Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Rechabeam in Sichem
1Rechabeam ging naar Sichem, want heel Israël was naar Sichem gekomen om hem koning te maken.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
רְחַבְעָ֖ם
(rechavam)
Rechabeam
שְׁכֶ֑ם
(shekhem)
naar Sichem
כִּ֥י
(ki)
want
שְׁכֶ֛ם
(shekhem)
naar Sichem
בָּ֥א
(ba)
was gekomen
כָל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְהַמְלִ֥יךְ
(lehamlikh)
om koning te maken
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Sichem lag bij het huidige Tell Balata, bij Nabloes, op de Westelijke Jordaanoever.
Het ligt in het bergland van Efraïm, ongeveer 50 km ten noorden van Jeruzalem.
4„Je vader heeft ons juk hard gemaakt. Maak jij nu de harde dienst van je vader lichter, en zijn zware juk dat hij op ons gelegd heeft. Dan zullen wij je dienen.”
אָבִ֖יךָ
(avikha)
je vader
הִקְשָׁ֣ה
(hiqsha)
maakte hard
אֶת
(et)
(obj.)
עֻלֵּ֑נוּ
(ulenu)
ons juk
וְאַתָּ֡ה
(veata)
en jij
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
הָקֵל֩
(haqel)
maak lichter
מֵעֲבֹדַ֨ת
(meavodat)
van de dienst van
אָבִ֜יךָ
(avikha)
je vader
הַקָּשָׁ֗ה
(haqasha)
de harde
וּמֵעֻלּ֧וֹ
(umeulo)
en van zijn juk
הַכָּבֵ֛ד
(hakaved)
het zware
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥ן
(natan)
hij heeft gegeven
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
op ons
וְנַעַבְדֶֽךָּ
(venaavdeka)
en wij zullen je dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֹל (ol), ‘juk’: het houten juk op de nek van een rund.
Hier is het een beeld voor zware dienst en zware belasting.
Het ‘harde’ werk van Salomo is de dwangarbeid van 1 Kon. 5:27–28 en 9:15–22.
6Koning Rechabeam overlegde met de oudsten die voor zijn vader Salomo hadden gestaan toen die nog leefde. Hij zei: „Hoe raden jullie mij aan om dit volk te antwoorden?”
וַיִּוָּעַ֞ץ
(vayivaats)
en overlegde
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
רְחַבְעָ֗ם
(rechavam)
Rechabeam
אֶת
(et)
met
הַזְּקֵנִים֙
(hazeqenim)
de oudsten
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָי֣וּ
(hayu)
waren
עֹמְדִ֗ים
(omedim)
staande
אֶת
(et)
voor
פְּנֵי֙
(penei)
het aangezicht van
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
בִּֽהְיֹת֥וֹ
(bihyoto)
toen hij was
חַ֖י
(chay)
levend
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אֵ֚יךְ
(eikh)
hoe
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
נֽוֹעָצִ֔ים
(noatsim)
raden
לְהָשִׁ֥יב
(lehashiv)
om terug te geven
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽעָם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
דָּבָֽר
(davar)
antwoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַזְּקֵנִים (hazqenim), ‘de oudsten’: de mannen die onder Salomo adviseur waren.
Het Hebreeuwse woord ‘antwoorden’ (שׁוּב דָּבָר, shuv davar) is letterlijk ‘een woord terugbrengen’.
7Zij zeiden tegen hem: „Word je vandaag een dienaar van dit volk en dien je hen, antwoord je hen en spreek je goede woorden tegen hen, dan zullen zij alle dagen jouw dienaren zijn.”
וַיְדַבְּר֨וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
אִם
(im)
als
הַ֠יּוֹם
(hayom)
vandaag
תִּֽהְיֶה
(tihye)
je wordt
עֶ֜בֶד
(eved)
dienaar
לָעָ֤ם
(laam)
voor het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
וַֽעֲבַדְתָּ֔ם
(vaavadtam)
en je dient hen
וַעֲנִיתָ֕ם
(vaanitam)
en je antwoordt hen
וְדִבַּרְתָּ֥
(vedibarta)
en je spreekt
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tot hen
דְּבָרִ֣ים
(devarim)
woorden
טוֹבִ֑ים
(tovim)
goede
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
עֲבָדִ֖ים
(avadim)
dienaren
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘hij sprak’, enkelvoud.
De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘zij spraken’, meervoud: de oudsten.
8Maar hij verliet het advies van de oudsten dat zij hem gegeven hadden. Hij overlegde met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en voor hem stonden.
וַֽיַּעֲזֹ֛ב
(vayaazov)
en hij verliet
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצַ֥ת
(atsat)
raad van
הַזְּקֵנִ֖ים
(hazeqenim)
de oudsten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יְעָצֻ֑הוּ
(yeatsuhu)
hadden geraden hem
וַיִּוָּעַ֗ץ
(vayivaats)
en hij overlegde
אֶת
(et)
met
הַיְלָדִים֙
(hayladim)
de jonge mannen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
גָּדְל֣וּ
(gadelu)
waren opgegroeid
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָעֹמְדִ֖ים
(haomedim)
de staanden
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַיְלָדִים (hayeladim), ‘de jonge mannen’: een ander woord dan נַעַר (na’ar), ‘jongen’.
Het zijn mannen van Rechabeams eigen leeftijd.
Hij was toen 41 jaar (14:21), dus ‘kinderen’ is hier niet bedoeld.
9Hij zei tegen hen: „Wat raden jullie aan? Wat antwoorden wij aan dit volk dat tegen mij heeft gezegd: ‘Maak het juk lichter dat je vader op ons heeft gelegd’?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
מָ֚ה
(ma)
wat
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
נֽוֹעָצִ֔ים
(noatsim)
raden
וְנָשִׁ֥יב
(venashiv)
en wij zullen terugantwoorden
דָּבָ֖ר
(davar)
antwoord
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
דִּבְּר֤וּ
(diberu)
zij spraken
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הָקֵל֙
(haqel)
maak lichter
מִן
(min)
van
הָעֹ֔ל
(haol)
het juk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥ן
(natan)
heeft gegeven
אָבִ֖יךָ
(avikha)
je vader
עָלֵֽינוּ
(aleinu)
op ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De jonge mannen die met hem waren opgegroeid, zeiden tegen hem: „Zo moet je zeggen tegen dit volk dat tot je sprak: ‘Je vader maakte ons juk zwaar. Maar maak jij het lichter voor ons.’ Zo moet je tot hen spreken: ‘Mijn kleinste is dikker dan de heupen van mijn vader.
וַיְדַבְּר֣וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
הַיְלָדִים֙
(hayladim)
de jonge mannen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
גָּדְל֣וּ
(gadelu)
waren opgegroeid
אִתּוֹ֮
(ito)
met hem
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
כֹּֽה
(ko)
zo
תֹאמַ֣ר
(tomar)
zul je zeggen
לָעָ֣ם
(laam)
tegen het volk
הַזֶּ֡ה
(haze)
dit
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
דִּבְּר֨וּ
(diberu)
spraken
אֵלֶ֜יךָ
(eleikha)
tot jou
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
אָבִ֨יךָ֙
(avikha)
je vader
הִכְבִּ֣יד
(hikhbid)
maakte zwaar
אֶת
(et)
(obj.)
עֻלֵּ֔נוּ
(ulenu)
ons juk
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
הָקֵ֣ל
(haqel)
maak lichter
מֵעָלֵ֑ינוּ
(mealeinu)
van ons af
כֹּ֚ה
(ko)
zo
תְּדַבֵּ֣ר
(tedaber)
zul je spreken
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
קָֽטָנִּ֥י
(qatani)
mijn kleinste
עָבָ֖ה
(ava)
is dikker
מִמָּתְנֵ֥י
(mimatenei)
dan de heupen van
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָטֹנִּי (qotonni), ‘mijn kleinste’: de tekst zegt niet wat het kleinste is.
Vaak wordt gedacht aan de kleine vinger of aan het kleinste deel van het lichaam.
Wij vertalen letterlijk.
מָתְנַיִם (motnayim), ‘heupen’ of ‘lendenen’: de plaats van kracht en vruchtbaarheid.
11Mijn vader heeft jullie een zwaar juk opgelegd. Nu dan: ik zal jullie juk nog zwaarder maken. Mijn vader tuchtigde jullie met zwepen. Ik zal jullie tuchtigen met schorpioenen.’”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
הֶעְמִ֤יס
(hemis)
heeft geladen
עֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
op jullie
עֹ֣ל
(ol)
juk
כָּבֵ֔ד
(kaved)
zwaar
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
אוֹסִ֣יף
(osif)
zal toevoegen
עַֽל
(al)
aan
עֻלְּכֶ֑ם
(ulekhem)
jullie juk
אָבִ֗י
(avi)
mijn vader
יִסַּ֤ר
(yisar)
tuchtigde
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
בַּשּׁוֹטִ֔ים
(bashotim)
met zwepen
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en ik
אֲיַסֵּ֥ר
(ayaser)
zal tuchtigen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בָּעַקְרַבִּֽים
(baaqrabim)
met schorpioenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַקְרַבִּים (aqrabbim), ‘schorpioenen’: een zweep met scherpe punten, waarmee de slagen veel pijnlijker waren dan met gewone zwepen.
De tekst kan ook zijn bedoeld als beeld voor een nog strengere tucht.
14Hij sprak tot hen naar het advies van de jonge mannen: „Mijn vader heeft jullie juk zwaar gemaakt. Ik zal jullie juk nog zwaarder maken. Mijn vader tuchtigde jullie met zwepen. Ik zal jullie tuchtigen met schorpioenen.”
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en hij sprak
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
כַּעֲצַ֤ת
(kaatsat)
naar het advies van
הַיְלָדִים֙
(hayladim)
de jonge mannen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
הִכְבִּ֣יד
(hikhbid)
maakte zwaar
אֶֽת
(et)
(obj.)
עֻלְּכֶ֔ם
(ulekhem)
jullie juk
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
אֹסִ֣יף
(osif)
zal toevoegen
עַֽל
(al)
aan
עֻלְּכֶ֑ם
(ulekhem)
jullie juk
אָבִ֗י
(avi)
mijn vader
יִסַּ֤ר
(yisar)
tuchtigde
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
בַּשּׁוֹטִ֔ים
(bashotim)
met zwepen
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en ik
אֲיַסֵּ֥ר
(ayaser)
zal tuchtigen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בָּעַקְרַבִּֽים
(baaqrabim)
met schorpioenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15De koning luisterde niet naar het volk. Want de wending kwam van Yahweh. Zo zou Hij Zijn woord bevestigen dat Yahweh door Achia uit Silo had gesproken tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שָׁמַ֥ע
(shama)
luisterde
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
naar
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
כִּֽי
(ki)
want
הָיְתָ֤ה
(hayeta)
was
סִבָּה֙
(siba)
wending
מֵעִ֣ם
(meim)
van bij
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְמַ֜עַן
(lemaan)
opdat
הָקִ֣ים
(haqim)
Hij zou bevestigen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָר֗וֹ
(devaro)
Zijn woord
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֤ר
(diber)
sprak
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד֙
(beyad)
door de hand van
אֲחִיָּ֣ה
(achiya)
Achia
הַשִּׁילֹנִ֔י
(hashiloni)
de Siloniet
אֶל
(el)
tot
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָֽט
(nevat)
Nebat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Silo (שִׁלוֹ) lag bij het huidige Khirbet Seilun, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever.
Uitleg
סִבָּה (sibbah), ‘wending’: een gebeurtenis die door Yahweh wordt gestuurd.
Het woord komt alleen hier voor (en in 2 Kron. 10:15).
Het woord dat Yahweh door Achia sprak, staat in 1 Kon. 11:29–39.
16Heel Israël zag dat de koning niet naar hen luisterde. Het volk antwoordde de koning: „Welk deel hebben wij aan David? Geen erfdeel hebben wij in de zoon van Isaï. Naar je tenten, Israël! Zie nu naar je eigen huis, David!” Israël ging naar zijn tenten.
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כִּ֠י
(ki)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁמַ֣ע
(shama)
luisterde
הַמֶּלֶךְ֮
(hamelekh)
de koning
אֲלֵיהֶם֒
(aleihem)
naar hen
וַיָּשִׁ֣בוּ
(vayashivu)
en antwoordde
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּבָ֣ר
(davar)
woord
לֵאמֹ֡ר
(lemor)
zeggende
מַה
(ma)
wat
לָּנוּ֩
(lanu)
voor ons
חֵ֨לֶק
(cheleq)
deel
בְּדָוִ֜ד
(bedavid)
in David
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נַחֲלָ֣ה
(nachala)
erfdeel
בְּבֶן
(beven)
in de zoon van
יִשַׁ֗י
(yishay)
Isaï
לְאֹהָלֶ֨יךָ֙
(leohaleikha)
naar je tenten
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עַתָּ֕ה
(ata)
nu
רְאֵ֥ה
(ree)
zie
בֵיתְךָ֖
(beitekha)
je huis
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְאֹהָלָֽיו
(leohalav)
naar zijn tenten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De kreet ‘Welk deel hebben wij aan David?’ staat ook in 2 Sam. 20:1.
‘Naar je tenten’ is een oude roep om uiteen te gaan: ieder gaat naar huis.
נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’. Israël zegt: wij horen niet meer bij het huis van David.
18Koning Rechabeam stuurde Adoram, die over de dwangarbeid was. Heel Israël stenigde hem met stenen en hij stierf. Koning Rechabeam wist met moeite op zijn wagen te komen om naar Jeruzalem te vluchten.
וַיִּשְׁלַ֞ח
(vayishlach)
en stuurde
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
רְחַבְעָ֗ם
(rechavam)
Rechabeam
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹרָם֙
(adoram)
Adoram
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַמַּ֔ס
(hamas)
de dwangarbeid
וַיִּרְגְּמ֨וּ
(vayirgemu)
en stenigden
כָל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
בּ֛וֹ
(bo)
hem
אֶ֖בֶן
(even)
met steen
וַיָּמֹ֑ת
(vayamot)
en hij stierf
וְהַמֶּ֣לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
רְחַבְעָ֗ם
(rechavam)
Rechabeam
הִתְאַמֵּץ֙
(hitamets)
zette zich schrap
לַעֲל֣וֹת
(laalot)
om te stijgen
בַּמֶּרְכָּבָ֔ה
(bamerkava)
op de wagen
לָנ֖וּס
(lanus)
om te vluchten
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
מַס (mas), ‘dwangarbeid’: verplichte arbeid voor de koning.
Adoram heeft er al onder David en Salomo leiding aan gegeven (2 Sam. 20:24; 1 Kon. 4:6, waar hij Adoniram heet; zie ook 5:28).
20Toen heel Israël hoorde dat Jerobeam was teruggekeerd, stuurden zij boden. Zij riepen hem naar de gemeenschap en maakten hem koning over heel Israël. Niemand volgde het huis van David, alleen de stam van Juda.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֤עַ
(kishmoa)
toen hoorde
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
dat
שָׁ֣ב
(shav)
was teruggekeerd
יָרָבְעָ֔ם
(yaraveam)
Jerobeam
וַֽיִּשְׁלְח֗וּ
(vayishlechu)
en zij stuurden
וַיִּקְרְא֤וּ
(vayiqreu)
en riepen
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
וַיַּמְלִ֥יכוּ
(vayamlikhu)
en maakten koning
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לֹ֤א
(lo)
niet
הָיָה֙
(haya)
was
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
בֵית
(beit)
het huis van
דָּוִ֔ד
(david)
David
זוּלָתִ֥י
(zulati)
behalve
שֵֽׁבֶט
(shevet)
stam van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לְבַדּֽוֹ
(levado)
alleen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵדָה (edah), ‘gemeenschap’: het geheel van Israël.
21Rechabeam kwam in Jeruzalem. Hij riep heel het huis van Juda bijeen, en de stam Benjamin: 180.000 uitgelezen krijgers. Zij moesten strijden tegen het huis van Israël, om het koningschap terug te brengen aan Rechabeam, de zoon van Salomo.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
רְחַבְעָם֮
(rechavam)
Rechabeam
יְרוּשָׁלִַם֒
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וַיַּקְהֵל֩
(vayaqhel)
en riep samen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֨ית
(beit)
huis van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam van
בִּנְיָמִ֗ן
(binyamin)
Benjamin
מֵאָ֨ה
(mea)
honderd
וּשְׁמֹנִ֥ים
(ushemonim)
en tachtig
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
בָּח֖וּר
(bachur)
uitgelezen man
עֹשֵׂ֣ה
(ose)
die doet
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
לְהִלָּחֵם֙
(lehilachem)
om te strijden
עִם
(im)
met
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְהָשִׁיב֙
(lehashiv)
om terug te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּלוּכָ֔ה
(hamelukha)
het koningschap
לִרְחַבְעָ֖ם
(lirchavam)
aan Rechabeam
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘zij kwamen’, meervoud.
De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘hij kwam’, namelijk Rechabeam.
24‘Zo zegt Yahweh: Jullie mogen niet optrekken en niet strijden tegen jullie broeders, de zonen van Israël. Ga terug, ieder naar zijn huis, want van Mij is deze zaak gekomen.’” Zij luisterden naar het woord van Yahweh en gingen terug, zoals het woord van Yahweh was.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
תַעֲלוּ֩
(taalu)
jullie zullen optrekken
וְלֹא
(velo)
en niet
תִלָּ֨חֲמ֜וּן
(tilachamun)
jullie zullen strijden
עִם
(im)
met
אֲחֵיכֶ֣ם
(acheikhem)
jullie broeders
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
שׁ֚וּבוּ
(shuvu)
keert terug
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
לְבֵית֔וֹ
(leveito)
naar zijn huis
כִּ֧י
(ki)
want
מֵאִתִּ֛י
(meiti)
van Mij
נִהְיָ֖ה
(nihya)
is geschied
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיִּשְׁמְעוּ֙
(vayishmeu)
en zij luisterden
אֶת
(et)
naar
דְּבַ֣ר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּשֻׁ֥בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
לָלֶ֖כֶת
(lalekhet)
om te gaan
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Sjemaja geeft het woord door aan het volk.
Wij zetten het in zwart met enkele aanhalingstekens bij ‘Zo zegt Yahweh’, omdat Sjemaja Yahweh citeert (zoals Natan in 2 Sam. 7:5).
27Als dit volk blijft optrekken om offers te brengen in het huis van Yahweh in Jeruzalem, dan zal het hart van dit volk terugkeren naar hun heer. Dat is Rechabeam, de koning van Juda. Zij zullen mij doden en terugkeren naar Rechabeam, de koning van Juda.”
אִֽם
(im)
als
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
trekt op
הָעָ֣ם
(haam)
dit
הַזֶּ֗ה
(haze)
volk
לַעֲשׂ֨וֹת
(laasot)
om te doen
זְבָחִ֤ים
(zevachim)
offers
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְ֠שָׁב
(veshav)
en zal terugkeren
לֵ֣ב
(lev)
hart van
הָעָ֤ם
(haam)
dit
הַזֶּה֙
(haze)
volk
אֶל
(el)
naar
אֲדֹ֣נֵיהֶ֔ם
(adoneihem)
hun heer
אֶל
(el)
naar
רְחַבְעָ֖ם
(rechavam)
Rechabeam
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַהֲרָגֻ֕נִי
(vaharaguni)
en zij zullen mij doden
וְשָׁ֖בוּ
(veshavu)
en zullen terugkeren
אֶל
(el)
naar
רְחַבְעָ֥ם
(rechavam)
Rechabeam
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
28De koning overlegde en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen hen: „Het is te veel voor jullie om op te trekken naar Jeruzalem. Zie, dit zijn jullie goden, Israël, die jou uit het land Egypte hebben geleid.”
וַיִּוָּעַ֣ץ
(vayivaats)
en overlegde
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּ֕עַשׂ
(vayaas)
en maakte
שְׁנֵ֖י
(shenei)
twee
עֶגְלֵ֣י
(eglei)
kalveren van
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
רַב
(rav)
te veel
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
מֵעֲל֣וֹת
(mealot)
om op te trekken
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je goden
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶעֱל֖וּךָ
(heelukha)
hebben opgevoerd jou
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
עֶגְלֵי זָהָב (egley zahav), ‘gouden kalveren’: beelden van jonge stieren.
Zie Exod. 32:4 en 32:8, waar Aäron hetzelfde zegt: ‘Dit zijn jullie goden, Israël, die jou uit het land Egypte hebben geleid.’
Het Hebreeuws heeft hier de enkelvoudsvorm ‘je’ (Israël als geheel).
32Jerobeam hield een feest in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest in Juda. Hij klom op het altaar. Zo deed hij in Betel: hij slachtte voor de kalveren die hij gemaakt had. In Betel stelde hij ook de priesters van de hoogten aan die hij gemaakt had.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en maakte
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
חָ֡ג
(chag)
feest
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁמִינִ֣י
(hashemini)
de achtste
בַּחֲמִשָּֽׁה
(bachamisha)
op de vijfde
עָשָׂר֩
(asar)
tien
י֨וֹם
(yom)
dag
לַחֹ֜דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
כֶּחָ֣ג
(kechag)
zoals het feest
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בִּיהוּדָ֗ה
(bihuda)
in Juda
וַיַּ֨עַל֙
(vayaal)
en klom
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
כֵּ֤ן
(ken)
zo
עָשָׂה֙
(asa)
deed hij
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵ֔ל
(el)
El
לְזַבֵּ֖חַ
(lezabeach)
om te slachten
לָעֲגָלִ֣ים
(laagalim)
voor de kalveren
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij had gemaakt
וְהֶעֱמִיד֙
(veheemid)
en stelde aan
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in Bet
אֵ֔ל
(el)
El
אֶת
(et)
(obj.)
כֹּהֲנֵ֥י
(kohanei)
priesters van
הַבָּמ֖וֹת
(habamot)
de hoogten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָֽׂה
(asa)
hij had gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
Het feest in Juda is het Loofhuttenfeest (Lev. 23:33–36, 39–43), dat in de zevende maand wordt gehouden.
Jerobeam verschuift het naar de achtste maand.
Ook de vijftiende dag komt overeen met Lev. 23:34.
Lezing
Wij volgen de Masoretische tekst.
Sommige oude vertalingen hebben in dit gedeelte een andere volgorde van de verzen.
33Hij klom op het altaar dat hij in Betel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand. Dat was de maand die hij uit zijn eigen hart had bedacht. Hij hield een feest voor de zonen van Israël. Hij klom op het altaar om offers in rook te laten opgaan.
וַיַּ֜עַל
(vayaal)
en klom
עַֽל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֣חַ
(hamizbeach)
het altaar
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עָשָׂ֣ה
(asa)
hij had gemaakt
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵ֗ל
(el)
El
בַּחֲמִשָּׁ֨ה
(bachamisha)
op de vijfde
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
יוֹם֙
(yom)
dag
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁמִינִ֔י
(hashemini)
de achtste
בַּחֹ֖דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּדָ֣א
(bada)
hij had bedacht
מִלִּבּ֑וֹ
(milibo)
uit zijn hart
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
חָג֙
(chag)
feest
לִבְנֵ֣י
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en klom
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
לְהַקְטִֽיר
(lehaqtir)
om te laten opgaan in rook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft מִלְּבַד (millevad), ‘afgezien van’.
De voorgelezen tekst (qere) heeft מִלִּבּוֹ (millibbo), ‘uit zijn hart’.