Elohim Bijbel

Numeri 13

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

De twaalf verkenners

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het bevel om het land te verkennen

1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Stuur mannen om het land Kanaän te verkennen, dat Ik aan de zonen van Israël geef. Stuur uit elke stam van hun vaderen één man; het moet telkens een leider onder hen zijn.”
שְׁלַח
(shelach)
zend
לְךָ֣
(lekha)
voor jou
אֲנָשִׁ֗ים
(anashim)
mannen
וְיָתֻ֨רוּ֙
(veyaturu)
opdat zij verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
נֹתֵ֖ן
(noten)
geef
לִבְנֵ֣י
(livnei)
aan de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶחָד֩
(echad)
één
אִ֨ישׁ
(ish)
man
אֶחָ֜ד
(echad)
één
לְמַטֵּ֤ה
(lemate)
voor de stam van
אֲבֹתָיו֙
(avotav)
zijn vaderen
תִּשְׁלָ֔חוּ
(tishlachu)
jullie zullen zenden
כֹּ֖ל
(kol)
elke
נָשִׂ֥יא
(nasi)
leider
בָהֶֽם
(bahem)
onder hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

תּוּר (tur), ‘verkennen’: spiedend rondgaan en onderzoeken.

Hetzelfde werkwoord staat in de verzen 16, 17, 21, 25, 32.

Volgens Deut. 1:22–23 vroeg het volk hierom en vond Mozes het goed; hier geeft Yahweh het bevel.

Lezing

In het Hebreeuws staat שְׁלַח־לְךָ (shelach lecha), ‘stuur voor jezelf’.

Wij vertalen ‘stuur’.

3Mozes stuurde hen vanuit de woestijn Paran op bevel van Yahweh. Zij waren allemaal mannen, hoofden van de zonen van Israël.
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en hij zond
אֹתָ֥ם
(otam)
hen
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
מִמִּדְבַּ֥ר
(mimidbar)
uit de woestijn van
פָּארָ֖ן
(paran)
Paran
עַל
(al)
op
פִּ֣י
(pi)
bevel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כֻּלָּ֣ם
(kulam)
zij allen
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
רָאשֵׁ֥י
(rashei)
hoofden van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De woestijn Paran ligt in het midden en noorden van het Sinaïschiereiland en in de Negev (Num. 10:12).

Kades (vers 26) ligt aan de noordrand ervan.

Uitleg

עַל־פִּי (al-pi), ‘op bevel van’: letterlijk ‘op de mond van’.

De namen van de verkenners

4Dit zijn hun namen: uit de stam Ruben: Sjammua, de zoon van Zakkur.
וְאֵ֖לֶּה
(veele)
en dit zijn
שְׁמוֹתָ֑ם
(shemotam)
hun namen
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam van
רְאוּבֵ֔ן
(reuven)
Ruben
שַׁמּ֖וּעַ
(shamua)
Sjammua
בֶּן
(ben)
zoon van
זַכּֽוּר
(zakur)
Zakkur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Uit de stam Simeon: Sjafat, de zoon van Chori.
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam van
שִׁמְע֔וֹן
(shimon)
Simeon
שָׁפָ֖ט
(shafat)
Sjafat
בֶּן
(ben)
zoon van
חוֹרִֽי
(chori)
Chori
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Uit de stam Juda: Kaleb, de zoon van Jefunne.
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
כָּלֵ֖ב
(kalev)
Kaleb
בֶּן
(ben)
zoon van
יְפֻנֶּֽה
(yefune)
Jefunne
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Kaleb was de leider van de stam Juda.

Hij wordt ook ‘de Kenizziet’ genoemd (Num. 32:12; Joz. 14:6).

7Uit de stam Issachar: Jigal, de zoon van Jozef.
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam van
יִשָּׂשכָ֔ר
(yisashkhar)
Issachar
יִגְאָ֖ל
(yigal)
Jigal
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Uit de stam Efraïm: Hosea, de zoon van Nun.
לְמַטֵּ֥ה
(lemate)
voor de stam van
אֶפְרָ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
הוֹשֵׁ֥עַ
(hoshea)
Hosea
בִּן
(bin)
zoon van
נֽוּן
(nun)
Nun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Uit de stam Benjamin: Palti, de zoon van Rafu.
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam van
בִנְיָמִ֔ן
(binyamin)
Benjamin
פַּלְטִ֖י
(palti)
Palti
בֶּן
(ben)
zoon van
רָפֽוּא
(rafu)
Rafu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Uit de stam Zebulon: Gaddiël, de zoon van Sodi.
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam van
זְבוּלֻ֔ן
(zevulun)
Zebulon
גַּדִּיאֵ֖ל
(gadiel)
Gaddiël
בֶּן
(ben)
zoon van
סוֹדִֽי
(sodi)
Sodi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Uit de stam Jozef, uit de stam Manasse: Gaddi, de zoon van Susi.
לְמַטֵּ֥ה
(lemate)
voor de stam van
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam van
מְנַשֶּׁ֑ה
(menashe)
Manasse
גַּדִּ֖י
(gadi)
Gaddi
בֶּן
(ben)
zoon van
סוּסִֽי
(susi)
Susi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In het Hebreeuws staan hier twee stamnamen na elkaar: ‘voor de stam van Jozef, voor de stam van Manasse’.

Manasse is een van de twee stammen die van Jozef afstammen (Gen. 48:5).

Efraïm in vers 8 is de andere.

12Uit de stam Dan: Ammiël, de zoon van Gemalli.
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam van
דָ֔ן
(dan)
Dan
עַמִּיאֵ֖ל
(amiel)
Ammiël
בֶּן
(ben)
zoon van
גְּמַלִּֽי
(gemali)
Gemalli
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Uit de stam Aser: Sethur, de zoon van Michaël.
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam van
אָשֵׁ֔ר
(asher)
Aser
סְת֖וּר
(setur)
Sethur
בֶּן
(ben)
zoon van
מִיכָאֵֽל
(mikhael)
Michaël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Uit de stam Naftali: Nachbi, de zoon van Vofsi.
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam van
נַפְתָּלִ֔י
(naftali)
Naftali
נַחְבִּ֖י
(nachbi)
Nachbi
בֶּן
(ben)
zoon van
וָפְסִֽי
(vafesi)
Vofsi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Uit de stam Gad: Geüel, de zoon van Machi.
לְמַטֵּ֣ה
(lemate)
voor de stam van
גָ֔ד
(gad)
Gad
גְּאוּאֵ֖ל
(geuel)
Geüel
בֶּן
(ben)
zoon van
מָכִֽי
(makhi)
Machi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Dit zijn de namen van de mannen die Mozes stuurde om het land te verkennen. Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua.
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit zijn
שְׁמ֣וֹת
(shemot)
de namen van
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁלַ֥ח
(shalach)
hij zond
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
לָת֣וּר
(latur)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
לְהוֹשֵׁ֥עַ
(lehoshea)
Hosea
בִּן
(bin)
zoon van
נ֖וּן
(nun)
Nun
יְהוֹשֻֽׁעַ
(yehoshua)
Jozua
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוֹשֻׁעַ (Jehoshua), ‘Yahweh redt’: de nieuwe naam van הוֹשֵׁעַ (Hoshea), ‘hij redt’.

Jozua is dezelfde naam als Yeshua (Neh. 8:17).

De opdracht van Mozes

17Mozes stuurde hen om het land Kanaän te verkennen. Hij zei tegen hen: „Trek hierlangs door de Negev omhoog en ga het bergland op.
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en hij zond
אֹתָם֙
(otam)
hen
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
לָת֖וּר
(latur)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
עֲל֥וּ
(alu)
trek omhoog
זֶה֙
(ze)
hierlangs
בַּנֶּ֔גֶב
(banegev)
door de Negev
וַעֲלִיתֶ֖ם
(vaalitem)
en jullie zullen omhoog gaan
אֶת
(et)
(obj.)
הָהָֽר
(hahar)
het bergland
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Negev is het droge zuiden van Kanaän; het woord betekent ook ‘zuiden’.

Het bergland (הָהָר, hahar) ligt daarboven, in het midden van het land (vers 29).

18Bekijk het land: hoe is het? Bekijk ook het volk dat erin woont: is het sterk of zwak, zijn het er weinig of veel?
וּרְאִיתֶ֥ם
(ureitem)
en jullie zullen zien
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
מַה
(ma)
hoe
הִ֑וא
(hi)
het is
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעָם֙
(haam)
het volk
הַיֹּשֵׁ֣ב
(hayoshev)
dat woont
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
erop
הֶחָזָ֥ק
(hechazaq)
is het sterk
הוּא֙
(hu)
het
הֲרָפֶ֔ה
(harafe)
of zwak
הַמְעַ֥ט
(hamat)
weinig
ה֖וּא
(hu)
het
אִם
(im)
of
רָֽב
(rav)
veel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Hoe is het land waarin het volk woont: goed of slecht? Hoe zijn de steden waarin het woont: zijn het kampen of versterkte steden?
וּמָ֣ה
(uma)
en hoe
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
הוּא֙
(hu)
het volk
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
woont
בָּ֔הּ
(bah)
erin
הֲטוֹבָ֥ה
(hatova)
goed
הִ֖וא
(hi)
het is
אִם
(im)
of
רָעָ֑ה
(raa)
slecht
וּמָ֣ה
(uma)
en hoe
הֶֽעָרִ֗ים
(hearim)
de steden
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
הוּא֙
(hu)
het
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
woont
בָּהֵ֔נָּה
(bahena)
erin
הַבְּמַֽחֲנִ֖ים
(habemachanim)
in kampen
אִ֥ם
(im)
of
בְּמִבְצָרִֽים
(bemivtsarim)
in versterkte steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Hoe is het land: vruchtbaar of schraal? Staan er bomen of niet? Houd moed en neem iets mee van de vrucht van het land.” Het was de tijd van de eerstelingen van de druiven.
וּמָ֣ה
(uma)
en hoe
הָ֠אָרֶץ
(haarets)
het land
הַשְּׁמֵנָ֨ה
(hashemena)
vruchtbaar
הִ֜וא
(hi)
het is
אִם
(im)
of
רָזָ֗ה
(raza)
schraal
הֲיֵֽשׁ
(hayesh)
is er
בָּ֥הּ
(bah)
erin
עֵץ֙
(ets)
bomen
אִם
(im)
of
אַ֔יִן
(ayin)
niet
וְהִ֨תְחַזַּקְתֶּ֔ם
(vehitchazaqtem)
en houd moed
וּלְקַחְתֶּ֖ם
(uleqachtem)
en neem
מִפְּרִ֣י
(miperi)
van de vrucht van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְהַ֨יָּמִ֔ים
(vehayamim)
en de dagen
יְמֵ֖י
(yemei)
dagen van
בִּכּוּרֵ֥י
(bikurei)
eerstelingen van
עֲנָבִֽים
(anavim)
druiven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁמֵנָה (shemenah) is letterlijk ‘vet’ en רָזָה (razah) ‘mager’.

Wij vertalen ‘vruchtbaar’ en ‘schraal’.

בִּכּוּרֵי עֲנָבִים (bikkurei anavim), ‘eerstelingen van de druiven’: de eerste rijpe druiven, ongeveer in juli en augustus.

De verkenning van het land

21Zij trokken omhoog en verkenden het land, van de woestijn Zin tot Rechov, bij de ingang van Chamat.
וַֽיַּעֲל֖וּ
(vayaalu)
en zij trokken omhoog
וַיָּתֻ֣רוּ
(vayaturu)
en zij verkenden
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
מִמִּדְבַּר
(mimidbar)
van de woestijn van
צִ֥ן
(tsin)
Zin
עַד
(ad)
tot
רְחֹ֖ב
(rechov)
Rechov
לְבֹ֥א
(levo)
bij de ingang van
חֲמָֽת
(chamat)
Chamat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De woestijn Zin ligt in het zuiden van Kanaän, bij Kades (Num. 20:1; 34:3–4).

Zij is niet dezelfde als de woestijn Sin (Exod. 16:1).

Rechov ligt in het noorden, waarschijnlijk bij Beth-Rechov bij Dan (Richt. 18:28).

Chamat ligt in Syrië, bij het huidige Hama.

De ligging van Rechov is niet zeker.

Zie Woestijn Zin: De woestijn Zin lag in het zuiden van Kanaän, bij Kades.

De grenzen zijn niet precies bekend.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Uitleg

לְבֹא חֲמָת (levo Chamat), ‘bij de ingang van Chamat’: de noordgrens van het land (Num. 34:8).

Het kan ook de plaatsnaam Lebo-Chamat zijn.

22Zij trokken omhoog door de Negev en kwamen bij Hebron. Daar waren Achiman, Sjesai en Talmai, de nakomelingen van Anak. Hebron was zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte.
וַיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en zij trokken omhoog
בַנֶּגֶב֮
(banegev)
door de Negev
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en hij kwam
עַד
(ad)
tot
חֶבְרוֹן֒
(chevron)
Hebron
וְשָׁ֤ם
(vesham)
en daar
אֲחִימַן֙
(achiman)
Achiman
שֵׁשַׁ֣י
(sheshay)
Sjesai
וְתַלְמַ֔י
(vetalmay)
en Talmai
יְלִידֵ֖י
(yelidei)
nakomelingen van
הָעֲנָ֑ק
(haanaq)
Anak
וְחֶבְר֗וֹן
(vechevron)
en Hebron
שֶׁ֤בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִים֙
(shanim)
jaren
נִבְנְתָ֔ה
(nivneta)
was gebouwd
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
vóór
צֹ֥עַן
(tsoan)
Soan
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem, in het huidige Hebron (Palestijnse gebieden).

Soan (Tanis) ligt in het noordoosten van de Nijldelta in Egypte.

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Uitleg

עֲנָק (Anak): de ‘zonen van Anak’ heten later de Anakieten (Deut. 9:2; Joz. 15:14).

Hebron heette vroeger Kirjat-Arba (Gen. 23:2).

Lezing

In het Hebreeuws staat het enkelvoud: ‘en hij kwam tot Hebron’.

Wij vertalen ‘kwamen’, omdat het over alle verkenners gaat.

Aanvullend

Jubileeën 13:10–12 bevestigt dat Hebron zeven jaar vóór Tanis werd gebouwd.

23Zij kwamen bij het dal Eskol. Daar sneden zij een rank af met één tros druiven eraan. Met z'n tweeën droegen zij die aan een draagstok. Ook namen zij granaatappels en vijgen mee.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
עַד
(ad)
tot
נַ֣חַל
(nachal)
het dal van
אֶשְׁכֹּ֗ל
(eshkol)
Eskol
וַיִּכְרְת֨וּ
(vayikhretu)
en zij sneden af
מִשָּׁ֤ם
(misham)
vandaar
זְמוֹרָה֙
(zemora)
een rank
וְאֶשְׁכּ֤וֹל
(veeshkol)
en een tros van
עֲנָבִים֙
(anavim)
druiven
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וַיִּשָּׂאֻ֥הוּ
(vayisauhu)
en zij droegen hem
בַמּ֖וֹט
(bamot)
aan een draagstok
בִּשְׁנָ֑יִם
(bishnayim)
met z'n tweeën
וּמִן
(umin)
en van
הָרִמֹּנִ֖ים
(harimonim)
de granaatappels
וּמִן
(umin)
en van
הַתְּאֵנִֽים
(hateenim)
de vijgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De ligging van het dal Eskol (נַחַל אֶשְׁכֹּל, nachal Eshkol) is niet zeker.

Het lag in de buurt van Hebron.

Uitleg

אֶשְׁכּוֹל (eshkol), ‘tros’: het dal heeft zijn naam van de tros druiven (vers 24).

מוֹט (mot), ‘draagstok’: een stok die twee mannen op hun schouders dragen.

24Die plaats werd het dal Eskol genoemd, vanwege de tros die de zonen van Israël daar hadden afgesneden.
לַמָּק֣וֹם
(lamaqom)
naar de plaats
הַה֔וּא
(hahu)
die
קָרָ֖א
(qara)
men noemde
נַ֣חַל
(nachal)
dal van
אֶשְׁכּ֑וֹל
(eshkol)
Eskol
עַ֚ל
(al)
op
אֹד֣וֹת
(odot)
rekening van
הָֽאֶשְׁכּ֔וֹל
(haeshkol)
de tros
אֲשֶׁר
(asher)
die
כָּרְת֥וּ
(karetu)
zij afsneden
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Eskol: Het dal Eskol lag bij Hebron, in het bergland van Juda.

De precieze plaats is niet zeker.

25Na veertig dagen kwamen zij terug van het verkennen van het land.
וַיָּשֻׁ֖בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
מִתּ֣וּר
(mitur)
van het verkennen van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
מִקֵּ֖ץ
(miqets)
na verloop van
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
יֽוֹם
(yom)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het verslag in Kades

26Zij gingen naar Mozes, Aäron en heel de gemeenschap van de zonen van Israël, naar de woestijn Paran, naar Kades. Zij brachten hun en heel de gemeenschap verslag uit en lieten hun de vrucht van het land zien.
וַיֵּלְכ֡וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
וַיָּבֹאוּ֩
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
מֹשֶׁ֨ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽל
(veel)
en naar
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
וְאֶל
(veel)
en naar
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֧ת
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
מִדְבַּ֥ר
(midbar)
de woestijn van
פָּארָ֖ן
(paran)
Paran
קָדֵ֑שָׁה
(qadesha)
naar Kades
וַיָּשִׁ֨יבוּ
(vayashivu)
en zij brachten terug
אוֹתָ֤ם
(otam)
hun
דָּבָר֙
(davar)
bericht
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
וַיַּרְא֖וּם
(vayarum)
en zij lieten hen zien
אֶת
(et)
(obj.)
פְּרִ֥י
(peri)
de vrucht van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van het Sinaïschiereiland, bij de huidige bron Ain Qudeirat, ten zuiden van de Negev (Num. 32:8; 34:4).

Hier ligt Kades in de woestijn Paran; elders ligt het in de woestijn Zin (Num. 20:1; 33:36).

De twee woestijnen grenzen daar aan elkaar.

27Zij vertelden hem: „We zijn in het land gekomen waar u ons naartoe gestuurd hebt. Het is ook echt een land dat overvloeit van melk en honing, en dit is zijn vrucht.
וַיְסַפְּרוּ
(vaysaperu)
en zij vertelden
לוֹ֙
(lo)
hem
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeiden
בָּ֕אנוּ
(banu)
wij zijn gekomen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarheen
שְׁלַחְתָּ֑נוּ
(shelachtanu)
u ons zond
וְ֠גַם
(vegam)
en ook
זָבַ֨ת
(zavat)
overvloeiend van
חָלָ֥ב
(chalav)
melk
וּדְבַ֛שׁ
(udevash)
en honing
הִ֖וא
(hi)
het
וְזֶה
(veze)
en dit
פִּרְיָֽהּ
(piryah)
zijn vrucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָבַת חָלָב וּדְבָשׁ (zavat chalav udvash), ‘overvloeiend van melk en honing’: dezelfde woorden als in Exod. 3:8 en 33:3.

28Maar het volk dat in het land woont, is sterk. De steden zijn versterkt en zeer groot. We hebben daar ook de nakomelingen van Anak gezien.
אֶ֚פֶס
(efes)
maar
כִּֽי
(ki)
dat
עַ֣ז
(az)
sterk
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
הַיֹּשֵׁ֖ב
(hayoshev)
dat woont
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
וְהֶֽעָרִ֗ים
(vehearim)
en de steden
בְּצֻר֤וֹת
(betsurot)
versterkt
גְּדֹלֹת֙
(gedolot)
groot
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וְגַם
(vegam)
en ook
יְלִדֵ֥י
(yelidei)
nakomelingen van
הָֽעֲנָ֖ק
(haanaq)
Anak
רָאִ֥ינוּ
(rainu)
wij zagen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Amalek woont in het land van de Negev. De Hethieten, de Jebusieten en de Amorieten wonen in het bergland. De Kanaänieten wonen aan de zee en langs de Jordaan.”
עֲמָלֵ֥ק
(amaleq)
Amalek
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
woont
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
הַנֶּ֑גֶב
(hanegev)
de Negev
וְ֠הַֽחִתִּי
(vehachiti)
en de Hethiet
וְהַיְבוּסִ֤י
(vehayvusi)
en de Jebusiet
וְהָֽאֱמֹרִי֙
(vehaemori)
en de Amoriet
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
woont
בָּהָ֔ר
(bahar)
in het bergland
וְהַֽכְּנַעֲנִי֙
(vehakenaani)
en de Kanaäniet
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
woont
עַל
(al)
aan
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
וְעַ֖ל
(veal)
en aan
יַ֥ד
(yad)
de oever van
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

Amalek is het volk dat Israël aanviel in Refidim (Exod. 17:8).

De Hethieten, Jebusieten en Amorieten horen bij de volken van Exod. 3:8.

Kaleb tegenover de andere verkenners

30Kaleb bracht het volk bij Mozes tot zwijgen en zei: „We moeten er zeker heen trekken en het in bezit nemen. Want we kunnen het zeker aan.”
וַיַּ֧הַס
(vayahas)
en hij bracht tot zwijgen
כָּלֵ֛ב
(kalev)
Kaleb
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
bij
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עָלֹ֤ה
(alo)
omhoog
נַעֲלֶה֙
(naale)
wij zullen trekken
וְיָרַ֣שְׁנוּ
(veyarashnu)
en wij zullen in bezit nemen
אֹתָ֔הּ
(otah)
het
כִּֽי
(ki)
want
יָכ֥וֹל
(yakhol)
zeker kunnen
נוּכַ֖ל
(nukhal)
wij zullen kunnen
לָֽהּ
(lah)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּהַס (vayahas), ‘hij bracht tot zwijgen’: hij maakte het stil, zodat Mozes gehoord kon worden.

31Maar de mannen die met hem omhoog waren gegaan, zeiden: „We kunnen niet optrekken tegen dat volk, want het is sterker dan wij.”
וְהָ֨אֲנָשִׁ֜ים
(vehaanashim)
en de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָל֤וּ
(alu)
omhoog waren gegaan
עִמּוֹ֙
(imo)
met hem
אָֽמְר֔וּ
(ameru)
zeiden
לֹ֥א
(lo)
niet
נוּכַ֖ל
(nukhal)
wij kunnen
לַעֲל֣וֹת
(laalot)
omhoog te trekken
אֶל
(el)
tegen
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
כִּֽי
(ki)
want
חָזָ֥ק
(chazaq)
sterk
ה֖וּא
(hu)
het is
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
dan wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Zij verspreidden onder de zonen van Israël een gerucht over het land dat zij verkend hadden. Zij zeiden: „Het land waar wij doorheen zijn getrokken om het te verkennen, is een land dat zijn bewoners opeet. Alle mensen die wij daar gezien hebben, zijn mannen van enorm formaat.
וַיּוֹצִ֜יאוּ
(vayotsiu)
en zij brachten uit
דִּבַּ֤ת
(dibat)
een gerucht over
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תָּר֣וּ
(taru)
zij verkenden
אֹתָ֔הּ
(otah)
het
אֶל
(el)
onder
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הָאָ֡רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
עָבַ֨רְנוּ
(avarnu)
wij doortrokken
בָ֜הּ
(bah)
erin
לָת֣וּר
(latur)
om te verkennen
אֹתָ֗הּ
(otah)
het
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land dat
אֹכֶ֤לֶת
(okhelet)
opeet
יוֹשְׁבֶ֨יהָ֙
(yosheveiha)
zijn bewoners
הִ֔וא
(hi)
het is
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
רָאִ֥ינוּ
(rainu)
wij zagen
בְתוֹכָ֖הּ
(betokhah)
in het midden ervan
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
מִדּֽוֹת
(midot)
maten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּבָּה (dibbah), ‘gerucht’: een bericht dat andere mensen tegen het land opzet.

In Num. 14:37 staat erbij dat het ‘kwaad’ (רָעָה, ra’ah) was; hetzelfde woord staat met ‘kwaad’ in Gen. 37:2.

אֹכֶלֶת יוֹשְׁבֶיהָ (ocheleth yoshveha), ‘dat zijn bewoners opeet’: een land waar de bewoners door oorlog of ziekte omkomen. Wat bedoeld wordt, staat er niet bij.

אַנְשֵׁי מִדּוֹת (anshei middot), ‘mannen van maten’: mannen van grote gestalte. Wij vertalen ‘mannen van enorm formaat’.

33Daar hebben we ook de Nefilim gezien, de zonen van Anak, die van de Nefilim afstammen. In onze eigen ogen waren we als sprinkhanen, en zo waren we ook in hun ogen.”
וְשָׁ֣ם
(vesham)
en daar
רָאִ֗ינוּ
(rainu)
wij zagen
אֶת
(et)
(obj.)
הַנְּפִילִ֛ים
(hanefilim)
de Nefilim
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
עֲנָ֖ק
(anaq)
Anak
מִן
(min)
van
הַנְּפִלִ֑ים
(hanefilim)
de Nefilim
וַנְּהִ֤י
(vanehi)
en wij waren
בְעֵינֵ֨ינוּ֙
(beeineinu)
in onze ogen
כַּֽחֲגָבִ֔ים
(kachagavim)
als sprinkhanen
וְכֵ֥ן
(vekhen)
en zo
הָיִ֖ינוּ
(hayinu)
wij waren
בְּעֵינֵיהֶֽם
(beeineihem)
in hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנְּפִלִים (hannefilim), ‘de Nefilim’: zie Gen. 6:4.

Het Hebreeuws zegt dat de Anakieten ‘van de Nefilim’ zijn.

Wij vertalen ‘die van de Nefilim afstammen’.

Dit is wat de verkenners zeggen; of het ook waar was, laat de tekst open.

כַּחֲגָבִים (kachagavim), ‘als sprinkhanen’: heel klein.