Elohim Bijbel

1 Koningen 12

12345678910111213141516171819202122

Het rijk splitst zich

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Rechabeam in Sichem

1Rechabeam ging naar Sichem, want heel Israël was naar Sichem gekomen om hem koning te maken.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
רְחַבְעָ֖ם
(rechavam)
Rechabeam
שְׁכֶ֑ם
(shekhem)
naar Sichem
כִּ֥י
(ki)
want
שְׁכֶ֛ם
(shekhem)
naar Sichem
בָּ֥א
(ba)
was gekomen
כָל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְהַמְלִ֥יךְ
(lehamlikh)
om koning te maken
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sichem lag bij het huidige Tell Balata, bij Nabloes, op de Westelijke Jordaanoever.

Het ligt in het bergland van Efraïm, ongeveer 50 km ten noorden van Jeruzalem.

2Jerobeam, de zoon van Nebat, hoorde het toen hij nog in Egypte was. Hij was daarheen gevlucht voor koning Salomo. Jerobeam woonde in Egypte.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֣עַ
(kishmoa)
toen hoorde
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֗ט
(nevat)
Nebat
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
עוֹדֶ֣נּוּ
(odenu)
nog
בְמִצְרַ֔יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
בָּרַ֔ח
(barach)
hij was gevlucht
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
בְּמִצְרָֽיִם
(bemitsrayim)
in Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Lezing

וַיֵּשֶׁב (vayyeshev), ‘en hij woonde’.

De medeklinkers (וישב) kunnen ook gelezen worden als ‘en hij keerde terug’ (וַיָּשָׁב, vayyashav).

Wij volgen de klinkers van de Masoretische tekst: Jerobeam woonde nog in Egypte.

Zie ook 1 Kon. 11:26–40.

3Zij stuurden boden en riepen hem. Jerobeam kwam, en heel de vergadering van Israël. Zij spraken tot Rechabeam:
וַֽיִּשְׁלְחוּ֙
(vayishlechu)
en zij stuurden
וַיִּקְרְאוּ
(vayiqreu)
en riepen
ל֔וֹ
(lo)
hem
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
וְכָל
(vekhal)
en heel
קְהַ֣ל
(qehal)
vergadering van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽיְדַבְּר֔וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
אֶל
(el)
tot
רְחַבְעָ֖ם
(rechavam)
Rechabeam
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְהַל (qehal), ‘vergadering’: de verzamelde mannen van de stammen.

In vers 20 staat een ander woord, עֵדָה (edah), ‘gemeenschap’.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘zij kwamen’, meervoud.

De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘hij kwam’, namelijk Jerobeam.

Wij volgen de qere.

4„Je vader heeft ons juk hard gemaakt. Maak jij nu de harde dienst van je vader lichter, en zijn zware juk dat hij op ons gelegd heeft. Dan zullen wij je dienen.”
אָבִ֖יךָ
(avikha)
je vader
הִקְשָׁ֣ה
(hiqsha)
maakte hard
אֶת
(et)
(obj.)
עֻלֵּ֑נוּ
(ulenu)
ons juk
וְאַתָּ֡ה
(veata)
en jij
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
הָקֵל֩
(haqel)
maak lichter
מֵעֲבֹדַ֨ת
(meavodat)
van de dienst van
אָבִ֜יךָ
(avikha)
je vader
הַקָּשָׁ֗ה
(haqasha)
de harde
וּמֵעֻלּ֧וֹ
(umeulo)
en van zijn juk
הַכָּבֵ֛ד
(hakaved)
het zware
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥ן
(natan)
hij heeft gegeven
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
op ons
וְנַעַבְדֶֽךָּ
(venaavdeka)
en wij zullen je dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹל (ol), ‘juk’: het houten juk op de nek van een rund.

Hier is het een beeld voor zware dienst en zware belasting.

Het ‘harde’ werk van Salomo is de dwangarbeid van 1 Kon. 5:27–28 en 9:15–22.

5Hij zei tegen hen: „Ga weg, drie dagen lang. Kom daarna terug bij mij.” Het volk ging weg.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
לְכ֥וּ
(lekhu)
gaat
עֹ֛ד
(od)
tot
שְׁלֹשָׁ֥ה
(shelosha)
drie
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
וְשׁ֣וּבוּ
(veshuvu)
en keert terug
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en gingen
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het advies van de oudsten en de jongeren

6Koning Rechabeam overlegde met de oudsten die voor zijn vader Salomo hadden gestaan toen die nog leefde. Hij zei: „Hoe raden jullie mij aan om dit volk te antwoorden?”
וַיִּוָּעַ֞ץ
(vayivaats)
en overlegde
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
רְחַבְעָ֗ם
(rechavam)
Rechabeam
אֶת
(et)
met
הַזְּקֵנִים֙
(hazeqenim)
de oudsten
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָי֣וּ
(hayu)
waren
עֹמְדִ֗ים
(omedim)
staande
אֶת
(et)
voor
פְּנֵי֙
(penei)
het aangezicht van
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
בִּֽהְיֹת֥וֹ
(bihyoto)
toen hij was
חַ֖י
(chay)
levend
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אֵ֚יךְ
(eikh)
hoe
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
נֽוֹעָצִ֔ים
(noatsim)
raden
לְהָשִׁ֥יב
(lehashiv)
om terug te geven
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽעָם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
דָּבָֽר
(davar)
antwoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַזְּקֵנִים (hazqenim), ‘de oudsten’: de mannen die onder Salomo adviseur waren.

Het Hebreeuwse woord ‘antwoorden’ (שׁוּב דָּבָר, shuv davar) is letterlijk ‘een woord terugbrengen’.

7Zij zeiden tegen hem: „Word je vandaag een dienaar van dit volk en dien je hen, antwoord je hen en spreek je goede woorden tegen hen, dan zullen zij alle dagen jouw dienaren zijn.”
וַיְדַבְּר֨וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
אִם
(im)
als
הַ֠יּוֹם
(hayom)
vandaag
תִּֽהְיֶה
(tihye)
je wordt
עֶ֜בֶד
(eved)
dienaar
לָעָ֤ם
(laam)
voor het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
וַֽעֲבַדְתָּ֔ם
(vaavadtam)
en je dient hen
וַעֲנִיתָ֕ם
(vaanitam)
en je antwoordt hen
וְדִבַּרְתָּ֥
(vedibarta)
en je spreekt
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tot hen
דְּבָרִ֣ים
(devarim)
woorden
טוֹבִ֑ים
(tovim)
goede
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
עֲבָדִ֖ים
(avadim)
dienaren
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘hij sprak’, enkelvoud.

De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘zij spraken’, meervoud: de oudsten.

Wij volgen de qere.

8Maar hij verliet het advies van de oudsten dat zij hem gegeven hadden. Hij overlegde met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en voor hem stonden.
וַֽיַּעֲזֹ֛ב
(vayaazov)
en hij verliet
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצַ֥ת
(atsat)
raad van
הַזְּקֵנִ֖ים
(hazeqenim)
de oudsten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יְעָצֻ֑הוּ
(yeatsuhu)
hadden geraden hem
וַיִּוָּעַ֗ץ
(vayivaats)
en hij overlegde
אֶת
(et)
met
הַיְלָדִים֙
(hayladim)
de jonge mannen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
גָּדְל֣וּ
(gadelu)
waren opgegroeid
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָעֹמְדִ֖ים
(haomedim)
de staanden
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַיְלָדִים (hayeladim), ‘de jonge mannen’: een ander woord dan נַעַר (na’ar), ‘jongen’.

Het zijn mannen van Rechabeams eigen leeftijd.

Hij was toen 41 jaar (14:21), dus ‘kinderen’ is hier niet bedoeld.

9Hij zei tegen hen: „Wat raden jullie aan? Wat antwoorden wij aan dit volk dat tegen mij heeft gezegd: ‘Maak het juk lichter dat je vader op ons heeft gelegd’?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
מָ֚ה
(ma)
wat
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
נֽוֹעָצִ֔ים
(noatsim)
raden
וְנָשִׁ֥יב
(venashiv)
en wij zullen terugantwoorden
דָּבָ֖ר
(davar)
antwoord
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
דִּבְּר֤וּ
(diberu)
zij spraken
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הָקֵל֙
(haqel)
maak lichter
מִן
(min)
van
הָעֹ֔ל
(haol)
het juk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥ן
(natan)
heeft gegeven
אָבִ֖יךָ
(avikha)
je vader
עָלֵֽינוּ
(aleinu)
op ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De jonge mannen die met hem waren opgegroeid, zeiden tegen hem: „Zo moet je zeggen tegen dit volk dat tot je sprak: ‘Je vader maakte ons juk zwaar. Maar maak jij het lichter voor ons.’ Zo moet je tot hen spreken: ‘Mijn kleinste is dikker dan de heupen van mijn vader.
וַיְדַבְּר֣וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
הַיְלָדִים֙
(hayladim)
de jonge mannen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
גָּדְל֣וּ
(gadelu)
waren opgegroeid
אִתּוֹ֮
(ito)
met hem
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
כֹּֽה
(ko)
zo
תֹאמַ֣ר
(tomar)
zul je zeggen
לָעָ֣ם
(laam)
tegen het volk
הַזֶּ֡ה
(haze)
dit
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
דִּבְּר֨וּ
(diberu)
spraken
אֵלֶ֜יךָ
(eleikha)
tot jou
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
אָבִ֨יךָ֙
(avikha)
je vader
הִכְבִּ֣יד
(hikhbid)
maakte zwaar
אֶת
(et)
(obj.)
עֻלֵּ֔נוּ
(ulenu)
ons juk
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
הָקֵ֣ל
(haqel)
maak lichter
מֵעָלֵ֑ינוּ
(mealeinu)
van ons af
כֹּ֚ה
(ko)
zo
תְּדַבֵּ֣ר
(tedaber)
zul je spreken
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
קָֽטָנִּ֥י
(qatani)
mijn kleinste
עָבָ֖ה
(ava)
is dikker
מִמָּתְנֵ֥י
(mimatenei)
dan de heupen van
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָטֹנִּי (qotonni), ‘mijn kleinste’: de tekst zegt niet wat het kleinste is.

Vaak wordt gedacht aan de kleine vinger of aan het kleinste deel van het lichaam.

Wij vertalen letterlijk.

מָתְנַיִם (motnayim), ‘heupen’ of ‘lendenen’: de plaats van kracht en vruchtbaarheid.

11Mijn vader heeft jullie een zwaar juk opgelegd. Nu dan: ik zal jullie juk nog zwaarder maken. Mijn vader tuchtigde jullie met zwepen. Ik zal jullie tuchtigen met schorpioenen.’”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
הֶעְמִ֤יס
(hemis)
heeft geladen
עֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
op jullie
עֹ֣ל
(ol)
juk
כָּבֵ֔ד
(kaved)
zwaar
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
אוֹסִ֣יף
(osif)
zal toevoegen
עַֽל
(al)
aan
עֻלְּכֶ֑ם
(ulekhem)
jullie juk
אָבִ֗י
(avi)
mijn vader
יִסַּ֤ר
(yisar)
tuchtigde
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
בַּשּׁוֹטִ֔ים
(bashotim)
met zwepen
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en ik
אֲיַסֵּ֥ר
(ayaser)
zal tuchtigen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בָּעַקְרַבִּֽים
(baaqrabim)
met schorpioenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַקְרַבִּים (aqrabbim), ‘schorpioenen’: een zweep met scherpe punten, waarmee de slagen veel pijnlijker waren dan met gewone zwepen.

De tekst kan ook zijn bedoeld als beeld voor een nog strengere tucht.

Rechabeam antwoordt hard

12Op de derde dag kwamen Jerobeam en heel het volk bij Rechabeam, zoals de koning had gezegd: „Kom op de derde dag terug bij mij.”
וַיָּב֨וֹא
(vayavo)
en kwam
יָרָבְעָ֧ם
(yaraveam)
Jerobeam
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tot
רְחַבְעָ֖ם
(rechavam)
Rechabeam
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֑י
(hashelishi)
de derde
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֤ר
(diber)
had gesproken
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
שׁ֥וּבוּ
(shuvu)
keert terug
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִֽׁי
(hashelishi)
de derde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters ויבו, de voorgelezen tekst (qere) heeft וַיָּבוֹא (vayyavo), ‘en hij kwam’.

De betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

13De koning antwoordde het volk hard. Hij verliet het advies van de oudsten dat zij hem gegeven hadden.
וַיַּ֧עַן
(vayaan)
en antwoordde
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
קָשָׁ֑ה
(qasha)
hard
וַֽיַּעֲזֹ֛ב
(vayaazov)
en hij verliet
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצַ֥ת
(atsat)
raad van
הַזְּקֵנִ֖ים
(hazeqenim)
de oudsten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יְעָצֻֽהוּ
(yeatsuhu)
hadden geraden hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Hij sprak tot hen naar het advies van de jonge mannen: „Mijn vader heeft jullie juk zwaar gemaakt. Ik zal jullie juk nog zwaarder maken. Mijn vader tuchtigde jullie met zwepen. Ik zal jullie tuchtigen met schorpioenen.”
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en hij sprak
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
כַּעֲצַ֤ת
(kaatsat)
naar het advies van
הַיְלָדִים֙
(hayladim)
de jonge mannen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
הִכְבִּ֣יד
(hikhbid)
maakte zwaar
אֶֽת
(et)
(obj.)
עֻלְּכֶ֔ם
(ulekhem)
jullie juk
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
אֹסִ֣יף
(osif)
zal toevoegen
עַֽל
(al)
aan
עֻלְּכֶ֑ם
(ulekhem)
jullie juk
אָבִ֗י
(avi)
mijn vader
יִסַּ֤ר
(yisar)
tuchtigde
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
בַּשּׁוֹטִ֔ים
(bashotim)
met zwepen
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en ik
אֲיַסֵּ֥ר
(ayaser)
zal tuchtigen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בָּעַקְרַבִּֽים
(baaqrabim)
met schorpioenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15De koning luisterde niet naar het volk. Want de wending kwam van Yahweh. Zo zou Hij Zijn woord bevestigen dat Yahweh door Achia uit Silo had gesproken tot Jerobeam, de zoon van Nebat.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שָׁמַ֥ע
(shama)
luisterde
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
naar
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
כִּֽי
(ki)
want
הָיְתָ֤ה
(hayeta)
was
סִבָּה֙
(siba)
wending
מֵעִ֣ם
(meim)
van bij
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְמַ֜עַן
(lemaan)
opdat
הָקִ֣ים
(haqim)
Hij zou bevestigen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָר֗וֹ
(devaro)
Zijn woord
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֤ר
(diber)
sprak
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד֙
(beyad)
door de hand van
אֲחִיָּ֣ה
(achiya)
Achia
הַשִּׁילֹנִ֔י
(hashiloni)
de Siloniet
אֶל
(el)
tot
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָֽט
(nevat)
Nebat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Silo (שִׁלוֹ) lag bij het huidige Khirbet Seilun, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever.

Uitleg

סִבָּה (sibbah), ‘wending’: een gebeurtenis die door Yahweh wordt gestuurd.

Het woord komt alleen hier voor (en in 2 Kron. 10:15).

Het woord dat Yahweh door Achia sprak, staat in 1 Kon. 11:29–39.

Israël breekt met het huis van David

16Heel Israël zag dat de koning niet naar hen luisterde. Het volk antwoordde de koning: „Welk deel hebben wij aan David? Geen erfdeel hebben wij in de zoon van Isaï. Naar je tenten, Israël! Zie nu naar je eigen huis, David!” Israël ging naar zijn tenten.
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כִּ֠י
(ki)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁמַ֣ע
(shama)
luisterde
הַמֶּלֶךְ֮
(hamelekh)
de koning
אֲלֵיהֶם֒
(aleihem)
naar hen
וַיָּשִׁ֣בוּ
(vayashivu)
en antwoordde
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּבָ֣ר
(davar)
woord
לֵאמֹ֡ר
(lemor)
zeggende
מַה
(ma)
wat
לָּנוּ֩
(lanu)
voor ons
חֵ֨לֶק
(cheleq)
deel
בְּדָוִ֜ד
(bedavid)
in David
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נַחֲלָ֣ה
(nachala)
erfdeel
בְּבֶן
(beven)
in de zoon van
יִשַׁ֗י
(yishay)
Isaï
לְאֹהָלֶ֨יךָ֙
(leohaleikha)
naar je tenten
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עַתָּ֕ה
(ata)
nu
רְאֵ֥ה
(ree)
zie
בֵיתְךָ֖
(beitekha)
je huis
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְאֹהָלָֽיו
(leohalav)
naar zijn tenten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De kreet ‘Welk deel hebben wij aan David?’ staat ook in 2 Sam. 20:1.

‘Naar je tenten’ is een oude roep om uiteen te gaan: ieder gaat naar huis.

נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’. Israël zegt: wij horen niet meer bij het huis van David.

17Maar over de zonen van Israël die in de steden van Juda woonden, was Rechabeam koning.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
die woonden
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en was koning
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
רְחַבְעָֽם
(rechavam)
Rechabeam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Koning Rechabeam stuurde Adoram, die over de dwangarbeid was. Heel Israël stenigde hem met stenen en hij stierf. Koning Rechabeam wist met moeite op zijn wagen te komen om naar Jeruzalem te vluchten.
וַיִּשְׁלַ֞ח
(vayishlach)
en stuurde
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
רְחַבְעָ֗ם
(rechavam)
Rechabeam
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹרָם֙
(adoram)
Adoram
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
over
הַמַּ֔ס
(hamas)
de dwangarbeid
וַיִּרְגְּמ֨וּ
(vayirgemu)
en stenigden
כָל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
בּ֛וֹ
(bo)
hem
אֶ֖בֶן
(even)
met steen
וַיָּמֹ֑ת
(vayamot)
en hij stierf
וְהַמֶּ֣לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
רְחַבְעָ֗ם
(rechavam)
Rechabeam
הִתְאַמֵּץ֙
(hitamets)
zette zich schrap
לַעֲל֣וֹת
(laalot)
om te stijgen
בַּמֶּרְכָּבָ֔ה
(bamerkava)
op de wagen
לָנ֖וּס
(lanus)
om te vluchten
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מַס (mas), ‘dwangarbeid’: verplichte arbeid voor de koning.

Adoram heeft er al onder David en Salomo leiding aan gegeven (2 Sam. 20:24; 1 Kon. 4:6, waar hij Adoniram heet; zie ook 5:28).

19Zo kwam Israël in opstand tegen het huis van David, tot op deze dag.
וַיִּפְשְׁע֤וּ
(vayifsheu)
en kwamen in opstand
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּבֵ֣ית
(beveit)
tegen het huis van
דָּוִ֔ד
(david)
David
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Jerobeam wordt koning over Israël

20Toen heel Israël hoorde dat Jerobeam was teruggekeerd, stuurden zij boden. Zij riepen hem naar de gemeenschap en maakten hem koning over heel Israël. Niemand volgde het huis van David, alleen de stam van Juda.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֤עַ
(kishmoa)
toen hoorde
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
dat
שָׁ֣ב
(shav)
was teruggekeerd
יָרָבְעָ֔ם
(yaraveam)
Jerobeam
וַֽיִּשְׁלְח֗וּ
(vayishlechu)
en zij stuurden
וַיִּקְרְא֤וּ
(vayiqreu)
en riepen
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
וַיַּמְלִ֥יכוּ
(vayamlikhu)
en maakten koning
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לֹ֤א
(lo)
niet
הָיָה֙
(haya)
was
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
בֵית
(beit)
het huis van
דָּוִ֔ד
(david)
David
זוּלָתִ֥י
(zulati)
behalve
שֵֽׁבֶט
(shevet)
stam van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לְבַדּֽוֹ
(levado)
alleen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵדָה (edah), ‘gemeenschap’: het geheel van Israël.

Alleen de stam Juda bleef bij het huis van David.

Benjamin volgde Juda (vers 21).

Sjemaja houdt Rechabeam tegen

21Rechabeam kwam in Jeruzalem. Hij riep heel het huis van Juda bijeen, en de stam Benjamin: 180.000 uitgelezen krijgers. Zij moesten strijden tegen het huis van Israël, om het koningschap terug te brengen aan Rechabeam, de zoon van Salomo.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
רְחַבְעָם֮
(rechavam)
Rechabeam
יְרוּשָׁלִַם֒
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וַיַּקְהֵל֩
(vayaqhel)
en riep samen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֨ית
(beit)
huis van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam van
בִּנְיָמִ֗ן
(binyamin)
Benjamin
מֵאָ֨ה
(mea)
honderd
וּשְׁמֹנִ֥ים
(ushemonim)
en tachtig
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
בָּח֖וּר
(bachur)
uitgelezen man
עֹשֵׂ֣ה
(ose)
die doet
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
לְהִלָּחֵם֙
(lehilachem)
om te strijden
עִם
(im)
met
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְהָשִׁיב֙
(lehashiv)
om terug te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּלוּכָ֔ה
(hamelukha)
het koningschap
לִרְחַבְעָ֖ם
(lirchavam)
aan Rechabeam
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘zij kwamen’, meervoud.

De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘hij kwam’, namelijk Rechabeam.

Wij volgen de qere.

22Het woord van Elohim kwam tot Sjemaja, de man van Elohim:
וַיְהִי֙
(vayhi)
en kwam
דְּבַ֣ר
(devar)
woord van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
שְׁמַעְיָ֥ה
(shemaya)
Sjemaja
אִישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Sjemaja wordt ‘man van Elohim’ genoemd, een profeet.

Zie ook 2 Kron. 11:2.

23„Zeg tegen Rechabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tegen heel het huis van Juda en Benjamin en de rest van het volk:
אֱמֹ֗ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tot
רְחַבְעָ֤ם
(rechavam)
Rechabeam
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְאֶל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וּבִנְיָמִ֑ין
(uvinyamin)
en Benjamin
וְיֶ֥תֶר
(veyeter)
en de rest van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24‘Zo zegt Yahweh: Jullie mogen niet optrekken en niet strijden tegen jullie broeders, de zonen van Israël. Ga terug, ieder naar zijn huis, want van Mij is deze zaak gekomen.’” Zij luisterden naar het woord van Yahweh en gingen terug, zoals het woord van Yahweh was.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
תַעֲלוּ֩
(taalu)
jullie zullen optrekken
וְלֹא
(velo)
en niet
תִלָּ֨חֲמ֜וּן
(tilachamun)
jullie zullen strijden
עִם
(im)
met
אֲחֵיכֶ֣ם
(acheikhem)
jullie broeders
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
שׁ֚וּבוּ
(shuvu)
keert terug
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
לְבֵית֔וֹ
(leveito)
naar zijn huis
כִּ֧י
(ki)
want
מֵאִתִּ֛י
(meiti)
van Mij
נִהְיָ֖ה
(nihya)
is geschied
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיִּשְׁמְעוּ֙
(vayishmeu)
en zij luisterden
אֶת
(et)
naar
דְּבַ֣ר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּשֻׁ֥בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
לָלֶ֖כֶת
(lalekhet)
om te gaan
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Sjemaja geeft het woord door aan het volk.

Wij zetten het in zwart met enkele aanhalingstekens bij ‘Zo zegt Yahweh’, omdat Sjemaja Yahweh citeert (zoals Natan in 2 Sam. 7:5).

Jerobeam bouwt Sichem en Penuël

25Jerobeam bouwde Sichem in het bergland van Efraïm en woonde daar. Van daar ging hij weg en bouwde Penuël.
וַיִּ֨בֶן
(vayiven)
en bouwde
יָרָבְעָ֧ם
(yaraveam)
Jerobeam
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁכֶ֛ם
(shekhem)
Sichem
בְּהַ֥ר
(behar)
in het bergland van
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
וַיֵּ֣שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
בָּ֑הּ
(bah)
daarin
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
מִשָּׁ֔ם
(misham)
vandaar
וַיִּ֖בֶן
(vayiven)
en bouwde
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנוּאֵֽל
(penuel)
Penuël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Penuël (פְּנוּאֵל) lag aan de Jabbok, ten oosten van de Jordaan, waarschijnlijk bij Tulul edh-Dhahab in het huidige Jordanië.

Zie ook Gen. 32:31.

Efraïm is het bergland ten noorden van Jeruzalem.

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Zie Peniël: De ligging van Peniël is niet zeker; de plaats lag bij de Jabbok.

De gouden kalveren van Betel en Dan

26Jerobeam zei in zijn hart: „Nu kan het koninkrijk terugkeren naar het huis van David.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
בְּלִבּ֑וֹ
(belibo)
in zijn hart
עַתָּ֛ה
(ata)
nu
תָּשׁ֥וּב
(tashuv)
zal terugkeren
הַמַּמְלָכָ֖ה
(hamamlakha)
het koninkrijk
לְבֵ֥ית
(leveit)
naar het huis van
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Als dit volk blijft optrekken om offers te brengen in het huis van Yahweh in Jeruzalem, dan zal het hart van dit volk terugkeren naar hun heer. Dat is Rechabeam, de koning van Juda. Zij zullen mij doden en terugkeren naar Rechabeam, de koning van Juda.”
אִֽם
(im)
als
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
trekt op
הָעָ֣ם
(haam)
dit
הַזֶּ֗ה
(haze)
volk
לַעֲשׂ֨וֹת
(laasot)
om te doen
זְבָחִ֤ים
(zevachim)
offers
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְ֠שָׁב
(veshav)
en zal terugkeren
לֵ֣ב
(lev)
hart van
הָעָ֤ם
(haam)
dit
הַזֶּה֙
(haze)
volk
אֶל
(el)
naar
אֲדֹ֣נֵיהֶ֔ם
(adoneihem)
hun heer
אֶל
(el)
naar
רְחַבְעָ֖ם
(rechavam)
Rechabeam
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַהֲרָגֻ֕נִי
(vaharaguni)
en zij zullen mij doden
וְשָׁ֖בוּ
(veshavu)
en zullen terugkeren
אֶל
(el)
naar
רְחַבְעָ֥ם
(rechavam)
Rechabeam
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

28De koning overlegde en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen hen: „Het is te veel voor jullie om op te trekken naar Jeruzalem. Zie, dit zijn jullie goden, Israël, die jou uit het land Egypte hebben geleid.”
וַיִּוָּעַ֣ץ
(vayivaats)
en overlegde
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּ֕עַשׂ
(vayaas)
en maakte
שְׁנֵ֖י
(shenei)
twee
עֶגְלֵ֣י
(eglei)
kalveren van
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
רַב
(rav)
te veel
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
מֵעֲל֣וֹת
(mealot)
om op te trekken
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je goden
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶעֱל֖וּךָ
(heelukha)
hebben opgevoerd jou
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

עֶגְלֵי זָהָב (egley zahav), ‘gouden kalveren’: beelden van jonge stieren.

Zie Exod. 32:4 en 32:8, waar Aäron hetzelfde zegt: ‘Dit zijn jullie goden, Israël, die jou uit het land Egypte hebben geleid.’

Het Hebreeuws heeft hier de enkelvoudsvorm ‘je’ (Israël als geheel).

29Het ene kalf plaatste hij in Betel. Het andere gaf hij een plaats in Dan.
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en plaatste
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֶחָ֖ד
(haechad)
het ene
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵ֑ל
(el)
El
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֶחָ֖ד
(haechad)
het andere
נָתַ֥ן
(natan)
gaf hij
בְּדָֽן
(bedan)
in Dan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betel (בֵּית־אֵל, Bet-El) ligt bij Beitin op de Westelijke Jordaanoever, aan de zuidgrens van het noordelijke rijk.

Dan (Tel Dan) ligt in het uiterste noorden, bij de bron van de Jordaan, in het huidige Israël.

Zie ook Gen. 28:19.

30Deze zaak werd tot zonde. Het volk ging voor het ene kalf uit, tot in Dan.
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het was
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
לְחַטָּ֑את
(lechatat)
tot zonde
וַיֵּלְכ֥וּ
(vayelekhu)
en gingen
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הָאֶחָ֖ד
(haechad)
het ene
עַד
(ad)
tot
דָּֽן
(dan)
Dan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan).

31Hij maakte ook een huis van hoogten. Hij maakte priesters uit alle delen van het volk, die niet van de zonen van Levi waren.
וַיַּ֖עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
בָּמ֑וֹת
(bamot)
hoogten
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
כֹּֽהֲנִים֙
(kohanim)
priesters
מִקְצ֣וֹת
(miqtsot)
uit de delen van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
הָי֖וּ
(hayu)
waren
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
לֵוִֽי
(levi)
Levi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקְצוֹת הָעָם (miqtsot ha’am), ‘uit alle delen van het volk’.

Het woord kan ‘uit de uiteinden’ betekenen, dus uit allerlei mensen, ook gewone.

Het punt is dat zij niet van Levi waren.

Zie Num. 3:5–10; Deut. 18:1–5.

32Jerobeam hield een feest in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest in Juda. Hij klom op het altaar. Zo deed hij in Betel: hij slachtte voor de kalveren die hij gemaakt had. In Betel stelde hij ook de priesters van de hoogten aan die hij gemaakt had.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en maakte
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
חָ֡ג
(chag)
feest
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁמִינִ֣י
(hashemini)
de achtste
בַּחֲמִשָּֽׁה
(bachamisha)
op de vijfde
עָשָׂר֩
(asar)
tien
י֨וֹם
(yom)
dag
לַחֹ֜דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
כֶּחָ֣ג
(kechag)
zoals het feest
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בִּיהוּדָ֗ה
(bihuda)
in Juda
וַיַּ֨עַל֙
(vayaal)
en klom
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
כֵּ֤ן
(ken)
zo
עָשָׂה֙
(asa)
deed hij
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵ֔ל
(el)
El
לְזַבֵּ֖חַ
(lezabeach)
om te slachten
לָעֲגָלִ֣ים
(laagalim)
voor de kalveren
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij had gemaakt
וְהֶעֱמִיד֙
(veheemid)
en stelde aan
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in Bet
אֵ֔ל
(el)
El
אֶת
(et)
(obj.)
כֹּהֲנֵ֥י
(kohanei)
priesters van
הַבָּמ֖וֹת
(habamot)
de hoogten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָֽׂה
(asa)
hij had gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

Het feest in Juda is het Loofhuttenfeest (Lev. 23:33–36, 39–43), dat in de zevende maand wordt gehouden.

Jerobeam verschuift het naar de achtste maand.

Ook de vijftiende dag komt overeen met Lev. 23:34.

Lezing

Wij volgen de Masoretische tekst.

Sommige oude vertalingen hebben in dit gedeelte een andere volgorde van de verzen.

33Hij klom op het altaar dat hij in Betel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand. Dat was de maand die hij uit zijn eigen hart had bedacht. Hij hield een feest voor de zonen van Israël. Hij klom op het altaar om offers in rook te laten opgaan.
וַיַּ֜עַל
(vayaal)
en klom
עַֽל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֣חַ
(hamizbeach)
het altaar
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עָשָׂ֣ה
(asa)
hij had gemaakt
בְּבֵֽית
(beveit)
in Bet
אֵ֗ל
(el)
El
בַּחֲמִשָּׁ֨ה
(bachamisha)
op de vijfde
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
יוֹם֙
(yom)
dag
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁמִינִ֔י
(hashemini)
de achtste
בַּחֹ֖דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּדָ֣א
(bada)
hij had bedacht
מִלִּבּ֑וֹ
(milibo)
uit zijn hart
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
חָג֙
(chag)
feest
לִבְנֵ֣י
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en klom
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
לְהַקְטִֽיר
(lehaqtir)
om te laten opgaan in rook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft מִלְּבַד (millevad), ‘afgezien van’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft מִלִּבּוֹ (millibbo), ‘uit zijn hart’.

Wij volgen de qere.