Elohim Bijbel

Psalmen 32

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Gelukkig wie vergeven is

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Gelukkig wie vergeven is

1Van David. Een maskil. Gelukkig is hij wiens overtreding is vergeven, wiens zonde is bedekt.
לְדָוִ֗ד
(ledavid)
van David
מַ֫שְׂכִּ֥יל
(maskil)
een maskil
אַשְׁרֵ֥י
(ashrei)
gelukkig
נְֽשׂוּי
(nesuy)
vergeven
פֶּ֗שַׁע
(pesha)
overtreding
כְּס֣וּי
(kesuy)
bedekt
חֲטָאָֽה
(chataa)
zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַשְׂכִּיל (maskil): een woord bij psalmtitels.

De betekenis is onzeker.

Het kan ‘onderwijzend lied’ of ‘lied met inzicht’ betekenen.

Wij laten ‘maskil’ staan.

נְשׂוּי־פֶשַׁע (nesui fesha), ‘vergeven overtreding’: letterlijk ‘weggedragen’ (נָשָׂא, nasa, ‘dragen’). Wie vergeeft, draagt de schuld weg. Wij vertalen hier ‘vergeven’, zoals in vers 5.

פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’, חַטָּאָה (chatta’ah), ‘zonde’ en עָוֺן (avon), ‘schuld’: drie woorden voor wat de mens verkeerd doet. Wij houden ze elk bij één vaste weergave, zoals in Lev. 16:21. Rom. 4:7–8 haalt deze verzen aan.

2Gelukkig is de mens aan wie Yahweh geen schuld toerekent en in wiens geest geen bedrog is.
אַ֥שְֽׁרֵי
(ashrei)
gelukkig
אָדָ֗ם
(adam)
mens
לֹ֤א
(lo)
niet
יַחְשֹׁ֬ב
(yachshov)
rekent toe
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
ל֣וֹ
(lo)
aan hem
עָוֺ֑ן
(avon)
schuld
וְאֵ֖ין
(veein)
en niet is
בְּרוּח֣וֹ
(berucho)
in zijn geest
רְמִיָּה
(remiya)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Zwijgen en belijden

3Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg, terwijl ik de hele dag brulde.
כִּֽי
(ki)
toen
הֶ֭חֱרַשְׁתִּי
(hecherashti)
ik zweeg
בָּל֣וּ
(balu)
teerden weg
עֲצָמָ֑י
(atsamay)
mijn beenderen
בְּ֝שַׁאֲגָתִ֗י
(beshaagati)
door mijn brullen
כָּל
(kal)
de hele
הַיּֽוֹם
(hayom)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Want dag en nacht lag Uw hand zwaar op mij. Mijn levenssap werd veranderd in zomerse droogte. Sela.
כִּ֤י
(ki)
want
יוֹמָ֣ם
(yomam)
dag
וָלַיְלָה֮
(valayla)
en nacht
תִּכְבַּ֥ד
(tikhbad)
lag zwaar
עָלַ֗י
(alay)
op mij
יָ֫דֶ֥ךָ
(yadekha)
Uw hand
נֶהְפַּ֥ךְ
(nehpakh)
werd veranderd
לְשַׁדִּ֑י
(leshadi)
mijn levenssap
בְּחַרְבֹ֖נֵי
(becharvonei)
in de droogte van
קַ֣יִץ
(qayits)
zomer
סֶֽלָה
(sela)
Sela
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֶלָה (sela): een woord in de psalmen waarvan de betekenis onzeker is, waarschijnlijk een muzikaal teken of een pauze.

Wij laten ‘Sela’ staan.

לְשַׁדִּי (leshadi), ‘mijn levenssap’: het vocht van het leven. Het woord is zeldzaam; het kan ook ‘mijn vet’ of ‘mijn kracht’ betekenen.

5Mijn zonde maakte ik aan U bekend en mijn schuld heb ik niet bedekt. Ik zei: „Ik zal mijn overtredingen aan Yahweh belijden.” En U hebt de schuld van mijn zonde vergeven. Sela.
חַטָּאתִ֨י
(chatati)
mijn zonde
אוֹדִ֪יעֲךָ֡
(odiakha)
maakte ik bekend aan U
וַעֲוֺ֘נִ֤י
(vaavoni)
en mijn schuld
לֹֽא
(lo)
niet
כִסִּ֗יתִי
(kisiti)
heb ik bedekt
אָמַ֗רְתִּי
(amarti)
ik zei
אוֹדֶ֤ה
(ode)
ik zal belijden
עֲלֵ֣י
(alei)
over mij
פְ֭שָׁעַי
(peshaay)
mijn overtredingen
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְאַתָּ֨ה
(veata)
en U
נָ֘שָׂ֤אתָ
(nasata)
hebt vergeven
עֲוֺ֖ן
(avon)
de schuld van
חַטָּאתִ֣י
(chatati)
mijn zonde
סֶֽלָה
(sela)
Sela
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוֹדֶה (odeh), ‘ik zal belijden’: van het werkwoord ידה (yadah).

Het betekent ‘danken’ en ook ‘belijden’.

Hier gaat het om belijden van schuld.

6Daarom bidt iedere getrouwe tot U in een tijd waarin U te vinden bent. Zeker, de overstroming van grote wateren zal hem niet bereiken.
עַל
(al)
daarom
זֹ֡את
(zot)
dit
יִתְפַּלֵּ֬ל
(yitpalel)
bidt
כָּל
(kal)
iedere
חָסִ֨יד
(chasid)
getrouwe
אֵלֶיךָ֮
(eleikha)
tot U
לְעֵ֪ת
(leet)
in een tijd
מְ֫צֹ֥א
(metso)
te vinden
רַ֗ק
(raq)
zeker
לְ֭שֵׁטֶף
(leshetef)
de overstroming van
מַ֣יִם
(mayim)
wateren
רַבִּ֑ים
(rabim)
grote
אֵ֝לָ֗יו
(elav)
tot hem
לֹ֣א
(lo)
niet
יַגִּֽיעוּ
(yagiu)
zal bereiken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

לְעֵת מְצֹא (le’et metso), ‘in een tijd van vinden’: de woorden zijn moeilijk.

Wij lezen ‘in een tijd waarin U te vinden bent’.

Een andere lezing is ‘in de tijd dat men schuld vindt’.

Wij laten het open.

7U bent een schuilplaats voor mij. U bewaart mij voor benauwdheid. U omringt mij met jubel om ontkoming. Sela.
אַתָּ֤ה
(ata)
U
סֵ֥תֶר
(seter)
schuilplaats
לִי֮
(li)
voor mij
מִצַּ֪ר
(mitsar)
voor benauwdheid
תִּ֫צְּרֵ֥נִי
(titsereni)
bewaart U mij
רָנֵּ֥י
(ranei)
jubel van
פַלֵּ֑ט
(palet)
ontkoming
תְּס֖וֹבְבֵ֣נִי
(tesoveveni)
omringt U mij
סֶֽלָה
(sela)
Sela
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een raad en een waarschuwing

8Ik zal je inzicht geven en je onderwijzen in de weg die je moet gaan. Ik zal je raad geven, mijn oog is op je.
אַשְׂכִּֽילְךָ֨
(askilekha)
ik zal je inzicht geven
וְֽאוֹרְךָ֗
(veorekha)
en onderwijzen
בְּדֶֽרֶךְ
(bederekh)
in de weg
ז֥וּ
(zu)
deze
תֵלֵ֑ךְ
(telekh)
die je gaat
אִֽיעֲצָ֖ה
(iatsa)
ik zal raad geven
עָלֶ֣יךָ
(aleikha)
op jou
עֵינִֽי
(eini)
mijn oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt niet wie spreekt in de verzen 8 en 9.

Het kan Yahweh zijn, die de dichter antwoordt, maar ook de dichter zelf, die anderen onderwijst.

Wij laten de tekst zwart staan en schrijven geen hoofdletters.

9Wees niet als een paard, als een muildier zonder verstand. Met bit en toom, zijn tuig, moet men het bedwingen. Anders komt het niet bij je.
אַל
(al)
niet
תִּֽהְי֤וּ
(tihyu)
wees
כְּס֥וּס
(kesus)
als een paard
כְּפֶרֶד֮
(kefered)
als een muildier
אֵ֤ין
(ein)
zonder
הָ֫בִ֥ין
(havin)
verstand
בְּמֶֽתֶג
(bemeteg)
met bit
וָרֶ֣סֶן
(varesen)
en toom
עֶדְי֣וֹ
(edyo)
zijn tuig
לִבְל֑וֹם
(livlom)
om te bedwingen
בַּ֝֗ל
(bal)
anders
קְרֹ֣ב
(qerov)
nadert
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
naar je toe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

בַּל קְרֹב אֵלֶיךָ (bal qarov elecha) is moeilijk: ‘anders komt het niet bij je’.

Het woord עֶדְיוֹ (edyo) kan ‘zijn tuig’ of ‘zijn bek’ betekenen.

Wij vertalen ‘tuig’.

10Veel pijnen heeft de goddeloze, maar wie op Yahweh vertrouwt, hem omringt trouw.
רַבִּ֥ים
(rabim)
velen
מַכְאוֹבִ֗ים
(makhovim)
pijnen
לָרָ֫שָׁ֥ע
(larasha)
voor de goddeloze
וְהַבּוֹטֵ֥חַ
(vehaboteach)
maar wie vertrouwt
בַּיהוָ֑ה
(baYahweh)
op Yahweh
חֶ֝֗סֶד
(chesed)
trouw
יְסוֹבְבֶֽנּוּ
(yesovevenu)
omringt hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Wees blij in Yahweh en verheug u, rechtvaardigen. Jubel, jullie allen die oprecht van hart zijn.
שִׂמְח֬וּ
(simchu)
wees blij
בַֽיהוָ֣ה
(baYahweh)
in Yahweh
וְ֭גִילוּ
(vegilu)
en verheug u
צַדִּיקִ֑ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
וְ֝הַרְנִ֗ינוּ
(veharninu)
en jubel
כָּל
(kal)
allen
יִשְׁרֵי
(yishrei)
oprechten van
לֵֽב
(lev)
hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)