Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het bevel om het land te verkennen
1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Stuur mannen om het land Kanaän te verkennen, dat Ik aan de zonen van Israël geef. Stuur uit elke stam van hun vaderen één man; het moet telkens een leider onder hen zijn.”
שְׁלַח
(shelach)
zend
לְךָ֣
(lekha)
voor jou
אֲנָשִׁ֗ים
(anashim)
mannen
וְיָתֻ֨רוּ֙
(veyaturu)
opdat zij verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
נֹתֵ֖ן
(noten)
geef
לִבְנֵ֣י
(livnei)
aan de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶחָד֩
(echad)
één
אִ֨ישׁ
(ish)
man
אֶחָ֜ד
(echad)
één
לְמַטֵּ֤ה
(lemate)
voor de stam van
אֲבֹתָיו֙
(avotav)
zijn vaderen
תִּשְׁלָ֔חוּ
(tishlachu)
jullie zullen zenden
כֹּ֖ל
(kol)
elke
נָשִׂ֥יא
(nasi)
leider
בָהֶֽם
(bahem)
onder hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
תּוּר (tur), ‘verkennen’: spiedend rondgaan en onderzoeken.
Hetzelfde werkwoord staat in de verzen 16, 17, 21, 25, 32.
Volgens Deut. 1:22–23 vroeg het volk hierom en vond Mozes het goed; hier geeft Yahweh het bevel.
Lezing
In het Hebreeuws staat שְׁלַח־לְךָ (shelach lecha), ‘stuur voor jezelf’.
19Hoe is het land waarin het volk woont: goed of slecht? Hoe zijn de steden waarin het woont: zijn het kampen of versterkte steden?
וּמָ֣ה
(uma)
en hoe
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
הוּא֙
(hu)
het volk
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
woont
בָּ֔הּ
(bah)
erin
הֲטוֹבָ֥ה
(hatova)
goed
הִ֖וא
(hi)
het is
אִם
(im)
of
רָעָ֑ה
(raa)
slecht
וּמָ֣ה
(uma)
en hoe
הֶֽעָרִ֗ים
(hearim)
de steden
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
הוּא֙
(hu)
het
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
woont
בָּהֵ֔נָּה
(bahena)
erin
הַבְּמַֽחֲנִ֖ים
(habemachanim)
in kampen
אִ֥ם
(im)
of
בְּמִבְצָרִֽים
(bemivtsarim)
in versterkte steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Hoe is het land: vruchtbaar of schraal? Staan er bomen of niet? Houd moed en neem iets mee van de vrucht van het land.” Het was de tijd van de eerstelingen van de druiven.
וּמָ֣ה
(uma)
en hoe
הָ֠אָרֶץ
(haarets)
het land
הַשְּׁמֵנָ֨ה
(hashemena)
vruchtbaar
הִ֜וא
(hi)
het is
אִם
(im)
of
רָזָ֗ה
(raza)
schraal
הֲיֵֽשׁ
(hayesh)
is er
בָּ֥הּ
(bah)
erin
עֵץ֙
(ets)
bomen
אִם
(im)
of
אַ֔יִן
(ayin)
niet
וְהִ֨תְחַזַּקְתֶּ֔ם
(vehitchazaqtem)
en houd moed
וּלְקַחְתֶּ֖ם
(uleqachtem)
en neem
מִפְּרִ֣י
(miperi)
van de vrucht van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְהַ֨יָּמִ֔ים
(vehayamim)
en de dagen
יְמֵ֖י
(yemei)
dagen van
בִּכּוּרֵ֥י
(bikurei)
eerstelingen van
עֲנָבִֽים
(anavim)
druiven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁמֵנָה (shemenah) is letterlijk ‘vet’ en רָזָה (razah) ‘mager’.
Wij vertalen ‘vruchtbaar’ en ‘schraal’.
בִּכּוּרֵי עֲנָבִים (bikkurei anavim), ‘eerstelingen van de druiven’: de eerste rijpe druiven, ongeveer in juli en augustus.
22Zij trokken omhoog door de Negev en kwamen bij Hebron. Daar waren Achiman, Sjesai en Talmai, de nakomelingen van Anak. Hebron was zeven jaar eerder gebouwd dan Soan in Egypte.
וַיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en zij trokken omhoog
בַנֶּגֶב֮
(banegev)
door de Negev
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en hij kwam
עַד
(ad)
tot
חֶבְרוֹן֒
(chevron)
Hebron
וְשָׁ֤ם
(vesham)
en daar
אֲחִימַן֙
(achiman)
Achiman
שֵׁשַׁ֣י
(sheshay)
Sjesai
וְתַלְמַ֔י
(vetalmay)
en Talmai
יְלִידֵ֖י
(yelidei)
nakomelingen van
הָעֲנָ֑ק
(haanaq)
Anak
וְחֶבְר֗וֹן
(vechevron)
en Hebron
שֶׁ֤בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִים֙
(shanim)
jaren
נִבְנְתָ֔ה
(nivneta)
was gebouwd
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
vóór
צֹ֥עַן
(tsoan)
Soan
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem, in het huidige Hebron (Palestijnse gebieden).
Soan (Tanis) ligt in het noordoosten van de Nijldelta in Egypte.
Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.
Uitleg
עֲנָק (Anak): de ‘zonen van Anak’ heten later de Anakieten (Deut. 9:2; Joz. 15:14).
Hebron heette vroeger Kirjat-Arba (Gen. 23:2).
Lezing
In het Hebreeuws staat het enkelvoud: ‘en hij kwam tot Hebron’.
Wij vertalen ‘kwamen’, omdat het over alle verkenners gaat.
Aanvullend
Jubileeën 13:10–12 bevestigt dat Hebron zeven jaar vóór Tanis werd gebouwd.
23Zij kwamen bij het dal Eskol. Daar sneden zij een rank af met één tros druiven eraan. Met z'n tweeën droegen zij die aan een draagstok. Ook namen zij granaatappels en vijgen mee.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
עַד
(ad)
tot
נַ֣חַל
(nachal)
het dal van
אֶשְׁכֹּ֗ל
(eshkol)
Eskol
וַיִּכְרְת֨וּ
(vayikhretu)
en zij sneden af
מִשָּׁ֤ם
(misham)
vandaar
זְמוֹרָה֙
(zemora)
een rank
וְאֶשְׁכּ֤וֹל
(veeshkol)
en een tros van
עֲנָבִים֙
(anavim)
druiven
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וַיִּשָּׂאֻ֥הוּ
(vayisauhu)
en zij droegen hem
בַמּ֖וֹט
(bamot)
aan een draagstok
בִּשְׁנָ֑יִם
(bishnayim)
met z'n tweeën
וּמִן
(umin)
en van
הָרִמֹּנִ֖ים
(harimonim)
de granaatappels
וּמִן
(umin)
en van
הַתְּאֵנִֽים
(hateenim)
de vijgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De ligging van het dal Eskol (נַחַל אֶשְׁכֹּל, nachal Eshkol) is niet zeker.
Het lag in de buurt van Hebron.
Uitleg
אֶשְׁכּוֹל (eshkol), ‘tros’: het dal heeft zijn naam van de tros druiven (vers 24).
מוֹט (mot), ‘draagstok’: een stok die twee mannen op hun schouders dragen.
26Zij gingen naar Mozes, Aäron en heel de gemeenschap van de zonen van Israël, naar de woestijn Paran, naar Kades. Zij brachten hun en heel de gemeenschap verslag uit en lieten hun de vrucht van het land zien.
וַיֵּלְכ֡וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
וַיָּבֹאוּ֩
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
מֹשֶׁ֨ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽל
(veel)
en naar
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
וְאֶל
(veel)
en naar
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֧ת
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
מִדְבַּ֥ר
(midbar)
de woestijn van
פָּארָ֖ן
(paran)
Paran
קָדֵ֑שָׁה
(qadesha)
naar Kades
וַיָּשִׁ֨יבוּ
(vayashivu)
en zij brachten terug
אוֹתָ֤ם
(otam)
hun
דָּבָר֙
(davar)
bericht
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
וַיַּרְא֖וּם
(vayarum)
en zij lieten hen zien
אֶת
(et)
(obj.)
פְּרִ֥י
(peri)
de vrucht van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van het Sinaïschiereiland, bij de huidige bron Ain Qudeirat, ten zuiden van de Negev (Num. 32:8; 34:4).
Hier ligt Kades in de woestijn Paran; elders ligt het in de woestijn Zin (Num. 20:1; 33:36).
27Zij vertelden hem: „We zijn in het land gekomen waar u ons naartoe gestuurd hebt. Het is ook echt een land dat overvloeit van melk en honing, en dit is zijn vrucht.
וַיְסַפְּרוּ
(vaysaperu)
en zij vertelden
לוֹ֙
(lo)
hem
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeiden
בָּ֕אנוּ
(banu)
wij zijn gekomen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarheen
שְׁלַחְתָּ֑נוּ
(shelachtanu)
u ons zond
וְ֠גַם
(vegam)
en ook
זָבַ֨ת
(zavat)
overvloeiend van
חָלָ֥ב
(chalav)
melk
וּדְבַ֛שׁ
(udevash)
en honing
הִ֖וא
(hi)
het
וְזֶה
(veze)
en dit
פִּרְיָֽהּ
(piryah)
zijn vrucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זָבַת חָלָב וּדְבָשׁ (zavat chalav udvash), ‘overvloeiend van melk en honing’: dezelfde woorden als in Exod. 3:8 en 33:3.
29Amalek woont in het land van de Negev. De Hethieten, de Jebusieten en de Amorieten wonen in het bergland. De Kanaänieten wonen aan de zee en langs de Jordaan.”
עֲמָלֵ֥ק
(amaleq)
Amalek
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
woont
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
הַנֶּ֑גֶב
(hanegev)
de Negev
וְ֠הַֽחִתִּי
(vehachiti)
en de Hethiet
וְהַיְבוּסִ֤י
(vehayvusi)
en de Jebusiet
וְהָֽאֱמֹרִי֙
(vehaemori)
en de Amoriet
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
woont
בָּהָ֔ר
(bahar)
in het bergland
וְהַֽכְּנַעֲנִי֙
(vehakenaani)
en de Kanaäniet
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
woont
עַל
(al)
aan
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
וְעַ֖ל
(veal)
en aan
יַ֥ד
(yad)
de oever van
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
Amalek is het volk dat Israël aanviel in Refidim (Exod. 17:8).
De Hethieten, Jebusieten en Amorieten horen bij de volken van Exod. 3:8.
32Zij verspreidden onder de zonen van Israël een gerucht over het land dat zij verkend hadden. Zij zeiden: „Het land waar wij doorheen zijn getrokken om het te verkennen, is een land dat zijn bewoners opeet. Alle mensen die wij daar gezien hebben, zijn mannen van enorm formaat.
וַיּוֹצִ֜יאוּ
(vayotsiu)
en zij brachten uit
דִּבַּ֤ת
(dibat)
een gerucht over
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תָּר֣וּ
(taru)
zij verkenden
אֹתָ֔הּ
(otah)
het
אֶל
(el)
onder
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הָאָ֡רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
עָבַ֨רְנוּ
(avarnu)
wij doortrokken
בָ֜הּ
(bah)
erin
לָת֣וּר
(latur)
om te verkennen
אֹתָ֗הּ
(otah)
het
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land dat
אֹכֶ֤לֶת
(okhelet)
opeet
יוֹשְׁבֶ֨יהָ֙
(yosheveiha)
zijn bewoners
הִ֔וא
(hi)
het is
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
רָאִ֥ינוּ
(rainu)
wij zagen
בְתוֹכָ֖הּ
(betokhah)
in het midden ervan
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
מִדּֽוֹת
(midot)
maten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דִּבָּה (dibbah), ‘gerucht’: een bericht dat andere mensen tegen het land opzet.
In Num. 14:37 staat erbij dat het ‘kwaad’ (רָעָה, ra’ah) was; hetzelfde woord staat met ‘kwaad’ in Gen. 37:2.
אֹכֶלֶת יוֹשְׁבֶיהָ (ocheleth yoshveha), ‘dat zijn bewoners opeet’: een land waar de bewoners door oorlog of ziekte omkomen. Wat bedoeld wordt, staat er niet bij.
אַנְשֵׁי מִדּוֹת (anshei middot), ‘mannen van maten’: mannen van grote gestalte. Wij vertalen ‘mannen van enorm formaat’.
33Daar hebben we ook de Nefilim gezien, de zonen van Anak, die van de Nefilim afstammen. In onze eigen ogen waren we als sprinkhanen, en zo waren we ook in hun ogen.”
וְשָׁ֣ם
(vesham)
en daar
רָאִ֗ינוּ
(rainu)
wij zagen
אֶת
(et)
(obj.)
הַנְּפִילִ֛ים
(hanefilim)
de Nefilim
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
עֲנָ֖ק
(anaq)
Anak
מִן
(min)
van
הַנְּפִלִ֑ים
(hanefilim)
de Nefilim
וַנְּהִ֤י
(vanehi)
en wij waren
בְעֵינֵ֨ינוּ֙
(beeineinu)
in onze ogen
כַּֽחֲגָבִ֔ים
(kachagavim)
als sprinkhanen
וְכֵ֥ן
(vekhen)
en zo
הָיִ֖ינוּ
(hayinu)
wij waren
בְּעֵינֵיהֶֽם
(beeineihem)
in hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַנְּפִלִים (hannefilim), ‘de Nefilim’: zie Gen. 6:4.
Het Hebreeuws zegt dat de Anakieten ‘van de Nefilim’ zijn.
Wij vertalen ‘die van de Nefilim afstammen’.
Dit is wat de verkenners zeggen; of het ook waar was, laat de tekst open.