Elohim Bijbel

Job 40

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Job zwijgt; Yahweh over Behemoth en Leviatan

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh vraagt: wie berispt Eloah?

1Yahweh antwoordde Job en zei:
וַיַּ֖עַן
(vayaan)
en antwoordde
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
אִיּ֗וֹב
(iyov)
Job
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hoofdstuk 40:1–5 is het begin van Jobs terugtreden.

Yahweh heeft in hoofdstuk 38–39 naar de schepping gevraagd; nu volgt de eerste reactie van Job.

Hij legt de hand op zijn mond (vers 4), zoals hij het eerder van de anderen had gevraagd (21:5).

Dan volgt het tweede antwoord van Yahweh (40:6–41:26).

2„Zal wie Shaddai berispt, met Hem twisten? Laat hij die Eloah terechtwijst, daarop antwoorden.”
הֲ֭רֹב
(harov)
zal twisten
עִם
(im)
met
שַׁדַּ֣י
(shaday)
Shaddai
יִסּ֑וֹר
(yisor)
de onderrichter
מוֹכִ֖יחַ
(mokhiach)
de berisper van
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
Eloah
יַעֲנֶֽנָּה
(yaanena)
laat hem antwoorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Job: Ik leg mijn hand op mijn mond

3Job antwoordde Yahweh en zei:
וַיַּ֖עַן
(vayaan)
en antwoordde
אִיּ֥וֹב
(iyov)
Job
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4„Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Mijn hand leg ik op mijn mond.
הֵ֣ן
(hen)
zie
קַ֭לֹּתִי
(qaloti)
ik ben gering
מָ֣ה
(ma)
wat
אֲשִׁיבֶ֑ךָּ
(ashiveka)
zal ik U antwoorden
יָ֝דִ֗י
(yadi)
mijn hand
שַׂ֣מְתִּי
(samti)
leg ik
לְמוֹ
(lemo)
op
פִֽי
(pi)
mijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Eenmaal heb ik gesproken, en ik zal niet meer antwoorden; tweemaal, maar ik ga niet verder.”
אַחַ֣ת
(achat)
eenmaal
דִּ֭בַּרְתִּי
(dibarti)
heb ik gesproken
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶֽעֱנֶ֑ה
(eene)
zal ik antwoorden
וּ֝שְׁתַּ֗יִם
(ushtayim)
en tweemaal
וְלֹ֣א
(velo)
maar niet
אוֹסִֽיף
(osif)
zal ik voortgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh spreekt opnieuw uit de storm

6Yahweh antwoordde Job uit de storm en zei:
וַיַּֽעַן
(vayaan)
en antwoordde
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
אִ֭יּוֹב
(iyov)
Job
מִ֥ן
(min)
uit
סְעָרָ֗ה
(seara)
storm
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hoofdstuk 40:6–41:26 vormt Yahweh's tweede rede.

Hij gaat van de schepping naar het gericht: Job moet laten zien dat hij zelf het kwaad kan beteugelen, zo niet, dan moet hij zwijgen.

Daarna volgen twee wonderdieren, Behemoth en Leviatan, die Job niet kan temmen.

7„Omgord toch je lendenen als een man; Ik zal je vragen, en maak het Mij bekend.
אֱזָר
(ezar)
omgord
נָ֣א
(na)
toch
כְגֶ֣בֶר
(kegever)
als een man
חֲלָצֶ֑יךָ
(chalatseikha)
je lendenen
אֶ֝שְׁאָלְךָ֗
(eshalekha)
Ik zal je vragen
וְהוֹדִיעֵֽנִי
(vehodieni)
en maak Mij bekend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Wil je zelfs Mijn recht tenietdoen, Mij veroordelen om zelf rechtvaardig te zijn?
הַ֭אַף
(haaf)
wil je zelfs
תָּפֵ֣ר
(tafer)
tenietdoen
מִשְׁפָּטִ֑י
(mishpati)
Mijn recht
תַּ֝רְשִׁיעֵ֗נִי
(tarshieni)
Mij veroordelen
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
תִּצְדָּֽק
(titsdaq)
je rechtvaardig bent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Wil je Mijn recht tenietdoen?’

Dit is de kern van Yahweh's verwijt: Job heeft Hem in feite aangeklaagd (9:22–24; 27:2; 31:35–37).

Daarom vraagt Yahweh nu of Job zelf in staat is het kwaad te overwinnen (vers 10–14).

9Heb je een arm zoals El, en dondert je stem zoals de Zijne?
וְאִם
(veim)
en indien
זְר֖וֹעַ
(zeroa)
een arm
כָּאֵ֥ל
(kael)
zoals van El
לָ֑ךְ
(lakh)
heb je
וּ֝בְק֗וֹל
(uveqol)
en met een stem
כָּמֹ֥הוּ
(kamohu)
zoals de Zijne
תַרְעֵֽם
(tarem)
donder je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Tooi je toch met majesteit en hoogheid, kleed je in luister en pracht.
עֲדֵ֥ה
(ade)
tooi je
נָ֣א
(na)
toch
גָֽא֣וֹן
(gaon)
met majesteit
וָגֹ֑בַהּ
(vagovah)
en hoogheid
וְה֖וֹד
(vehod)
en luister
וְהָדָ֣ר
(vehadar)
en pracht
תִּלְבָּֽשׁ
(tilbash)
kleed je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Stort de uitbarstingen van je toorn uit, kijk naar iedere hoogmoedige en vernedder hem.
הָ֭פֵץ
(hafets)
stort uit
עֶבְר֣וֹת
(evrot)
de uitbarstingen van
אַפֶּ֑ךָ
(apekha)
je toorn
וּרְאֵ֥ה
(uree)
en zie
כָל
(kal)
iedere
גֵּ֝אֶ֗ה
(gee)
hoogmoedige
וְהַשְׁפִּילֵֽהוּ
(vehashpilehu)
en vernedder hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Kijk naar iedere hoogmoedige en onderwerp hem, vertrap de goddelozen op hun plaats.
רְאֵ֣ה
(ree)
zie
כָל
(kal)
iedere
גֵּ֭אֶה
(gee)
hoogmoedige
הַכְנִיעֵ֑הוּ
(hakhniehu)
onderwerp hem
וַהֲדֹ֖ךְ
(vahadokh)
en vertrap
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
תַּחְתָּֽם
(tachtam)
op hun plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Verberg hen tezamen in het stof, bind hun gezichten in het verborgene.
טָמְנֵ֣ם
(tamenem)
verberg hen
בֶּעָפָ֣ר
(beafar)
in het stof
יָ֑חַד
(yachad)
tezamen
פְּ֝נֵיהֶ֗ם
(peneihem)
hun gezichten
חֲבֹ֣שׁ
(chavosh)
bind
בַּטָּמֽוּן
(batamun)
in het verborgene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Dan zal ook Ik jou loven, omdat je eigen rechterhand je helpt.
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
אוֹדֶ֑ךָּ
(odeka)
zal je loven
כִּֽי
(ki)
omdat
תוֹשִׁ֖עַ
(toshia)
helpt
לְךָ֣
(lekha)
je
יְמִינֶֽךָ
(yeminekha)
je rechterhand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Behemoth

15Zie toch Behemoth, die Ik gemaakt heb zoals jou; hij eet gras als een rund.
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֣א
(na)
toch
בְ֭הֵמוֹת
(behemot)
Behemoth
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשִׂ֣יתִי
(asiti)
Ik maakte
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
met je
חָ֝צִ֗יר
(chatsir)
gras
כַּבָּקָ֥ר
(kabaqar)
als een rund
יֹאכֵֽל
(yokhel)
eet hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּהֵמוֹת (behemot) is meervoud van behemah, ‘dier’ (het meervoud van majesteit): het ‘Reuzendier’.

Een groot en krachtig plantenetend dier dat in rivier en moeras leeft, vaak vereenzelvigd met de nijlpaard.

Aanvullend

Henoch 60:7–9 bevestigt dit: daar staan Behemoth en Leviatan als twee grote wezens naast elkaar.

16Zie toch, zijn kracht zit in zijn lendenen en zijn macht in de spieren van zijn buik.
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֣א
(na)
toch
כֹח֣וֹ
(kocho)
zijn kracht
בְמָתְנָ֑יו
(bematenav)
in zijn lendenen
וְ֝אֹנ֗וֹ
(veono)
en zijn macht
בִּשְׁרִירֵ֥י
(bishrirei)
in de spieren van
בִטְנֽוֹ
(bitno)
zijn buik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Als een ceder buigt hij zijn staart; de pezen van zijn dijen zijn verstrengeld.
יַחְפֹּ֣ץ
(yachpots)
hij buigt
זְנָב֣וֹ
(zenavo)
zijn staart
כְמוֹ
(kemo)
als
אָ֑רֶז
(arez)
een ceder
גִּידֵ֖י
(gidei)
de pezen van
פַחֲדָ֣יו
(pachadav)
zijn dijen
יְשֹׂרָֽגוּ
(yesoragu)
zijn verstrengeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJob 41:15
18Zijn beenderen zijn buizen van koper, zijn knoken als staven ijzer.
עֲ֭צָמָיו
(atsamav)
zijn beenderen
אֲפִיקֵ֣י
(afiqei)
buizen van
נְחוּשָׁ֑ה
(nechusha)
koper
גְּ֝רָמָ֗יו
(geramav)
zijn knoken
כִּמְטִ֥יל
(kimtil)
als een staaf
בַּרְזֶֽל
(barzel)
ijzer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Het begin van de wegen van El is hij; zijn Maker kan hem het zwaard laten naderen.
ה֭וּא
(hu)
hij
רֵאשִׁ֣ית
(reshit)
is het begin van
דַּרְכֵי
(darkhei)
wegen van
אֵ֑ל
(el)
El
הָ֝עֹשׂוֹ
(haoso)
zijn Maker
יַגֵּ֥שׁ
(yagesh)
kan laten naderen
חַרְבּֽוֹ
(charbo)
zijn zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het laatste deel van dit vers is moeilijk: ‘zijn Maker kan hem het zwaard laten naderen’.

Anderen lezen: ‘zijn Maker heeft hem zijn zwaard (zijn tanden) gegeven’.

Wij houden de eerste weergave aan.

20Want de bergen brengen hem hun opbrengst, en alle wilde dieren van het veld spelen daar.
כִּֽי
(ki)
want
ב֭וּל
(bul)
de opbrengst van
הָרִ֣ים
(harim)
bergen
יִשְׂאוּ
(yisu)
dragen
ל֑וֹ
(lo)
hem
וְֽכָל
(vekhal)
en alle
חַיַּ֥ת
(chayat)
wilde dieren van
הַ֝שָּׂדֶ֗ה
(hasade)
het veld
יְשַֽׂחֲקוּ
(yesachaqu)
spelen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Onder de lotusstruiken ligt hij, in het verborgene van riet en moeras.
תַּֽחַת
(tachat)
onder
צֶאֱלִ֥ים
(tseelim)
lotusstruiken
יִשְׁכָּ֑ב
(yishkav)
ligt hij
בְּסֵ֖תֶר
(beseter)
in het verborgene van
קָנֶ֣ה
(qane)
riet
וּבִצָּֽה
(uvitsa)
en moeras
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

צֶאֱלִים (tse’elim) zijn waarschijnlijk lotusstruiken (Zizyphus lotus); de oude vertalingen kozen verschillende woorden (‘bomen’, ‘schaduw’).

Wij volgen de gangbare weergave.

22De lotusstruiken bedekken hem met hun schaduw, de wilgen van de beek omringen hem.
יְסֻכֻּ֣הוּ
(yesukuhu)
bedekken hem
צֶאֱלִ֣ים
(tseelim)
lotusstruiken
צִֽלֲל֑וֹ
(tsilalo)
met hun schaduw
יְ֝סֻבּ֗וּהוּ
(yesubuhu)
omringen hem
עַרְבֵי
(arvei)
wilgen van
נָֽחַל
(nachal)
de beek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Zie, als de rivier hem drukt, haast hij zich niet; hij is zeker, al stroomt de Jordaan tot in zijn muil.
הֵ֤ן
(hen)
zie
יַעֲשֹׁ֣ק
(yaashoq)
als drukt
נָ֭הָר
(nahar)
rivier
לֹ֣א
(lo)
niet
יַחְפּ֑וֹז
(yachpoz)
haast hij zich
יִבְטַ֓ח
(yivtach)
hij is zeker
כִּֽי
(ki)
al
יָגִ֖יחַ
(yagiach)
stroomt
יַרְדֵּ֣ן
(yarden)
Jordaan
אֶל
(el)
tot in
פִּֽיהוּ
(pihu)
zijn muil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Jordaan (יַרְדֵּן, Yarden) stroomt van de berg Hermon in het noorden naar de Dode Zee in het zuiden.

Hier wordt hij genoemd als voorbeeld van een grote rivier.

Zie Gen. 13:10–11.

24Kan men hem voor zijn ogen vangen, hem met strikken de neus doorboren?
בְּעֵינָ֥יו
(beeinav)
voor zijn ogen
יִקָּחֶ֑נּוּ
(yiqachenu)
kan men hem vangen
בְּ֝מֽוֹקְשִׁ֗ים
(bemoqeshim)
met strikken
יִנְקָב
(yinqav)
doorboort
אָֽף
(af)
de neus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Leviatan

25Kun je Leviatan met een haak binnentrekken, en zijn tong met een touw neerdrukken?
תִּמְשֹׁ֣ךְ
(timshokh)
kun je binnentrekken
לִוְיָתָ֣ן
(livyatan)
Leviatan
בְּחַכָּ֑ה
(bechaka)
met een haak
וּ֝בְחֶ֗בֶל
(uvechevel)
en met een touw
תַּשְׁקִ֥יעַ
(tashqia)
neerdrukken
לְשֹׁנֽוֹ
(leshono)
zijn tong
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Hebreeuwse indeling (die wij volgen) begint hier de beschrijving van Leviatan.

In veel Nederlandse vertalingen is dit het eerste vers van hoofdstuk 41; wat in onze indeling hoofdstuk 41 is, vormt daar het vervolg van dat hoofdstuk (vanaf vers 9).

26Kun je een bieslijn door zijn neus leggen en zijn kaak met een doorn doorboren?
הֲתָשִׂ֣ים
(hatasim)
kun je leggen
אַגְמ֣וֹן
(agmon)
een bieslijn
בְּאַפּ֑וֹ
(beapo)
in zijn neus
וּ֝בְח֗וֹחַ
(uvechoach)
en met een doorn
תִּקּ֥וֹב
(tiqov)
doorboor je
לֶֽחֱיוֹ
(lecheyo)
zijn kaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Zal hij je veel smeekbeden richten, of zachte woorden tot je spreken?
הֲיַרְבֶּ֣ה
(hayarbe)
zal hij vermenigvuldigen
אֵ֭לֶיךָ
(eleikha)
tot je
תַּחֲנוּנִ֑ים
(tachanunim)
smeekbeden
אִם
(im)
of
יְדַבֵּ֖ר
(yedaber)
zal hij spreken
אֵלֶ֣יךָ
(eleikha)
tot je
רַכּֽוֹת
(rakot)
zachte woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Zal hij een verbond met je sluiten, zodat je hem tot dienaar neemt voor altijd?
הֲיִכְרֹ֣ת
(hayikhrot)
zal hij sluiten
בְּרִ֣ית
(berit)
verbond
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
met je
תִּ֝קָּחֶ֗נּוּ
(tiqachenu)
zul je nemen hem
לְעֶ֣בֶד
(leeved)
tot een dienaar
עוֹלָֽם
(olam)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Speel je met hem als met een vogel, bind je hem vast voor je meisjes?
הַֽתְשַׂחֶק
(hatsacheq)
speel je
בּ֭וֹ
(bo)
met hem
כַּצִּפּ֑וֹר
(katsipor)
als met een vogel
וְ֝תִקְשְׁרֶ֗נּוּ
(vetiqsherenu)
en bind je hem vast
לְנַעֲרוֹתֶֽיךָ
(lenaaroteikha)
voor je meisjes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Leviatan is het zeemonster uit de oudste dichtkunst van Israël (Ps. 74:14; 104:26; Jes. 27:1).

Hier is hij het beeld van de macht die geen mens kan temmen.

30Zullen partners over hem onderhandelen, hem verdelen onder kooplieden?
יִכְר֣וּ
(yikhru)
zullen onderhandelen
עָ֭לָיו
(alav)
over hem
חַבָּרִ֑ים
(chabarim)
partners
יֶ֝חֱצ֗וּהוּ
(yechetsuhu)
verdelen zij hem
בֵּ֣ין
(bein)
onder
כְּֽנַעֲנִֽים
(kenaanim)
kooplieden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Kooplieden’ is hier letterlijk kena‘anim, ‘Kanaänieten’, een term die in het Hebreeuws ook ‘handelaar’ betekende (Spr. 31:24; Zach. 14:21).

Handelaarsgilden kunnen niet over zo'n dier onderhandelen.

31Kun je zijn huid met harpoenen vullen en zijn kop met een vissersspeer?
הַֽתְמַלֵּ֣א
(hatmale)
kun je vullen
בְשֻׂכּ֣וֹת
(besukot)
met harpoenen
עוֹר֑וֹ
(oro)
zijn huid
וּבְצִלְצַ֖ל
(uvetsiltsal)
en met een vissersspeer
דָּגִ֣ים
(dagim)
vissen
רֹאשֽׁוֹ
(rosho)
zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Leg je hand op hem; denk aan de strijd, doe het niet nog eens.”
שִׂים
(sim)
leg
עָלָ֥יו
(alav)
op hem
כַּפֶּ֑ךָ
(kapekha)
je hand
זְכֹ֥ר
(zekhor)
denk aan
מִ֝לְחָמָ֗ה
(milchama)
de strijd
אַל
(al)
niet
תּוֹסַֽף
(tosaf)
doe het nog eens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)