Elohim Bijbel

Psalmen 95

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Kom, laten wij ons buigen; verhard jullie hart niet

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Kom, laten wij jubelen

1Kom, laten wij jubelen voor Yahweh. Laten wij juichen voor de rots van onze redding.
לְ֭כוּ
(lekhu)
komt
נְרַנְּנָ֣ה
(neranena)
laten wij jubelen
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
נָ֝רִ֗יעָה
(naria)
laten wij juichen
לְצ֣וּר
(letsur)
voor de rots van
יִשְׁעֵֽנוּ
(yishenu)
onze redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צוּר (tsur), ‘rots’: een beeld voor Yahweh als schuilplaats en steun.

Zie ook Deut. 32:4.

יֶשַׁע (yesha), ‘redding’: bevrijding uit nood.

2Laten wij Hem tegemoet komen met dank. Laten wij met liederen voor Hem juichen.
נְקַדְּמָ֣ה
(neqadema)
laten wij tegemoet komen
פָנָ֣יו
(panav)
Zijn aangezicht
בְּתוֹדָ֑ה
(betoda)
met dank
בִּ֝זְמִר֗וֹת
(bizmirot)
met liederen
נָרִ֥יעַֽ
(naria)
laten wij juichen
לֽוֹ
(lo)
voor Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹדָה (todah), ‘dank’: dank die men uitspreekt en laat horen, ook bij het dankoffer.

זְמִרוֹת (zemirot), ‘liederen’: gezongen lofliederen met muziek.

3Want Yahweh is een grote El, en een grote koning boven alle goden.
כִּ֤י
(ki)
want
אֵ֣ל
(el)
El
גָּד֣וֹל
(gadol)
groot
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּמֶ֥לֶךְ
(umelekh)
en koning
גָּ֝ד֗וֹל
(gadol)
groot
עַל
(al)
boven
כָּל
(kal)
alle
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלֹהִים (Elohim) in ‘alle goden’: de goden van de volken.

Zie ook 96:4–5 en 97:9.

4In Zijn hand zijn de diepten van de aarde, en de toppen van de bergen zijn van Hem.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בְּ֭יָדוֹ
(beyado)
in Zijn hand
מֶחְקְרֵי
(mechqerei)
diepten van
אָ֑רֶץ
(arets)
aarde
וְתוֹעֲפ֖וֹת
(vetoafot)
en toppen van
הָרִ֣ים
(harim)
de bergen
לֽוֹ
(lo)
van Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֶחְקְרֵי (mechqerei), ‘diepten’: een zeldzaam woord; de betekenis is onzeker.

Het kan ook ‘uithoeken’ betekenen.

תּוֹעֲפוֹת (to’afot), ‘toppen’: ook een zeldzaam woord, onzeker. De twee helften samen zeggen dat de aarde van de diepste plaats tot de hoogste top van Yahweh is.

5Van Hem is de zee, want Hij heeft haar gemaakt. Zijn handen hebben het droge land gevormd.
אֲשֶׁר
(asher)
dat
ל֣וֹ
(lo)
van Hem
הַ֭יָּם
(hayam)
de zee
וְה֣וּא
(vehu)
en Hij
עָשָׂ֑הוּ
(asahu)
heeft haar gemaakt
וְ֝יַבֶּ֗שֶׁת
(veyabeshet)
en droge land
יָדָ֥יו
(yadav)
Zijn handen
יָצָֽרוּ
(yatsaru)
hebben gevormd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Kom, laten wij ons buigen

6Kom, laten wij ons buigen en neerknielen. Laten wij knielen voor het aangezicht van Yahweh, onze Maker.
בֹּ֭אוּ
(bou)
komt
נִשְׁתַּחֲוֶ֣ה
(nishtachave)
laten wij ons buigen
וְנִכְרָ֑עָה
(venikhraa)
en laten wij neerknielen
נִ֝בְרְכָ֗ה
(nivrekha)
laten wij knielen
לִֽפְנֵי
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
עֹשֵֽׂנוּ
(osenu)
onze Maker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

נִבְרְכָה (nivrekhah), ‘laten wij knielen’: het woord komt van בֶּרֶךְ (berekh), ‘knie’, en lijkt op het werkwoord ‘zegenen’ (בָּרַךְ, barakh).

Wij kiezen ‘knielen’ vanwege de reeks ‘buigen, neerknielen, knielen’.

7Want Hij is onze Elohim, en wij zijn het volk van Zijn weide en de schapen van Zijn hand. Vandaag, als jullie naar Zijn stem luisteren:
כִּ֘י
(ki)
want
ה֤וּא
(hu)
Hij
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וַאֲנַ֤חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
עַ֣ם
(am)
volk van
מַ֭רְעִיתוֹ
(marito)
Zijn weide
וְצֹ֣אן
(vetson)
en schapen van
יָד֑וֹ
(yado)
Zijn hand
הַ֝יּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
אִֽם
(im)
als
בְּקֹל֥וֹ
(beqolo)
naar Zijn stem
תִשְׁמָֽעוּ
(tishmau)
jullie luisteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Tot en met ‘Zijn hand’ spreekt de dichter over Yahweh.

Het Hebreeuws laat het vers open: ‘Vandaag, als jullie naar Zijn stem luisteren —’.

Wij laten dit in vers 8 doorlopen.

Zie ook Hebr. 3:7–11.

Verhard jullie hart niet

8„Verhard jullie hart niet, zoals bij Meriba, zoals op de dag van Massa in de woestijn,
אַל
(al)
niet
תַּקְשׁ֣וּ
(taqshu)
verhardt
לְ֭בַבְכֶם
(levavkhem)
jullie hart
כִּמְרִיבָ֑ה
(kimriva)
zoals bij Meriba
כְּי֥וֹם
(keyom)
zoals op de dag van
מַ֝סָּ֗ה
(masa)
Massa
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Massa (‘proeven’) en Meriba (‘twist’) zijn de namen die de plaats kreeg waar het volk water eiste bij Refidim (Exod. 17:1–7).

Ook bij Kades is er een Meriba (Num. 20:13).

De ligging is onzeker.

Uitleg

Vanaf dit vers spreekt Yahweh Zelf, in de eerste persoon.

Wij zetten deze woorden rood, tot en met vers 11.

De dichter brengt het volk in herinnering wat Yahweh toen zei.

9waar jullie vaders Mij op de proef stelden. Zij toetsten Mij, hoewel zij Mijn werk hadden gezien.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
נִ֭סּוּנִי
(nisuni)
stelden Mij op de proef
אֲבוֹתֵיכֶ֑ם
(avoteikhem)
jullie vaders
בְּ֝חָנ֗וּנִי
(bechanuni)
toetsten Mij
גַּם
(gam)
ook
רָא֥וּ
(rau)
zagen
פָעֳלִֽי
(paoli)
Mijn werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִסָּה (nissah), ‘op de proef stellen’, en בָּחַן (bachan), ‘toetsen’: het volk eiste bewijs dat Yahweh onder hen was.

Zie Exod. 17:7.

10Veertig jaar lang walgde Ik van die generatie. Ik zei: ‘Het is een volk met een dwalend hart. Zij kennen Mijn wegen niet.’
אַרְבָּ֘עִ֤ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֨ה
(shana)
jaar
אָ֘ק֤וּט
(aqut)
walgde Ik
בְּד֗וֹר
(bedor)
van de generatie
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en Ik zei
עַ֤ם
(am)
volk van
תֹּעֵ֣י
(toei)
dwalend
לֵבָ֣ב
(levav)
hart
הֵ֑ם
(hem)
zij
וְ֝הֵ֗ם
(vehem)
en zij
לֹא
(lo)
niet
יָדְע֥וּ
(yadeu)
kenden
דְרָכָֽי
(derakhay)
Mijn wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָקוּט (aqut), ‘walgen’: een sterke afkeer, een verdriet dat bijna gaat tot walging.

De veertig jaar zijn de tijd in de woestijn (Num. 14:33–34).

11Daarom zwoer Ik in Mijn toorn: ‘Nooit zullen zij in Mijn rust komen.’”
אֲשֶׁר
(asher)
zodat
נִשְׁבַּ֥עְתִּי
(nishbati)
Ik zwoer
בְאַפִּ֑י
(beapi)
in Mijn toorn
אִם
(im)
als
יְ֝בֹא֗וּן
(yevoun)
zij komen
אֶל
(el)
naar
מְנוּחָתִֽי
(menuchati)
Mijn rust
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְנוּחָה (menuchah), ‘rust’: het land waar het volk zou wonen.

Zie Deut. 12:9 en Num. 14:23.

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘als zij komen’. Dat is een eedformule: ‘zij zullen zeker niet komen’.