Elohim Bijbel

Hosea 7

1234567891011121314

Efraïm, de oven en de onnozele duif

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het kwaad van Efraïm komt aan het licht

1Wanneer Ik Israël genees, komt de ongerechtigheid van Efraïm aan het licht, en het kwaad van Samaria. Want zij doen bedrog. De dief komt binnen en buiten plundert een bende.
כְּרָפְאִ֣י
(kerafei)
als Ik genees
לְיִשְׂרָאֵ֗ל
(leyisrael)
Israël
וְנִגְלָ֞ה
(venigla)
dan komt aan het licht
עֲוֺ֤ן
(avon)
de ongerechtigheid van
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
וְרָע֣וֹת
(veraot)
en het kwaad van
שֹֽׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
כִּ֥י
(ki)
want
פָעֲל֖וּ
(paalu)
zij doen
שָׁ֑קֶר
(shaqer)
bedrog
וְגַנָּ֣ב
(veganav)
en een dief
יָב֔וֹא
(yavo)
komt binnen
פָּשַׁ֥ט
(pashat)
plundert
גְּד֖וּד
(gedud)
een bende
בַּחֽוּץ
(bachuts)
buiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

אֶפְרַיִם (Efrayim), ‘Efraïm’: de grootste stam van het Noordrijk.

Hosea gebruikt de naam voor het hele Noordrijk Israël, met Samaria als hoofdstad.

כְּרָפְאִי (kerofi), ‘wanneer Ik genees’: het is een werkwoordsvorm zonder tijd. Het kan ook ‘telkens als Ik wil genezen’ betekenen.

Zodra Yahweh wil genezen, komt de schuld aan het licht. Daarom zeggen wij ‘komt aan het licht’.

Het rood in dit hoofdstuk markeert de woorden waarin Yahweh zelf spreekt, ook als de profeet ze brengt.

2Zij zeggen niet tegen hun hart dat Ik al hun kwaad gedenk. Nu omringen hun daden hen. Zij zijn voor Mijn aangezicht.
וּבַל
(uval)
en niet
יֹֽאמְרוּ֙
(yomru)
zij zeggen
לִלְבָבָ֔ם
(lilvavam)
tegen hun hart
כָּל
(kal)
al
רָעָתָ֖ם
(raatam)
hun kwaad
זָכָ֑רְתִּי
(zakharti)
Ik gedenk
עַתָּה֙
(ata)
nu
סְבָב֣וּם
(sevavum)
omringen hen
מַֽעַלְלֵיהֶ֔ם
(maalleihem)
hun daden
נֶ֥גֶד
(neged)
tegenover
פָּנַ֖י
(panay)
Mijn aangezicht
הָיֽוּ
(hayu)
zijn zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De oven van hun hart

3Met hun kwaad maken zij de koning blij, en met hun leugens de oversten.
בְּרָעָתָ֖ם
(beraatam)
met hun kwaad
יְשַׂמְּחוּ
(yesamechu)
maken zij blij
מֶ֑לֶךְ
(melekh)
de koning
וּבְכַחֲשֵׁיהֶ֖ם
(uvekhachasheihem)
en met hun leugens
שָׂרִֽים
(sarim)
de oversten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Zij allen zijn overspelers, als een oven die brandt door de bakker. Hij laat het opstoken rusten, vanaf het kneden van het deeg tot het gerezen is.
כֻּלָּם֙
(kulam)
zij allen
מְנָ֣אֲפִ֔ים
(menaafim)
overspelers
כְּמ֣וֹ
(kemo)
als
תַנּ֔וּר
(tanur)
een oven
בֹּעֵ֖רָה
(boera)
die brandt
מֵֽאֹפֶ֑ה
(meofe)
door de bakker
יִשְׁבּ֣וֹת
(yishbot)
hij laat rusten
מֵעִ֔יר
(meir)
het opstoken
מִלּ֥וּשׁ
(milush)
vanaf het kneden van
בָּצֵ֖ק
(batseq)
deeg
עַד
(ad)
tot
חֻמְצָתֽוֹ
(chumtsato)
het gerezen is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De oven is het beeld van hun hart (vers 6, 7).

Zij gloeien van verlangen en kwaad, zoals een oven die de bakker heeft opgestookt.

מְנָאֲפִים (menaafim), ‘overspelers’: het gaat hier om overspel, ook in de zin van trouweloosheid aan Yahweh.

מֵעִיר (me’ir), ‘het opstoken’: de bakker houdt op met het vuur te roeren. De oven blijft heet tot het deeg gerezen is.

5Op de dag van onze koning worden de oversten ziek van de gloed van wijn. Hij steekt zijn hand uit naar de spotters.
י֣וֹם
(yom)
de dag van
מַלְכֵּ֔נוּ
(malkenu)
onze koning
הֶחֱל֥וּ
(hechelu)
worden ziek
שָׂרִ֖ים
(sarim)
oversten
חֲמַ֣ת
(chamat)
van de gloed van
מִיָּ֑יִן
(miyayin)
wijn
מָשַׁ֥ךְ
(mashakh)
hij steekt uit
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
אֶת
(et)
naar
לֹצְצִֽים
(lotsetsim)
spotters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶחֱלוּ (hechelu), ‘zij worden ziek’: van חָלָה (chalah), ‘ziek worden’.

Het kan ook van חָלַל (chalal) komen, ‘beginnen’.

Wij volgen ‘ziek worden’.

מָשַׁךְ יָדוֹ אֶת (mashach yado et), ‘hij steekt zijn hand uit naar’: de betekenis is onzeker. Het kan ook ‘hij gaat samen met’ betekenen. De koning sluit zich aan bij de spotters.

לֹצְצִים (lotsetsim), ‘spotters’: mensen die niets serieus nemen.

6Want zij brengen hun hart dichtbij als een oven, terwijl zij op de loer liggen. De hele nacht slaapt hun bakker. 's Morgens brandt het als een vlammend vuur.
כִּֽי
(ki)
want
קֵרְב֧וּ
(qerevu)
zij brengen dichtbij
כַתַּנּ֛וּר
(katanur)
als een oven
לִבָּ֖ם
(libam)
hun hart
בְּאָרְבָּ֑ם
(bearbam)
terwijl zij op de loer liggen
כָּל
(kal)
heel
הַלַּ֨יְלָה֙
(halayla)
de nacht
יָשֵׁ֣ן
(yashen)
slaapt
אֹֽפֵהֶ֔ם
(ofehem)
hun bakker
בֹּ֕קֶר
(boqer)
's morgens
ה֥וּא
(hu)
het
בֹעֵ֖ר
(boer)
brandt
כְּאֵ֥שׁ
(keesh)
als een vuur van
לֶהָבָֽה
(lehava)
vlam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּאָרְבָּם (be’orbam), ‘terwijl zij op de loer liggen’: in hun hinderlaag.

De bedoeling is een aanslag in het geheim.

Lezing

אֹפֵהֶם (ofehem), ‘hun bakker’: zo staat het in de tekst.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Wij volgen de tekst zoals die er staat.

7Zij allen gloeien als een oven en verteren hun rechters. Al hun koningen zijn gevallen. Niemand onder hen roept tot Mij.
כֻּלָּ֤ם
(kulam)
zij allen
יֵחַ֨מּוּ֙
(yechamu)
gloeien
כַּתַּנּ֔וּר
(katanur)
als een oven
וְאָכְל֖וּ
(veakhelu)
en verteren
אֶת
(et)
(obj.)
שֹֽׁפְטֵיהֶ֑ם
(shofeteihem)
hun rechters
כָּל
(kal)
al
מַלְכֵיהֶ֣ם
(malkheihem)
hun koningen
נָפָ֔לוּ
(nafalu)
zijn gevallen
אֵין
(ein)
niemand
קֹרֵ֥א
(qore)
roept
בָהֶ֖ם
(bahem)
onder hen
אֵלָֽי
(elay)
tot Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Efraïm onder de volken

8Efraïm mengt zich onder de volken. Efraïm is een koek geworden die niet is omgekeerd.
אֶפְרַ֕יִם
(efrayim)
Efraïm
בָּעַמִּ֖ים
(baamim)
onder de volken
ה֣וּא
(hu)
hij
יִתְבּוֹלָ֑ל
(yitbolal)
mengt zich
אֶפְרַ֛יִם
(efrayim)
Efraïm
הָיָ֥ה
(haya)
is geworden
עֻגָ֖ה
(uga)
een koek
בְּלִ֥י
(beli)
niet
הֲפוּכָֽה
(hafukha)
omgekeerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֻגָה (ugah), ‘een koek’: een plat brood dat op hete stenen wordt gebakken.

Als het niet wordt omgedraaid, is het aan één kant verbrand en aan de andere kant rauw.

9Vreemden hebben zijn kracht opgegeten, maar hij weet het niet. Ook grijs haar is over hem uitgestrooid, maar hij weet het niet.”
אָכְל֤וּ
(akhelu)
hebben opgegeten
זָרִים֙
(zarim)
vreemden
כֹּח֔וֹ
(kocho)
zijn kracht
וְה֖וּא
(vehu)
maar hij
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֑ע
(yada)
weet het
גַּם
(gam)
ook
שֵׂיבָה֙
(seiva)
grijs haar
זָ֣רְקָה
(zareqa)
is uitgestrooid
בּ֔וֹ
(bo)
over hem
וְה֖וּא
(vehu)
maar hij
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדָֽע
(yada)
weet het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׂיבָה (seivah), ‘grijs haar’: teken van verval en ouderdom.

Efraïm merkt niet dat hij zwakker wordt.

Zij zoeken Yahweh niet

10De hoogmoed van Israël getuigt hem in het gezicht. Toch zijn zij niet teruggekeerd naar Yahweh, hun Elohim. Zij hebben Hem bij dit alles niet gezocht.
וְעָנָ֥ה
(veana)
en getuigt
גְאֽוֹן
(geon)
de hoogmoed van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּפָנָ֑יו
(befanav)
in zijn gezicht
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שָׁ֨בוּ֙
(shavu)
zij zijn teruggekeerd
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun Elohim
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
בִקְשֻׁ֖הוּ
(biqshuhu)
zij hebben Hem gezocht
בְּכָל
(bekhal)
bij al
זֹֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In dit vers en in vers 11 spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon (‘Yahweh, hun Elohim’).

Daarom staan deze twee verzen niet rood.

Vanaf vers 12 spreekt Yahweh weer zelf.

וְעָנָה (ve’anah), ‘en getuigt’: letterlijk ‘en antwoordt’. De hoogmoed van Israël getuigt tegen hem.

11Efraïm is geworden als een duif: onnozel, zonder verstand. Egypte hebben zij geroepen, naar Assyrië zijn zij gegaan.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en is geworden
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
כְּיוֹנָ֥ה
(keyona)
als een duif
פוֹתָ֖ה
(pota)
onnozel
אֵ֣ין
(ein)
zonder
לֵ֑ב
(lev)
verstand
מִצְרַ֥יִם
(mitsrayim)
Egypte
קָרָ֖אוּ
(qarau)
zij hebben geroepen
אַשּׁ֥וּר
(ashur)
Assyrië
הָלָֽכוּ
(halakhu)
zij zijn gegaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

אֵין לֵב (ein lev), ‘zonder verstand’: letterlijk ‘zonder hart’.

In het Hebreeuws is het hart de plaats van het denken.

Egypte en Assyrië zijn de twee grootmachten waar Efraïm steun zocht, zoals een duif heen en weer vliegt.

Het net van Yahweh

12„Terwijl zij gaan, spreid Ik Mijn net over hen uit. Zoals vogels van de hemel haal Ik hen omlaag. Ik tuchtig hen volgens het bericht aan hun gemeenschap.
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
terwijl
יֵלֵ֗כוּ
(yelekhu)
zij gaan
אֶפְר֤וֹשׂ
(efros)
Ik spreid uit
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
over hen
רִשְׁתִּ֔י
(rishti)
Mijn net
כְּע֥וֹף
(keof)
zoals vogels van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
אֽוֹרִידֵ֑ם
(oridem)
Ik haal hen omlaag
אַיְסִרֵ֕ם
(aysirem)
Ik tuchtig hen
כְּשֵׁ֖מַע
(keshema)
volgens het bericht
לַעֲדָתָֽם
(laadatam)
aan hun gemeenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּשֵׁמַע לַעֲדָתָם (keshema la’adatam), ‘volgens het bericht aan hun gemeenschap’: de betekenis is onzeker.

Het kan verwijzen naar wat de gemeenschap eerder heeft gehoord over de gevolgen van ontrouw.

אַיְסִרֵם (aysirem), ‘Ik tuchtig hen’: het woord betekent ook ‘onderwijzen’ en ‘terechtwijzen’.

Wee hen

13Wee hen, want zij zijn van Mij weggedwaald. Verwoesting over hen, want zij zijn tegen Mij in opstand gekomen. Ik zou hen vrijkopen, maar zij spreken leugens over Mij.
א֤וֹי
(oy)
wee
לָהֶם֙
(lahem)
hun
כִּֽי
(ki)
want
נָדְד֣וּ
(nadedu)
zij zijn weggedwaald
מִמֶּ֔נִּי
(mimeni)
van Mij
שֹׁ֥ד
(shod)
verwoesting
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
כִּֽי
(ki)
want
פָ֣שְׁעוּ
(pasheu)
zij zijn in opstand gekomen
בִ֑י
(bi)
tegen Mij
וְאָנֹכִ֣י
(veanokhi)
en Ik
אֶפְדֵּ֔ם
(efdem)
zou hen vrijkopen
וְהֵ֕מָּה
(vehema)
maar zij
דִּבְּר֥וּ
(diberu)
spreken
עָלַ֖י
(alay)
over Mij
כְּזָבִֽים
(kezavim)
leugens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶפְדֵּם (efdem), ‘Ik zou hen vrijkopen’: פָּדָה (padah) is vrijkopen, zoals een slaaf of een eerstgeborene wordt vrijgekocht.

Yahweh wil hen vrijkopen, maar zij spreken leugens over Hem.

14Zij roepen niet met hun hart tot Mij, maar jammeren op hun bedden. Om koren en most verzamelen zij zich. Zij wijken af van Mij.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
זָעֲק֤וּ
(zaaqu)
zij roepen
אֵלַי֙
(elay)
tot Mij
בְּלִבָּ֔ם
(belibam)
met hun hart
כִּ֥י
(ki)
maar
יְיֵלִ֖ילוּ
(yeyelilu)
zij jammeren
עַל
(al)
op
מִשְׁכְּבוֹתָ֑ם
(mishkevotam)
hun bedden
עַל
(al)
om
דָּגָ֧ן
(dagan)
koren
וְתִיר֛וֹשׁ
(vetirosh)
en most
יִתְגּוֹרָ֖רוּ
(yitgoraru)
zij verzamelen zich
יָס֥וּרוּ
(yasuru)
zij wijken af
בִֽי
(bi)
van Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִתְגּוֹרָרוּ (yitgoraru), ‘zij verzamelen zich’: de betekenis is onzeker.

Het werkwoord kan ook ‘zij snijden zich open’ betekenen.

Lezing

בִי (bi), ‘in/tegen Mij’: bij het werkwoord ‘afwijken’ verwachten wij ‘van Mij’.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Wij vertalen ‘van Mij’.

15Ik heb hen getuchtigd en hun armen sterk gemaakt. Maar tegen Mij beramen zij kwaad.
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en Ik
יִסַּ֔רְתִּי
(yisarti)
heb getuchtigd
חִזַּ֖קְתִּי
(chizaqti)
heb sterk gemaakt
זְרֽוֹעֹתָ֑ם
(zerootam)
hun armen
וְאֵלַ֖י
(veelay)
maar tegen Mij
יְחַשְּׁבוּ
(yechashevu)
beramen zij
רָֽע
(ra)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Zij keren terug, maar niet omhoog. Zij zijn als een bedrieglijke boog. Hun oversten vallen door het zwaard, vanwege de woede van hun tong. Dit is hun spot in het land Egypte.”
יָשׁ֣וּבוּ
(yashuvu)
zij keren terug
לֹ֣א
(lo)
niet
עָ֗ל
(al)
omhoog
הָיוּ֙
(hayu)
zij zijn geworden
כְּקֶ֣שֶׁת
(keqeshet)
als een boog
רְמִיָּ֔ה
(remiya)
van bedrog
יִפְּל֥וּ
(yipelu)
vallen
בַחֶ֛רֶב
(bacherev)
door het zwaard
שָׂרֵיהֶ֖ם
(sareihem)
hun oversten
מִזַּ֣עַם
(mizaam)
vanwege de woede van
לְשׁוֹנָ֑ם
(leshonam)
hun tong
ז֥וֹ
(zo)
dit
לַעְגָּ֖ם
(lagam)
hun spot
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

לֹא עָל (lo al), ‘niet omhoog’: de betekenis is onzeker.

Het kan ‘niet naar de Allerhoogste’ betekenen, of ‘niet omhoog’.

קֶשֶׁת רְמִיָּה (qeshet remiyyah), ‘bedrieglijke boog’: een boog die het doel mist.