Elohim Bijbel

Job 7

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Job klaagt: het leven is een ademtocht

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het leven van de mens is zwaar werk

1„Heeft een mens op aarde niet harde dienst, en zijn zijn dagen niet als die van een dagloner?
הֲלֹא
(halo)
niet?
צָבָ֣א
(tsava)
dienst
לֶאֱנ֣וֹשׁ
(leenosh)
voor de sterveling
עֲלֵי
(alei)
op
אָ֑רֶץ
(arets)
aarde
וְכִימֵ֖י
(vekhimei)
en als dagen van
שָׂכִ֣יר
(sakhir)
een dagloner
יָמָֽיו
(yamav)
zijn dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָבָא (tsava) is ‘dienstplicht, krijgsdienst, zware arbeid’.

Het leven van de mens is een verplichte dienst, zonder eigen keuze.

2Als een slaaf die naar de schaduw hijgt, als een dagloner die op zijn loon wacht,
כְּעֶ֥בֶד
(keeved)
als een slaaf
יִשְׁאַף
(yishaf)
hijgt hij naar
צֵ֑ל
(tsel)
schaduw
וּ֝כְשָׂכִ֗יר
(ukhesakhir)
en als een dagloner
יְקַוֶּ֥ה
(yeqave)
wacht hij op
פָעֳלֽוֹ
(paolo)
zijn loon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3zo heb ik maanden van niets als erfdeel gekregen, en nachten vol moeite zijn mij toegewezen.
כֵּ֤ן
(ken)
zo
הָנְחַ֣לְתִּי
(hanechalti)
ik kreeg als erfdeel
לִ֭י
(li)
mij
יַרְחֵי
(yarchei)
maanden van
שָׁ֑וְא
(shave)
niets
וְלֵיל֥וֹת
(veleilot)
en nachten van
עָ֝מָ֗ל
(amal)
moeite
מִנּוּ
(minu)
zijn toegewezen
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Als ik ga liggen, zeg ik: ‘Wanneer sta ik op?’ Maar de avond rekt zich uit, en ik word verzadigd van onrust tot de morgenschemering.
אִם
(im)
indien
שָׁכַ֗בְתִּי
(shakhavti)
lag ik
וְאָמַ֗רְתִּי
(veamarti)
en zei ik
מָתַ֣י
(matay)
wanneer
אָ֭קוּם
(aqum)
sta ik op
וּמִדַּד
(umidad)
en rekt zich
עָ֑רֶב
(arev)
de avond
וְשָׂבַ֖עְתִּי
(vesavati)
en ik werd verzadigd
נְדֻדִ֣ים
(nedudim)
van onrust
עֲדֵי
(adei)
tot
נָֽשֶׁף
(nashef)
de schemering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Mijn lichaam is bekleed met maden en met klonten stof. Mijn huid scheurt open en loopt weer.
לָ֘בַ֤שׁ
(lavash)
bekleed is
בְּשָׂרִ֣י
(besari)
mijn lichaam
רִ֭מָּה
(rima)
met maden
וְג֣וּשׁ
(vegush)
en klonter van
עָפָ֑ר
(afar)
stof
עוֹרִ֥י
(ori)
mijn huid
רָ֝גַ֗ע
(raga)
scheurt
וַיִּמָּאֵֽס
(vayimaes)
en loopt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zweren, maden en gebarsten huid: Job beschrijft zijn ziekte (2:7).

רֶגַע (rega) is hier ‘scheurt’ of ‘wordt hard’; וַיִּמָּאֵס (vayimma’es) is ‘loopt’ of ‘lost op’.

6Mijn dagen gaan sneller dan een weefspoel en lopen af zonder hoop.
יָמַ֣י
(yamay)
mijn dagen
קַ֭לּוּ
(qalu)
zijn sneller
מִנִּי
(mini)
dan
אָ֑רֶג
(areg)
een weefspoel
וַ֝יִּכְל֗וּ
(vayikhlu)
en ze eindigen
בְּאֶ֣פֶס
(beefes)
zonder
תִּקְוָֽה
(tiqva)
hoop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Job spreekt tot Eloah

7Denk eraan dat mijn leven een ademtocht is. Mijn oog zal het goede niet meer zien.
זְ֭כֹר
(zekhor)
denk eraan
כִּי
(ki)
dat
ר֣וּחַ
(ruach)
adem
חַיָּ֑י
(chayay)
mijn leven
לֹא
(lo)
niet
תָשׁ֥וּב
(tashuv)
zal terugkeren
עֵ֝ינִ֗י
(eini)
mijn oog
לִרְא֥וֹת
(lirot)
om te zien
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Het oog dat mij ziet, zal mij niet meer zien. Uw ogen zijn op mij gericht, en ik ben er niet meer.
לֹֽא
(lo)
niet
תְ֭שׁוּרֵנִי
(teshureni)
zal mij aanschouwen
עֵ֣ין
(ein)
oog
רֹ֑אִי
(roi)
dat mij ziet
עֵינֶ֖יךָ
(eineikha)
Uw ogen
בִּ֣י
(bi)
op mij
וְאֵינֶֽנִּי
(veeineni)
en ik ben niet meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Een wolk lost op en verdwijnt. Zo komt wie naar het dodenrijk gaat, niet meer boven.
כָּלָ֣ה
(kala)
vergaat
עָ֭נָן
(anan)
een wolk
וַיֵּלַ֑ךְ
(vayelakh)
en gaat weg
כֵּ֥ן
(ken)
zo
יוֹרֵ֥ד
(yored)
wie neerdaalt
שְׁ֝א֗וֹל
(sheol)
naar het dodenrijk
לֹ֣א
(lo)
niet
יַעֲלֶֽה
(yaale)
komt omhoog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (Sheol) is het dodenrijk, de plaats waar de overledenen verblijven.

Job zegt: wie daar komt, komt niet meer terug.

10Hij keert niet meer terug naar zijn huis, en zijn plaats herkent hem niet meer.
לֹא
(lo)
niet
יָשׁ֣וּב
(yashuv)
keert terug
ע֣וֹד
(od)
meer
לְבֵית֑וֹ
(leveito)
naar zijn huis
וְלֹא
(velo)
en niet
יַכִּירֶ֖נּוּ
(yakirenu)
herkent hem
ע֣וֹד
(od)
meer
מְקֹמֽוֹ
(meqomo)
zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Daarom zal ik mijn mond niet bedwingen. Ik spreek in de nood van mijn geest, ik klaag in de bitterheid van mijn ziel.
גַּם
(gam)
ook
אֲנִי֮
(ani)
ik
לֹ֤א
(lo)
niet
אֶחֱשָׂ֫ךְ
(echesakh)
zal bedwingen
פִּ֥י
(pi)
mijn mond
אֲֽ֭דַבְּרָה
(adabera)
ik zal spreken
בְּצַ֣ר
(betsar)
in de nood van
רוּחִ֑י
(ruchi)
mijn geest
אָ֝שִׂ֗יחָה
(asicha)
ik zal klagen
בְּמַ֣ר
(bemar)
in de bitterheid van
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Ben ik de zee, of het zeemonster, dat U een wacht tegen mij stelt?
הֲֽיָם
(hayam)
de zee
אָ֭נִי
(ani)
ben ik
אִם
(im)
of
תַּנִּ֑ין
(tanin)
het zeemonster
כִּֽי
(ki)
dat
תָשִׂ֖ים
(tasim)
U stelt
עָלַ֣י
(alay)
over mij
מִשְׁמָֽר
(mishmar)
een wacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָם (yam) is de zee, תַּנִּין (tannin) het zeemonster; in de oudoosterse verhalen zijn zij de machten van de chaos, die door de godheid worden bedwongen (Ps. 74:13).

Job vraagt: ben ik zo gevaarlijk dat U mij moet bewaken?

13Als ik zeg: ‘Mijn bed zal mij troosten, mijn legerstede zal mijn klacht verlichten’,
כִּֽי
(ki)
als
אָ֭מַרְתִּי
(amarti)
ik zei
תְּנַחֲמֵ֣נִי
(tenachameni)
zal mij troosten
עַרְשִׂ֑י
(arsi)
mijn bed
יִשָּׂ֥א
(yisa)
zal dragen
בְ֝שִׂיחִ֗י
(besichi)
mijn klacht
מִשְׁכָּבִֽי
(mishkavi)
mijn legerstede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14dan verschrikt U mij met dromen en jaagt U mij angst aan met visioenen,
וְחִתַּתַּ֥נִי
(vechitatani)
dan schrikt U mij
בַחֲלֹמ֑וֹת
(bachalomot)
met dromen
וּֽמֵחֶזְיֹנ֥וֹת
(umechezyonot)
en met visioenen
תְּבַעֲתַֽנִּי
(tevaatani)
verschrikt U mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15zodat mijn ziel de wurging verkiest, de dood boven mijn beenderen.
וַתִּבְחַ֣ר
(vativchar)
en kiest
מַחֲנָ֣ק
(machanaq)
wurging
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn ziel
מָ֝֗וֶת
(mavet)
dood
מֵֽעַצְמוֹתָֽי
(meatsmotay)
boven mijn beenderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Ik heb er genoeg van, ik zal niet eeuwig leven. Laat mij met rust, want mijn dagen zijn een ademtocht.
מָ֭אַסְתִּי
(maasti)
ik verwerp (het)
לֹא
(lo)
niet
לְעֹלָ֣ם
(leolam)
eeuwig
אֶֽחְיֶ֑ה
(echye)
zal ik leven
חֲדַ֥ל
(chadal)
houd op
מִ֝מֶּ֗נִּי
(mimeni)
van mij
כִּי
(ki)
want
הֶ֥בֶל
(hevel)
een zucht
יָמָֽי
(yamay)
mijn dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wat is een mens, dat U hem zo in de gaten houdt?

17Wat is een mens dat U hem zo groot maakt, en dat U Uw hart op hem richt,
מָֽה
(ma)
wat
אֱ֭נוֹשׁ
(enosh)
de sterveling
כִּ֣י
(ki)
dat
תְגַדְּלֶ֑נּוּ
(tegadelenu)
U hem groot maakt
וְכִי
(vekhi)
en dat
תָשִׁ֖ית
(tashit)
U richt
אֵלָ֣יו
(elav)
op hem
לִבֶּֽךָ
(libekha)
Uw hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is een omkering van Ps. 8:5: daar verwondert de dichter zich dat Elohim aan de mens denkt; Job verwijt dat Elohim te veel naar de mens kijkt.

18hem elke ochtend bezoekt en hem elk ogenblik beproeft?
וַתִּפְקְדֶ֥נּוּ
(vatifqedenu)
en hem bezoekt
לִבְקָרִ֑ים
(livqarim)
elke ochtend
לִ֝רְגָעִ֗ים
(lirgaim)
elk ogenblik
תִּבְחָנֶֽנּוּ
(tivchanenu)
hem beproeft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Hoe lang nog kijkt U niet van mij weg en laat U mij niet los, totdat ik mijn speeksel kan inslikken?
כַּ֭מָּה
(kama)
hoe lang
לֹא
(lo)
niet
תִשְׁעֶ֣ה
(tishe)
kijkt U weg
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
van mij
לֹֽא
(lo)
niet
תַ֝רְפֵּ֗נִי
(tarpeni)
laat U mij los
עַד
(ad)
tot
בִּלְעִ֥י
(bili)
ik inslik
רֻקִּֽי
(ruqi)
mijn speeksel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Heb ik gezondigd, wat doe ik U daarmee aan, bewaker van de mens? Waarom hebt U mij tot Uw doelwit gemaakt, zodat ik mezelf tot last ben?
חָטָ֡אתִי
(chatati)
ik heb gezondigd
מָ֤ה
(ma)
wat
אֶפְעַ֨ל
(efal)
doe ik
לָךְ֮
(lakh)
U
נֹצֵ֪ר
(notser)
bewaker van
הָאָ֫דָ֥ם
(haadam)
de mens
לָ֤מָה
(lama)
waarom
שַׂמְתַּ֣נִי
(samtani)
hebt U mij gezet
לְמִפְגָּ֣ע
(lemifga)
tot doelwit
לָ֑ךְ
(lakh)
voor U
וָאֶהְיֶ֖ה
(vaehye)
en ben ik
עָלַ֣י
(alay)
voor mij
לְמַשָּֽׂא
(lemasa)
tot last
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

עָלַי (alay), ‘voor mij’.

Een oude Joodse overlevering (tikkun soferim, ‘verbetering van de schrijvers’) zegt dat er oorspronkelijk ‘voor U’ (עָלֶיךָ) stond, maar dat de schrijvers dat hebben gewijzigd uit eerbied.

Wij vertalen de Masoretische tekst.

21En waarom vergeeft U mijn overtreding niet en neemt U mijn schuld niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen. U zult mij zoeken, maar ik ben er niet meer.”
וּמֶ֤ה
(ume)
en waarom
לֹא
(lo)
niet
תִשָּׂ֣א
(tisa)
vergeeft U
פִשְׁעִי֮
(pishi)
mijn overtreding
וְתַעֲבִ֪יר
(vetaavir)
en neemt U weg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֲוֺ֫נִ֥י
(avoni)
mijn schuld
כִּֽי
(ki)
want
עַ֭תָּה
(ata)
nu
לֶעָפָ֣ר
(leafar)
in het stof
אֶשְׁכָּ֑ב
(eshkav)
zal ik liggen
וְשִׁ֖חֲרְתַּ֣נִי
(veshichartani)
en zult U mij zoeken
וְאֵינֶֽנִּי
(veeineni)
en ik ben er niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De laatste zin keert de gedachte om: Elohim zal Job zoeken, maar niet meer vinden.

Dat is bitter: Elohim zoekt te laat.