Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Gelukkig wie vergeven is
1Van David. Een maskil. Gelukkig is hij wiens overtreding is vergeven, wiens zonde is bedekt.
לְדָוִ֗ד
(ledavid)
van David
מַ֫שְׂכִּ֥יל
(maskil)
een maskil
אַשְׁרֵ֥י
(ashrei)
gelukkig
נְֽשׂוּי
(nesuy)
vergeven
פֶּ֗שַׁע
(pesha)
overtreding
כְּס֣וּי
(kesuy)
bedekt
חֲטָאָֽה
(chataa)
zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַשְׂכִּיל (maskil): een woord bij psalmtitels.
De betekenis is onzeker.
Het kan ‘onderwijzend lied’ of ‘lied met inzicht’ betekenen.
Wij laten ‘maskil’ staan.
נְשׂוּי־פֶשַׁע (nesui fesha), ‘vergeven overtreding’: letterlijk ‘weggedragen’ (נָשָׂא, nasa, ‘dragen’). Wie vergeeft, draagt de schuld weg. Wij vertalen hier ‘vergeven’, zoals in vers 5.
פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’, חַטָּאָה (chatta’ah), ‘zonde’ en עָוֺן (avon), ‘schuld’: drie woorden voor wat de mens verkeerd doet. Wij houden ze elk bij één vaste weergave, zoals in Lev. 16:21. Rom. 4:7–8 haalt deze verzen aan.
5Mijn zonde maakte ik aan U bekend en mijn schuld heb ik niet bedekt. Ik zei: „Ik zal mijn overtredingen aan Yahweh belijden.” En U hebt de schuld van mijn zonde vergeven. Sela.
חַטָּאתִ֨י
(chatati)
mijn zonde
אוֹדִ֪יעֲךָ֡
(odiakha)
maakte ik bekend aan U
וַעֲוֺ֘נִ֤י
(vaavoni)
en mijn schuld
לֹֽא
(lo)
niet
כִסִּ֗יתִי
(kisiti)
heb ik bedekt
אָמַ֗רְתִּי
(amarti)
ik zei
אוֹדֶ֤ה
(ode)
ik zal belijden
עֲלֵ֣י
(alei)
over mij
פְ֭שָׁעַי
(peshaay)
mijn overtredingen
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְאַתָּ֨ה
(veata)
en U
נָ֘שָׂ֤אתָ
(nasata)
hebt vergeven
עֲוֺ֖ן
(avon)
de schuld van
חַטָּאתִ֣י
(chatati)
mijn zonde
סֶֽלָה
(sela)
Sela
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אוֹדֶה (odeh), ‘ik zal belijden’: van het werkwoord ידה (yadah).