Elohim Bijbel

Exodus 9

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De plagen van de pest, de zweren en de hagel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De vijfde plaag: de pest onder het vee

1Yahweh zei tot Mozes: „Ga naar de farao en zeg tot hem: ‘Zo zegt Yahweh, Elohim van de Hebreeën: Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij dienen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
בֹּ֖א
(bo)
ga
אֶל
(el)
naar
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
וְדִבַּרְתָּ֣
(vedibarta)
en spreek
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
הָֽעִבְרִ֔ים
(haivrim)
de Hebreeën
שַׁלַּ֥ח
(shalach)
laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
וְיַֽעַבְדֻֽנִי
(veyaavduni)
opdat zij Mij dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Want als je weigert hen te laten gaan en hen nog vasthoudt,
כִּ֛י
(ki)
want
אִם
(im)
indien
מָאֵ֥ן
(maen)
je weigert
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
לְשַׁלֵּ֑חַ
(leshaleach)
te laten gaan
וְעוֹדְךָ֖
(veodekha)
en nog
מַחֲזִ֥יק
(machaziq)
vasthoudt
בָּֽם
(bam)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3zie, dan komt de hand van Yahweh over je vee in het veld, over de paarden, ezels, kamelen, runderen en schapen: een zeer zware pest.
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
הוֹיָ֗ה
(hoya)
komt
בְּמִקְנְךָ֙
(bemiqnekha)
over je vee
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
בַּסּוּסִ֤ים
(basusim)
onder de paarden
בַּֽחֲמֹרִים֙
(bachamorim)
onder de ezels
בַּגְּמַלִּ֔ים
(bagemalim)
onder de kamelen
בַּבָּקָ֖ר
(babaqar)
onder de runderen
וּבַצֹּ֑אן
(uvatson)
en onder de schapen
דֶּ֖בֶר
(dever)
een pest
כָּבֵ֥ד
(kaved)
zware
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דֶּבֶר (daver) is ‘pest’ in de brede zin van een dodelijke ziekte onder het vee.

Het wordt hier genoemd onder paarden, ezels, kamelen, runderen en schapen.

4Yahweh zal onderscheid maken tussen het vee van Israël en het vee van Egypte, en van alles wat de zonen van Israël hebben, zal niets sterven.’”
וְהִפְלָ֣ה
(vehifla)
en zal onderscheiden
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
מִקְנֵ֣ה
(miqne)
het vee van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וּבֵ֖ין
(uvein)
en tussen
מִקְנֵ֣ה
(miqne)
het vee van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָמ֛וּת
(yamut)
zal sterven
מִכָּל
(mikal)
van alles
לִבְנֵ֥י
(livnei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
דָּבָֽר
(davar)
iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Opnieuw maakt Yahweh onderscheid tussen Egypte en Israël (zie 8:18–19).

De verzen 6 en 7 bevestigen dat.

5Yahweh bepaalde een tijd en zei: „Morgen zal Yahweh dit in het land doen.”
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en stelde
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מוֹעֵ֣ד
(moed)
een bepaalde tijd
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
מָחָ֗ר
(machar)
morgen
יַעֲשֶׂ֧ה
(yaase)
zal doen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6De volgende dag deed Yahweh dit. Al het vee van Egypte stierf, maar van het vee van de zonen van Israël stierf er niet één.
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en deed
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֤ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּה֙
(haze)
deze
מִֽמָּחֳרָ֔ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַיָּ֕מָת
(vayamat)
en stierf
כֹּ֖ל
(kol)
al
מִקְנֵ֣ה
(miqne)
het vee van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּמִמִּקְנֵ֥ה
(umimiqne)
en van het vee van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֹא
(lo)
niet
מֵ֥ת
(met)
stierf
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

‘Al het vee van Egypte’ stierf, maar de plaag trof alleen het vee in het veld (vers 3).

In de verzen 19–21 is er nog vee over dat de hagel treft; ‘al’ betekent hier ‘al het vee dat in het veld stond’.

7De farao liet nagaan, en zie, van het vee van Israël was er niet één gestorven. Maar het hart van de farao bleef zwaar en hij liet het volk niet gaan.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en zond
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וְהִנֵּ֗ה
(vehine)
en zie
לֹא
(lo)
niet
מֵ֛ת
(met)
was gestorven
מִמִּקְנֵ֥ה
(mimiqne)
van het vee van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עַד
(ad)
zelfs
אֶחָ֑ד
(echad)
één
וַיִּכְבַּד֙
(vayikhbad)
en bleef zwaar
לֵ֣ב
(lev)
het hart van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שִׁלַּ֖ח
(shilach)
liet gaan
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zesde plaag: zweren

8Yahweh zei tot Mozes en Aäron: „Neem voor jullie twee handen vol roet uit de oven. Mozes moet het voor de ogen van de farao naar de hemel strooien.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽל
(veel)
en tot
אַהֲרֹן֒
(aharon)
Aäron
קְח֤וּ
(qechu)
neem
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
מְלֹ֣א
(melo)
vol
חָפְנֵיכֶ֔ם
(chafeneikhem)
jullie handen
פִּ֖יחַ
(piach)
roet van
כִּבְשָׁ֑ן
(kivshan)
oven
וּזְרָק֥וֹ
(uzeraqo)
en strooi het
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
הַשָּׁמַ֖יְמָה
(hashamayma)
naar de hemel
לְעֵינֵ֥י
(leeinei)
voor de ogen van
פַרְעֹֽה
(paro)
de farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 8:12
9Het zal stof worden over heel het land Egypte. Op mens en dier zal het zweren worden die uitbarsten in blaren, in heel het land Egypte.”
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal worden
לְאָבָ֔ק
(leavaq)
tot stof
עַ֖ל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en het zal worden
עַל
(al)
op
הָאָדָ֜ם
(haadam)
de mens
וְעַל
(veal)
en op
הַבְּהֵמָ֗ה
(habehema)
het dier
לִשְׁחִ֥ין
(lishchin)
tot zweren
פֹּרֵ֛חַ
(poreach)
uitbarstend
אֲבַעְבֻּעֹ֖ת
(avabuot)
blaren
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שְׁחִין (shechin) is een ‘zweer’ of ‘ontsteking’; אֲבַעְבֻּעֹת (aba‘bu‘ot) is ‘blaren’ of ‘puisten’.

Dezelfde ziekte treft in Deut. 28:27, 35 ongehoorzame Israëlieten.

10Zij namen roet uit de oven en gingen voor de farao staan, en Mozes strooide het naar de hemel. Het werden zweren, uitbarstend in blaren, op mens en dier.
וַיִּקְח֞וּ
(vayiqchu)
en namen
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֣יחַ
(piach)
roet van
הַכִּבְשָׁ֗ן
(hakivshan)
de oven
וַיַּֽעַמְדוּ֙
(vayaamdu)
en stonden
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
פַרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וַיִּזְרֹ֥ק
(vayizroq)
en strooide
אֹת֛וֹ
(oto)
het
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
הַשָּׁמָ֑יְמָה
(hashamayema)
naar de hemel
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het werd
שְׁחִין֙
(shechin)
zweren
אֲבַעְבֻּעֹ֔ת
(avabuot)
blaren
פֹּרֵ֕חַ
(poreach)
uitbarstend
בָּאָדָ֖ם
(baadam)
bij mens
וּבַבְּהֵמָֽה
(uvabehema)
en bij dier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookDeut 28:27
11De magiërs konden niet voor Mozes staan vanwege de zweren, want de zweren zaten op de magiërs en op heel Egypte.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָכְל֣וּ
(yakhelu)
konden
הַֽחַרְטֻמִּ֗ים
(hachartumim)
de magiërs
לַעֲמֹ֛ד
(laamod)
staan
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
הַשְּׁחִ֑ין
(hashechin)
de zweren
כִּֽי
(ki)
want
הָיָ֣ה
(haya)
waren
הַשְּׁחִ֔ין
(hashechin)
de zweren
בַּֽחֲרְטֻמִּ֖ם
(bachartumim)
op de magiërs
וּבְכָל
(uvekhal)
en op heel
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

De magiërs komen hier voor het laatst voor.

Ze zijn zelf aangetast en kunnen niet meer ‘voor Mozes staan’.

12Yahweh maakte het hart van de farao sterk, en hij luisterde niet naar hen, zoals Yahweh tot Mozes had gesproken.
וַיְחַזֵּ֤ק
(vaychazeq)
en maakte sterk
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
לֵ֣ב
(lev)
het hart van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמַ֖ע
(shama)
luisterde hij
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
naar hen
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier is Yahweh het onderwerp van het sterk maken (חָזַק, chazaq); zie 4:21 en 7:3.

Eerder werd gezegd dat de farao zijn eigen hart verhardde (8:15, 28; 9:34).

Waarschuwing voor de hagel

13Yahweh zei tot Mozes: „Sta vroeg op in de morgen, ga voor de farao staan en zeg tot hem: ‘Zo zegt Yahweh, Elohim van de Hebreeën: Laat Mijn volk gaan, opdat zij Mij dienen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
הַשְׁכֵּ֣ם
(hashkem)
sta vroeg op
בַּבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וְהִתְיַצֵּ֖ב
(vehityatsev)
en ga staan
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
פַרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
הָֽעִבְרִ֔ים
(haivrim)
de Hebreeën
שַׁלַּ֥ח
(shalach)
laat gaan
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
וְיַֽעַבְדֻֽנִי
(veyaavduni)
opdat zij Mij dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Want ditmaal zend Ik al Mijn plagen op je hart, op je dienaren en op je volk, opdat je weet dat er op de hele aarde niemand is zoals Ik.
כִּ֣י
(ki)
want
בַּפַּ֣עַם
(bapaam)
bij keer
הַזֹּ֗את
(hazot)
deze
אֲנִ֨י
(ani)
Ik
שֹׁלֵ֜חַ
(sholeach)
zend
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
מַגֵּפֹתַי֙
(magefotay)
Mijn plagen
אֶֽל
(el)
naar
לִבְּךָ֔
(libekha)
je hart
וּבַעֲבָדֶ֖יךָ
(uvaavadeikha)
en naar je dienaren
וּבְעַמֶּ֑ךָ
(uveamekha)
en naar je volk
בַּעֲב֣וּר
(baavur)
opdat
תֵּדַ֔ע
(teda)
je weet
כִּ֛י
(ki)
dat
אֵ֥ין
(ein)
niemand is
כָּמֹ֖נִי
(kamoni)
zoals Ik
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Al Mijn plagen’ (מַגֵּפוֹתַי, maggefotay) is een ander woord dan eerder: dit zijn slagen die in één keer dodelijk kunnen zijn (vergelijk 9:15).

15Want nu had Ik Mijn hand al kunnen uitstrekken en jou en je volk met de pest kunnen slaan. Je zou van de aarde zijn weggevaagd.
כִּ֤י
(ki)
want
עַתָּה֙
(ata)
nu
שָׁלַ֣חְתִּי
(shalachti)
had Ik uitgestrekt
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֔י
(yadi)
Mijn hand
וָאַ֥ךְ
(vaakh)
en geslagen
אוֹתְךָ֛
(otekha)
jou
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
עַמְּךָ֖
(amekha)
je volk
בַּדָּ֑בֶר
(badaver)
met pest
וַתִּכָּחֵ֖ד
(vatikached)
en je was uitgeroeid
מִן
(min)
van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Maar juist hierom heb Ik je laten blijven staan: om je Mijn kracht te laten zien en opdat Mijn naam op de hele aarde wordt verteld.
וְאוּלָ֗ם
(veulam)
maar echter
בַּעֲב֥וּר
(baavur)
om
זֹאת֙
(zot)
dit
הֶעֱמַדְתִּ֔יךָ
(heemadtikha)
heb Ik je laten staan
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
om
הַרְאֹתְךָ֣
(harotekha)
je te laten zien
אֶת
(et)
(obj.)
כֹּחִ֑י
(kochi)
Mijn kracht
וּלְמַ֛עַן
(ulemaan)
en opdat
סַפֵּ֥ר
(saper)
verteld wordt
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Paulus citeert dit vers in Rom. 9:17, naar de Griekse vertaling: ‘Hiertoe heb Ik u verwekt…’.

De Hebreeuwse tekst heeft הֶעֱמַדְתִּיךָ (he‘emadtikha), ‘Ik heb je laten staan’, namelijk laten overleven.

17Nog altijd verhef je je tegen Mijn volk, zodat je hen niet laat gaan.
עוֹדְךָ֖
(odekha)
nog
מִסְתּוֹלֵ֣ל
(mistolel)
verhef je jezelf
בְּעַמִּ֑י
(beami)
tegen Mijn volk
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
zodat niet
שַׁלְּחָֽם
(shalecham)
laten gaan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Zie, morgen om deze tijd laat Ik een zeer zware hagel regenen, zoals er in Egypte niet is geweest sinds de dag dat het werd gegrondvest tot nu toe.
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Mij
מַמְטִיר֙
(mamtir)
laat regenen
כָּעֵ֣ת
(kaet)
om deze tijd
מָחָ֔ר
(machar)
morgen
בָּרָ֖ד
(barad)
hagel
כָּבֵ֣ד
(kaved)
zware
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
zoals
לֹא
(lo)
niet
הָיָ֤ה
(haya)
is geweest
כָמֹ֨הוּ֙
(kamohu)
als hij
בְּמִצְרַ֔יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
לְמִן
(lemin)
sinds
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הִוָּסְדָ֖ה
(hivaseda)
dat zij gegrondvest werd
וְעַד
(vead)
tot
עָֽתָּה
(ata)
nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

De hagel is de zevende plaag.

De Egyptenaren kunnen aan deze plaag ontkomen als zij het woord van Yahweh ter harte nemen (vers 19–21).

19Stuur nu bericht en breng je vee in veiligheid en alles wat je in het veld hebt. Alle mensen en dieren die in het veld gevonden worden en niet naar huis worden gebracht, zullen sterven wanneer de hagel op hen neerkomt.’”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
שְׁלַ֤ח
(shelach)
stuur
הָעֵז֙
(haez)
breng in veiligheid
אֶֽת
(et)
(obj.)
מִקְנְךָ֔
(miqnekha)
je vee
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לְךָ֖
(lekha)
je hebt
בַּשָּׂדֶ֑ה
(basade)
in het veld
כָּל
(kal)
alle
הָאָדָ֨ם
(haadam)
mensen
וְהַבְּהֵמָ֜ה
(vehabehema)
en dieren
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
יִמָּצֵ֣א
(yimatse)
gevonden worden
בַשָּׂדֶ֗ה
(basade)
in het veld
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יֵֽאָסֵף֙
(yeasef)
worden binnengehaald
הַבַּ֔יְתָה
(habayta)
naar huis
וְיָרַ֧ד
(veyarad)
en zal neerkomen
עֲלֵהֶ֛ם
(alehem)
op hen
הַבָּרָ֖ד
(habarad)
de hagel
וָמֵֽתוּ
(vametu)
en zij zullen sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookHab 3:2
20Wie van de dienaren van de farao het woord van Yahweh vreesde, liet zijn dienaren en zijn vee naar de huizen vluchten.
הַיָּרֵא֙
(hayare)
wie vreesde
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֣ר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵֽעַבְדֵ֖י
(meavdei)
onder de dienaren van
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
de farao
הֵנִ֛יס
(henis)
liet vluchten
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדָ֥יו
(avadav)
zijn dienaren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִקְנֵ֖הוּ
(miqnehu)
zijn vee
אֶל
(el)
naar
הַבָּתִּֽים
(habatim)
de huizen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Sommige dienaren van de farao nemen de waarschuwing ter harte en brengen hun vee in veiligheid: een eerste teken dat Yahweh’s woord bij Egyptenaren gehoor vindt.

21Maar wie het woord van Yahweh niet ter harte nam, liet zijn dienaren en zijn vee in het veld achter.
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en wie
לֹא
(lo)
niet
שָׂ֛ם
(sam)
richtte
לִבּ֖וֹ
(libo)
zijn hart
אֶל
(el)
op
דְּבַ֣ר
(devar)
het woord van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיַּעֲזֹ֛ב
(vayaazov)
en liet achter
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדָ֥יו
(avadav)
zijn dienaren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִקְנֵ֖הוּ
(miqnehu)
zijn vee
בַּשָּׂדֶֽה
(basade)
in het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zevende plaag: hagel en vuur

22Yahweh zei tot Mozes: „Strek je hand uit naar de hemel. Er zal hagel komen in heel het land Egypte, op de mensen, op de dieren en op al het veldgewas in het land Egypte.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה
(moshe)
Mozes
נְטֵ֤ה
(nete)
strek uit
אֶת
(et)
(obj.)
יָֽדְךָ֙
(yadekha)
je hand
עַל
(al)
naar
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וִיהִ֥י
(vihi)
en er zal zijn
בָרָ֖ד
(barad)
hagel
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַל
(al)
op
הָאָדָ֣ם
(haadam)
de mensen
וְעַל
(veal)
en op
הַבְּהֵמָ֗ה
(habehema)
de dieren
וְעַ֛ל
(veal)
en op
כָּל
(kal)
al
עֵ֥שֶׂב
(esev)
kruid van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

23Mozes strekte zijn staf uit naar de hemel, en Yahweh gaf donderslagen en hagel, en vuur liep over de aarde. Yahweh liet hagel regenen over het land Egypte.
וַיֵּ֨ט
(vayet)
en strekte uit
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
מַטֵּהוּ֮
(matehu)
zijn staf
עַל
(al)
naar
הַשָּׁמַיִם֒
(hashamayim)
de hemel
וַֽיהוָ֗ה
(vaYahweh)
en Yahweh
נָתַ֤ן
(natan)
gaf
קֹלֹת֙
(qolot)
donderslagen
וּבָרָ֔ד
(uvarad)
en hagel
וַתִּ֥הֲלַךְ
(vatihalakh)
en liep
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
אָ֑רְצָה
(aretsa)
naar de aarde
וַיַּמְטֵ֧ר
(vayamter)
en liet regenen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּרָ֖ד
(barad)
hagel
עַל
(al)
over
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

24Er was hagel. Vuur laaide midden in de hagel op, zeer zwaar, zoals in heel het land Egypte niet was geweest sinds het een volk werd.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en er was
בָרָ֔ד
(barad)
hagel
וְאֵ֕שׁ
(veesh)
en vuur
מִתְלַקַּ֖חַת
(mitlaqachat)
oplaaiend
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
הַבָּרָ֑ד
(habarad)
de hagel
כָּבֵ֣ד
(kaved)
zware
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
אֲ֠שֶׁר
(asher)
zoals
לֹֽא
(lo)
niet
הָיָ֤ה
(haya)
is geweest
כָמֹ֨הוּ֙
(kamohu)
als hij
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
מֵאָ֖ז
(meaz)
sinds
הָיְתָ֥ה
(hayeta)
het bestond
לְגֽוֹי
(legoy)
als volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Vuur dat midden in de hagel oplaait is een bijzonder verschijnsel; Ps. 105:32 noemt ‘vlammend vuur’ bij deze plaag (zie ook Ps. 78:47–48).

25De hagel sloeg in heel het land Egypte alles wat in het veld was, van mens tot dier. De hagel sloeg al het veldgewas en brak alle bomen van het veld.
וַיַּ֨ךְ
(vayakh)
en sloeg
הַבָּרָ֜ד
(habarad)
de hagel
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
מִצְרַ֗יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
מֵאָדָ֖ם
(meadam)
van mens
וְעַד
(vead)
tot
בְּהֵמָ֑ה
(behema)
dier
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
עֵ֤שֶׂב
(esev)
kruid van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
הִכָּ֣ה
(hika)
sloeg
הַבָּרָ֔ד
(habarad)
de hagel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
עֵ֥ץ
(ets)
bomen van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
שִׁבֵּֽר
(shiber)
brak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

26Alleen in het land Gosen, waar de zonen van Israël waren, was geen hagel.
רַ֚ק
(raq)
alleen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
גֹּ֔שֶׁן
(goshen)
Gosen
אֲשֶׁר
(asher)
waar
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לֹ֥א
(lo)
niet
הָיָ֖ה
(haya)
was
בָּרָֽד
(barad)
hagel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gosen lag in het oosten van de Nijldelta, in de buurt van Wadi Tumilat (zie 8:18).

Uitleg

Het land Gosen, waar de Israëlieten woonden, werd niet getroffen.

De farao zondigt en volhardt

27De farao liet Mozes en Aäron roepen en zei tot hen: „Dit keer heb ik gezondigd. Yahweh is rechtvaardig, ik en mijn volk zijn schuldig.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en zond
פַּרְעֹ֗ה
(paro)
de farao
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en riep
לְמֹשֶׁ֣ה
(lemoshe)
Mozes
וּֽלְאַהֲרֹ֔ן
(uleaharon)
en Aäron
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֖ם
(alehem)
tot hen
חָטָ֣אתִי
(chatati)
ik heb gezondigd
הַפָּ֑עַם
(hapaam)
deze keer
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הַצַּדִּ֔יק
(hatsadiq)
de rechtvaardige
וַאֲנִ֥י
(vaani)
en ik
וְעַמִּ֖י
(veami)
en mijn volk
הָרְשָׁעִֽים
(hareshaim)
de schuldigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De farao erkent voor het eerst dat hij heeft gezondigd en dat Yahweh rechtvaardig is.

Zijn erkenning is niet blijvend (vers 34); vergelijk 10:16–17.

28Bid tot Yahweh; het is genoeg met de donderslagen van Elohim en de hagel. Ik zal jullie laten gaan, en jullie hoeven niet langer te blijven.”
הַעְתִּ֨ירוּ֙
(hatiru)
bidt
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְרַ֕ב
(verav)
en genoeg
מִֽהְיֹ֛ת
(mihyot)
van het zijn
קֹלֹ֥ת
(qolot)
donderslagen van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
וּבָרָ֑ד
(uvarad)
en hagel
וַאֲשַׁלְּחָ֣ה
(vaashalecha)
en ik zal laten gaan
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תֹסִפ֖וּן
(tosifun)
zullen jullie voortgaan
לַעֲמֹֽד
(laamod)
te blijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹלֹת אֱלֹהִים (qolot Elohim), ‘stemmen van Elohim’, zijn donderslagen; ook Ps. 29 noemt de donder ‘de stem van Yahweh’.

Dat de farao hier ‘Elohim’ zegt, past bij zijn taalgebruik.

29Mozes zei tot hem: „Zodra ik de stad uit ben, zal ik mijn handen uitspreiden tot Yahweh. De donderslagen zullen ophouden en er zal geen hagel meer zijn, opdat u weet dat de aarde van Yahweh is.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
כְּצֵאתִי֙
(ketseti)
zodra ik uitga
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
אֶפְרֹ֥שׂ
(efros)
zal ik uitspreiden
אֶת
(et)
(obj.)
כַּפַּ֖י
(kapay)
mijn handpalmen
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הַקֹּל֣וֹת
(haqolot)
de donderslagen
יֶחְדָּל֗וּן
(yechdalun)
zullen ophouden
וְהַבָּרָד֙
(vehabarad)
en de hagel
לֹ֣א
(lo)
niet
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
ע֔וֹד
(od)
meer
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
תֵּדַ֔ע
(teda)
je weet
כִּ֥י
(ki)
dat
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
van Yahweh
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De aarde is van Yahweh’: dit herhaalt wat Yahweh in 9:14–16 zei en klinkt als Ps. 24:1.

30Maar ik weet dat u en uw dienaren Yahweh Elohim nog niet vrezen.”
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
וַעֲבָדֶ֑יךָ
(vaavadeikha)
en je dienaren
יָדַ֕עְתִּי
(yadati)
ik weet
כִּ֚י
(ki)
dat
טֶ֣רֶם
(terem)
nog niet
תִּֽירְא֔וּן
(tireun)
vrezen jullie
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Het vlas en de gerst waren geslagen, want de gerst stond in de aar en het vlas in de knop.
וְהַפִּשְׁתָּ֥ה
(vehapishta)
en de vlas
וְהַשְּׂעֹרָ֖ה
(vehaseora)
en de gerst
נֻכָּ֑תָה
(nukata)
werden geslagen
כִּ֤י
(ki)
want
הַשְּׂעֹרָה֙
(haseora)
de gerst
אָבִ֔יב
(aviv)
in de aar
וְהַפִּשְׁתָּ֖ה
(vehapishta)
en de vlas
גִּבְעֹֽל
(givol)
in de knop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gerst (שְׂעֹרָה, se‘orah) staat in aar in de maand Aviv (Abib), wanneer de Pesach valt (13:4; 23:15).

Vlas (פִּשְׁתָּה, pishtah) was nodig voor linnen.

32De tarwe en de spelt waren niet geslagen, want die rijpen later.
וְהַחִטָּ֥ה
(vehachita)
en de tarwe
וְהַכֻּסֶּ֖מֶת
(vehakusemet)
en de spelt
לֹ֣א
(lo)
niet
נֻכּ֑וּ
(nuku)
werden geslagen
כִּ֥י
(ki)
want
אֲפִילֹ֖ת
(afilot)
laat rijpend
הֵֽנָּה
(hena)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲפִילֹת (afilot) betekent ‘laat rijpend’.

Tarwe (חִטָּה, chittah) en spelt (כֻּסֶּמֶת, kusemet) rijpen later dan gerst en vlas, dus zij worden niet geslagen.

Zie ookEx 10:22
33Mozes ging van de farao weg, de stad uit, en spreidde zijn handen uit tot Yahweh. De donderslagen en de hagel hielden op, en de regen stortte niet meer op de aarde.
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en ging uit
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
מֵעִ֤ם
(meim)
van bij
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַיִּפְרֹ֥שׂ
(vayifros)
en spreidde uit
כַּפָּ֖יו
(kapav)
zijn handpalmen
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיַּחְדְּל֤וּ
(vayachdelu)
en hielden op
הַקֹּלוֹת֙
(haqolot)
de donderslagen
וְהַבָּרָ֔ד
(vehabarad)
en de hagel
וּמָטָ֖ר
(umatar)
en regen
לֹא
(lo)
niet
נִתַּ֥ךְ
(nitakh)
werd uitgegoten
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Toen de farao zag dat de regen, de hagel en de donderslagen waren opgehouden, bleef hij zondigen en maakte hij zijn hart zwaar, hij en zijn dienaren.
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
פַּרְעֹ֗ה
(paro)
de farao
כִּֽי
(ki)
dat
חָדַ֨ל
(chadal)
opgehouden was
הַמָּטָ֧ר
(hamatar)
de regen
וְהַבָּרָ֛ד
(vehabarad)
en de hagel
וְהַקֹּלֹ֖ת
(vehaqolot)
en de donderslagen
וַיֹּ֣סֶף
(vayosef)
en voer voort
לַחֲטֹ֑א
(lachato)
te zondigen
וַיַּכְבֵּ֥ד
(vayakhbed)
en maakte zwaar
לִבּ֖וֹ
(libo)
zijn hart
ה֥וּא
(hu)
hij
וַעֲבָדָֽיו
(vaavadav)
en zijn dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Het hart van de farao bleef sterk en hij liet de zonen van Israël niet gaan, zoals Yahweh door Mozes had gesproken.
וַֽיֶּחֱזַק֙
(vayechezaq)
en werd sterk
לֵ֣ב
(lev)
het hart van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שִׁלַּ֖ח
(shilach)
liet hij gaan
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 4:21