Elohim Bijbel

Jesaja 64

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Gebed om ingrijpen: wij zijn de klei, U bent onze Vormer

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Daal af, zoals vuur

1Zoals vuur takkenbos aansteekt en vuur water doet koken: om Uw naam bekend te maken aan Uw tegenstanders, zodat de volken beven voor Uw aangezicht.
כִּקְדֹ֧חַ
(kiqdoach)
zoals aansteekt
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
הֲמָסִ֗ים
(hamasim)
takkenbos
מַ֚יִם
(mayim)
water
תִּבְעֶה
(tive)
doet koken
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
לְהוֹדִ֥יעַ
(lehodia)
om bekend te maken
שִׁמְךָ֖
(shimkha)
Uw naam
לְצָרֶ֑יךָ
(letsareikha)
aan Uw tegenstanders
מִפָּנֶ֖יךָ
(mipaneikha)
voor Uw aangezicht
גּוֹיִ֥ם
(goyim)
volken
יִרְגָּֽזוּ
(yirgazu)
zullen beven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Hebreeuwse telling is dit het eerste vers van hoofdstuk 64.

In Nederlandse Bijbels is dit vers 2: Hebr. 64:1–11 is NL 64:2–12.

Zie de voetnoot bij Jes. 63:19.

Wij volgen de Hebreeuwse telling; de app zet de verwijzingen om.

De zin loopt door uit Jes. 63:19: ‘O, dat U de hemel scheurde en neerdaalde!’ Daarom begint dit vers met ‘zoals’.

הֲמָסִים (hamasim), ‘takkenbos’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis ‘droge takken’ is een vermoeden.

תִּבְעֶה (tiv’eh), ‘doet koken’: van het werkwoord בָּעָה (ba’ah), ‘opborrelen’. Letterlijk staat er: ‘vuur laat water opborrelen’.

2Toen U ontzagwekkende dingen deed die wij niet verwachtten, daalde U neer. Voor Uw aangezicht vloeiden de bergen weg.
בַּעֲשׂוֹתְךָ֥
(baasotekha)
als U doet
נוֹרָא֖וֹת
(noraot)
ontzagwekkende dingen
לֹ֣א
(lo)
niet
נְקַוֶּ֑ה
(neqave)
wij verwachtten
יָרַ֕דְתָּ
(yaradta)
U daalde neer
מִפָּנֶ֖יךָ
(mipaneikha)
voor Uw aangezicht
הָרִ֥ים
(harim)
bergen
נָזֹֽלּוּ
(nazolu)
vloeiden weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נוֹרָאוֹת (nora’ot), ‘ontzagwekkende dingen’: dingen die ontzag opwekken, zoals de daden bij de uittocht (Ps. 106:22).

De laatste woorden zijn in het Hebreeuws gelijk aan het slot van Jes. 63:19: ‘U daalde neer, voor Uw aangezicht vloeiden de bergen weg’. Daar staat een wens, hier een herinnering. Vergelijk Richt. 5:5.

3Van oudsher heeft men het niet gehoord en niet met het oor vernomen. Geen oog heeft een Elohim buiten U gezien die handelt voor wie op Hem wacht.
וּמֵעוֹלָ֥ם
(umeolam)
en van oudsher
לֹא
(lo)
niet
שָׁמְע֖וּ
(shameu)
hebben zij gehoord
לֹ֣א
(lo)
niet
הֶאֱזִ֑ינוּ
(heezinu)
hebben zij vernomen
עַ֣יִן
(ayin)
oog
לֹֽא
(lo)
niet
רָאָ֗תָה
(raata)
heeft gezien
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
זוּלָ֣תְךָ֔
(zulatekha)
buiten U
יַעֲשֶׂ֖ה
(yaase)
die handelt
לִמְחַכֵּה
(limchake)
voor wie wacht
לֽוֹ
(lo)
op Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers wordt in 1 Kor. 2:9 aangehaald, in een eigen vorm.

לִמְחַכֵּה לוֹ (limchakkeh lo), ‘voor wie op Hem wacht’: van חָכָה (chakah), ‘wachten’. Het is een ander woord dan ‘verwachten’ (קָוָה, qavah) in vers 2.

Wij zijn onrein geworden

4U komt hem tegemoet die zich verheugt en gerechtigheid doet. Zij gedenken U op Uw wegen. Zie, U was toornig, en wij zondigden. Daarin zijn wij al lang, en zouden wij gered worden?
פָּגַ֤עְתָּ
(pagata)
U komt tegemoet
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂשׂ֙
(sas)
wie zich verheugt
וְעֹ֣שֵׂה
(veose)
en wie doet
צֶ֔דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
בִּדְרָכֶ֖יךָ
(bidrakheikha)
op Uw wegen
יִזְכְּר֑וּךָ
(yizkerukha)
zij gedenken U
הֵן
(hen)
zie
אַתָּ֤ה
(ata)
U
קָצַ֨פְתָּ֙
(qatsafta)
U was toornig
וַֽנֶּחֱטָ֔א
(vanecheta)
en wij zondigden
בָּהֶ֥ם
(bahem)
daarin
עוֹלָ֖ם
(olam)
al lang
וְנִוָּשֵֽׁעַ
(venivashea)
en zouden wij gered worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is moeilijk.

Letterlijk staat er: ‘U ontmoet de verheugde en doener van gerechtigheid.

Op Uw wegen gedenken zij U.

Zie, U was toornig, en wij zondigden.

In hen: van oudsher, en zouden wij gered worden?’

פָּגַעְתָּ (paga’ta), ‘U komt tegemoet’: het werkwoord kan ook ‘treffen’ of ‘ontmoeten’ betekenen. Wij kiezen ‘tegemoetkomen’, omdat de zin spreekt over wie gerechtigheid doet.

בָּהֶם (bahem), ‘daarin’: letterlijk ‘in hen’. Het kan terugwijzen naar ‘Uw wegen’ of naar onze zonden.

עוֹלָם (olam), ‘al lang’: hier duidt het woord een lange tijd aan, niet ‘voor eeuwig’.

וְנִוָּשֵׁעַ (venivashea), ‘en zouden wij gered worden?’: de vorm is onzeker. Hij kan ook een wens zijn: ‘laat ons gered worden’.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

5Wij zijn allemaal geworden als een onreine. Al onze gerechtigheid is als een kleed van menstruatie. Wij verwelken allemaal als een blad. Onze ongerechtigheid draagt ons weg als de wind.
וַנְּהִ֤י
(vanehi)
en wij zijn geworden
כַטָּמֵא֙
(katame)
als een onreine
כֻּלָּ֔נוּ
(kulanu)
wij allen
וּכְבֶ֥גֶד
(ukheveged)
en als een kleed van
עִדִּ֖ים
(idim)
menstruatie
כָּל
(kal)
al
צִדְקֹתֵ֑ינוּ
(tsidqoteinu)
onze gerechtigheid
וַנָּ֤בֶל
(vanavel)
en wij verwelken
כֶּֽעָלֶה֙
(keale)
als een blad
כֻּלָּ֔נוּ
(kulanu)
wij allen
וַעֲוֺנֵ֖נוּ
(vaavonenu)
en onze ongerechtigheid
כָּר֥וּחַ
(karuach)
als de wind
יִשָּׂאֻֽנוּ
(yisaunu)
draagt ons weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טָמֵא (tamé), ‘onrein’: zie Lev. 13:45.

עִדִּים (iddim), ‘menstruatie’: dit woord komt alleen hier voor. Het hoort bij het bloed van de maandstonden (zie Lev. 15:19–24). Een kleed dat zo bevlekt is, maakt onrein. Wij vertalen het letterlijk.

צִדְקֹתֵינוּ (tsidqotenu), ‘onze gerechtigheid’: het woord staat in het meervoud, ‘onze gerechtigheden’. Het gaat om alles wat wij als rechtvaardig deden.

וַנָּבֶל (vannavel), ‘en wij verwelken’: zoals een blad verdort (zie Jes. 1:30).

6Niemand roept Uw naam aan. Niemand wekt zichzelf op om zich aan U vast te klampen. Want U hebt Uw aangezicht voor ons verborgen en liet ons wegsmelten in de hand van onze ongerechtigheid.
וְאֵין
(veein)
en niet is er
קוֹרֵ֣א
(qore)
wie aanroept
בְשִׁמְךָ֔
(beshimkha)
Uw naam
מִתְעוֹרֵ֖ר
(mitorer)
wie zich opwekt
לְהַחֲזִ֣יק
(lehachaziq)
om vast te klampen
בָּ֑ךְ
(bakh)
aan U
כִּֽי
(ki)
want
הִסְתַּ֤רְתָּ
(histarta)
U hebt verborgen
פָנֶ֨יךָ֙
(paneikha)
Uw aangezicht
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
voor ons
וַתְּמוּגֵ֖נוּ
(vatemugenu)
en U liet ons wegsmelten
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
עֲוֺנֵֽנוּ
(avonenu)
onze ongerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַתְּמוּגֵנוּ (vattemugenu), ‘en U liet ons wegsmelten’: van מוּג (mug), ‘smelten’.

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘U hebt ons overgeleverd’ (van een ander werkwoord).

בְּיַד עֲוֺנֵנוּ (beyad avonenu), ‘in de hand van onze ongerechtigheid’: de ongerechtigheid houdt ons vast, zoals een hand dat doet.

U bent onze Vader

7En nu, Yahweh, U bent onze Vader. Wij zijn de klei, en U bent onze Vormer. Wij allen zijn het werk van Uw hand.
וְעַתָּ֥ה
(veata)
en nu
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אָבִ֣ינוּ
(avinu)
onze Vader
אָ֑תָּה
(ata)
U
אֲנַ֤חְנוּ
(anachnu)
wij
הַחֹ֨מֶר֙
(hachomer)
de klei
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en U
יֹצְרֵ֔נוּ
(yotserenu)
onze Vormer
וּמַעֲשֵׂ֥ה
(umaase)
en het werk van
יָדְךָ֖
(yadekha)
Uw hand
כֻּלָּֽנוּ
(kulanu)
wij allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָבִינוּ (avinu), ‘onze Vader’: Yahweh heet Vader van Zijn volk, zoals in Deut. 32:6 en Jes. 63:16.

הַחֹמֶר (hachomer), ‘de klei’: het materiaal van de pottenbakker. יֹצְרֵנוּ (yotsrenu), ‘onze Vormer’: de pottenbakker zelf. Zie ook Jes. 29:16 en 45:9.

8Wees niet tot het uiterste toornig, Yahweh, en gedenk de ongerechtigheid niet voor altijd. Zie, kijk toch: wij allen zijn Uw volk.
אַל
(al)
niet
תִּקְצֹ֤ף
(tiqtsof)
wees toornig
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עַד
(ad)
tot
מְאֹ֔ד
(meod)
het uiterste
וְאַל
(veal)
en niet
לָעַ֖ד
(laad)
voor altijd
תִּזְכֹּ֣ר
(tizkor)
gedenk
עָוֺ֑ן
(avon)
ongerechtigheid
הֵ֥ן
(hen)
zie
הַבֶּט
(habet)
kijk
נָ֖א
(na)
toch
עַמְּךָ֥
(amekha)
Uw volk
כֻלָּֽנוּ
(kulanu)
wij allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַד מְאֹד (ad meod), ‘tot het uiterste’: ‘buitensporig’ of ‘tot het uiterste’.

Dezelfde woorden staan in vers 11.

Zie de verwoesting

9Uw heilige steden zijn een woestijn geworden. Sion is een woestijn geworden, Jeruzalem een verwoesting.
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
קָדְשְׁךָ֖
(qadeshekha)
Uw heiligheid
הָי֣וּ
(hayu)
zijn geworden
מִדְבָּ֑ר
(midbar)
een woestijn
צִיּוֹן֙
(tsiyon)
Sion
מִדְבָּ֣ר
(midbar)
een woestijn
הָיָ֔תָה
(hayata)
is geworden
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
שְׁמָמָֽה
(shemama)
een verwoesting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

עָרֵי קָדְשֶׁךָ (arei qodshekha), ‘Uw heilige steden’: letterlijk ‘steden van Uw heiligheid’.

Het zijn de steden van Juda; Sion en Jeruzalem worden daarna apart genoemd.

מִדְבָּר (midbar), ‘woestijn’: hier een beeld van verlatenheid. שְׁמָמָה (shemamah), ‘verwoesting’: een kale, verlaten plek.

10Ons heilige en luisterrijke huis, waar onze vaderen U loofden, is door vuur verbrand. En al onze kostbaarheden zijn een ruïne geworden.
בֵּ֧ית
(beit)
huis van
קָדְשֵׁ֣נוּ
(qadeshenu)
onze heiligheid
וְתִפְאַרְתֵּ֗נוּ
(vetifartenu)
en onze luister
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waar
הִֽלְל֨וּךָ֙
(hillukha)
loofden U
אֲבֹתֵ֔ינוּ
(avoteinu)
onze vaderen
הָיָ֖ה
(haya)
is geworden
לִשְׂרֵ֣פַת
(lisrefat)
tot verbranding van
אֵ֑שׁ
(esh)
vuur
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַחֲמַדֵּ֖ינוּ
(machamadeinu)
onze kostbaarheden
הָיָ֥ה
(haya)
zijn geworden
לְחָרְבָּֽה
(lecharba)
tot een ruïne
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּית קָדְשֵׁנוּ וְתִפְאַרְתֵּנוּ (beit qodshenu vetifartenu), ‘ons heilige en luisterrijke huis’: letterlijk ‘het huis van onze heiligheid en onze luister’.

Het is de tempel, die door de Babyloniërs in brand werd gestoken (2 Kon. 25:9).

מַחֲמַדֵּינוּ (machamaddenu), ‘onze kostbaarheden’: alles wat kostbaar was, zoals tempelvaten en huizen.

11Houdt U Zich in bij dit alles, Yahweh? Blijft U zwijgen en vernedert U ons tot het uiterste?
הַעַל
(haal)
is het over
אֵ֥לֶּה
(ele)
deze dingen
תִתְאַפַּ֖ק
(titapaq)
houdt U Zich in
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
תֶּחֱשֶׁ֥ה
(techeshe)
blijft U zwijgen
וּתְעַנֵּ֖נוּ
(uteanenu)
en vernedert U ons
עַד
(ad)
tot
מְאֹֽד
(meod)
het uiterste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִתְאַפַּק (titappaq), ‘Zich inhouden’: hetzelfde werkwoord als in Gen. 43:31 en Jes. 63:15, waar het gaat om zelfbeheersing in emotie.

De vraag is: houdt U Zich nog langer in?

עַד מְאֹד (ad meod), ‘tot het uiterste’: zie vers 8.