk: „Gedenk deze dag waarop jullie uit Egypte, uit het slavenhuis, zijn getrokken. Want met sterke hand heeft Yahweh jullie hieruit geleid. Er mag niets gezuurds gegeten worden.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
זָכ֞וֹר
(zakhor)
gedenk
אֶת
(et)
(obj.)
הַיּ֤וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarop
יְצָאתֶ֤ם
(yetsatem)
jullie uittrokken
מִמִּצְרַ֨יִם֙
(mimitsrayim)
uit Egypte
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
עֲבָדִ֔ים
(avadim)
slaven
כִּ֚י
(ki)
want
בְּחֹ֣זֶק
(bechozeq)
met sterkte van
יָ֔ד
(yad)
hand
הוֹצִ֧יא
(hotsi)
leidde uit
יְהֹוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מִזֶּ֑ה
(mize)
vanhier
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יֵאָכֵ֖ל
(yeakhel)
zal gegeten worden
חָמֵֽץ
(chamets)
gezuurd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

4Vandaag trekken jullie uit, in de maand Aviv.
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
יֹצְאִ֑ים
(yotseim)
uittrekkende
בְּחֹ֖דֶשׁ
(bechodesh)
in de maand
הָאָבִֽיב
(haaviv)
Aviv
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Aviv (הָאָבִיב, ha’aviv) is de maand waarin de gerst in aar staat (vergelijk 9:31); later heet zij Nisan (Neh. 2:1; Est. 3:7).

5Wanneer Yahweh je brengt in het land van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Chiwwieten en Jebusieten, dat Hij aan je vaders gezworen heeft je te geven, een land dat overvloeit van melk en honing, dan moet je deze dienst houden in deze maand.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִֽי
(ki)
wanneer
יְבִֽיאֲךָ֣
(yeviakha)
zal brengen jou
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
הַֽ֠כְּנַעֲנִי
(hakenaani)
de Kanaäniet
וְהַחִתִּ֨י
(vehachiti)
en de Hethiet
וְהָאֱמֹרִ֜י
(vehaemori)
en de Amoriet
וְהַחִוִּ֣י
(vehachivi)
en de Chiwwiet
וְהַיְבוּסִ֗י
(vehayvusi)
en de Jebusiet
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֤ע
(nishba)
Hij zwoer
לַאֲבֹתֶ֨יךָ֙
(laavoteikha)
aan je vaders
לָ֣תֶת
(latet)
om te geven
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jou
אֶ֛רֶץ
(erets)
een land
זָבַ֥ת
(zavat)
vloeiend van
חָלָ֖ב
(chalav)
melk
וּדְבָ֑שׁ
(udevash)
en honing
וְעָבַדְתָּ֛
(veavadta)
dan zul je houden
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֲבֹדָ֥ה
(haavoda)
de dienst
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
בַּחֹ֥דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De volkerenlijst heeft hier vijf namen (zonder Perizzieten); zie 3:8, 17 voor zes.

6Zeven dagen moet je ongezuurde broden eten, en op de zevende dag is er een feest voor Yahweh.
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
תֹּאכַ֣ל
(tokhal)
zul je eten
מַצֹּ֑ת
(matsot)
ongezuurde broden
וּבַיּוֹם֙
(uvayom)
en op de dag
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
zevende
חַ֖ג
(chag)
feest
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Ongezuurde broden moeten gedurende de zeven dagen gegeten worden. Er mag bij jou niets gezuurds gezien worden, en er mag bij jou geen zuurdeeg gezien worden in heel je gebied.
מַצּוֹת֙
(matsot)
ongezuurde broden
יֵֽאָכֵ֔ל
(yeakhel)
zullen gegeten worden
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
de zeven
הַיָּמִ֑ים
(hayamim)
dagen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יֵרָאֶ֨ה
(yerae)
zal gezien worden
לְךָ֜
(lekha)
bij jou
חָמֵ֗ץ
(chamets)
gezuurd
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יֵרָאֶ֥ה
(yerae)
zal gezien worden
לְךָ֛
(lekha)
bij jou
שְׂאֹ֖ר
(seor)
zuurdeeg
בְּכָל
(bekhal)
in heel
גְּבֻלֶֽךָ
(gevulekha)
je gebied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Op die dag moet je tot je zoon zeggen: ‘Dit is vanwege wat Yahweh voor mij heeft gedaan toen ik uit Egypte trok.’
וְהִגַּדְתָּ֣
(vehigadta)
en je zult vertellen
לְבִנְךָ֔
(levinkha)
aan je zoon
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
בַּעֲב֣וּר
(baavur)
omwille van
זֶ֗ה
(ze)
dit
עָשָׂ֤ה
(asa)
deed
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לִ֔י
(li)
voor mij
בְּצֵאתִ֖י
(betseti)
toen ik uittrok
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

9Het zal voor jou een teken zijn op je hand en een gedachtenis tussen je ogen, opdat de wet van Yahweh in je mond is. Want met sterke hand heeft Yahweh je uit Egypte geleid.
וְהָיָה֩
(vehaya)
en het zal zijn
לְךָ֨
(lekha)
voor jou
לְא֜וֹת
(leot)
tot een teken
עַל
(al)
op
יָדְךָ֗
(yadekha)
je hand
וּלְזִכָּרוֹן֙
(ulezikaron)
en tot een gedachtenis
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
עֵינֶ֔יךָ
(eineikha)
je ogen
לְמַ֗עַן
(lemaan)
opdat
תִּהְיֶ֛ה
(tihye)
zal zijn
תּוֹרַ֥ת
(torat)
de wet van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּפִ֑יךָ
(befikha)
in je mond
כִּ֚י
(ki)
want
בְּיָ֣ד
(beyad)
met hand
חֲזָקָ֔ה
(chazaqa)
sterke
הוֹצִֽאֲךָ֥
(hotsiakha)
leidde je uit
יְהֹוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

‘Een teken op je hand en een gedachtenis tussen je ogen’ is een beeldspraak voor het voortdurend gedenken van Yahweh’s daad; later is het letterlijk opgevat in de gebedsriemen (tefillin; zie Deut. 6:8; 11:18).

10Je moet deze verordening houden op haar vastgestelde tijd, van jaar tot jaar.
וְשָׁמַרְתָּ֛
(veshamarta)
en je zult houden
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֻקָּ֥ה
(hachuqa)
de verordening
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
לְמוֹעֲדָ֑הּ
(lemoadah)
op haar tijd
מִיָּמִ֖ים
(miyamim)
van jaar
יָמִֽימָה
(yamima)
tot jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Wanneer Yahweh je brengt in het land van de Kanaänieten, zoals Hij jou en je vaders gezworen heeft, en het aan jou geeft,
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
יְבִֽאֲךָ֤
(yeviakha)
zal brengen jou
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
הַֽכְּנַעֲנִ֔י
(hakenaani)
de Kanaäniet
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
נִשְׁבַּ֥ע
(nishba)
Hij zwoer
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
וְלַֽאֲבֹתֶ֑יךָ
(velaavoteikha)
en aan je vaders
וּנְתָנָ֖הּ
(unetanah)
en het zal geven
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 13:5
12dan moet je alles wat de moederschoot opent aan Yahweh overdragen, en ook elke eerste worp van het vee dat jij hebt. De mannelijke zijn van Yahweh.
וְהַעֲבַרְתָּ֥
(vehaavarta)
dan zul je overdragen
כָל
(kal)
elke
פֶּֽטֶר
(peter)
opener van
רֶ֖חֶם
(rechem)
moederschoot
לַֽיהֹוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְכָל
(vekhal)
en elke
פֶּ֣טֶר
(peter)
eerste van
שֶׁ֣גֶר
(sheger)
worp van
בְּהֵמָ֗ה
(behema)
vee
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לְךָ֛
(lekha)
aan jou
הַזְּכָרִ֖ים
(hazekharim)
de mannetjes
לַיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Elke eerste ezel moet je lossen met een lam; en als je hem niet lost, moet je zijn nek breken. Elke eerstgeborene van de mensen onder je zonen moet je lossen.
וְכָל
(vekhal)
en elke
פֶּ֤טֶר
(peter)
eerste van
חֲמֹר֙
(chamor)
ezel
תִּפְדֶּ֣ה
(tifde)
zul je lossen
בְשֶׂ֔ה
(bese)
met een lam
וְאִם
(veim)
en indien
לֹ֥א
(lo)
niet
תִפְדֶּ֖ה
(tifde)
je lost
וַעֲרַפְתּ֑וֹ
(vaarafto)
dan zul je zijn nek breken
וְכֹ֨ל
(vekhol)
en elke
בְּכ֥וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
אָדָ֛ם
(adam)
mens
בְּבָנֶ֖יךָ
(bevaneikha)
onder je zonen
תִּפְדֶּֽה
(tifde)
zul je lossen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een eerste ezel kan niet geofferd worden (ezels zijn onrein; Lev. 11:2–3), daarom moet hij worden gelost met een lam.

Wordt hij niet gelost, dan wordt zijn nek gebroken.

14En wanneer je zoon je later vraagt: ‘Wat is dit?’, dan moet je tot hem zeggen: ‘Met sterke hand heeft Yahweh ons uit Egypte, uit het slavenhuis, geleid.
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִשְׁאָלְךָ֥
(yishalekha)
zal vragen jou
בִנְךָ֛
(binkha)
je zoon
מָחָ֖ר
(machar)
morgen
לֵאמֹ֣ר
(lemor)
zeggende
מַה
(ma)
wat
זֹּ֑את
(zot)
dit
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
dan zul je zeggen
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
בְּחֹ֣זֶק
(bechozeq)
met sterkte van
יָ֗ד
(yad)
hand
הוֹצִיאָ֧נוּ
(hotsianu)
leidde ons uit
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מִמִּצְרַ֖יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit het huis van
עֲבָדִֽים
(avadim)
slaven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

15Toen de farao zich verhardde en ons niet wilde laten gaan, doodde Yahweh elke eerstgeborene in het land Egypte, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het vee. Daarom offer ik aan Yahweh alle mannelijke dieren die de moederschoot openen, en elke eerstgeborene van mijn zonen los ik.’
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het geschiedde
כִּֽי
(ki)
toen
הִקְשָׁ֣ה
(hiqsha)
hij zich verhardde
פַרְעֹה֮
(paro)
de farao
לְשַׁלְּחֵנוּ֒
(leshalechenu)
om ons te laten gaan
וַיַּהֲרֹ֨ג
(vayaharog)
toen doodde
יְהֹוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
elke
בְּכוֹר֙
(bekhor)
eerstgeborene
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
מִבְּכֹ֥ר
(mibekhor)
van de eerstgeborene van
אָדָ֖ם
(adam)
mens
וְעַד
(vead)
tot
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
בְּהֵמָ֑ה
(behema)
vee
עַל
(al)
op
כֵּן֩
(ken)
zo
אֲנִ֨י
(ani)
ik
זֹבֵ֜חַ
(zoveach)
offer
לַֽיהוָ֗ה
(laYahweh)
aan Yahweh
כָּל
(kal)
elke
פֶּ֤טֶר
(peter)
opener van
רֶ֨חֶם֙
(rechem)
moederschoot
הַזְּכָרִ֔ים
(hazekharim)
de mannetjes
וְכָל
(vekhal)
en elke
בְּכ֥וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
בָּנַ֖י
(banay)
mijn zonen
אֶפְדֶּֽה
(efde)
los ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie ookEx 12:29
16Het zal een teken zijn op je hand en een voorhoofdsband tussen je ogen, want met sterke hand heeft Yahweh ons uit Egypte geleid.”
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
לְאוֹת֙
(leot)
tot een teken
עַל
(al)
op
יָ֣דְכָ֔ה
(yadekha)
je hand
וּלְטוֹטָפֹ֖ת
(uletotafot)
en tot een voorhoofdsband
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
עֵינֶ֑יךָ
(eineikha)
je ogen
כִּ֚י
(ki)
want
בְּחֹ֣זֶק
(bechozeq)
met sterkte van
יָ֔ד
(yad)
hand
הוֹצִיאָ֥נוּ
(hotsianu)
leidde ons uit
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

טוֹטָפֹת (totafot) betekent ‘voorhoofdsband’ of ‘hoofdband’; de oorsprong van het woord is onzeker.

Elohim leidt Zijn volk

17Toen de farao het volk had laten gaan, leidde Elohim hen niet langs de weg door het land van de Filistijnen, hoewel die dichtbij was. Want Elohim zei: „Het volk zou berouw kunnen krijgen als het oorlog ziet, en naar Egypte terugkeren.”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het geschiedde
בְּשַׁלַּ֣ח
(beshalach)
toen liet gaan
פַּרְעֹה֮
(paro)
de farao
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָם֒
(haam)
het volk
וְלֹא
(velo)
en niet
נָחָ֣ם
(nacham)
leidde hen
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
דֶּ֚רֶךְ
(derekh)
de weg van
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
כִּ֥י
(ki)
omdat
קָר֖וֹב
(qarov)
nabij
ה֑וּא
(hu)
het is
כִּ֣י
(ki)
want
אָמַ֣ר
(amar)
zei
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
פֶּֽן
(pen)
opdat niet
יִנָּחֵ֥ם
(yinachem)
zich bedenkt
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
בִּרְאֹתָ֥ם
(birotam)
bij hun zien van
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
oorlog
וְשָׁ֥בוּ
(veshavu)
en terugkeren
מִצְרָֽיְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De weg door het land van de Filistijnen, ‘de weg langs de zee’, liep langs de Middellandse Zee naar Kanaän.

Elohim liet het volk via de woestijn naar de Rietzee omkeren.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

De Egyptische forten langs deze kustweg zouden Israël hebben afgeschrikt.

18Elohim liet het volk omkeren langs de weg door de woestijn, naar de Rietzee. Gewapend trokken de zonen van Israël op uit het land Egypte.
וַיַּסֵּ֨ב
(vayasev)
en liet omkeren
אֱלֹהִ֧ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
de weg van
הַמִּדְבָּ֖ר
(hamidbar)
de woestijn
יַם
(yam)
zee van
ס֑וּף
(suf)
Riet
וַחֲמֻשִׁ֛ים
(vachamushim)
en gewapend
עָל֥וּ
(alu)
trokken op
בְנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

חֲמֻשִׁים (chamushim) is ‘gewapend’ of ‘in vijf rijen’; de betekenis is onzeker.

De Griekse vertaling heeft ‘in de vijfde generatie’; wij vertalen ‘gewapend’.

De beenderen van Jozef

19Mozes nam de beenderen van Jozef met zich mee. Want Jozef had de zonen van Israël plechtig laten zweren: „Elohim zal jullie zeker bezoeken. Dan moeten jullie mijn beenderen met je meenemen van hier.”
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en nam
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמ֥וֹת
(atsmot)
de beenderen van
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
עִמּ֑וֹ
(imo)
met zich
כִּי֩
(ki)
want
הַשְׁבֵּ֨עַ
(hashbea)
beëdigen
הִשְׁבִּ֜יעַ
(hishbia)
hij had beëdigd
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
פָּקֹ֨ד
(paqod)
bezoeken
יִפְקֹ֤ד
(yifqod)
zal bezoeken
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וְהַעֲלִיתֶ֧ם
(vehaalitem)
en jullie zullen opvoeren
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמֹתַ֛י
(atsmotay)
mijn beenderen
מִזֶּ֖ה
(mize)
vanhier
אִתְּכֶֽם
(itekhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jozef had in Gen. 50:25 zijn broers laten zweren dat zij zijn beenderen met zich zouden meenemen.

Zie ook Joz. 24:32; Hebr. 11:22.

Aanvullend

Jubileeën 46:5 bevestigt dit.

20Zij braken op uit Sukkot en legerden zich in Etam, aan de rand van de woestijn.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en braken op
מִסֻּכֹּ֑ת
(misukot)
van Sukkot
וַיַּחֲנ֣וּ
(vayachanu)
en legerden zich
בְאֵתָ֔ם
(beetam)
in Etam
בִּקְצֵ֖ה
(biqtse)
aan het uiteinde van
הַמִּדְבָּֽר
(hamidbar)
de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Etam lag aan de rand van de woestijn, ten oosten van Egypte; de exacte plaats is onbekend.

Zie Sukkot: Dit Sukkot lag in het oosten van de Nijldelta, in het Wadi Tumilat (misschien Tell el-Maskhuta); het is een andere plaats dan het Sukkot ten oosten van de Jordaan.

21Yahweh ging voor hen uit, overdag in een wolkkolom om hen de weg te wijzen, en ’s nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij overdag en ’s nachts konden gaan.
וַֽיהוָ֡ה
(vaYahweh)
en Yahweh
הֹלֵךְ֩
(holekh)
ging
לִפְנֵיהֶ֨ם
(lifneihem)
voor hen uit
יוֹמָ֜ם
(yomam)
overdag
בְּעַמּ֤וּד
(beamud)
in een zuil van
עָנָן֙
(anan)
wolk
לַנְחֹתָ֣ם
(lanchotam)
om hen te leiden
הַדֶּ֔רֶךְ
(haderekh)
de weg
וְלַ֛יְלָה
(velayla)
en ’s nachts
בְּעַמּ֥וּד
(beamud)
in een zuil van
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
לְהָאִ֣יר
(lehair)
om te verlichten
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
לָלֶ֖כֶת
(lalekhet)
om te gaan
יוֹמָ֥ם
(yomam)
overdag
וָלָֽיְלָה
(valayela)
en ’s nachts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De wolk- en vuurkolom is het zichtbare teken van Yahweh’s aanwezigheid en leiding.

Zie 14:19–24; 40:34–38; Num. 9:15–23.

22De wolkkolom week overdag niet en de vuurkolom ’s nachts niet van voor het volk.
לֹֽא
(lo)
niet
יָמִ֞ישׁ
(yamish)
week
עַמּ֤וּד
(amud)
zuil van
הֶֽעָנָן֙
(heanan)
de wolk
יוֹמָ֔ם
(yomam)
overdag
וְעַמּ֥וּד
(veamud)
en zuil van
הָאֵ֖שׁ
(haesh)
het vuur
לָ֑יְלָה
(layela)
’s nachts
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)