Elohim Bijbel

Deuteronomium 9

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

Niet om jullie gerechtigheid: het gouden kalf en de tafelen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het land wordt niet verdiend

1Hoor, Israël: jij steekt vandaag de Jordaan over om volken in bezit te nemen die groter en sterker zijn dan jij. Grote steden met muren tot aan de hemel,
שְׁמַ֣ע
(shema)
hoor
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אַתָּ֨ה
(ata)
jij
עֹבֵ֤ר
(over)
oversteekt
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
לָבֹא֙
(lavo)
om binnen te gaan
לָרֶ֣שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
גְּדֹלִ֥ים
(gedolim)
groter
וַעֲצֻמִ֖ים
(vaatsumim)
en sterker
מִמֶּ֑ךָּ
(mimeka)
dan jij
עָרִ֛ים
(arim)
steden
גְּדֹלֹ֥ת
(gedolot)
grote
וּבְצֻרֹ֖ת
(uvetsurot)
en versterkte
בַּשָּׁמָֽיִם
(bashamayim)
tot in de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

2Een groot en lang volk, de zonen van de Anakieten. Jij kent hen en hebt van hen horen zeggen: „Wie kan standhouden tegenover de zonen van Anak?”
עַֽם
(am)
volk
גָּד֥וֹל
(gadol)
groot
וָרָ֖ם
(varam)
en lang
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
עֲנָקִ֑ים
(anaqim)
de Anakieten
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אַתָּ֤ה
(ata)
jij
יָדַ֨עְתָּ֙
(yadata)
kent
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
שָׁמַ֔עְתָּ
(shamata)
hebt gehoord
מִ֣י
(mi)
wie
יִתְיַצֵּ֔ב
(yityatsev)
kan standhouden
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עֲנָֽק
(anaq)
Anak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲנָקִים (anaqim), ‘Anakieten’: een volk van grote mensen in het zuiden van Kanaän, bij Hebron (zie Num. 13:22, 28, 33).

3Weet vandaag dat Yahweh, je Elohim, voor je uit oversteekt als een verterend vuur. Hij zal hen vernietigen en Hij zal hen voor je onderwerpen. Jij zult hen verdrijven en snel laten omkomen, zoals Yahweh tegen je gesproken heeft.
וְיָדַעְתָּ֣
(veyadata)
en je zult weten
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
כִּי֩
(ki)
dat
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
je Elohim
הֽוּא
(hu)
Hij
הָעֹבֵ֤ר
(haover)
die oversteekt
לְפָנֶ֨יךָ֙
(lefaneikha)
voor je uit
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
אֹֽכְלָ֔ה
(okhela)
verterend
ה֧וּא
(hu)
Hij
יַשְׁמִידֵ֛ם
(yashmidem)
Hij zal hen vernietigen
וְה֥וּא
(vehu)
en Hij
יַכְנִיעֵ֖ם
(yakhniem)
Hij zal hen onderwerpen
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor je uit
וְהֽוֹרַשְׁתָּ֤ם
(vehorashtam)
en je zult hen verdrijven
וְהַֽאַבַדְתָּם֙
(vehaavadtam)
en je zult hen laten omkomen
מַהֵ֔ר
(maher)
snel
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
Hij sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לָֽךְ
(lakh)
tegen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh gaat als ‘verterend vuur’ voor Israël uit; vergelijk Exod. 24:17.

4Yahweh, je Elohim, drijft hen voor je uit weg. Zeg dan niet in je hart: „Vanwege mijn gerechtigheid heeft Yahweh mij gebracht om dit land in bezit te nemen.” Het is vanwege de goddeloosheid van deze volken dat Yahweh hen voor je uit verdrijft.
אַל
(al)
niet
תֹּאמַ֣ר
(tomar)
zeg
בִּלְבָבְךָ֗
(bilvavekha)
in je hart
בַּהֲדֹ֣ף
(bahadof)
wanneer Hij wegdrijft
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֹתָ֥ם
(otam)
hen
מִלְּפָנֶיךָ֮
(milefaneikha)
voor je uit
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
בְּצִדְקָתִי֙
(betsidqati)
vanwege mijn gerechtigheid
הֱבִיאַ֣נִי
(heviani)
heeft mij gebracht
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לָרֶ֖שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
וּבְרִשְׁעַת֙
(uverishat)
en vanwege de goddeloosheid van
הַגּוֹיִ֣ם
(hagoyim)
de volken
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מוֹרִישָׁ֥ם
(morisham)
verdrijft hen
מִפָּנֶֽיךָ
(mipaneikha)
voor je uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’: wat recht en goed is voor Yahweh.

Het volk krijgt het land niet omdat het zo goed zou zijn.

רִשְׁעָה (rish’ah), ‘goddeloosheid’: het kwaad van de volken van Kanaän. Zie ook Gen. 15:16.

5Niet vanwege je gerechtigheid en de oprechtheid van je hart ga jij hun land in bezit nemen. Het is vanwege de goddeloosheid van deze volken dat Yahweh, je Elohim, hen voor je uit verdrijft. En om het woord te laten standhouden dat Yahweh aan je vaders gezworen heeft, aan Abraham, Isaak en Jakob.
לֹ֣א
(lo)
niet
בְצִדְקָתְךָ֗
(betsidqatekha)
vanwege je gerechtigheid
וּבְיֹ֨שֶׁר֙
(uveyosher)
en de oprechtheid van
לְבָ֣בְךָ֔
(levavekha)
je hart
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
בָ֖א
(ba)
binnengaat
לָרֶ֣שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצָ֑ם
(artsam)
hun land
כִּ֞י
(ki)
maar
בְּרִשְׁעַ֣ת
(berishat)
vanwege de goddeloosheid van
הַגּוֹיִ֣ם
(hagoyim)
de volken
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je Elohim
מוֹרִישָׁ֣ם
(morisham)
verdrijft hen
מִפָּנֶ֔יךָ
(mipaneikha)
voor je uit
וּלְמַ֜עַן
(ulemaan)
en opdat
הָקִ֣ים
(haqim)
Hij laat standhouden
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֗ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֤ע
(nishba)
Hij zwoer
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לַאֲבֹתֶ֔יךָ
(laavoteikha)
aan je vaders
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
aan Abraham
לְיִצְחָ֖ק
(leyitschaq)
aan Isaak
וּֽלְיַעֲקֹֽב
(uleyaaqov)
en aan Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Weet dus dat Yahweh, je Elohim, je dit goede land niet vanwege je gerechtigheid geeft om het in bezit te nemen. Want jij bent een halsstarrig volk.
וְיָדַעְתָּ֗
(veyadata)
en je zult weten
כִּ֠י
(ki)
dat
לֹ֤א
(lo)
niet
בְצִדְקָֽתְךָ֙
(betsidqatekha)
vanwege je gerechtigheid
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱ֠לֹהֶיךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֨ן
(noten)
geeft
לְךָ֜
(lekha)
aan jou
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֧רֶץ
(haarets)
het land
הַטּוֹבָ֛ה
(hatova)
het goede
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
לְרִשְׁתָּ֑הּ
(lerishtah)
om het in bezit te nemen
כִּ֥י
(ki)
want
עַם
(am)
volk
קְשֵׁה
(qeshe)
hard van
עֹ֖רֶף
(oref)
nek
אָֽתָּה
(ata)
jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְשֵׁה־עֹרֶף (qesheh oref), ‘halsstarrig’: letterlijk ‘hard van nek’, zoals een dier dat zich niet laat leiden.

Zo noemt Yahweh het volk ook in Exod. 32:9 en 33:3.

Een weerspannig volk

7Denk eraan, vergeet het niet: hoe jullie Yahweh, jullie Elohim, in de woestijn tot toorn hebben geprikkeld. Vanaf de dag dat jullie uit het land Egypte vertrokken tot jullie op deze plaats kwamen, zijn jullie weerspannig tegen Yahweh geweest.
זְכֹר֙
(zekhor)
denk eraan
אַל
(al)
niet
תִּשְׁכַּ֔ח
(tishkach)
vergeet
אֵ֧ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
hoe
הִקְצַ֛פְתָּ
(hiqtsafta)
je tot toorn prikkelde
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
לְמִן
(lemin)
vanaf
הַיּ֞וֹם
(hayom)
de dag
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יָצָ֣אתָ
(yatsata)
je uittrok
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֗יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַד
(ad)
tot
בֹּֽאֲכֶם֙
(boakhem)
jullie kwamen
עַד
(ad)
tot
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
מַמְרִ֥ים
(mamrim)
weerspannig
הֱיִיתֶ֖ם
(heyitem)
jullie zijn geweest
עִם
(im)
tegen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

8Ook bij Horeb hebben jullie Yahweh tot toorn geprikkeld, en Yahweh werd zo kwaad op jullie dat Hij jullie wilde vernietigen.
וּבְחֹרֵ֥ב
(uvechorev)
en bij Horeb
הִקְצַפְתֶּ֖ם
(hiqtsaftem)
jullie prikkelden tot toorn
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּתְאַנַּ֧ף
(vayitanaf)
en werd verbolgen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּכֶ֖ם
(bakhem)
tegen jullie
לְהַשְׁמִ֥יד
(lehashmid)
om te vernietigen
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Horeb is een andere naam voor de berg waar Yahweh Zijn volk de wet gaf, de Sinaï (Exod. 19–20).

De ligging is niet zeker; de traditionele berg is de Jebel Musa op het zuiden van het Sinaïschiereiland.

Mozes op de berg

9Ik ging de berg op om de stenen tafelen te ontvangen, de tafelen van het verbond dat Yahweh met jullie gesloten had. Ik bleef op de berg 40 dagen en 40 nachten. Ik at geen brood en dronk geen water.
בַּעֲלֹתִ֣י
(baaloti)
toen ik opging
הָהָ֗רָה
(hahara)
naar de berg
לָקַ֜חַת
(laqachat)
om te ontvangen
לוּחֹ֤ת
(luchot)
tafelen van
הָֽאֲבָנִים֙
(haavanim)
de stenen
לוּחֹ֣ת
(luchot)
tafelen van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
אֲשֶׁר
(asher)
dat
כָּרַ֥ת
(karat)
Hij sloot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּכֶ֑ם
(imakhem)
met jullie
וָאֵשֵׁ֣ב
(vaeshev)
en ik bleef
בָּהָ֗ר
(bahar)
op de berg
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
40
יוֹם֙
(yom)
dagen
וְאַרְבָּעִ֣ים
(vearbaim)
en 40
לַ֔יְלָה
(layla)
nachten
לֶ֚חֶם
(lechem)
brood
לֹ֣א
(lo)
niet
אָכַ֔לְתִּי
(akhalti)
at ik
וּמַ֖יִם
(umayim)
en water
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁתִֽיתִי
(shatiti)
dronk ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes bleef 40 dagen en 40 nachten op de berg om de tafelen te ontvangen (Exod. 24:18; 34:28).

10Yahweh gaf mij de twee stenen tafelen, beschreven met de vinger van Elohim. Daarop stonden alle woorden die Yahweh op de berg uit het vuur tot jullie gesproken had, op de dag van de vergadering.
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en Hij gaf
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
aan mij
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵי֙
(shenei)
twee
לוּחֹ֣ת
(luchot)
tafelen van
הָֽאֲבָנִ֔ים
(haavanim)
de stenen
כְּתֻבִ֖ים
(ketuvim)
beschreven
בְּאֶצְבַּ֣ע
(beetsba)
met de vinger van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וַעֲלֵיהֶ֗ם
(vaaleihem)
en daarop
כְּֽכָל
(kekhal)
overeenkomstig alle
הַדְּבָרִ֡ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
דִּבֶּר֩
(diber)
Hij sprak
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּכֶ֥ם
(imakhem)
met jullie
בָּהָ֛ר
(bahar)
op de berg
מִתּ֥וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
הָאֵ֖שׁ
(haesh)
het vuur
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
הַקָּהָֽל
(haqahal)
de vergadering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tafelen waren beschreven met de vinger van Elohim (Exod. 31:18).

De woorden zijn de Tien Woorden die het volk uit het vuur hoorde (Exod. 20:1–17; Deut. 5:6–21).

11Na 40 dagen en 40 nachten gaf Yahweh mij de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
מִקֵּץ֙
(miqets)
na het einde van
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
40
י֔וֹם
(yom)
dagen
וְאַרְבָּעִ֖ים
(vearbaim)
en 40
לָ֑יְלָה
(layela)
nachten
נָתַ֨ן
(natan)
gaf
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
aan mij
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֛י
(shenei)
twee
לֻחֹ֥ת
(luchot)
tafelen van
הָאֲבָנִ֖ים
(haavanim)
de stenen
לֻח֥וֹת
(luchot)
tafelen van
הַבְּרִֽית
(haberit)
het verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh meldt het kalf

12Yahweh zei tot mij: „Sta op, daal snel hiervandaan af, want je volk dat je uit Egypte hebt geleid, heeft zich bedorven. Snel zijn zij afgeweken van de weg die Ik hun geboden heb: zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
ק֣וּם
(qum)
sta op
רֵ֤ד
(red)
daal af
מַהֵר֙
(maher)
snel
מִזֶּ֔ה
(mize)
van hier
כִּ֚י
(ki)
want
שִׁחֵ֣ת
(shichet)
heeft zich bedorven
עַמְּךָ֔
(amekha)
je volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הוֹצֵ֖אתָ
(hotseta)
je uitleidde
מִמִּצְרָ֑יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
סָ֣רוּ
(saru)
zij zijn afgeweken
מַהֵ֗ר
(maher)
snel
מִן
(min)
van
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
צִוִּיתִ֔ם
(tsivitim)
Ik gebood hen
עָשׂ֥וּ
(asu)
zij hebben gemaakt
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor zich
מַסֵּכָֽה
(masekha)
een gegoten beeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit herhaalt wat Yahweh bij het gouden kalf tegen Mozes zei (Exod. 32:7–8).

Daar staat ook ‘je volk’ en ‘gegoten kalf’.

מַסֵּכָה (massekhah), ‘gegoten beeld’: een beeld van gegoten metaal.

13Yahweh zei tot mij: „Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een halsstarrig volk.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֣י
(elay)
tot mij
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
רָאִ֨יתִי֙
(raiti)
Ik heb gezien
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
עַם
(am)
volk
קְשֵׁה
(qeshe)
hard van
עֹ֖רֶף
(oref)
nek
הֽוּא
(hu)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Laat Mij begaan, dan vernietig Ik hen en wis Ik hun naam onder de hemel uit. Dan maak Ik van jou een volk dat sterker en talrijker is dan zij.”
הֶ֤רֶף
(heref)
laat begaan
מִמֶּ֨נִּי֙
(mimeni)
van Mij
וְאַשְׁמִידֵ֔ם
(veashmidem)
dan zal Ik hen vernietigen
וְאֶמְחֶ֣ה
(veemche)
en Ik zal uitwissen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמָ֔ם
(shemam)
hun naam
מִתַּ֖חַת
(mitachat)
van onder
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶֽעֱשֶׂה֙
(veeese)
en Ik zal maken
אֽוֹתְךָ֔
(otekha)
jou
לְגוֹי
(legoy)
tot een volk
עָצ֥וּם
(atsum)
sterker
וָרָ֖ב
(varav)
en talrijker
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
dan het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Exod. 32:10: ‘Laat Mij nu begaan.’

15Ik keerde mij om en daalde van de berg af, terwijl de berg in vuur brandde. De twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen.
וָאֵ֗פֶן
(vaefen)
en ik keerde mij om
וָֽאֵרֵד֙
(vaered)
en ik daalde af
מִן
(min)
van
הָהָ֔ר
(hahar)
de berg
וְהָהָ֖ר
(vehahar)
en de berg
בֹּעֵ֣ר
(boer)
brandde
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
in vuur
וּשְׁנֵי֙
(ushenei)
en twee
לֻחֹ֣ת
(luchot)
tafelen van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
עַ֖ל
(al)
op
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
mijn twee
יָדָֽי
(yaday)
handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mozes breekt de tafelen

16Ik keek, en zie, jullie hadden gezondigd tegen Yahweh, jullie Elohim: jullie hadden voor jezelf een gegoten kalf gemaakt. Snel waren jullie afgeweken van de weg die Yahweh jullie geboden had.
וָאֵ֗רֶא
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
חֲטָאתֶם֙
(chatatem)
jullie hadden gezondigd
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
עֲשִׂיתֶ֣ם
(asitem)
jullie hadden gemaakt
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jezelf
עֵ֖גֶל
(egel)
een kalf
מַסֵּכָ֑ה
(masekha)
gegoten
סַרְתֶּ֣ם
(sartem)
jullie waren afgeweken
מַהֵ֔ר
(maher)
snel
מִן
(min)
van
הַדֶּ֕רֶךְ
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁר
(asher)
die
צִוָּ֥ה
(tsiva)
Hij gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Ik greep de twee tafelen, wierp ze uit mijn beide handen en brak ze voor jullie ogen.
וָאֶתְפֹּשׂ֙
(vaetpos)
en ik greep
בִּשְׁנֵ֣י
(bishnei)
de twee
הַלֻּחֹ֔ת
(haluchot)
tafelen
וָֽאַשְׁלִכֵ֔ם
(vaashlikhem)
en ik wierp ze
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
mijn twee
יָדָ֑י
(yaday)
handen
וָאֲשַׁבְּרֵ֖ם
(vaashaberem)
en ik brak ze
לְעֵינֵיכֶֽם
(leeineikhem)
voor jullie ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes breekt de tafelen onder aan de berg (Exod. 32:19).

Zie ookEx 32:19

Mozes werpt zich neer

18Daarna wierp ik mij neer voor het aangezicht van Yahweh, zoals de eerste keer, 40 dagen en 40 nachten. Ik at geen brood en dronk geen water vanwege al jullie zonde. Die hadden jullie begaan door te doen wat kwaad is in de ogen van Yahweh, om Hem te tergen.
וָֽאֶתְנַפַּל֩
(vaetnapal)
en ik wierp mij neer
לִפְנֵ֨י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּרִאשֹׁנָ֗ה
(karishona)
zoals de eerste keer
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
40
יוֹם֙
(yom)
dagen
וְאַרְבָּעִ֣ים
(vearbaim)
en 40
לַ֔יְלָה
(layla)
nachten
לֶ֚חֶם
(lechem)
brood
לֹ֣א
(lo)
niet
אָכַ֔לְתִּי
(akhalti)
at ik
וּמַ֖יִם
(umayim)
en water
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁתִ֑יתִי
(shatiti)
dronk ik
עַ֤ל
(al)
vanwege
כָּל
(kal)
al
חַטַּאתְכֶם֙
(chatatkhem)
jullie zonde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חֲטָאתֶ֔ם
(chatatem)
jullie hadden gezondigd
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
door te doen
הָרַ֛ע
(hara)
wat kwaad is
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַכְעִיסֽוֹ
(lehakhiso)
om Hem te tergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is een tweede verblijf van 40 dagen en 40 nachten, na het breken van de tafelen (Exod. 34:28).

19Want ik was bang voor de toorn en de woede waarmee Yahweh zich tegen jullie verbolgen had om jullie te vernietigen. Ook die keer luisterde Yahweh naar mij.
כִּ֣י
(ki)
want
יָגֹ֗רְתִּי
(yagorti)
ik was bang
מִפְּנֵ֤י
(mipenei)
voor
הָאַף֙
(haaf)
de toorn
וְהַ֣חֵמָ֔ה
(vehachema)
en de woede
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarmee
קָצַ֧ף
(qatsaf)
Hij was verbolgen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
tegen jullie
לְהַשְׁמִ֣יד
(lehashmid)
om te vernietigen
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en Hij luisterde
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
גַּ֖ם
(gam)
ook
בַּפַּ֥עַם
(bapaam)
die keer
הַהִֽוא
(hahi)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Op Aäron was Yahweh zeer toornig, zodat Hij hem wilde vernietigen. Toen bad ik ook voor Aäron, op dat moment.
וּֽבְאַהֲרֹ֗ן
(uveaharon)
en op Aäron
הִתְאַנַּ֧ף
(hitanaf)
werd toornig
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
לְהַשְׁמִיד֑וֹ
(lehashmido)
om hem te vernietigen
וָֽאֶתְפַּלֵּ֛ל
(vaetpalel)
en ik bad
גַּם
(gam)
ook
בְּעַ֥ד
(bead)
voor
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
בָּעֵ֥ת
(baet)
op dat
הַהִֽוא
(hahi)
moment
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dat Aäron het kalf had laten maken, staat in Exod. 32:1–6, 21–24.

21Jullie zonde, het kalf dat jullie gemaakt hadden, nam ik en verbrandde ik met vuur. Ik sloeg het stuk en maalde het goed, tot het zo fijn was als stof. Het stof gooide ik in de beek die van de berg afdaalt.
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
חַטַּאתְכֶ֞ם
(chatatkhem)
jullie zonde
אֲשֶׁר
(asher)
die
עֲשִׂיתֶ֣ם
(asitem)
jullie hadden gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֵ֗גֶל
(haegel)
het kalf
לָקַחְתִּי֮
(laqachti)
nam ik
וָאֶשְׂרֹ֣ף
(vaesrof)
en ik verbrandde
אֹת֣וֹ
(oto)
het
בָּאֵשׁ֒
(baesh)
met vuur
וָאֶכֹּ֨ת
(vaekot)
en ik sloeg
אֹת֤וֹ
(oto)
het
טָחוֹן֙
(tachon)
malend
הֵיטֵ֔ב
(heitev)
goed
עַ֥ד
(ad)
totdat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דַּ֖ק
(daq)
het fijn was
לְעָפָ֑ר
(leafar)
tot stof
וָֽאַשְׁלִךְ֙
(vaashlikh)
en ik wierp
אֶת
(et)
(obj.)
עֲפָר֔וֹ
(afaro)
zijn stof
אֶל
(el)
in
הַנַּ֖חַל
(hanachal)
de beek
הַיֹּרֵ֥ד
(hayored)
die afdaalt
מִן
(min)
van
הָהָֽר
(hahar)
de berg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Exod. 32:20.

Daar maalde Mozes het kalf ook fijn en liet de zonen van Israël ervan drinken.

Andere opstanden

22Ook bij Tabera, bij Massa en bij Kibrot-Hattaava hebben jullie Yahweh tot toorn geprikkeld.
וּבְתַבְעֵרָה֙
(uvetavera)
en bij Tabera
וּבְמַסָּ֔ה
(uvemasa)
en bij Massa
וּבְקִבְרֹ֖ת
(uveqivrot)
en bij Kibrot
הַֽתַּאֲוָ֑ה
(hataava)
Hattaava
מַקְצִפִ֥ים
(maqtsifim)
jullie prikkelden tot toorn
הֱיִיתֶ֖ם
(heyitem)
jullie waren
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tabera en Kibrot-Hattaava liggen in de woestijn op de tocht van de Sinaï naar Kades; de precieze ligging is onbekend (Num. 11:3, 34).

Massa is de plaats bij Refidim (Exod. 17:7), vermoedelijk in het zuiden van het Sinaïschiereiland.

23Yahweh zond jullie uit Kades-Barnea met de woorden: „Trek op en neem het land in bezit dat Ik jullie gegeven heb.” En jullie waren weerspannig tegen het woord van Yahweh, jullie Elohim. Jullie geloofden Hem niet en luisterden niet naar Zijn stem.
וּבִשְׁלֹ֨חַ
(uvishloach)
en toen Hij zond
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶתְכֶ֗ם
(etkhem)
jullie
מִקָּדֵ֤שׁ
(miqadesh)
vanuit Kades
בַּרְנֵ֨עַ֙
(barnea)
Barnea
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
עֲלוּ֙
(alu)
trek op
וּרְשׁ֣וּ
(ureshu)
en neem in bezit
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik gaf
לָכֶ֑ם
(lakhem)
aan jullie
וַתַּמְר֗וּ
(vatamru)
en jullie waren weerspannig
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֤י
(pi)
het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
הֶֽאֱמַנְתֶּם֙
(heemantem)
jullie geloofden
ל֔וֹ
(lo)
Hem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֖ם
(shematem)
jullie luisterden
בְּקֹלֽוֹ
(beqolo)
naar Zijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kades-Barnea ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, vermoedelijk bij Ain el-Qudeirat (Egypte, bij de grens met Israël).

Het verhaal van de verspieders staat in Num. 13–14.

Lezing

Het bevel dat Yahweh bij Kades-Barnea gaf, staat rood: het zijn Zijn eigen woorden, aangehaald door Mozes.

24Weerspannig zijn jullie tegen Yahweh geweest vanaf de dag dat ik jullie ken.
מַמְרִ֥ים
(mamrim)
weerspannig
הֱיִיתֶ֖ם
(heyitem)
jullie zijn geweest
עִם
(im)
tegen
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מִיּ֖וֹם
(miyom)
vanaf de dag
דַּעְתִּ֥י
(dati)
dat ik kende
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Ik wierp mij neer voor het aangezicht van Yahweh, die 40 dagen en 40 nachten dat ik mij neerwierp. Want Yahweh had gezegd jullie te willen vernietigen.
וָֽאֶתְנַפַּ֞ל
(vaetnapal)
en ik wierp mij neer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
de 40
הַיּ֛וֹם
(hayom)
dagen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
de 40
הַלַּ֖יְלָה
(halayla)
nachten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הִתְנַפָּ֑לְתִּי
(hitnapalti)
ik mij neerwierp
כִּֽי
(ki)
want
אָמַ֥ר
(amar)
Hij had gezegd
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַשְׁמִ֥יד
(lehashmid)
om te vernietigen
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het gebed van Mozes

26Ik bad tot Yahweh en zei: „Mijn Heer Yahweh, vernietig Uw volk en Uw erfdeel niet. Dat hebt U door Uw grootheid vrijgekocht, dat hebt U met sterke hand uit Egypte geleid.
וָאֶתְפַּלֵּ֣ל
(vaetpalel)
en ik bad
אֶל
(el)
tot
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
וָאֹמַר֒
(vaomar)
en ik zei
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
mijn Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אַל
(al)
niet
תַּשְׁחֵ֤ת
(tashchet)
vernietig
עַמְּךָ֙
(amekha)
Uw volk
וְנַחֲלָ֣תְךָ֔
(venachalatekha)
en Uw erfdeel
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
פָּדִ֖יתָ
(padita)
U hebt vrijgekocht
בְּגָדְלֶ֑ךָ
(begadelekha)
door Uw grootheid
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הוֹצֵ֥אתָ
(hotseta)
U hebt uitgeleid
מִמִּצְרַ֖יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
בְּיָ֥ד
(beyad)
met een hand
חֲזָקָֽה
(chazaqa)
sterke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: Mozes spreekt Yahweh zo aan.

27Denk aan Uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob. Kijk niet naar de hardnekkigheid van dit volk, noch naar zijn goddeloosheid, noch naar zijn zonde,
זְכֹר֙
(zekhor)
denk aan
לַעֲבָדֶ֔יךָ
(laavadeikha)
Uw dienaren
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
Abraham
לְיִצְחָ֖ק
(leyitschaq)
Isaak
וּֽלְיַעֲקֹ֑ב
(uleyaaqov)
en Jakob
אַל
(al)
niet
תֵּ֗פֶן
(tefen)
keer U
אֶל
(el)
tot
קְשִׁי֙
(qeshi)
de hardnekkigheid van
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וְאֶל
(veel)
en tot
רִשְׁע֖וֹ
(risho)
zijn goddeloosheid
וְאֶל
(veel)
en tot
חַטָּאתֽוֹ
(chatato)
zijn zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28anders zeggen de bewoners van het land waaruit U ons hebt geleid dat Yahweh niet in staat was hen te brengen naar het land. Dat land had Hij hun beloofd. Ze zeggen ook dat Hij hen uitgeleid heeft omdat Hij hen haat, om hen in de woestijn te doden.
פֶּן
(pen)
anders
יֹאמְר֗וּ
(yomru)
zeggen zij
הָאָרֶץ֮
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waaruit
הוֹצֵאתָ֣נוּ
(hotsetanu)
U ons hebt uitgeleid
מִשָּׁם֒
(misham)
vandaar
מִבְּלִי֙
(mibeli)
omdat niet
יְכֹ֣לֶת
(yekholet)
in staat
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לַהֲבִיאָ֕ם
(lahaviam)
om hen te brengen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דִּבֶּ֣ר
(diber)
Hij beloofde
לָהֶ֑ם
(lahem)
hun
וּמִשִּׂנְאָת֣וֹ
(umisinato)
en omdat Hij hen haat
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
הוֹצִיאָ֖ם
(hotsiam)
heeft Hij uitgeleid
לַהֲמִתָ֥ם
(lahamitam)
om hen te doden
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Zij zijn immers Uw volk en Uw erfdeel, dat U met Uw grote kracht en Uw uitgestrekte arm uitgeleid hebt.”
וְהֵ֥ם
(vehem)
en zij
עַמְּךָ֖
(amekha)
Uw volk
וְנַחֲלָתֶ֑ךָ
(venachalatekha)
en Uw erfdeel
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הוֹצֵ֨אתָ֙
(hotseta)
U hebt uitgeleid
בְּכֹחֲךָ֣
(bekhochakha)
met Uw kracht
הַגָּדֹ֔ל
(hagadol)
de grote
וּבִֽזְרֹעֲךָ֖
(uvizroakha)
en met Uw arm
הַנְּטוּיָֽה
(hanetuya)
de uitgestrekte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)