Elohim Bijbel

Johannes 12

123456789101112131415161718192021

De zalving in Betanië, de intocht in Jeruzalem en het laatste openbare woord

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zalving in Betanië

1Zes dagen vóór het Pesach kwam Yeshua in Betanië, waar Lazarus was, die Hij uit de doden had opgewekt.
Ὁ
(Ho)
de
οὖν
(oun)
dus
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
πρὸ
(pro)
vóór
ἓξ
(hex)
zes
ἡμερῶν
(hemeron)
dagen
τοῦ
(tou)
van het
πάσχα
(pascha)
Pesach
ἦλθεν
(elthen)
kwam
εἰς
(eis)
naar
Βηθανίαν
(Bethanian)
Betanië
ὅπου
(hopou)
waar
ἦν
(en)
was
Λάζαρος
(Lazaros)
Lazarus
ὃν
(hon)
wie
ἤγειρεν
(egeiren)
opwekte
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem.

Uitleg

Aan het slot heeft het Grieks nog een keer ‘Yeshua’ (‘die Yeshua uit de doden opgewekt had’); wij schrijven ‘Hij’. πάσχα (pascha), ‘Pesach’.

Betanië: zie 11:1.

2Daar maakten zij een maaltijd voor Hem. Marta diende, en Lazarus was een van hen die met Hem aan tafel lagen.
ἐποίησαν
(epoiesan)
maakten
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
voor Hem
δεῖπνον
(deipnon)
maaltijd
ἐκεῖ
(ekei)
daar
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
Μάρθα
(Martha)
Marta
διηκόνει
(diekonei)
diende
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Λάζαρος
(Lazaros)
Lazarus
εἷς
(heis)
één
ἦν
(en)
was
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
ἀνακειμένων
(anakeimenon)
aan tafel liggenden
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀνάκειμαι (anakeimai), ‘aan tafel liggen’: bij een maaltijd lag men op rustbanken. διακονέω (diakoneo), ‘dienen’: hier het bedienen bij de maaltijd; zie ook vers 26.

Zie ookJoh 12:26
3Maria nam een pond zalfolie van zuivere, zeer kostbare nardus en zalfde de voeten van Yeshua. Zij veegde Zijn voeten af met haar haren. Het huis werd gevuld met de geur van de zalfolie.
ἡ
(he)
de
οὖν
(oun)
dus
Μαριὰμ
(Mariam)
Maria
λαβοῦσα
(labousa)
nemend
λίτραν
(litran)
pond
μύρου
(myrou)
zalfolie
νάρδου
(nardou)
van nardus
πιστικῆς
(pistikes)
zuivere
πολυτίμου
(polytimou)
zeer kostbare
ἤλειψεν
(eleipsen)
zalfde
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
τοῦ
(tou)
van de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἐξέμαξεν
(exemaxen)
veegde af
ταῖς
(tais)
met de
θριξὶν
(thrixin)
haren
αὐτῆς
(autes)
haar
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἡ
(he)
het
δὲ
(de)
maar
οἰκία
(oikia)
huis
ἐπληρώθη
(eplerothe)
werd gevuld
ἐκ
(ek)
door
τῆς
(tes)
de
ὀσμῆς
(osmes)
geur
τοῦ
(tou)
van de
μύρου
(myrou)
zalfolie
Bron: SBLGNT
Uitleg

λίτρα (litra), ‘pond’: een Romeins pond, ongeveer 330 gram. νάρδος (nardos), ‘nardus’: een dure, geurige olie. πιστικῆς (pistikes) is een moeilijk woord; het betekent waarschijnlijk ‘zuiver, echt’, maar dat is onzeker.

Matteüs en Markus zeggen dat de olie over Zijn hoofd werd gegoten; Johannes noemt Zijn voeten.

Zie ook Matt. 26:6–13; Mark. 14:3–9. Vergelijk Luc. 7:36–38.

4Judas Iskariot, een van Zijn leerlingen, degene die Hem zou overleveren, zei:
λέγει
(legei)
zei
δὲ
(de)
maar
Ἰούδας
(Ioudas)
Judas
ὁ
(ho)
de
Ἰσκαριώτης
(Iskariotes)
Iskariot
εἷς
(heis)
één
τῶν
(ton)
van de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ὁ
(ho)
de
μέλλων
(mellon)
zou
αὐτὸν
(auton)
Hem
παραδιδόναι
(paradidonai)
overleveren
Bron: SBLGNT
Uitleg

παραδίδωμι (paradidomi), ‘overleveren’: wij vertalen het overal zo; zie Matt. 26:2.

Zie ookMat 26:2
5„Waarom is deze zalfolie niet voor 300 denariën verkocht en aan armen gegeven?”
Διὰ
(Dia)
om
τί
(ti)
wat
τοῦτο
(touto)
dit
τὸ
(to)
de
μύρον
(myron)
zalfolie
οὐκ
(ouk)
niet
ἐπράθη
(eprathe)
werd verkocht
τριακοσίων
(triakosion)
voor 300
δηναρίων
(denarion)
denariën
καὶ
(kai)
en
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
πτωχοῖς
(ptochois)
aan armen
Bron: SBLGNT
Uitleg

δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werk. 300 denariën is dus het loon voor ongeveer 300 werkdagen.

In Matt. 26:9 staat ‘veel geld’, in Mark. 14:5 ‘meer dan 300 denariën’.

Zie ook Mark. 14:4–5.

6Dit zei hij niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was. Hij had de geldkist en droeg wat erin gelegd werd.
εἶπεν
(eipen)
zei hij
δὲ
(de)
maar
τοῦτο
(touto)
dit
οὐχ
(ouch)
niet
ὅτι
(hoti)
omdat
περὶ
(peri)
over
τῶν
(ton)
de
πτωχῶν
(ptochon)
armen
ἔμελεν
(emelen)
bekommerde zich
αὐτῷ
(auto)
hij
ἀλλ’
(all’)
maar
ὅτι
(hoti)
omdat
κλέπτης
(kleptes)
dief
ἦν
(en)
was
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
γλωσσόκομον
(glossokomon)
geldkist
ἔχων
(echon)
hebbend
τὰ
(ta)
het
βαλλόμενα
(ballomena)
erin gelegde
ἐβάσταζεν
(ebastazen)
droeg
Bron: SBLGNT
Uitleg

γλωσσόκομον (glossokomon), ‘geldkist’. βαστάζω (bastazo), ‘dragen’: het kan ook ‘wegdragen, stelen’ betekenen, vergelijk Joh. 20:15.

Zie ookJoh 20:15
7Yeshua zei dus: „Laat haar met rust, zodat zij het bewaart voor de dag van Mijn begrafenis.
εἶπεν
(eipen)
zei
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἄφες
(Aphes)
laat
αὐτήν
(auten)
haar
ἵνα
(hina)
opdat
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
ἡμέραν
(hemeran)
dag
τοῦ
(tou)
van de
ἐνταφιασμοῦ
(entaphiasmou)
begrafenis
μου
(mou)
Mijn
τηρήσῃ
(terese)
zij bewaart
αὐτό
(auto)
het
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐνταφιασμός (entaphiasmos), ‘begrafenis’: het gereedmaken van een dode voor het graf; vergelijk Matt. 26:12 en Mark. 14:8.

Lezing

Wij volgen de SBLGNT: ‘zodat zij het bewaart’.

In sommige handschriften staat ‘zij heeft het bewaard’ (τετήρηκεν, tetereken).

8Want de armen hebben jullie altijd bij je, maar Mij hebben jullie niet altijd.”
τοὺς
(tous)
de
πτωχοὺς
(ptochous)
armen
γὰρ
(gar)
want
πάντοτε
(pantote)
altijd
ἔχετε
(echete)
jullie hebben
μεθ’
(meth’)
bij
ἑαυτῶν
(heauton)
jullie
ἐμὲ
(eme)
Mij
δὲ
(de)
maar
οὐ
(ou)
niet
πάντοτε
(pantote)
altijd
ἔχετε
(echete)
jullie hebben
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 26:11; Mark. 14:7.

De hogepriesters willen ook Lazarus doden

9Een grote menigte van de Joden kwam te weten dat Hij daar was. Zij kwamen niet alleen vanwege Yeshua, maar ook om Lazarus te zien, die Hij uit de doden had opgewekt.
Ἔγνω
(Egno)
wist
οὖν
(oun)
dus
ὄχλος
(ochlos)
menigte
πολὺς
(polys)
grote
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
ὅτι
(hoti)
dat
ἐκεῖ
(ekei)
daar
ἐστιν
(estin)
Hij is
καὶ
(kai)
en
ἦλθον
(elthon)
kwamen
οὐ
(ou)
niet
διὰ
(dia)
vanwege
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
μόνον
(monon)
alleen
ἀλλ’
(all’)
maar
ἵνα
(hina)
opdat
καὶ
(kai)
ook
τὸν
(ton)
de
Λάζαρον
(Lazaron)
Lazarus
ἴδωσιν
(idosin)
zij zagen
ὃν
(hon)
wie
ἤγειρεν
(egeiren)
Hij opwekte
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
Bron: SBLGNT
10De hogepriesters besloten ook Lazarus te doden,
ἐβουλεύσαντο
(ebouleusanto)
besloten zij
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
ἵνα
(hina)
opdat
καὶ
(kai)
ook
τὸν
(ton)
de
Λάζαρον
(Lazaron)
Lazarus
ἀποκτείνωσιν
(apokteinosin)
zij zouden doden
Bron: SBLGNT
11omdat veel van de Joden om hem weggingen en in Yeshua geloofden.
ὅτι
(hoti)
omdat
πολλοὶ
(polloi)
velen
δι’
(di’)
om
αὐτὸν
(auton)
hem
ὑπῆγον
(hypegon)
gingen weg
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
καὶ
(kai)
en
ἐπίστευον
(episteuon)
geloofden
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑπάγω (hypago), ‘weggaan’: het Grieks noemt niet waarvandaan zij weggingen; waarschijnlijk bij de Joodse leiders vandaan.

De intocht in Jeruzalem

12De volgende dag hoorde de grote menigte die voor het feest was gekomen dat Yeshua naar Jeruzalem kwam.
Τῇ
(Te)
op de
ἐπαύριον
(epaurion)
volgende dag
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
πολὺς
(polys)
grote
ὁ
(ho)
de
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
ἑορτήν
(heorten)
feest
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebbend
ὅτι
(hoti)
dat
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

ἑορτή (heorte), ‘feest’: het Pesach, zie 11:55.

Zie ook Matt. 21:1–11; Mark. 11:1–11; Luc. 19:28–40.

13Zij namen palmtakken en gingen naar buiten, Hem tegemoet. Zij riepen: „Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de naam van Yahweh, en de koning van Israël!”
ἔλαβον
(elabon)
namen
τὰ
(ta)
de
βαΐα
(baia)
takken
τῶν
(ton)
van de
φοινίκων
(phoinikon)
palmen
καὶ
(kai)
en
ἐξῆλθον
(exelthon)
gingen naar buiten
εἰς
(eis)
naar
ὑπάντησιν
(hypantesin)
ontmoeting
αὐτῷ
(auto)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἐκραύγαζον
(ekraugazon)
riepen
Ὡσαννά
(Hosanna)
Hosanna
εὐλογημένος
(eulogemenos)
gezegend
ὁ
(ho)
Hij
ἐρχόμενος
(erchomenos)
die komt
ἐν
(en)
in
ὀνόματι
(onomati)
naam
κυρίου
(kyriou)
van Yahweh
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
τοῦ
(tou)
van
Ἰσραήλ
(Israel)
Israël
Bron: SBLGNT
Uitleg

βαΐα φοινίκων (baia phoinikon), ‘palmtakken’. ὡσαννά (hosanna) komt van het Hebreeuwse הוֹשִׁיעָה נָּא (hoshia na), ‘red toch’ (Ps. 118:25).

De woorden ‘Gezegend is Hij die komt in de naam van Yahweh’ zijn Ps. 118:26; daarom vertalen wij κυρίου (kyriou) als ‘Yahweh’.

De woorden ‘en de koning van Israël’ staan niet in de psalm.

Wij schrijven ‘Hij’ met hoofdletter, omdat de menigte over Yeshua spreekt.

Zie ook Matt. 21:9; Mark. 11:9–10.

14Yeshua vond een jonge ezel en ging erop zitten, zoals geschreven staat:
εὑρὼν
(heuron)
vindend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὀνάριον
(onarion)
jonge ezel
ἐκάθισεν
(ekathisen)
ging zitten
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτό
(auto)
hem
καθώς
(kathos)
zoals
ἐστιν
(estin)
het is
γεγραμμένον
(gegrammenon)
geschreven
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὀνάριον (onarion), ‘jonge ezel’.

15„Wees niet bang, Dochter Sion. Zie, je koning komt, zittend op het veulen van een ezel.”
Μὴ
(Me)
niet
φοβοῦ
(phobou)
wees bang
θυγάτηρ
(thygater)
Dochter
Σιών
(Sion)
Sion
ἰδοὺ
(idou)
zie
ὁ
(ho)
de
βασιλεύς
(basileus)
koning
σου
(sou)
je
ἔρχεται
(erchetai)
komt
καθήμενος
(kathemenos)
zittend
ἐπὶ
(epi)
op
πῶλον
(polon)
veulen
ὄνου
(onou)
van een ezel
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het citaat volgt Zach. 9:9, maar begint met ‘Wees niet bang’; het Hebreeuws van Zacharia heeft ‘Jubel luid’.

Vergelijk Zef. 3:16 en Jes. 40:9, waar ‘wees niet bang’ staat.

Het Hebreeuws zegt ‘op een ezel, op een jonge ezel, een jong van ezelinnen’; de Griekse tekst zegt ‘op het veulen van een ezel’. θυγάτηρ Σιών (thygater Sion), ‘Dochter Sion’: zie Matt. 21:5.

Zie ook Matt. 21:4–5.

16Dit begrepen Zijn leerlingen eerst niet. Maar toen Yeshua verheerlijkt was, herinnerden zij zich dat dit over Hem geschreven stond en dat zij dit voor Hem hadden gedaan.
ταῦτα
(tauta)
dit
οὐκ
(ouk)
niet
ἔγνωσαν
(egnosan)
begrepen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
τὸ
(to)
het
πρῶτον
(proton)
eerst
ἀλλ’
(all’)
maar
ὅτε
(hote)
toen
ἐδοξάσθη
(edoxasthe)
verheerlijkt werd
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τότε
(tote)
toen
ἐμνήσθησαν
(emnesthesan)
herinnerden zich
ὅτι
(hoti)
dat
ταῦτα
(tauta)
dit
ἦν
(en)
was
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτῷ
(auto)
Hem
γεγραμμένα
(gegrammena)
geschreven
καὶ
(kai)
en
ταῦτα
(tauta)
dit
ἐποίησαν
(epoiesan)
deden zij
αὐτῷ
(auto)
voor Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐδοξάσθη (edoxasthe), ‘verheerlijkt werd’: zie vers 23.

Zie ookJoh 12:23
17Zo getuigde de menigte die bij Hem was toen Hij Lazarus uit het graf riep en hem uit de doden opwekte.
ἐμαρτύρει
(emartyrei)
getuigde
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ὁ
(ho)
die
ὢν
(on)
was
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ὅτε
(hote)
toen
τὸν
(ton)
de
Λάζαρον
(Lazaron)
Lazarus
ἐφώνησεν
(ephonesen)
Hij riep
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
μνημείου
(mnemeiou)
graf
καὶ
(kai)
en
ἤγειρεν
(egeiren)
wekte op
αὐτὸν
(auton)
hem
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
Bron: SBLGNT
18Daarom ging de menigte Hem ook tegemoet: zij hadden gehoord dat Hij dit teken gedaan had.
διὰ
(dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
καὶ
(kai)
ook
ὑπήντησεν
(hypentesen)
ging tegemoet
αὐτῷ
(auto)
Hem
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ὅτι
(hoti)
omdat
ἤκουσαν
(ekousan)
zij hoorden
τοῦτο
(touto)
dit
αὐτὸν
(auton)
Hem
πεποιηκέναι
(pepoiekenai)
gedaan te hebben
τὸ
(to)
het
σημεῖον
(semeion)
teken
Bron: SBLGNT
19De Farizeeën zeiden dus tegen elkaar: „Zien jullie dat jullie niets bereiken? Kijk, de wereld is Hem achternagelopen!”
οἱ
(hoi)
de
οὖν
(oun)
dus
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
εἶπαν
(eipan)
zeiden
πρὸς
(pros)
tot
ἑαυτούς
(heautous)
zichzelf
Θεωρεῖτε
(Theoreite)
zien jullie
ὅτι
(hoti)
dat
οὐκ
(ouk)
niet
ὠφελεῖτε
(opheleite)
jullie bereiken
οὐδέν
(ouden)
niets
ἴδε
(ide)
kijk
ὁ
(ho)
de
κόσμος
(kosmos)
wereld
ὀπίσω
(opiso)
achter
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
Bron: SBLGNT

Grieken willen Yeshua zien

20Er waren enkele Grieken onder hen die opgingen om zich tijdens het feest neer te buigen.
Ἦσαν
(Esan)
waren
δὲ
(de)
maar
Ἕλληνές
(Hellenes)
Grieken
τινες
(tines)
enkele
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
ἀναβαινόντων
(anabainonton)
opgaanden
ἵνα
(hina)
opdat
προσκυνήσωσιν
(proskynesosin)
zij zich neerbuigen
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
ἑορτῇ
(heorte)
feest
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ἕλληνες (Hellenes), ‘Grieken’: het Grieks zegt niet of zij Joden of niet-Joden waren.

Zij waren naar Jeruzalem gekomen om zich neer te buigen (προσκυνέω, proskyneo; zie Matt. 2:2).

Zie ookMat 2:2
21Zij gingen naar Filippus, die uit Betsaïda in Galilea kwam, en vroegen hem: „Heer, wij willen Yeshua zien.”
οὗτοι
(houtoi)
deze
οὖν
(oun)
dus
προσῆλθον
(proselthon)
gingen naar
Φιλίππῳ
(Philippo)
Filippus
τῷ
(to)
die
ἀπὸ
(apo)
van
Βηθσαϊδὰ
(Bethsaida)
Betsaïda
τῆς
(tes)
van de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
καὶ
(kai)
en
ἠρώτων
(eroton)
vroegen
αὐτὸν
(auton)
hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Κύριε
(Kyrie)
heer
θέλομεν
(thelomen)
wij willen
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἰδεῖν
(idein)
zien
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan.

Ook el-Araj is voorgesteld.

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

Βηθσαϊδά (Betsaida), ‘Betsaïda’: een plaats bij het meer van Galilea; zie Matt. 11:21. κύριε (kyrie) is hier een beleefde aanspreking van een man; Filippus wordt niet als Heer aangesproken.

Zie ookMat 11:21
22Filippus ging het zeggen aan Andreas. Andreas en Filippus gingen het zeggen aan Yeshua.
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ὁ
(ho)
de
Φίλιππος
(Philippos)
Filippus
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
aan de
Ἀνδρέᾳ
(Andrea)
Andreas
ἔρχεται
(erchetai)
komt
Ἀνδρέας
(Andreas)
Andreas
καὶ
(kai)
en
Φίλιππος
(Philippos)
Filippus
καὶ
(kai)
en
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
τῷ
(to)
aan de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Het’ voegt het Nederlands toe: het Grieks heeft geen voorwerp bij ‘zeggen’.

23Yeshua antwoordde hun: „Het uur is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἀποκρίνεται
(apokrinetai)
antwoordt
αὐτοῖς
(autois)
hun
λέγων
(legon)
zeggend
Ἐλήλυθεν
(Elelythen)
is gekomen
ἡ
(he)
het
ὥρα
(hora)
uur
ἵνα
(hina)
opdat
δοξασθῇ
(doxasthe)
verheerlijkt wordt
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
Bron: SBLGNT
24Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen. Maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐὰν
(ean)
als
μὴ
(me)
niet
ὁ
(ho)
de
κόκκος
(kokkos)
korrel
τοῦ
(tou)
van het
σίτου
(sitou)
graan
πεσὼν
(peson)
gevallen
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
aarde
ἀποθάνῃ
(apothane)
sterft
αὐτὸς
(autos)
zelf
μόνος
(monos)
alleen
μένει
(menei)
blijft
ἐὰν
(ean)
als
δὲ
(de)
maar
ἀποθάνῃ
(apothane)
zij sterft
πολὺν
(polyn)
veel
καρπὸν
(karpon)
vrucht
φέρει
(pherei)
draagt
Bron: SBLGNT
Uitleg

κόκκος τοῦ σίτου (kokkos tou sitou), ‘graankorrel’.

25Wie zijn leven liefheeft, verliest het. En wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren tot eeuwig leven.
ὁ
(ho)
de
φιλῶν
(philon)
liefhebbende
τὴν
(ten)
het
ψυχὴν
(psychen)
leven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἀπολλύει
(apollyei)
verliest
αὐτήν
(auten)
het
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
μισῶν
(mison)
hatende
τὴν
(ten)
het
ψυχὴν
(psychen)
leven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
κόσμῳ
(kosmo)
wereld
τούτῳ
(touto)
deze
εἰς
(eis)
tot
ζωὴν
(zoen)
leven
αἰώνιον
(aionion)
eeuwig
φυλάξει
(phylaxei)
zal bewaren
αὐτήν
(auten)
het
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχή (psyche), ‘leven’.

Wij vertalen μισέω (miseo) letterlijk met ‘haten’.

Zie ook Matt. 10:39; 16:25; Mark. 8:35; Luc. 9:24; 17:33.

26Als iemand Mij dient, laat hij Mij volgen. Waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient, zal de Vader hem eren.
ἐὰν
(ean)
als
ἐμοί
(emoi)
Mij
τις
(tis)
iemand
διακονῇ
(diakone)
dient
ἐμοὶ
(emoi)
Mij
ἀκολουθείτω
(akoloutheito)
laat volgen
καὶ
(kai)
en
ὅπου
(hopou)
waar
εἰμὶ
(eimi)
ben
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἐκεῖ
(ekei)
daar
καὶ
(kai)
ook
ὁ
(ho)
de
διάκονος
(diakonos)
dienaar
ὁ
(ho)
de
ἐμὸς
(emos)
Mijne
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἐάν
(ean)
als
τις
(tis)
iemand
ἐμοὶ
(emoi)
Mij
διακονῇ
(diakone)
dient
τιμήσει
(timesei)
zal eren
αὐτὸν
(auton)
hem
ὁ
(ho)
de
πατήρ
(pater)
Vader
Bron: SBLGNT
Uitleg

διακονέω (diakoneo), ‘dienen’; διάκονος (diakonos), ‘dienaar’: zoals in Matt. 20:26.

Zie ookMat 20:26

Een stem uit de hemel

27Nu is Mijn ziel in beroering. Wat zal Ik zeggen? ‘Vader, red Mij uit dit uur’? Maar hierom ben Ik tot dit uur gekomen.
Νῦν
(Nyn)
nu
ἡ
(he)
de
ψυχή
(psyche)
ziel
μου
(mou)
Mijn
τετάρακται
(tetaraktai)
is in beroering
καὶ
(kai)
en
τί
(ti)
wat
εἴπω
(eipo)
zal Ik zeggen
πάτερ
(pater)
Vader
σῶσόν
(soson)
red
με
(me)
Mij
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
het
ὥρας
(horas)
uur
ταύτης
(tautes)
dit
ἀλλὰ
(alla)
maar
διὰ
(dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
ἦλθον
(elthon)
kwam Ik
εἰς
(eis)
tot
τὴν
(ten)
het
ὥραν
(horan)
uur
ταύτην
(tauten)
dit
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχή (psyche), ‘ziel’: het innerlijk leven, zoals in Matt. 26:38. ταράσσω (tarasso), ‘in beroering brengen’.

Het Grieks laat open of ‘Vader, red Mij uit dit uur’ een gebed is of een vraag die Yeshua Zichzelf stelt; wij zetten de woorden tussen enkele aanhalingstekens.

Zie ook Matt. 26:38–39; Mark. 14:34–36.

28Vader, verheerlijk Uw naam.” Toen kwam er een stem uit de hemel: „Ik heb verheerlijkt en Ik zal opnieuw verheerlijken.”
πάτερ
(pater)
Vader
δόξασόν
(doxason)
verheerlijk
σου
(sou)
Uw
τὸ
(to)
de
ὄνομα
(onoma)
naam
ἦλθεν
(elthen)
kwam
οὖν
(oun)
dus
φωνὴ
(phone)
stem
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
Καὶ
(Kai)
en
ἐδόξασα
(edoxasa)
Ik verheerlijkte
καὶ
(kai)
en
πάλιν
(palin)
weer
δοξάσω
(doxaso)
Ik zal verheerlijken
Bron: SBLGNT
Uitleg

De stem uit de hemel is de stem van de Vader, vergelijk Matt. 3:17 en 17:5; daarom staat ze rood.

Het Grieks geeft bij ‘heb verheerlijkt’ geen voorwerp. δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’.

29De menigte die erbij stond en het hoorde, zei dat het gedonderd had. Anderen zeiden: „Een engel heeft tot Hem gesproken.”
ὁ
(ho)
de
οὖν
(oun)
dus
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ὁ
(ho)
de
ἑστὼς
(hestos)
staande
καὶ
(kai)
en
ἀκούσας
(akousas)
gehoord hebbend
ἔλεγεν
(elegen)
zei
βροντὴν
(bronten)
donder
γεγονέναι
(gegonenai)
dat was geweest
ἄλλοι
(alloi)
anderen
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Ἄγγελος
(Angelos)
engel
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
λελάληκεν
(lelaleken)
heeft gesproken
Bron: SBLGNT
Uitleg

βροντή (bronte), ‘donder’.

30Yeshua antwoordde en zei: „Deze stem is niet vanwege Mij gekomen, maar vanwege jullie.
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Οὐ
(Ou)
niet
δι’
(di’)
om
ἐμὲ
(eme)
Mij
ἡ
(he)
de
φωνὴ
(phone)
stem
αὕτη
(haute)
deze
γέγονεν
(gegonen)
is gekomen
ἀλλὰ
(alla)
maar
δι’
(di’)
om
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
Bron: SBLGNT
31Nu is er een oordeel over deze wereld. Nu zal de heerser van deze wereld buiten geworpen worden.
νῦν
(nyn)
nu
κρίσις
(krisis)
oordeel
ἐστὶν
(estin)
is
τοῦ
(tou)
van de
κόσμου
(kosmou)
wereld
τούτου
(toutou)
deze
νῦν
(nyn)
nu
ὁ
(ho)
de
ἄρχων
(archon)
heerser
τοῦ
(tou)
van de
κόσμου
(kosmou)
wereld
τούτου
(toutou)
deze
ἐκβληθήσεται
(ekblethesetai)
zal geworpen worden
ἔξω
(exo)
buiten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄρχων (archon), ‘heerser’. ἐκβάλλω (ekballo), ‘uitwerpen’: zoals in Matt. 8:12.

Zie ookMat 8:12
32En Ik zal, als Ik van de aarde verhoogd ben, allen tot Mijzelf trekken.”
κἀγὼ
(kago)
en Ik
ἐὰν
(ean)
als
ὑψωθῶ
(hypsotho)
Ik verhoogd word
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
πάντας
(pantas)
allen
ἑλκύσω
(helkyso)
zal trekken
πρὸς
(pros)
tot
ἐμαυτόν
(emauton)
Mijzelf
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: het woord kan ook ‘omhoogheffen’ en ‘eren’ betekenen.

Vers 33 geeft aan dat het over de manier van sterven gaat.

Vergelijk Joh. 3:14 en 8:28.

33Dit zei Hij om aan te duiden met wat voor dood Hij zou sterven.
τοῦτο
(touto)
dit
δὲ
(de)
maar
ἔλεγεν
(elegen)
zei Hij
σημαίνων
(semainon)
aanduidend
ποίῳ
(poio)
met welke
θανάτῳ
(thanato)
dood
ἤμελλεν
(emellen)
zou Hij
ἀποθνῄσκειν
(apothneskein)
sterven
Bron: SBLGNT

De menigte vraagt naar de Mensenzoon

34De menigte antwoordde Hem: „Wij hebben uit de wet gehoord dat de Messias voor eeuwig blijft. En hoe zegt U dat de Mensenzoon verhoogd moet worden? Wie is deze Mensenzoon?”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
Hem
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
Ἡμεῖς
(Hemeis)
wij
ἠκούσαμεν
(ekousamen)
hoorden
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
νόμου
(nomou)
wet
ὅτι
(hoti)
dat
ὁ
(ho)
de
χριστὸς
(christos)
Messias
μένει
(menei)
blijft
εἰς
(eis)
voor
τὸν
(ton)
de
αἰῶνα
(aiona)
eeuwigheid
καὶ
(kai)
en
πῶς
(pos)
hoe
λέγεις
(legeis)
zegt U
σὺ
(sy)
U
ὅτι
(hoti)
dat
δεῖ
(dei)
moet
ὑψωθῆναι
(hypsothenai)
verhoogd worden
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
οὗτος
(houtos)
deze
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
Bron: SBLGNT
Uitleg

Met ‘de wet’ (νόμος, nomos) bedoelen zij de Schrift.

Een eeuwig koningschap en priesterschap staat bijvoorbeeld in Ps. 110:4, Dan. 7:14, Jes. 9:6 en Ezech. 37:25.

35Yeshua zei dus tegen hen: „Nog een korte tijd is het licht onder jullie. Loop zolang jullie het licht hebben, zodat de duisternis jullie niet overmeestert. Wie in de duisternis loopt, weet niet waar hij heen gaat.
εἶπεν
(eipen)
zei
οὖν
(oun)
dus
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἔτι
(Eti)
nog
μικρὸν
(mikron)
korte
χρόνον
(chronon)
tijd
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
ἐν
(en)
onder
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐστιν
(estin)
is
περιπατεῖτε
(peripateite)
loop
ὡς
(hos)
zolang
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
ἔχετε
(echete)
jullie hebben
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
σκοτία
(skotia)
duisternis
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
καταλάβῃ
(katalabe)
overmeestert
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
περιπατῶν
(peripaton)
lopende
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
σκοτίᾳ
(skotia)
duisternis
οὐκ
(ouk)
niet
οἶδεν
(oiden)
weet
ποῦ
(pou)
waar
ὑπάγει
(hypagei)
hij heen gaat
Bron: SBLGNT
Uitleg

σκοτία (skotia), ‘duisternis’. καταλαμβάνω (katalambano), ‘overmeesteren’: zoals in Joh. 1:5.

Het kan ook ‘overvallen’, ‘grijpen’ of ‘begrijpen’ betekenen.

Zie ookJoh 1:5
36Geloof in het licht zolang jullie het licht hebben, zodat jullie zonen van het licht worden.” Dit zei Yeshua. Daarna ging Hij weg en verborg Zich voor hen.
ὡς
(hos)
zolang
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
ἔχετε
(echete)
jullie hebben
πιστεύετε
(pisteuete)
geloof
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
ἵνα
(hina)
opdat
υἱοὶ
(huioi)
zonen
φωτὸς
(photos)
van licht
γένησθε
(genesthe)
jullie worden
Ταῦτα
(Tauta)
dit
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἀπελθὼν
(apelthon)
weggegaan
ἐκρύβη
(ekrybe)
verborg Zich
ἀπ’
(ap’)
voor
αὐτῶν
(auton)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

υἱοὶ φωτός (huioi photos), ‘zonen van het licht’: een Hebreeuwse manier van spreken voor mensen die bij het licht horen.

Het ongeloof van het volk

37Hoewel Hij zoveel tekenen voor hun ogen had gedaan, geloofden zij niet in Hem,
τοσαῦτα
(tosauta)
zoveel
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
Hij
σημεῖα
(semeia)
tekenen
πεποιηκότος
(pepoiekotos)
gedaan hebbend
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
αὐτῶν
(auton)
hen
οὐκ
(ouk)
niet
ἐπίστευον
(episteuon)
geloofden zij
εἰς
(eis)
in
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
38opdat het woord van de profeet Jesaja vervuld zou worden, dat hij gesproken heeft: „Heer, wie heeft ons bericht geloofd? En aan wie is de arm van Yahweh geopenbaard?”
ἵνα
(hina)
opdat
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
woord
Ἠσαΐου
(Esaiou)
van Jesaja
τοῦ
(tou)
van de
προφήτου
(prophetou)
profeet
πληρωθῇ
(plerothe)
vervuld zou worden
ὃν
(hon)
dat
εἶπεν
(eipen)
hij zei
Κύριε
(Kyrie)
Heer
τίς
(tis)
wie
ἐπίστευσεν
(episteusen)
geloofde
τῇ
(te)
het
ἀκοῇ
(akoe)
bericht
ἡμῶν
(hemon)
ons
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
βραχίων
(brachion)
arm
κυρίου
(kyriou)
van Yahweh
τίνι
(tini)
aan wie
ἀπεκαλύφθη
(apekalyphthe)
werd geopenbaard
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Jes. 53:1.

Het Hebreeuws heeft: ‘Wie heeft ons bericht geloofd?

En aan wie is de arm van Yahweh geopenbaard?’

De Griekse tekst heeft vooraan ‘Heer’ (Κύριε); dat staat niet in het Hebreeuws. ἀκοή (akoe), ‘bericht’.

Zie ookJes 53:1
39Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw zei:
διὰ
(dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
οὐκ
(ouk)
niet
ἠδύναντο
(edynanto)
konden zij
πιστεύειν
(pisteuein)
geloven
ὅτι
(hoti)
omdat
πάλιν
(palin)
opnieuw
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἠσαΐας
(Esaias)
Jesaja
Bron: SBLGNT
40„Hij heeft hun ogen blind gemaakt en hun hart verhard, zodat zij niet met hun ogen zien, niet met hun hart begrijpen en zich niet omkeren, en Ik hen niet genees.”
Τετύφλωκεν
(Tetyphloken)
Hij heeft blind gemaakt
αὐτῶν
(auton)
hun
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
καὶ
(kai)
en
ἐπώρωσεν
(eporosen)
verhard
αὐτῶν
(auton)
hun
τὴν
(ten)
het
καρδίαν
(kardian)
hart
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
ἴδωσιν
(idosin)
zij zien
τοῖς
(tois)
met de
ὀφθαλμοῖς
(ophthalmois)
ogen
καὶ
(kai)
en
νοήσωσιν
(noesosin)
zij begrijpen
τῇ
(te)
met het
καρδίᾳ
(kardia)
hart
καὶ
(kai)
en
στραφῶσιν
(straphosin)
zij zich omkeren
καὶ
(kai)
en
ἰάσομαι
(iasomai)
Ik zal genezen
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Jes. 6:10.

Het Hebreeuws is een opdracht aan de profeet: ‘Maak het hart van dit volk vet’, en het slot is ‘en niet genezen wordt’.

De Griekse tekst heeft een mededeling in de voltooide tijd: ‘Hij heeft hun ogen blind gemaakt en hun hart verhard’.

Het slot ‘en Ik hen genees’ hangt in het Grieks nog af van ‘zodat niet’; daarom vertalen wij ‘en Ik hen niet genees’.

De woorden ‘Ik hen niet genees’ spreekt Yahweh; daarom schrijven wij ‘Ik’ met hoofdletter. πωρόω (poroo), ‘verharden’.

Zie ook Matt. 13:14–15; Mark. 4:12; Luc. 8:10.

41Dit zei Jesaja omdat hij Zijn heerlijkheid zag, en hij sprak over Hem.
ταῦτα
(tauta)
dit
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἠσαΐας
(Esaias)
Jesaja
ὅτι
(hoti)
omdat
εἶδεν
(eiden)
hij zag
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Jesaja zag de Heer op de troon (Jes. 6:1–4).

Het voornaamwoord αὐτοῦ (‘Zijn’, ‘Hem’) heeft geen duidelijke naam; de samenhang met vers 37–38 wijst op Yeshua.

Wij schrijven het met hoofdletter.

42Toch geloofden ook velen van de leiders in Hem. Maar vanwege de Farizeeën beleden zij het niet, om niet uit de synagoge gezet te worden.
ὅμως
(homos)
toch
μέντοι
(mentoi)
echter
καὶ
(kai)
ook
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
ἀρχόντων
(archonton)
leiders
πολλοὶ
(polloi)
velen
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
εἰς
(eis)
in
αὐτόν
(auton)
Hem
ἀλλὰ
(alla)
maar
διὰ
(dia)
vanwege
τοὺς
(tous)
de
Φαρισαίους
(Pharisaious)
Farizeeën
οὐχ
(ouch)
niet
ὡμολόγουν
(homologoun)
beleden zij
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
ἀποσυνάγωγοι
(aposynagogoi)
uit de synagoge gezet
γένωνται
(genontai)
zij zouden worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄρχοντες (archontes), ‘leiders’: leden van de Raad en andere bestuurders. ἀποσυνάγωγος (aposynagogos), ‘uit de synagoge gezet’: buitengesloten worden uit de gemeenschap van de synagoge.

Zie ook Joh. 9:22.

Zie ookJoh 9:22
43Want zij hadden de eer van de mensen meer lief dan de eer van Elohim.
ἠγάπησαν
(egapesan)
zij hadden lief
γὰρ
(gar)
want
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
eer
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
μᾶλλον
(mallon)
meer
ἤπερ
(eper)
dan
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
eer
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

δόξα (doxa) betekent ‘heerlijkheid’ en ‘eer’.

In vers 41 schrijven wij ‘heerlijkheid’; hier past ‘eer’ beter.

Zie ookJoh 12:41

Yeshua roept uit: Ik ben als licht gekomen

44Yeshua riep uit en zei: „Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij gestuurd heeft.
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
δὲ
(de)
maar
ἔκραξεν
(ekraxen)
riep uit
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Ὁ
(Ho)
de
πιστεύων
(pisteuon)
gelovende
εἰς
(eis)
in
ἐμὲ
(eme)
Mij
οὐ
(ou)
niet
πιστεύει
(pisteuei)
gelooft
εἰς
(eis)
in
ἐμὲ
(eme)
Mij
ἀλλὰ
(alla)
maar
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
πέμψαντά
(pempsanta)
gestuurd hebbende
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

Wij lezen vers 44–50 als woorden van Yeshua (rood), omdat vers 44 zegt: ‘Yeshua riep uit en zei’.

Het kan ook dat de evangelist hier de leer van Yeshua samenvat; het Grieks laat dat niet met zekerheid uitmaken.

Vergelijk Matt. 10:40.

Zie ookMat 10:40
45En wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gestuurd heeft.
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θεωρῶν
(theoron)
ziende
ἐμὲ
(eme)
Mij
θεωρεῖ
(theorei)
ziet
τὸν
(ton)
de
πέμψαντά
(pempsanta)
gestuurd hebbende
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
46Ik ben als licht in de wereld gekomen, opdat ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft.
ἐγὼ
(ego)
Ik
φῶς
(phos)
licht
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
ἐλήλυθα
(elelytha)
ben gekomen
ἵνα
(hina)
opdat
πᾶς
(pas)
ieder
ὁ
(ho)
de
πιστεύων
(pisteuon)
gelovende
εἰς
(eis)
in
ἐμὲ
(eme)
Mij
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
σκοτίᾳ
(skotia)
duisternis
μὴ
(me)
niet
μείνῃ
(meine)
blijft
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft ‘Ik, licht, ben in de wereld gekomen’; ‘als’ voegt het Nederlands toe.

47Als iemand Mijn woorden hoort en ze niet bewaart, oordeel Ik hem niet. Want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden.
καὶ
(kai)
en
ἐάν
(ean)
als
τίς
(tis)
iemand
μου
(mou)
Mijn
ἀκούσῃ
(akouse)
hoort
τῶν
(ton)
de
ῥημάτων
(rhematon)
woorden
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
φυλάξῃ
(phylaxe)
bewaart
ἐγὼ
(ego)
Ik
οὐ
(ou)
niet
κρίνω
(krino)
oordeel
αὐτόν
(auton)
hem
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ἦλθον
(elthon)
kwam Ik
ἵνα
(hina)
opdat
κρίνω
(krino)
Ik oordeel
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
ἀλλ’
(all’)
maar
ἵνα
(hina)
opdat
σώσω
(soso)
Ik red
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
Bron: SBLGNT
Uitleg

κρίνω (krino), ‘oordelen’; σῴζω (sozo), ‘redden’.

48Wie Mij verwerpt en Mijn woorden niet aanneemt, heeft iemand die hem oordeelt. Het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen op de laatste dag.
ὁ
(ho)
de
ἀθετῶν
(atheton)
verwerpende
ἐμὲ
(eme)
Mij
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
λαμβάνων
(lambanon)
aannemende
τὰ
(ta)
de
ῥήματά
(rhemata)
woorden
μου
(mou)
Mijn
ἔχει
(echei)
heeft
τὸν
(ton)
de
κρίνοντα
(krinonta)
oordelende
αὐτόν
(auton)
hem
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
woord
ὃν
(hon)
dat
ἐλάλησα
(elalesa)
Ik sprak
ἐκεῖνος
(ekeinos)
dat
κρινεῖ
(krinei)
zal oordelen
αὐτὸν
(auton)
hem
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
ἐσχάτῃ
(eschate)
laatste
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
Bron: SBLGNT
49Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken. Maar de Vader die Mij gestuurd heeft, heeft Zelf Mij een gebod gegeven: wat Ik moet zeggen en wat Ik moet spreken.
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἐξ
(ex)
uit
ἐμαυτοῦ
(emautou)
Mijzelf
οὐκ
(ouk)
niet
ἐλάλησα
(elalesa)
sprak
ἀλλ’
(all’)
maar
ὁ
(ho)
de
πέμψας
(pempsas)
gestuurd hebbende
με
(me)
Mij
πατὴρ
(pater)
Vader
αὐτός
(autos)
Zelf
μοι
(moi)
Mij
ἐντολὴν
(entolen)
gebod
δέδωκεν
(dedoken)
heeft gegeven
τί
(ti)
wat
εἴπω
(eipo)
Ik zal zeggen
καὶ
(kai)
en
τί
(ti)
wat
λαλήσω
(laleso)
Ik zal spreken
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐντολή (entole), ‘gebod’: een opdracht van de Vader, zoals in 10:18.

50En Ik weet dat Zijn gebod eeuwig leven is. Wat Ik dus spreek, zoals de Vader het Mij gezegd heeft, zo spreek Ik.”
καὶ
(kai)
en
οἶδα
(oida)
Ik weet
ὅτι
(hoti)
dat
ἡ
(he)
het
ἐντολὴ
(entole)
gebod
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ζωὴ
(zoe)
leven
αἰώνιός
(aionios)
eeuwig
ἐστιν
(estin)
is
ἃ
(ha)
wat
οὖν
(oun)
dus
ἐγὼ
(ego)
Ik
λαλῶ
(lalo)
spreek
καθὼς
(kathos)
zoals
εἴρηκέν
(eireken)
gezegd heeft
μοι
(moi)
Mij
ὁ
(ho)
de
πατήρ
(pater)
Vader
οὕτως
(houtos)
zo
λαλῶ
(lalo)
Ik spreek
Bron: SBLGNT