Hebreeën 3
De Messias trouw als Zoon over Zijn huis; Verhard jullie harten niet
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yeshua, trouw zoals Mozes, en meer dan Mozes
Dit is de eerste keer dat de brief de lezers aanspreekt. ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: zie bij 2:11. ἅγιοι (hagioi), ‘heilige’: de toegewijden, het volk dat voor Elohim apart staat. κλῆσις (klesis), ‘roeping’; ἐπουράνιος (epouranios), ‘hemels’. μέτοχοι (metochoi), ‘deelhebbers’: wie deel heeft aan iets; zo ook in 3:14 en 6:4. κατανοέω (katanoeo), ‘goed letten op, aandachtig beschouwen’. ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: letterlijk ‘gezondene’; Yeshua wordt alleen hier zo genoemd. ὁμολογία (homologia), ‘belijdenis’: wat wij openlijk erkennen; zo ook 4:14.
De zin loopt door in vers 2.
De SBLGNT markeert bij ‘Yeshua’ (Ἰησοῦν) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ποιέω (poieo), ‘maken’: het kan ook ‘aanstellen’ betekenen; het Grieks zegt niet in welke zin.
‘Zijn huis’ is het huis van Elohim, zoals in Num. 12:7: ‘in heel Mijn huis is hij betrouwbaar’.
Daar spreekt Yahweh over Mozes.
Zie ook Num. 12:7.
De SBLGNT markeert bij ‘in’ (ἐν) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἀξιόω (axioo), ‘waardig achten’. κατασκευάζω (kataskeuazo), ‘bouwen, inrichten’. οἶκος (oikos), ‘huis’: ook ‘huisgezin, volk’; zo ook in de verzen 5–6.
De vergelijking is: wie het huis bouwt, heeft meer eer dan het huis.
De SBLGNT markeert bij ‘Hij … heerlijkheid’ (οὗτος δόξης) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Het vers zet ‘iemand’ tegenover ‘Elohim’: elk huis heeft een bouwer, en de bouwer van alles is Elohim.
De SBLGNT markeert bij ‘maar’ (δέ) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
θεράπων (therapon), ‘dienaar’: een persoonlijke dienaar; het is niet hetzelfde Griekse woord als δοῦλος (‘knecht’) of διάκονος (‘dienaar’).
In Num. 12:7 staat ‘Mijn dienaar Mozes’. μαρτύριον (martyrion), ‘getuigenis’: Mozes’ dienst wees vooruit op wat nog gesproken zou worden.
De zin loopt door in vers 6.
Zie ook Num. 12:7.
Het Grieks heeft hier geen werkwoord; ‘was trouw’ uit vers 5 loopt door. ἐπί (epi) met de vierde naamval: ‘over’.
‘Zijn huis’: het Grieks (αὐτοῦ) zegt niet of dit het huis van Elohim is, zoals in vers 2 en 5, of het huis van de Zoon zelf; wij laten dat open. ὃς οἶκός ἐσμεν ἡμεῖς (hos oikos esmen hemeis), letterlijk ‘wiens huis zijn wij’. καύχημα (kauchema), ‘roem’: waarop wij ons beroemen. παρρησία (parresia), ‘vrijmoedigheid’.
De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ‘wiens’ (ὅς), ‘als’ (ἐάν) en ‘hoop’ (ἐλπίδος).
Wij volgen de SBLGNT.
Vandaag, als jullie Zijn stem horen
Vanaf hier haalt Hebreeën Ps. 95:7–11 aan (Hebreeuwse telling, ook in Nederlandse bijbels 95:7–11) en zegt dat de Heilige Geest spreekt.
Ons Hebreeuws heeft ‘Vandaag, als jullie naar Zijn stem luisteren’; het gaat in de psalm door met de woorden van Yahweh.
Het ‘Vandaag’ keert terug in 3:13, 3:15 en 4:7.
Zie ook Ps. 95:7–11.
σκληρύνω (skleryno), ‘verharden’.
Het Hebreeuws van de psalm heeft twee plaatsnamen: Meriba (מְרִיבָה, meriva), ‘twist’, en Massa (מַסָּה, massa), ‘proeven, beproeving’.
Hebreeën vertaalt ze met παραπικρασμός (parapikrasmos), ‘verbittering’, en πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’.
Vanaf hier spreekt Yahweh Zelf in de eerste persoon; zoals in Ps. 95:8–11 staan deze woorden rood.
Zie ook Exod. 17:7; Num. 20:13.
Het Grieks heeft bij ‘op de proef stelden’ geen lijdend voorwerp; wij vullen ‘Mij’ aan, zoals het Hebreeuws van Ps. 95:9 heeft. δοκιμασία (dokimasia), ‘toetsing’: ons Hebreeuws heeft ‘zij toetsten Mij’.
‘Zagen Mijn werken’: zie Num. 14:22.
Zie ook Num. 14:22.
De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ‘op de proef stelden’ (ἐπείρασαν) en bij ‘bij een toetsing’ (ἐν δοκιμασίᾳ).
Wij volgen de SBLGNT.
Wij volgen de leestekens van de SBLGNT: ‘veertig jaar’ hoort bij ‘zagen Mijn werken’.
Ons Hebreeuws heeft ‘Veertig jaar lang walgde Ik van die generatie’, en in vers 17 hoort het ook bij ‘walgde’; het Grieks laat dus beide opvattingen toe. προσοχθίζω (prosochthizo), ‘walgen, afkeer hebben’. πλανάω (planao), ‘dwalen’.
‘Met het hart’ (τῇ καρδίᾳ): het hart is de zetel van denken en willen.
De SBLGNT markeert bij ‘deze’ (ταύτῃ) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ὡς (hos), ‘zoals, zodat’: wij vertalen ‘Zo’; ons Hebreeuws heeft ‘daarom’.
De Griekse woorden εἰ εἰσελεύσονται (ei eiseleusontai) zijn letterlijk ‘als zij ingaan’: een eedformule uit het Hebreeuws, die betekent ‘zij zullen zeker niet ingaan’. κατάπαυσις (katapausis), ‘rust’: de plaats van rust; in Ps. 95:11 is dat het land.
Het woord keert terug in 4:1–11.
Zie ook Num. 14:23; Deut. 12:9.
Pas op voor een hart van ongeloof
βλέπω (blepo), ‘uitkijken, oppassen’. ἀπιστία (apistia), ‘ongeloof’. ἀφίστημι (aphistemi), ‘afvallen, zich afkeren’.
‘De levende Elohim’ (θεὸς ζῶν, theos zon): Hij is niet dood als de afgoden.
παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen, bemoedigen’. ἑαυτούς (heautous) is letterlijk ‘uzelf’; hier ‘elkaar’. ἀπάτη (apate), ‘bedrog’: de zonde laat het anders voorkomen dan het is.
De SBLGNT markeert bij ‘iemand uit jullie’ (τις ἐξ ὑμῶν) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ὑπόστασις (hypostasis), ‘grondslag’: wat onder iets ligt en het draagt; het woord kan ook ‘zekerheid, vertrouwen’ betekenen (zie 1:3 en 11:1).
‘Het begin van de grondslag’ is de grond waarop wij in het begin staan, of ons eerste vertrouwen. ἐάνπερ (eanper), ‘als tenminste’. βεβαίαν (bebaian), ‘vast’.
‘Deelhebbers aan de Messias’ kan ook ‘deelhebbers met de Messias’ zijn.
De SBLGNT markeert bij ‘aan de Messias … geworden’ (τοῦ Χριστοῦ γεγόναμεν) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
παραπικραίνω (parapikraino), ‘verbitteren’: zij verbitterden Elohim.
Het Grieks laat open of τίνες (tines) ‘wie?’ is, zoals wij vertalen, of τινές ‘sommigen’; dan luidt de zin: ‘Sommigen verbitterden na het horen, maar niet allen die uit Egypte uitgetrokken waren.’
Zie ook Num. 14:2; Num. 14:22.
κῶλον (kolon), ‘lid, ledemaat’: het gaat om de lichamen die in de woestijn vielen; ons Hebreeuws van Num. 14:29 heeft ‘lijken’ (פְּגָרִים, pegarim). ἁμαρτάνω (hamartano), ‘zondigen’.
De veertig jaar: Num. 14:33–34.
Zie ook Num. 14:29; Num. 14:33–34.
ἀπιστία (apistia), ‘ongeloof’.
Het vers noemt de oorzaak: ongeloof.
Dit vers sluit de gedachte van de verzen 12–19 af en leidt naar 4:1.