Open in de app Alle boeken Job ← 39 41 → Job 40 Job zwijgt; Yahweh over Behemoth en Leviatan
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh vraagt: wie berispt Eloah? 1 Yahweh antwoordde Job en zei:
וַיַּ֖עַן
(vayaan)
en antwoordde
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hoofdstuk 40:1–5 is het begin van Jobs terugtreden.
Yahweh heeft in hoofdstuk 38–39 naar de schepping gevraagd; nu volgt de eerste reactie van Job.
Hij legt de hand op zijn mond (vers 4), zoals hij het eerder van de anderen had gevraagd (21:5).
Dan volgt het tweede antwoord van Yahweh (40:6–41:26).
2 „Zal wie Shaddai berispt, met Hem twisten? Laat hij die Eloah terechtwijst, daarop antwoorden.”
יִסּ֑וֹר
(yisor)
de onderrichter
מוֹכִ֖יחַ
(mokhiach)
de berisper van
יַעֲנֶֽנָּה
(yaanena)
laat hem antwoorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Job: Ik leg mijn hand op mijn mond 3 Job antwoordde Yahweh en zei:
וַיַּ֖עַן
(vayaan)
en antwoordde
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 „Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Mijn hand leg ik op mijn mond.
קַ֭לֹּתִי
(qaloti)
ik ben gering
אֲשִׁיבֶ֑ךָּ
(ashiveka)
zal ik U antwoorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5 Eenmaal heb ik gesproken, en ik zal niet meer antwoorden; tweemaal, maar ik ga niet verder.”
דִּ֭בַּרְתִּי
(dibarti)
heb ik gesproken
אֶֽעֱנֶ֑ה
(eene)
zal ik antwoorden
וּ֝שְׁתַּ֗יִם
(ushtayim)
en tweemaal
אוֹסִֽיף
(osif)
zal ik voortgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Yahweh spreekt opnieuw uit de storm 6 Yahweh antwoordde Job uit de storm en zei:
וַיַּֽעַן
(vayaan)
en antwoordde
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hoofdstuk 40:6–41:26 vormt Yahweh's tweede rede.
Hij gaat van de schepping naar het gericht: Job moet laten zien dat hij zelf het kwaad kan beteugelen, zo niet, dan moet hij zwijgen.
Daarna volgen twee wonderdieren, Behemoth en Leviatan, die Job niet kan temmen.
7 „Omgord toch je lendenen als een man; Ik zal je vragen, en maak het Mij bekend.
כְגֶ֣בֶר
(kegever)
als een man
חֲלָצֶ֑יךָ
(chalatseikha)
je lendenen
אֶ֝שְׁאָלְךָ֗
(eshalekha)
Ik zal je vragen
וְהוֹדִיעֵֽנִי
(vehodieni)
en maak Mij bekend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 Wil je zelfs Mijn recht tenietdoen, Mij veroordelen om zelf rechtvaardig te zijn?
מִשְׁפָּטִ֑י
(mishpati)
Mijn recht
תַּ֝רְשִׁיעֵ֗נִי
(tarshieni)
Mij veroordelen
תִּצְדָּֽק
(titsdaq)
je rechtvaardig bent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Wil je Mijn recht tenietdoen?’
Dit is de kern van Yahweh's verwijt: Job heeft Hem in feite aangeklaagd (9:22–24; 27:2; 31:35–37).
Daarom vraagt Yahweh nu of Job zelf in staat is het kwaad te overwinnen (vers 10–14).
9 Heb je een arm zoals El, en dondert je stem zoals de Zijne?
כָּאֵ֥ל
(kael)
zoals van El
וּ֝בְק֗וֹל
(uveqol)
en met een stem
כָּמֹ֥הוּ
(kamohu)
zoals de Zijne
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Tooi je toch met majesteit en hoogheid, kleed je in luister en pracht.
גָֽא֣וֹן
(gaon)
met majesteit
וָגֹ֑בַהּ
(vagovah)
en hoogheid
וְהָדָ֣ר
(vehadar)
en pracht
תִּלְבָּֽשׁ
(tilbash)
kleed je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 Stort de uitbarstingen van je toorn uit, kijk naar iedere hoogmoedige en vernedder hem.
עֶבְר֣וֹת
(evrot)
de uitbarstingen van
וְהַשְׁפִּילֵֽהוּ
(vehashpilehu)
en vernedder hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12 Kijk naar iedere hoogmoedige en onderwerp hem, vertrap de goddelozen op hun plaats.
הַכְנִיעֵ֑הוּ
(hakhniehu)
onderwerp hem
וַהֲדֹ֖ךְ
(vahadokh)
en vertrap
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
תַּחְתָּֽם
(tachtam)
op hun plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 Verberg hen tezamen in het stof, bind hun gezichten in het verborgene.
טָמְנֵ֣ם
(tamenem)
verberg hen
בֶּעָפָ֣ר
(beafar)
in het stof
פְּ֝נֵיהֶ֗ם
(peneihem)
hun gezichten
בַּטָּמֽוּן
(batamun)
in het verborgene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Dan zal ook Ik jou loven, omdat je eigen rechterhand je helpt.
אוֹדֶ֑ךָּ
(odeka)
zal je loven
יְמִינֶֽךָ
(yeminekha)
je rechterhand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Behemoth 15 Zie toch Behemoth, die Ik gemaakt heb zoals jou; hij eet gras als een rund.
בְ֭הֵמוֹת
(behemot)
Behemoth
עָשִׂ֣יתִי
(asiti)
Ik maakte
כַּבָּקָ֥ר
(kabaqar)
als een rund
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּהֵמוֹת (behemot) is meervoud van behemah, ‘dier’ (het meervoud van majesteit): het ‘Reuzendier’.
Een groot en krachtig plantenetend dier dat in rivier en moeras leeft, vaak vereenzelvigd met de nijlpaard.
Aanvullend
Henoch 60:7–9 bevestigt dit: daar staan Behemoth en Leviatan als twee grote wezens naast elkaar.
16 Zie toch, zijn kracht zit in zijn lendenen en zijn macht in de spieren van zijn buik.
בְמָתְנָ֑יו
(bematenav)
in zijn lendenen
וְ֝אֹנ֗וֹ
(veono)
en zijn macht
בִּשְׁרִירֵ֥י
(bishrirei)
in de spieren van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17 Als een ceder buigt hij zijn staart; de pezen van zijn dijen zijn verstrengeld.
יַחְפֹּ֣ץ
(yachpots)
hij buigt
זְנָב֣וֹ
(zenavo)
zijn staart
גִּידֵ֖י
(gidei)
de pezen van
פַחֲדָ֣יו
(pachadav)
zijn dijen
יְשֹׂרָֽגוּ
(yesoragu)
zijn verstrengeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18 Zijn beenderen zijn buizen van koper, zijn knoken als staven ijzer.
עֲ֭צָמָיו
(atsamav)
zijn beenderen
אֲפִיקֵ֣י
(afiqei)
buizen van
נְחוּשָׁ֑ה
(nechusha)
koper
גְּ֝רָמָ֗יו
(geramav)
zijn knoken
כִּמְטִ֥יל
(kimtil)
als een staaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 Het begin van de wegen van El is hij; zijn Maker kan hem het zwaard laten naderen.
רֵאשִׁ֣ית
(reshit)
is het begin van
דַּרְכֵי
(darkhei)
wegen van
הָ֝עֹשׂוֹ
(haoso)
zijn Maker
יַגֵּ֥שׁ
(yagesh)
kan laten naderen
חַרְבּֽוֹ
(charbo)
zijn zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het laatste deel van dit vers is moeilijk: ‘zijn Maker kan hem het zwaard laten naderen’.
Anderen lezen: ‘zijn Maker heeft hem zijn zwaard (zijn tanden) gegeven’.
Wij houden de eerste weergave aan.
20 Want de bergen brengen hem hun opbrengst, en alle wilde dieren van het veld spelen daar.
ב֭וּל
(bul)
de opbrengst van
חַיַּ֥ת
(chayat)
wilde dieren van
הַ֝שָּׂדֶ֗ה
(hasade)
het veld
יְשַֽׂחֲקוּ
(yesachaqu)
spelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Onder de lotusstruiken ligt hij, in het verborgene van riet en moeras.
צֶאֱלִ֥ים
(tseelim)
lotusstruiken
יִשְׁכָּ֑ב
(yishkav)
ligt hij
בְּסֵ֖תֶר
(beseter)
in het verborgene van
וּבִצָּֽה
(uvitsa)
en moeras
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
צֶאֱלִים (tse’elim) zijn waarschijnlijk lotusstruiken (Zizyphus lotus); de oude vertalingen kozen verschillende woorden (‘bomen’, ‘schaduw’).
Wij volgen de gangbare weergave.
22 De lotusstruiken bedekken hem met hun schaduw, de wilgen van de beek omringen hem.
יְסֻכֻּ֣הוּ
(yesukuhu)
bedekken hem
צֶאֱלִ֣ים
(tseelim)
lotusstruiken
צִֽלֲל֑וֹ
(tsilalo)
met hun schaduw
יְ֝סֻבּ֗וּהוּ
(yesubuhu)
omringen hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23 Zie, als de rivier hem drukt, haast hij zich niet; hij is zeker, al stroomt de Jordaan tot in zijn muil.
יַעֲשֹׁ֣ק
(yaashoq)
als drukt
יַחְפּ֑וֹז
(yachpoz)
haast hij zich
יִבְטַ֓ח
(yivtach)
hij is zeker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Jordaan (יַרְדֵּן , Yarden) stroomt van de berg Hermon in het noorden naar de Dode Zee in het zuiden.
Hier wordt hij genoemd als voorbeeld van een grote rivier.
Zie Gen. 13:10–11.
24 Kan men hem voor zijn ogen vangen, hem met strikken de neus doorboren?
בְּעֵינָ֥יו
(beeinav)
voor zijn ogen
יִקָּחֶ֑נּוּ
(yiqachenu)
kan men hem vangen
בְּ֝מֽוֹקְשִׁ֗ים
(bemoqeshim)
met strikken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Leviatan 25 Kun je Leviatan met een haak binnentrekken, en zijn tong met een touw neerdrukken?
תִּמְשֹׁ֣ךְ
(timshokh)
kun je binnentrekken
לִוְיָתָ֣ן
(livyatan)
Leviatan
בְּחַכָּ֑ה
(bechaka)
met een haak
וּ֝בְחֶ֗בֶל
(uvechevel)
en met een touw
תַּשְׁקִ֥יעַ
(tashqia)
neerdrukken
לְשֹׁנֽוֹ
(leshono)
zijn tong
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In de Hebreeuwse indeling (die wij volgen) begint hier de beschrijving van Leviatan.
In veel Nederlandse vertalingen is dit het eerste vers van hoofdstuk 41; wat in onze indeling hoofdstuk 41 is, vormt daar het vervolg van dat hoofdstuk (vanaf vers 9).
26 Kun je een bieslijn door zijn neus leggen en zijn kaak met een doorn doorboren?
הֲתָשִׂ֣ים
(hatasim)
kun je leggen
אַגְמ֣וֹן
(agmon)
een bieslijn
בְּאַפּ֑וֹ
(beapo)
in zijn neus
וּ֝בְח֗וֹחַ
(uvechoach)
en met een doorn
תִּקּ֥וֹב
(tiqov)
doorboor je
לֶֽחֱיוֹ
(lecheyo)
zijn kaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27 Zal hij je veel smeekbeden richten, of zachte woorden tot je spreken?
הֲיַרְבֶּ֣ה
(hayarbe)
zal hij vermenigvuldigen
תַּחֲנוּנִ֑ים
(tachanunim)
smeekbeden
יְדַבֵּ֖ר
(yedaber)
zal hij spreken
רַכּֽוֹת
(rakot)
zachte woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28 Zal hij een verbond met je sluiten, zodat je hem tot dienaar neemt voor altijd?
הֲיִכְרֹ֣ת
(hayikhrot)
zal hij sluiten
תִּ֝קָּחֶ֗נּוּ
(tiqachenu)
zul je nemen hem
לְעֶ֣בֶד
(leeved)
tot een dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29 Speel je met hem als met een vogel, bind je hem vast voor je meisjes?
הַֽתְשַׂחֶק
(hatsacheq)
speel je
כַּצִּפּ֑וֹר
(katsipor)
als met een vogel
וְ֝תִקְשְׁרֶ֗נּוּ
(vetiqsherenu)
en bind je hem vast
לְנַעֲרוֹתֶֽיךָ
(lenaaroteikha)
voor je meisjes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Leviatan is het zeemonster uit de oudste dichtkunst van Israël (Ps. 74:14; 104:26; Jes. 27:1).
Hier is hij het beeld van de macht die geen mens kan temmen.
30 Zullen partners over hem onderhandelen, hem verdelen onder kooplieden?
יִכְר֣וּ
(yikhru)
zullen onderhandelen
חַבָּרִ֑ים
(chabarim)
partners
יֶ֝חֱצ֗וּהוּ
(yechetsuhu)
verdelen zij hem
כְּֽנַעֲנִֽים
(kenaanim)
kooplieden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Kooplieden’ is hier letterlijk kena‘anim, ‘Kanaänieten’, een term die in het Hebreeuws ook ‘handelaar’ betekende (Spr. 31:24; Zach. 14:21).
Handelaarsgilden kunnen niet over zo'n dier onderhandelen.
31 Kun je zijn huid met harpoenen vullen en zijn kop met een vissersspeer?
הַֽתְמַלֵּ֣א
(hatmale)
kun je vullen
בְשֻׂכּ֣וֹת
(besukot)
met harpoenen
וּבְצִלְצַ֖ל
(uvetsiltsal)
en met een vissersspeer
רֹאשֽׁוֹ
(rosho)
zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32 Leg je hand op hem; denk aan de strijd, doe het niet nog eens.”
כַּפֶּ֑ךָ
(kapekha)
je hand
מִ֝לְחָמָ֗ה
(milchama)
de strijd
תּוֹסַֽף
(tosaf)
doe het nog eens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)