Elohim Bijbel

Jesaja 29

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Wee Ariël; een verzegelde boekrol; de pottenbakker en de klei

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wee Ariël

1Wee Ariël, Ariël, de stad waar David zijn kamp opsloeg. Voeg jaar bij jaar toe en laat de feesten rondgaan.
ה֚וֹי
(hoy)
wee
אֲרִיאֵ֣ל
(ariel)
Ariël
אֲרִיאֵ֔ל
(ariel)
Ariël
קִרְיַ֖ת
(qiryat)
stad waar
חָנָ֣ה
(chana)
kampeerde
דָוִ֑ד
(david)
David
סְפ֥וּ
(sefu)
voegt toe
שָׁנָ֛ה
(shana)
jaar
עַל
(al)
bij
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
חַגִּ֥ים
(chagim)
feesten
יִנְקֹֽפוּ
(yinqofu)
laat rondgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ariël (Jeruzalem): Ariël is hier een dichterlijke naam voor Jeruzalem, ‘de stad waar David zijn kamp opsloeg’.

Uitleg

אֲרִיאֵל (Ariel), ‘Ariël’: een naam voor Jeruzalem.

De betekenis is onzeker: ‘leeuw van El’ of ‘haard van El’, de offerhaard van het altaar (vergelijk Ezech. 43:15).

Zie ook vers 2.

קִרְיַת חָנָה דָוִד (qiryat chanah David), ‘de stad waar David zijn kamp opsloeg’: Jeruzalem, de stad die David veroverde (2 Sam. 5:7–9).

יִנְקְפוּ (yinqofu), ‘laat rondgaan’: de feesten keren elk jaar terug.

2„Dan zal Ik Ariël benauwen. Er zal rouw en klacht zijn, en zij zal voor Mij zijn als een Ariël.
וַהֲצִיק֖וֹתִי
(vahatsiqoti)
en Ik zal benauwen
לַֽאֲרִיאֵ֑ל
(laariel)
Ariël
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zij zal zijn
תַֽאֲנִיָּה֙
(taaniya)
rouw
וַֽאֲנִיָּ֔ה
(vaaniya)
en klacht
וְהָ֥יְתָה
(vehayeta)
en zij zal zijn
לִּ֖י
(li)
voor Mij
כַּאֲרִיאֵֽל
(kaariel)
als Ariël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ariël (Jeruzalem): Ariël is hier een dichterlijke naam voor Jeruzalem, ‘de stad waar David zijn kamp opsloeg’.

Uitleg

Hier begint Yahweh te spreken.

Het Hebreeuws heeft geen inleiding.

תַאֲנִיָּה וַאֲנִיָּה (ta'aniyyah va'aniyyah), ‘rouw en klacht’: twee verwante woorden die samen klinken als een jammerklacht.

‘Zij zal voor Mij zijn als een Ariël’: de stad wordt een haard waarop gedood wordt en vuur brandt. Dit is de waarschijnlijke betekenis.

3Ik zal als een kring tegen je kamperen, Ik zal je insluiten met wachtposten en Ik zal belegeringswerken tegen je oprichten.
וְחָנִ֥יתִי
(vechaniti)
en Ik zal kamperen
כַדּ֖וּר
(kadur)
als een kring
עָלָ֑יִךְ
(alayikh)
tegen je
וְצַרְתִּ֤י
(vetsarti)
en Ik zal insluiten
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
tegen je
מֻצָּ֔ב
(mutsav)
met wachtposten
וַהֲקִֽימֹתִ֥י
(vahaqimoti)
en Ik zal oprichten
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
tegen je
מְצֻרֹֽת
(metsurot)
belegeringswerken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּדּוּר (khaddur), ‘als een kring’: het kan ook ‘als een bal’ betekenen.

De betekenis is onzeker.

מֻצָּב (mutsav), ‘wachtposten’: een zeldzaam woord. Het kan ook ‘wal’ of ‘schans’ betekenen.

מְצֻרוֹת (metsurot), ‘belegeringswerken’: torens of wallen waarmee een stad wordt belegerd.

4Vernederd zul je uit de aarde spreken, en uit het stof zal je spraak gedempt klinken. Je stem zal uit de aarde komen als die van een geest van doden, en uit het stof zal je spraak fluisteren.
וְשָׁפַלְתְּ֙
(veshafalt)
en je zult vernederd zijn
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit de aarde
תְּדַבֵּ֔רִי
(tedaberi)
zult spreken
וּמֵֽעָפָ֖ר
(umeafar)
en uit het stof
תִּשַּׁ֣ח
(tishach)
zal gedempt klinken
אִמְרָתֵ֑ךְ
(imratekh)
je spraak
וְֽ֠הָיָה
(vehaya)
en zal zijn
כְּא֤וֹב
(keov)
als een geest van doden
מֵאֶ֨רֶץ֙
(meerets)
uit de aarde
קוֹלֵ֔ךְ
(qolekh)
je stem
וּמֵעָפָ֖ר
(umeafar)
en uit het stof
אִמְרָתֵ֥ךְ
(imratekh)
je spraak
תְּצַפְצֵֽף
(tetsaftsef)
zal fluisteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוֹב (ov), ‘geest van doden’: iemand die de doden raadpleegt, of de geest zelf; zie Lev. 19:31.

De stem van Ariël klinkt zacht en hol, alsof ze uit de grond komt.

5De menigte van je vreemden zal zijn als fijn stof, en de menigte van de geweldenaars als kaf dat wegwaait. Het zal gebeuren plotseling, in een oogwenk.”
וְהָיָ֛ה
(vehaya)
en zal zijn
כְּאָבָ֥ק
(keavaq)
als stof
דַּ֖ק
(daq)
fijn
הֲמ֣וֹן
(hamon)
menigte van
זָרָ֑יִךְ
(zarayikh)
je vreemden
וּכְמֹ֤ץ
(ukhemots)
en als kaf
עֹבֵר֙
(over)
dat wegwaait
הֲמ֣וֹן
(hamon)
menigte van
עָֽרִיצִ֔ים
(aritsim)
geweldenaars
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en het zal zijn
לְפֶ֥תַע
(lefeta)
plotseling
פִּתְאֹֽם
(pitom)
in een oogwenk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָרַיִךְ (zarayikh), ‘je vreemden’: vreemde volken die tegen haar optrekken.

In vers 6 spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon.

6Van Yahweh van de legermachten zul je bezocht worden met donder, aardbeving en een groot geluid, met wervelwind en storm en de vlam van een verterend vuur.
מֵעִ֨ם
(meim)
van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
תִּפָּקֵ֔ד
(tipaqed)
zul je bezocht worden
בְּרַ֥עַם
(beraam)
met donder
וּבְרַ֖עַשׁ
(uveraash)
en met aardbeving
וְק֣וֹל
(veqol)
en geluid
גָּד֑וֹל
(gadol)
groot
סוּפָה֙
(sufa)
wervelwind
וּסְעָרָ֔ה
(useara)
en storm
וְלַ֖הַב
(velahav)
en vlam van
אֵ֥שׁ
(esh)
vuur
אוֹכֵלָֽה
(okhela)
verterend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּפָּקֵד (tippaqed), ‘je zult bezocht worden’: פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken’ en ook ‘ter verantwoording roepen’, zoals in Hos. 1:4.

רַעַשׁ (ra'ash), ‘aardbeving’: het kan ook ‘gedreun’ betekenen.

7Als een droom, een nachtelijk visioen, zal de menigte van alle volken zijn die tegen Ariël ten strijde trekken. Het zijn allen die haar en haar vesting bestrijden en haar benauwen.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en zal zijn
כַּֽחֲלוֹם֙
(kachalom)
als een droom
חֲז֣וֹן
(chazon)
visioen van
לַ֔יְלָה
(layla)
de nacht
הֲמוֹן֙
(hamon)
menigte van
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
הַצֹּבְאִ֖ים
(hatsoveim)
die ten strijde trekken
עַל
(al)
tegen
אֲרִיאֵ֑ל
(ariel)
Ariël
וְכָל
(vekhal)
en allen
צֹבֶ֨יהָ֙
(tsoveiha)
die haar bestrijden
וּמְצֹ֣דָתָ֔הּ
(umetsodatah)
en haar vesting
וְהַמְּצִיקִ֖ים
(vehametsiqim)
en die benauwen
לָֽהּ
(lah)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ariël (Jeruzalem): Ariël is hier een dichterlijke naam voor Jeruzalem, ‘de stad waar David zijn kamp opsloeg’.

Uitleg

צֹבֶיהָ (tsoveha), ‘die haar bestrijden’: letterlijk ‘haar strijders’, zij die tegen haar ten strijde trekken.

מְצֹדָתָהּ (metsodatah), ‘haar vesting’.

8Het zal zijn zoals wanneer een hongerige droomt: zie, hij eet! Maar hij wordt wakker en zijn ziel is leeg. En zoals wanneer een dorstige droomt: zie, hij drinkt! Maar hij wordt wakker en zie, hij is moe en zijn ziel smacht. Zo zal de menigte van alle volken zijn die tegen de berg Sion ten strijde trekken.
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
zoals wanneer
יַחֲלֹ֨ם
(yachalom)
droomt
הָרָעֵ֜ב
(haraev)
de hongerige
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
אוֹכֵ֗ל
(okhel)
eet
וְהֵקִיץ֮
(veheqits)
maar hij wordt wakker
וְרֵיקָ֣ה
(vereiqa)
en leeg is
נַפְשׁוֹ֒
(nafsho)
zijn ziel
וְכַאֲשֶׁ֨ר
(vekhaasher)
en zoals wanneer
יַחֲלֹ֤ם
(yachalom)
droomt
הַצָּמֵא֙
(hatsame)
de dorstige
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
שֹׁתֶ֔ה
(shote)
drinkt
וְהֵקִיץ֙
(veheqits)
maar hij wordt wakker
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
עָיֵ֔ף
(ayef)
is moe
וְנַפְשׁ֖וֹ
(venafsho)
en zijn ziel
שׁוֹקֵקָ֑ה
(shoqeqa)
smacht
כֵּ֣ן
(ken)
zo
יִֽהְיֶ֗ה
(yihye)
zal zijn
הֲמוֹן֙
(hamon)
menigte van
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
הַצֹּבְאִ֖ים
(hatsoveim)
die ten strijde trekken
עַל
(al)
tegen
הַ֥ר
(har)
berg
צִיּֽוֹן
(tsiyon)
Sion
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier het levende wezen met zijn honger en dorst.

שׁוֹקֵקָה (shoqeqah), ‘smacht’: sterk verlangen. Zo gaat het ook de volken: hun verlangen blijft onvervuld.

Dronken, maar niet van wijn

9Blijf talmen en wees verbaasd. Verblind jezelf en word blind. Zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterke drank.
הִתְמַהְמְה֣וּ
(hitmahmehu)
talmt
וּתְמָ֔הוּ
(utemahu)
en weest verbaasd
הִשְׁתַּֽעַשְׁע֖וּ
(hishtaashu)
verblindt uzelf
וָשֹׁ֑עוּ
(vashou)
en wordt blind
שָֽׁכְר֣וּ
(shakheru)
zij zijn dronken
וְלֹא
(velo)
maar niet
יַ֔יִן
(yayin)
van wijn
נָע֖וּ
(nau)
zij waggelen
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
שֵׁכָֽר
(shekhar)
van sterke drank
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִשְׁתַּעַשְׁעוּ וָשֹׁעוּ (hishta'ashe'u vasho'u): de betekenis is onzeker.

Wij vertalen ‘verblind jezelf en word blind’.

Het kan ook ‘vermaak jezelf en wees verblind’ betekenen.

10Want Yahweh heeft over jullie een geest van diepe slaap uitgegoten. Hij heeft jullie ogen gesloten, de profeten, en jullie hoofden, de visioenzieners, heeft Hij bedekt.
כִּֽי
(ki)
want
נָסַ֨ךְ
(nasakh)
heeft uitgegoten
עֲלֵיכֶ֤ם
(aleikhem)
over jullie
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
תַּרְדֵּמָ֔ה
(tardema)
diepe slaap
וַיְעַצֵּ֖ם
(vayatsem)
en Hij heeft gesloten
אֶת
(et)
(obj.)
עֵֽינֵיכֶ֑ם
(eineikhem)
jullie ogen
אֶת
(et)
(obj.)
הַנְּבִיאִ֛ים
(haneviim)
de profeten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רָאשֵׁיכֶ֥ם
(rasheikhem)
jullie hoofden
הַחֹזִ֖ים
(hachozim)
de visioenzieners
כִּסָּֽה
(kisa)
heeft Hij bedekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ תַּרְדֵּמָה (ruach tardemah), ‘geest van diepe slaap’: dezelfde diepe slaap als in Gen. 2:21.

Zie ook Rom. 11:8.

‘De profeten’ en ‘de visioenzieners’ verklaren wie met ‘jullie ogen’ en ‘jullie hoofden’ bedoeld wordt.

חֹזֶה (chozeh), ‘visioenziener’: iemand die visioenen ziet. Het is een ander woord dan רֹאֶה (ro'eh), ‘ziener’.

11Het hele visioen is voor jullie geworden als de woorden van een verzegelde boekrol. Men geeft die aan iemand die kan lezen en zegt: „Lees dit toch.” Dan zegt hij: „Ik kan het niet, want hij is verzegeld.”
וַתְּהִ֨י
(vatehi)
en is geworden
לָכֶ֜ם
(lakhem)
voor jullie
חָז֣וּת
(chazut)
visioen van
הַכֹּ֗ל
(hakol)
het geheel
כְּדִבְרֵי֮
(kedivrei)
als woorden van
הַסֵּ֣פֶר
(hasefer)
de boekrol
הֶֽחָתוּם֒
(hechatum)
de verzegelde
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
יִתְּנ֣וּ
(yitenu)
men geeft
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
aan
יוֹדֵ֥עַ
(yodea)
iemand die kent
סֵ֛פֶר
(sefer)
boekrol
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggend
קְרָ֣א
(qera)
lees
נָא
(na)
toch
זֶ֑ה
(ze)
dit
וְאָמַר֙
(veamar)
en hij zegt
לֹ֣א
(lo)
niet
אוּכַ֔ל
(ukhal)
kan ik
כִּ֥י
(ki)
want
חָת֖וּם
(chatum)
verzegeld
הֽוּא
(hu)
is hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָזוּת הַכֹּל (chazut hakol), ‘het visioen van het geheel’: het hele visioen, alles wat de profeet ziet.

סֵפֶר (sefer), ‘boekrol’: een geschrift in de vorm van een rol. יוֹדֵעַ סֵפֶר (yode'a sefer) is letterlijk ‘iemand die een boekrol kent’: iemand die kan lezen.

Lezing

In de geschreven tekst staat hier הַסֵּפֶר (hasefer), ‘de boekrol’, met lidwoord.

De lezing (qere) is סֵפֶר (sefer), zonder lidwoord.

Wij volgen de lezing.

12Of men geeft de boekrol aan iemand die niet kan lezen en zegt: „Lees dit toch.” Dan zegt hij: „Ik kan niet lezen.”
וְנִתַּ֣ן
(venitan)
en wordt gegeven
הַסֵּ֗פֶר
(hasefer)
de boekrol
עַל֩
(al)
aan
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wie
לֹֽא
(lo)
niet
יָדַ֥ע
(yada)
kent
סֵ֛פֶר
(sefer)
boekrol
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggend
קְרָ֣א
(qera)
lees
נָא
(na)
toch
זֶ֑ה
(ze)
dit
וְאָמַ֕ר
(veamar)
en hij zegt
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדַ֖עְתִּי
(yadati)
ken ik
סֵֽפֶר
(sefer)
boekrol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא יָדַעְתִּי סֵפֶר (lo yadati sefer), ‘ik kan niet lezen’: letterlijk ‘ik ken geen boekrol’.

Met de mond, niet met het hart

13De Heer zei: „Omdat dit volk Mij met zijn mond nadert en Mij met zijn lippen eert, terwijl zijn hart ver van Mij is, en hun ontzag voor Mij een aangeleerd gebod van mensen is geworden,
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲדֹנָ֗י
(adonay)
de Heer
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
כִּ֤י
(ki)
dat
נִגַּשׁ֙
(nigash)
nadert
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
בְּפִ֤יו
(befiv)
met zijn mond
וּבִשְׂפָתָיו֙
(uvisfatav)
en met zijn lippen
כִּבְּד֔וּנִי
(kibeduni)
eren zij Mij
וְלִבּ֖וֹ
(velibo)
en zijn hart
רִחַ֣ק
(richaq)
is ver
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
van Mij
וַתְּהִ֤י
(vatehi)
en is geworden
יִרְאָתָם֙
(yiratam)
hun ontzag
אֹתִ֔י
(oti)
voor Mij
מִצְוַ֥ת
(mitsvat)
gebod van
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
mensen
מְלֻמָּדָֽה
(melumada)
aangeleerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’.

Hier begint Yahweh opnieuw te spreken.

מִצְוַת אֲנָשִׁים מְלֻמָּדָה (mitsvat anashim melummadah), ‘een aangeleerd gebod van mensen’: hun ontzag is een aangeleerde gewoonte, geen gebod van Yahweh zelf. Zie ook Matt. 15:8–9 en Mark. 7:6–7.

14daarom, zie, Ik zal verder wonderlijk handelen met dit volk, wonder op wonder. De wijsheid van zijn wijzen zal vergaan en het inzicht van zijn verstandigen zal zich verbergen.”
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Ik
יוֹסִ֛ף
(yosif)
zal voortgaan
לְהַפְלִ֥יא
(lehafli)
wonderlijk te handelen
אֶת
(et)
met
הָֽעָם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
הַפְלֵ֣א
(hafle)
wonder
וָפֶ֑לֶא
(vafele)
en wonder
וְאָֽבְדָה֙
(veaveda)
en zal vergaan
חָכְמַ֣ת
(chakhemat)
wijsheid van
חֲכָמָ֔יו
(chakhamav)
zijn wijzen
וּבִינַ֥ת
(uvinat)
en inzicht van
נְבֹנָ֖יו
(nevonav)
zijn verstandigen
תִּסְתַּתָּֽר
(tistatar)
zal zich verbergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַפְלֵא וָפֶלֶא (hafle vafele), ‘wonder op wonder’: letterlijk ‘wonderlijk handelen, en een wonder’.

Zie ook 1 Kor. 1:19.

Hier eindigen de woorden van Yahweh.

Wee hen die zich voor Yahweh verbergen

15Wee hen die diep gaan om hun raad voor Yahweh te verbergen. Hun daden zijn in het duister, en zij zeggen: „Wie ziet ons? En wie kent ons?”
ה֛וֹי
(hoy)
wee
הַמַּעֲמִיקִ֥ים
(hamaamiqim)
die diep maken
מֵֽיהוָ֖ה
(meYahweh)
voor Yahweh
לַסְתִּ֣ר
(lastir)
om te verbergen
עֵצָ֑ה
(etsa)
raad
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zijn
בְמַחְשָׁךְ֙
(bemachshakh)
in duisternis
מַֽעֲשֵׂיהֶ֔ם
(maaseihem)
hun daden
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeggen
מִ֥י
(mi)
wie
רֹאֵ֖נוּ
(roenu)
ziet ons
וּמִ֥י
(umi)
en wie
יוֹדְעֵֽנוּ
(yodeenu)
kent ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמַּעֲמִיקִים (hamma'amiqim), ‘die diep gaan’: letterlijk ‘die diep maken’.

Zij gaan diep en ver weg om niet gezien te worden.

עֵצָה (etsah), ‘raad’: zo heet het plan van mensen. Bij Yahweh heet het ‘besluit’, zoals in 28:29.

16Wat een verdraaiing van jullie! Wordt de pottenbakker soms als klei gerekend? Zou het werk van zijn maker zeggen: „Hij heeft mij niet gemaakt”? Zou het gevormde van zijn pottenbakker zeggen: „Hij begrijpt het niet”?
הַ֨פְכְּכֶ֔ם
(hafkekhem)
jullie verdraaiing
אִם
(im)
of
כְּחֹ֥מֶר
(kechomer)
als klei
הַיֹּצֵ֖ר
(hayotser)
de pottenbakker
יֵֽחָשֵׁ֑ב
(yechashev)
wordt gerekend
כִּֽי
(ki)
dat
יֹאמַ֨ר
(yomar)
zou zeggen
מַעֲשֶׂ֤ה
(maase)
werk
לְעֹשֵׂ֨הוּ֙
(leosehu)
van zijn maker
לֹ֣א
(lo)
niet
עָשָׂ֔נִי
(asani)
heeft hij mij gemaakt
וְיֵ֛צֶר
(veyetser)
en gevormde
אָמַ֥ר
(amar)
zou zeggen
לְיוֹצְר֖וֹ
(leyotsero)
van zijn pottenbakker
לֹ֥א
(lo)
niet
הֵבִֽין
(hevin)
begrijpt hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַפְכְּכֶם (hafkekhem), ‘jullie verdraaiing’: jullie draaien alles om.

יוֹצֵר (yotser), ‘pottenbakker’, en יֵצֶר (yetser), ‘het gevormde’: beide woorden komen van hetzelfde werkwoord, ‘vormen’. Zie ook Jes. 45:9; Rom. 9:20.

De wending

17Duurt het niet nog maar heel kort, en dan verandert de Libanon in een boomgaard, en wordt de boomgaard als een woud gerekend?
הֲלוֹא
(halo)
is niet
עוֹד֙
(od)
nog
מְעַ֣ט
(meat)
weinig
מִזְעָ֔ר
(mizar)
klein
וְשָׁ֥ב
(veshav)
en zal veranderen
לְבָנ֖וֹן
(levanon)
Libanon
לַכַּרְמֶ֑ל
(lakarmel)
in boomgaard
וְהַכַּרְמֶ֖ל
(vehakarmel)
en de boomgaard
לַיַּ֥עַר
(layaar)
tot woud
יֵחָשֵֽׁב
(yechashev)
zal worden gerekend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּרְמֶל (karmel), ‘boomgaard’: vruchtbaar land met fruitbomen.

Het is ook de naam van een berg; hier gaat het om het gewone woord.

Wat woest was, wordt vruchtbaar, en wat vruchtbaar was, wordt als een woud.

18Op die dag zullen de doven de woorden van de boekrol horen, en de ogen van de blinden zullen uit donker en duisternis zien.
וְשָׁמְע֧וּ
(veshameu)
en zullen horen
בַיּוֹם
(bayom)
op de dag
הַה֛וּא
(hahu)
die
הַחֵרְשִׁ֖ים
(hachereshim)
de doven
דִּבְרֵי
(divrei)
woorden van
סֵ֑פֶר
(sefer)
boekrol
וּמֵאֹ֣פֶל
(umeofel)
en uit donker
וּמֵחֹ֔שֶׁךְ
(umechoshekh)
en uit duisternis
עֵינֵ֥י
(einei)
ogen van
עִוְרִ֖ים
(ivrim)
blinden
תִּרְאֶֽינָה
(tireina)
zullen zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De woorden van de boekrol’ zijn de woorden uit de verzegelde rol van vers 11 en 12.

19De nederigen zullen opnieuw vreugde hebben in Yahweh, en de armen onder de mensen zullen jubelen in de Heilige van Israël.
וְיָסְפ֧וּ
(veyasefu)
en zullen opnieuw hebben
עֲנָוִ֛ים
(anavim)
nederigen
בַּֽיהוָ֖ה
(baYahweh)
in Yahweh
שִׂמְחָ֑ה
(simcha)
vreugde
וְאֶבְיוֹנֵ֣י
(veevyonei)
en armen van
אָדָ֔ם
(adam)
mensen
בִּקְד֥וֹשׁ
(biqdosh)
in de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
יָגִֽילוּ
(yagilu)
zullen jubelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲנָוִים (anavim), ‘nederigen’: wie zich klein maakt voor Yahweh.

אֶבְיוֹנֵי אָדָם (evyonei adam), ‘de armen onder de mensen’: de armsten. Het woord staat ook in Amos 5:12.

20Want de geweldenaar is verdwenen, de spotter is vergaan, en allen die op de loer liggen voor onheil, zijn uitgeroeid.
כִּֽי
(ki)
want
אָפֵ֥ס
(afes)
is verdwenen
עָרִ֖יץ
(arits)
de geweldenaar
וְכָ֣לָה
(vekhala)
en is vergaan
לֵ֑ץ
(lets)
de spotter
וְנִכְרְת֖וּ
(venikhretu)
en zijn uitgeroeid
כָּל
(kal)
allen
שֹׁ֥קְדֵי
(shoqedei)
die waken voor
אָֽוֶן
(aven)
onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁקְדֵי אָוֶן (shoqedei aven), ‘die op de loer liggen voor onheil’: letterlijk ‘die waken voor onheil’.

21Zij verklaren een mens schuldig om een woord, leggen een strik voor wie in de poort terechtwijst en duwen de rechtvaardige met leegheid opzij.
מַחֲטִיאֵ֤י
(machatiei)
die schuldig verklaren
אָדָם֙
(adam)
mens
בְּדָבָ֔ר
(bedavar)
om een woord
וְלַמּוֹכִ֥יחַ
(velamokhiach)
en voor wie terechtwijst
בַּשַּׁ֖עַר
(bashaar)
in de poort
יְקֹשׁ֑וּן
(yeqoshun)
leggen een strik
וַיַּטּ֥וּ
(vayatu)
en duwen opzij
בַתֹּ֖הוּ
(batohu)
met leegheid
צַדִּֽיק
(tsadiq)
rechtvaardige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers gaat verder over de geweldenaar en de spotter van vers 20.

תֹּהוּ (tohu), ‘leegheid’: een leeg, nietig argument.

‘De poort’ is de plaats van het recht; zie ook Amos 5:10 en 5:12.

Jakob zal niet meer beschaamd worden

22Daarom, zo zegt Yahweh tot het huis van Jakob, Hij die Abraham heeft vrijgekocht: „Jakob zal nu niet meer beschaamd worden. Zijn gezicht zal nu niet meer bleek worden.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
פָּדָ֖ה
(pada)
heeft vrijgekocht
אֶת
(et)
(obj.)
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
לֹֽא
(lo)
niet
עַתָּ֤ה
(ata)
nu
יֵבוֹשׁ֙
(yevosh)
zal beschaamd worden
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
פָּנָ֥יו
(panav)
zijn gezicht
יֶחֱוָֽרוּ
(yechevaru)
zal bleek worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’: zoals iemand uit slavernij wordt vrijgekocht; zie Hos. 13:14.

Het Hebreeuws zegt niet wanneer Yahweh Abraham vrijkocht.

Hier begint Yahweh opnieuw te spreken.

23Want wanneer hij zijn kinderen ziet, het werk van Mijn handen, in zijn midden, zullen zij Mijn naam heiligen. Zij zullen de Heilige van Jakob heiligen en ontzag hebben voor de Elohim van Israël.
כִּ֣י
(ki)
want
בִ֠רְאֹתוֹ
(biroto)
wanneer hij ziet
יְלָדָ֞יו
(yeladav)
zijn kinderen
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
יָדַ֛י
(yaday)
Mijn handen
בְּקִרְבּ֖וֹ
(beqirbo)
in zijn midden
יַקְדִּ֣ישֽׁוּ
(yaqdishu)
zullen heiligen
שְׁמִ֑י
(shemi)
Mijn naam
וְהִקְדִּ֨ישׁוּ֙
(vehiqdishu)
en zij zullen heiligen
אֶת
(et)
(obj.)
קְד֣וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
יַעֲרִֽיצוּ
(yaaritsu)
zullen zij ontzag hebben
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Het werk van Mijn handen’: de kinderen van Jakob, het volk.

‘De Heilige van Jakob’ en ‘de Elohim van Israël’ staan in de woorden van Yahweh Zelf.

יַעֲרִיצוּ (ya'aritsu), ‘zij zullen ontzag hebben’: het werkwoord betekent ook ‘beven voor’.

24Wie in geest dwalen, zullen inzicht leren kennen, en wie morren, zullen lering aannemen.”
וְיָדְע֥וּ
(veyadeu)
en zullen kennen
תֹֽעֵי
(toei)
die dwalen van
ר֖וּחַ
(ruach)
geest
בִּינָ֑ה
(bina)
inzicht
וְרוֹגְנִ֖ים
(verogenim)
en zij die morren
יִלְמְדוּ
(yilmedu)
zullen leren
לֶֽקַח
(leqach)
lering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוֹגְנִים (rogenim), ‘wie morren’: wie klaagt en mokt.

Hier eindigen de woorden van Yahweh.