1 Johannes 5
Geloof, overwinning en getuigenis; eeuwig leven
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Geloof overwint de wereld
γεγέννηται (gegennetai), ‘is verwekt’: zie 2:29. ὁ γεννήσας (ho gennesas), ‘de Verwekker’: Elohim, de Vader; het deelwoord is letterlijk ‘hij die verwekt heeft’. ὁ γεγεννημένος ἐξ αὐτοῦ (ho gegennemenos ex autou), ‘wie uit Hem verwekt is’: de gelovige.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘ook’ (καί); wij volgen de SBLGNT.
Het Grieks heeft hier ποιέω (poieo), ‘doen’, bij de geboden; elders in de brief τηρέω (tereo), ‘onderhouden’ (2:3; 3:22; 5:3).
Wij houden beide weergaven.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het werkwoord ‘doen’ (ποιῶμεν); wij volgen de SBLGNT.
ἡ ἀγάπη τοῦ θεοῦ (he agape tou theou), ‘de liefde van Elohim’: zie 2:5. βαρύς (barys), ‘zwaar’: Yeshua zegt in Matt. 11:30 dat Zijn last licht is.
Zie ook Matt. 11:30.
νικάω (nikao), ‘overwinnen’, en νίκη (nike), ‘overwinning’: dit is het enige voorkomen van νίκη in de brief. πᾶν τὸ γεγεννημένον (pan to gegennemenon), ‘alles wat verwekt is’: het Grieks heeft hier onzijdig enkelvoud.
Vergelijk Joh. 16:33.
Zie ook Joh. 16:33.
Het getuigenis over de Zoon
δι’ ὕδατος καὶ αἵματος (di’ hydatos kai haimatos), ‘door water en bloed’: de tekst zegt niet waarnaar ‘water’ en ‘bloed’ verwijzen.
Vergelijk Joh. 19:34, waar bloed en water uit Yeshua’s zijde komen, en Joh. 3:5. ἐλθών (elthon), ‘gekomen’: zie 4:2.
Het Geest-getuigenis: vergelijk Joh. 15:26.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden ‘in het bloed’ (ἐν); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 19:34; Joh. 3:5; Joh. 15:26.
εἰς τὸ ἕν εἰσιν (eis to hen eisin), ‘zijn tot het ene’: letterlijk ‘zijn naar het ene’; wij lezen de uitdrukking zo dat de drie getuigen op hetzelfde uitkomen, dus ‘overeenstemmen’.
De drie zijn de Geest, het water en het bloed (vers 6).
μαρτυρία (martyria), ‘getuigenis’.
Het getuigenis van twee of drie getuigen geldt als geldig; vergelijk Deut. 19:15 en Joh. 8:17–18. μεμαρτύρηκεν (memartyreken), ‘heeft getuigd’: een voltooide vorm.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘dat’ (ὅτι); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Deut. 19:15; Joh. 8:17–18.
ἐν αὑτῷ (en hauto), ‘in zichzelf’: het getuigenis zit in de gelovige. ψεύστης (pseustes), ‘leugenaar’: zie 1:10. πιστεύω εἰς (pisteuo eis), ‘geloven in’, en πιστεύω τῷ θεῷ (pisteuo to theo), ‘Elohim geloven’: het Grieks gebruikt twee constructies.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘zichzelf’ (αὑτῷ); wij volgen de SBLGNT.
ζωὴ αἰώνιος (zoe aionios), ‘eeuwig leven’: zie 2:25 en Joh. 3:15–16.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden ‘Elohim ons’ (ὁ θεὸς ἡμῖν); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 3:15–16.
‘Het leven’ is hier het eeuwige leven uit vers 11.
Vergelijk Joh. 3:36.
Zie ook Joh. 3:36.
Eeuwig leven en gebed
Vergelijk Joh. 20:31 aan het slot van het evangelie.
De brief schrijft aan wie al geloven, zodat zij weten dat zij eeuwig leven hebben.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woord ‘jullie’ (ὑμῖν), bij de woorden ‘jullie hebben eeuwig’ en bij de woorden ‘die geloven’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 20:31.
παρρησία (parresia), ‘vrijmoedigheid’: zie 2:28 en 3:21. κατὰ τὸ θέλημα αὐτοῦ (kata to thelema autou), ‘overeenkomstig Zijn wil’.
Vergelijk Joh. 14:13–14.
Zie ook Joh. 14:13–14.
αἴτημα (aitema), ‘het gevraagde’: wat men gevraagd heeft. αἰτέω (aiteo), ‘vragen’, wordt in de verzen 14–16 steeds gebruikt voor het vragen aan Elohim.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woord ‘ook maar’ (ἐάν) en bij het voorzetsel ‘van’ (ἀπ’); wij volgen de SBLGNT.
ἁμαρτία πρὸς θάνατον (hamartia pros thanaton), ‘zonde tot de dood’: de tekst zegt niet welke zonde dit is.
Wij voegen geen uitleg toe.
‘Hij zal vragen, en Hij zal hem leven geven’: de eerste ‘hij’ is de bidder; het onderwerp van ‘zal geven’ staat niet in het Grieks, wij lezen Elohim. ἐρωτάω (erotao), ‘verzoeken’, aan het slot is een ander woord dan αἰτέω (aiteo), ‘vragen’, eerder in het vers.
ἀδικία (adikia), ‘onrecht’: zie 1:9.
‘Alle onrecht is zonde’; tegelijk is er zonde ‘die niet tot de dood is’.
Zie ook vers 16.
Wij weten
οἴδαμεν (oidamen), ‘wij weten’: dit staat in de verzen 18, 19 en 20. γεγεννημένος (gegennemenos), ‘verwekt’ (voltooide tijd), en γεννηθείς (gennetheis), ‘verwekt’ (aoristus): het tweede deelwoord kan de Zoon zijn, die de gelovige bewaart; het kan ook de gelovige zelf zijn.
Wij kiezen de Zoon en schrijven daarom ‘Hij’ met een hoofdletter.
Zie 3:9.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘hem’ (αὐτόν); wij volgen de SBLGNT.
ἐν τῷ πονηρῷ (en to ponero), ‘in de boze’: de vorm kan ‘in de boze’ (de duivel) of ‘in het kwaad’ zijn; wij kiezen ‘de boze’, zoals in 2:13 en 3:12. κεῖται (keitai), ‘ligt’: zich bevinden in.
ἥκει (heikei), ‘is gekomen’: het werkwoord ἥκω betekent ‘gekomen zijn’ en ‘aanwezig zijn’. διάνοια (dianoia), ‘inzicht’: het vermogen om te begrijpen. ὁ ἀληθινός (ho alethinos), ‘de Ware’: zie 2:8 en Joh. 17:3.
‘Deze’ (οὗτος) kan op de Zoon slaan of op de Vader (‘de Ware’); de tekst zegt het niet.
Wij laten beide open.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het werkwoord ‘wij kennen’ (γινώσκωμεν); wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 17:3.
εἴδωλον (eidolon), ‘afgod’: een beeld van een god; φυλάσσω (fylasso), ‘zich hoeden’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij het woord ‘afgoden’ (εἰδώλων); wij volgen de SBLGNT.