Elohim Bijbel

Joël 2

1234

Het leger van Yahweh, de oproep tot boete en de belofte van herstel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Blaas de ramshoorn in Sion

1„Blaas de ramshoorn in Sion en laat een alarmkreet klinken op Mijn heilige berg.” Alle inwoners van het land moeten beven, want de dag van Yahweh komt, want hij is nabij.
תִּקְע֨וּ
(tiqu)
blaast
שׁוֹפָ֜ר
(shofar)
de ramshoorn
בְּצִיּ֗וֹן
(betsiyon)
in Sion
וְהָרִ֨יעוּ֙
(vehariu)
en laat een alarmkreet klinken
בְּהַ֣ר
(behar)
op de berg van
קָדְשִׁ֔י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
יִרְגְּז֕וּ
(yirgezu)
laten beven
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
inwoners van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
כִּֽי
(ki)
want
בָ֥א
(ba)
komt
יוֹם
(yom)
de dag van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
קָרֽוֹב
(qarov)
nabij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: zie de Uitleg bij Joël 1:15.

In dit hoofdstuk beschrijft de profeet de dag als het optrekken van een leger (verzen 1–11).

הַר קָדְשִׁי (har qodshi), ‘Mijn heilige berg’: de berg is Sion, waar Yahweh woont. Wie hier spreekt, is niet aangegeven. Het ‘Mijn’ klinkt als de stem van Yahweh Zelf, midden in de oproep van de profeet. Omdat hier de eerste persoon staat, zetten wij de eerste zin rood, zoals ‘Mijn heilige berg’ in Joël 4:17. De rest van het vers (‘de dag van Yahweh komt’) spreekt over Yahweh in de derde persoon en blijft zwart.

Sion is de heuvel van Jeruzalem met de tempel.

2Een dag van duisternis en donkerte; een dag van wolken en dikke nevel. Als de dageraad ligt het uitgespreid over de bergen: een volk, talrijk en machtig. Zoals het is er nooit geweest sinds de oertijd. Na hem komt er niets meer bij, tot in de jaren van geslacht op geslacht.
י֧וֹם
(yom)
een dag van
חֹ֣שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וַאֲפֵלָ֗ה
(vaafela)
en donkerte
י֤וֹם
(yom)
een dag van
עָנָן֙
(anan)
wolken
וַעֲרָפֶ֔ל
(vaarafel)
en dikke nevel
כְּשַׁ֖חַר
(keshachar)
als de dageraad
פָּרֻ֣שׂ
(parus)
uitgespreid
עַל
(al)
over
הֶֽהָרִ֑ים
(heharim)
de bergen
עַ֚ם
(am)
een volk
רַ֣ב
(rav)
talrijk
וְעָצ֔וּם
(veatsum)
en machtig
כָּמֹ֗הוּ
(kamohu)
zoals hij
לֹ֤א
(lo)
niet
נִֽהְיָה֙
(nihya)
is geweest
מִן
(min)
sinds
הָ֣עוֹלָ֔ם
(haolam)
de oertijd
וְאַֽחֲרָיו֙
(veacharav)
en na hem
לֹ֣א
(lo)
niet
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
komt erbij
עַד
(ad)
tot
שְׁנֵ֖י
(shenei)
de jaren van
דּ֥וֹר
(dor)
geslacht
וָדֽוֹר
(vador)
en geslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּשַׁחַר פָּרֻשׂ (keshachar parus), ‘als de dageraad uitgespreid’: het volk komt als een donkere massa die zich uitspreidt over de bergen, zoals het licht bij het ochtendgloren.

מִן הָעוֹלָם (min ha’olam), ‘sinds de oertijd’: van de vroegste tijd af.

Het ‘volk’ is het leger van Yahweh. Hoe het zich verhoudt tot de sprinkhanen van hoofdstuk 1 zegt de tekst niet.

Een leger als vuur

3Voor hem uit verteert vuur, en achter hem laait een vlam. Het land is vóór hem als de tuin van Eden, en achter hem een verwoeste woestijn. En ook is er voor hem geen ontkomen.
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor hem
אָ֣כְלָה
(akhela)
verteert
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
וְאַחֲרָ֖יו
(veacharav)
en achter hem
תְּלַהֵ֣ט
(telahet)
laait
לֶֽהָבָ֑ה
(lehava)
een vlam
כְּגַן
(kegan)
als de tuin van
עֵ֨דֶן
(eden)
Eden
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
לְפָנָ֗יו
(lefanav)
voor hem
וְאַֽחֲרָיו֙
(veacharav)
en achter hem
מִדְבַּ֣ר
(midbar)
een woestijn van
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
verwoesting
וְגַם
(vegam)
en ook
פְּלֵיטָ֖ה
(peleita)
een ontkomen
לֹא
(lo)
niet
הָ֥יְתָה
(hayeta)
is
לּֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גַּן עֵדֶן (gan Eden), ‘de tuin van Eden’: het land dat vruchtbaar was als de tuin van Eden, wordt een woestijn.

Zie Gen. 2:8.

פְּלֵיטָה (peletah), ‘ontkomen’: een ontsnapping of wie ontsnapt is. Er is geen ontkomen aan.

4Zijn uiterlijk is als het uiterlijk van paarden, en als ruiters rennen zij.
כְּמַרְאֵ֥ה
(kemare)
als het uiterlijk van
סוּסִ֖ים
(susim)
paarden
מַרְאֵ֑הוּ
(marehu)
zijn uiterlijk
וּכְפָרָשִׁ֖ים
(ukhefarashim)
en als ruiters
כֵּ֥ן
(ken)
zo
יְרוּצֽוּן
(yerutsun)
rennen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּרָשִׁים (parashim), ‘ruiters’: het woord kan ook ‘paarden’ betekenen.

Wij houden ‘ruiters’, omdat het vers al ‘paarden’ noemt.

Zie ookOpenb 9:7
5Als het gerommel van wagens springen zij over de toppen van de bergen. Het klinkt als het geknetter van een vuurvlam die stoppels verteert, als een machtig volk, opgesteld voor de strijd.
כְּק֣וֹל
(keqol)
als het geluid van
מַרְכָּב֗וֹת
(markavot)
wagens
עַל
(al)
over
רָאשֵׁ֤י
(rashei)
de toppen van
הֶֽהָרִים֙
(heharim)
de bergen
יְרַקֵּד֔וּן
(yeraqedun)
springen zij
כְּקוֹל֙
(keqol)
als het geknetter van
לַ֣הַב
(lahav)
een vlam van
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
אֹכְלָ֖ה
(okhela)
die verteert
קָ֑שׁ
(qash)
stoppels
כְּעַ֣ם
(keam)
als een volk
עָצ֔וּם
(atsum)
machtig
עֱר֖וּךְ
(erukh)
opgesteld
מִלְחָמָֽה
(milchama)
voor de strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָשׁ (qash), ‘stoppels’: het droge stro dat na de oogst op het veld blijft staan.

Een vuur verteert het snel en maakt veel lawaai.

6Voor hem krimpen de volken ineen van angst. Alle gezichten zijn verbleekt.
מִפָּנָ֖יו
(mipanav)
voor hem
יָחִ֣ילוּ
(yachilu)
krimpen ineen
עַמִּ֑ים
(amim)
volken
כָּל
(kal)
alle
פָּנִ֖ים
(panim)
gezichten
קִבְּצ֥וּ
(qibetsu)
zijn verbleekt
פָארֽוּר
(parur)
hun gloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קִבְּצוּ פָארוּר (qibbetsu fa’ur), ‘zijn verbleekt’: letterlijk ‘zij verzamelden gloed’.

De betekenis is onzeker: ‘zij trekken hun kleur in’, dus ‘zij verbleken’.

7Als helden rennen zij, als krijgsmannen beklimmen zij de muur. Ieder gaat zijn eigen weg, en zij wijken niet af van hun paden.
כְּגִבּוֹרִ֣ים
(kegiborim)
als helden
יְרֻצ֔וּן
(yerutsun)
rennen zij
כְּאַנְשֵׁ֥י
(keanshei)
als mannen van
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
de strijd
יַעֲל֣וּ
(yaalu)
beklimmen zij
חוֹמָ֑ה
(choma)
de muur
וְאִ֤ישׁ
(veish)
en ieder
בִּדְרָכָיו֙
(bidrakhav)
op zijn wegen
יֵֽלֵכ֔וּן
(yelekhun)
gaat zij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְעַבְּט֖וּן
(yeabetun)
wijken zij af
אֹרְחוֹתָֽם
(orechotam)
van hun paden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְעַבְּטוּן (ye’abbetun), ‘zij wijken af’: het werkwoord komt alleen hier voor.

De betekenis is onzeker: ‘zij wijken af’ of ‘zij verruilen’.

Het beeld is een leger dat in rechte rij vooruit trekt.

8Niemand dringt zijn broer opzij. Ieder gaat op zijn eigen pad. Zij storten zich door de wapens heen en breken niet.
וְאִ֤ישׁ
(veish)
en ieder
אָחִיו֙
(achiv)
zijn broer
לֹ֣א
(lo)
niet
יִדְחָק֔וּן
(yidchaqun)
dringt zij opzij
גֶּ֥בֶר
(gever)
een man
בִּמְסִלָּת֖וֹ
(bimsilato)
op zijn pad
יֵֽלֵכ֑וּן
(yelekhun)
gaat zij
וּבְעַ֥ד
(uvead)
en door
הַשֶּׁ֛לַח
(hashelach)
de wapens
יִפֹּ֖לוּ
(yipolu)
storten zij zich
לֹ֥א
(lo)
niet
יִבְצָֽעוּ
(yivtsau)
breken zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁלַח (shelach), ‘wapens’: het woord kan ‘werpwapen’ of ‘wapenrusting’ betekenen.

De betekenis is onzeker.

יִבְצָעוּ (yivtsa’u), ‘zij breken’: zij laten zich niet doorbreken, of zij breken hun rij niet. Het Hebreeuws is kort; wij houden het kort.

9In de stad stormen zij rond, op de muur rennen zij, in de huizen klimmen zij. Door de vensters komen zij binnen als een dief.
בָּעִ֣יר
(bair)
in de stad
יָשֹׁ֗קּוּ
(yashoqu)
stormen zij rond
בַּֽחוֹמָה֙
(bachoma)
op de muur
יְרֻצ֔וּן
(yerutsun)
rennen zij
בַּבָּתִּ֖ים
(babatim)
in de huizen
יַעֲל֑וּ
(yaalu)
klimmen zij
בְּעַ֧ד
(bead)
door
הַחַלּוֹנִ֛ים
(hachalonim)
de vensters
יָבֹ֖אוּ
(yavou)
komen zij binnen
כַּגַּנָּֽב
(kaganav)
als een dief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De dag van Yahweh

10Voor hem beeft de aarde, de hemel davert. Zon en maan worden donker, en de sterren trekken hun glans in.
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor hem
רָ֣גְזָה
(rageza)
beeft
אֶ֔רֶץ
(erets)
de aarde
רָעֲשׁ֖וּ
(raashu)
davert
שָׁמָ֑יִם
(shamayim)
de hemel
שֶׁ֤מֶשׁ
(shemesh)
zon
וְיָרֵ֨חַ֙
(veyareach)
en maan
קָדָ֔רוּ
(qadaru)
worden donker
וְכוֹכָבִ֖ים
(vekhokhavim)
en sterren
אָסְפ֥וּ
(asefu)
trekken in
נָגְהָֽם
(nageham)
hun glans
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Aarde en hemel, zon, maan en sterren worden in een opsomming genoemd, zoals in Joël 3:4 en 4:15 (Hebreeuwse telling).

Het beeld van duisternis hoort bij de dag van Yahweh (vers 2).

11Yahweh laat Zijn stem horen voor Zijn leger uit. Want zeer groot is Zijn kamp, want machtig is wie Zijn woord uitvoert. Want groot is de dag van Yahweh en zeer vreeswekkend. Wie kan hem verdragen?
וַֽיהוָ֗ה
(vaYahweh)
en Yahweh
נָתַ֤ן
(natan)
laat horen
קוֹלוֹ֙
(qolo)
Zijn stem
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
חֵיל֔וֹ
(cheilo)
Zijn leger
כִּ֣י
(ki)
want
רַ֤ב
(rav)
groot
מְאֹד֙
(meod)
zeer
מַחֲנֵ֔הוּ
(machanehu)
is Zijn kamp
כִּ֥י
(ki)
want
עָצ֖וּם
(atsum)
machtig
עֹשֵׂ֣ה
(ose)
is wie uitvoert
דְבָר֑וֹ
(devaro)
Zijn woord
כִּֽי
(ki)
want
גָד֧וֹל
(gadol)
groot
יוֹם
(yom)
de dag van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנוֹרָ֥א
(venora)
en vreeswekkend
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
וּמִ֥י
(umi)
en wie
יְכִילֶֽנּוּ
(yekhilenu)
kan hem verdragen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie voor het leger uitgaat, is Yahweh Zelf.

Het leger is dus Zijn leger.

וְנוֹרָא (venora), ‘vreeswekkend’: ‘ontzagwekkend’. Het woord gaat over het ontzag dat de dag oproept.

Keer terug tot Yahweh

12„Maar ook nu, godsspraak van Yahweh: keer terug tot Mij met heel je hart, met vasten, met geween en met rouwklacht.”
וְגַם
(vegam)
en ook
עַתָּה֙
(ata)
nu
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שֻׁ֥בוּ
(shuvu)
keert terug
עָדַ֖י
(aday)
tot Mij
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבַבְכֶ֑ם
(levavkhem)
je hart
וּבְצ֥וֹם
(uvetsom)
en met vasten
וּבְבְכִ֖י
(uvevekhi)
en met geween
וּבְמִסְפֵּֽד
(uvemisped)
en met rouwklacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profetische boeken.

Zij geeft aan dat Yahweh Zelf spreekt.

Wij zetten Zijn woorden rood.

וְגַם עַתָּה (vegam attah), ‘maar ook nu’: ondanks het oordeel dat al begonnen is, is terugkeer nog mogelijk.

שֻׁבוּ (shuvu), ‘keer terug’: het gaat om omkeren van de weg, dus bekering.

13Scheur je hart en niet je kleren, en keer terug tot Yahweh, jullie Elohim. Want Hij is genadig en barmhartig, langzaam tot toorn, rijk aan trouw, en Hij laat Zich het kwaad rouwen.
וְקִרְע֤וּ
(veqiru)
en scheurt
לְבַבְכֶם֙
(levavkhem)
je hart
וְאַל
(veal)
en niet
בִּגְדֵיכֶ֔ם
(bigdeikhem)
je kleren
וְשׁ֖וּבוּ
(veshuvu)
en keert terug
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֑ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
כִּֽי
(ki)
want
חַנּ֤וּן
(chanun)
genadig
וְרַחוּם֙
(verachum)
en barmhartig
ה֔וּא
(hu)
Hij
אֶ֤רֶךְ
(erekh)
langzaam tot
אַפַּ֨יִם֙
(apayim)
toorn
וְרַב
(verav)
en rijk aan
חֶ֔סֶד
(chesed)
trouw
וְנִחָ֖ם
(venicham)
en laat Zich rouwen
עַל
(al)
over
הָרָעָֽה
(haraa)
het kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De woorden ‘genadig en barmhartig, langzaam tot toorn en rijk aan trouw’ komen overeen met Exod. 34:6.

In Exodus staat de volgorde ‘barmhartig en genadig’; hier ‘genadig en barmhartig’.

Dezelfde belijdenis klinkt in Ps. 103:8 en Jona 4:2.

וְנִחָם עַל הָרָעָה (venicham al hara’ah), ‘Hij laat Zich het kwaad rouwen’: Yahweh laat het aangekondigde kwaad achterwege. Zie Exod. 32:14 en Jona 4:2, waar dezelfde woorden staan.

קִרְעוּ (qir’u), ‘scheur’: het scheuren van kleren was een teken van rouw. De profeet vraagt om echte inkeer in het hart.

14Wie weet of Hij terugkeert en Zich laat rouwen, en een zegen achter Zich laat: graanoffer en plengoffer voor Yahweh, jullie Elohim.
מִ֥י
(mi)
wie
יוֹדֵ֖עַ
(yodea)
weet
יָשׁ֣וּב
(yashuv)
Hij keert terug
וְנִחָ֑ם
(venicham)
en laat Zich rouwen
וְהִשְׁאִ֤יר
(vehishir)
en laat achter
אַֽחֲרָיו֙
(acharav)
achter Zich
בְּרָכָ֔ה
(berakha)
een zegen
מִנְחָ֣ה
(mincha)
graanoffer
וָנֶ֔סֶךְ
(vanesekh)
en plengoffer
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִי יוֹדֵעַ (mi yodea), ‘wie weet’: de profeet belooft niets af te dwingen.

Het hangt van Yahweh af.

Dezelfde woorden staan in Jona 3:9.

Roep het volk bijeen

15Blaas de ramshoorn in Sion, heilig een vasten, roep een plechtige bijeenkomst uit.
תִּקְע֥וּ
(tiqu)
blaast
שׁוֹפָ֖ר
(shofar)
de ramshoorn
בְּצִיּ֑וֹן
(betsiyon)
in Sion
קַדְּשׁוּ
(qadeshu)
heiligt
צ֖וֹם
(tsom)
een vasten
קִרְא֥וּ
(qiru)
roept uit
עֲצָרָֽה
(atsara)
een plechtige bijeenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het hoofdstuk herhaalt de oproep van vers 1.

Hier gaat het om een heilige bijeenkomst.

Zie de Uitleg bij Joël 1:14 voor ‘plechtige bijeenkomst’ (עֲצָרָה, atsarah).

16Verzamel het volk, heilig de vergadering, breng de oudsten samen, verzamel de kinderen en de zuigelingen. Laat de bruidegom uit zijn kamer komen en de bruid uit haar bruidskamer.
אִסְפוּ
(isfu)
verzamelt
עָ֞ם
(am)
het volk
קַדְּשׁ֤וּ
(qadeshu)
heiligt
קָהָל֙
(qahal)
de vergadering
קִבְצ֣וּ
(qivtsu)
brengt samen
זְקֵנִ֔ים
(zeqenim)
oudsten
אִסְפוּ֙
(isfu)
verzamelt
עֽוֹלָלִ֔ים
(olalim)
kinderen
וְיֹנְקֵ֖י
(veyoneqei)
en zuigelingen van
שָׁדָ֑יִם
(shadayim)
borsten
יֵצֵ֤א
(yetse)
laat uitgaan
חָתָן֙
(chatan)
de bruidegom
מֵֽחֶדְר֔וֹ
(mechedro)
uit zijn kamer
וְכַלָּ֖ה
(vekhala)
en de bruid
מֵחֻפָּתָֽהּ
(mechupatah)
uit haar bruidskamer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֻפָּה (chuppah), ‘bruidskamer’: de plek of de tent waar de bruid en de bruidegom hun huwelijk voltrokken.

Zelfs een pasgetrouwd paar mag er niet wegblijven.

17Tussen de voorhal en het altaar moeten de priesters, de dienaren van Yahweh, wenen. Laten zij zeggen: „Heb medelijden, Yahweh, met Uw volk. Geef Uw erfdeel niet prijs aan smaad, zodat volken over hen heersen. Waarom zouden zij onder de volken zeggen: ‘Waar is hun Elohim?’”
בֵּ֤ין
(bein)
tussen
הָאוּלָם֙
(haulam)
de voorhal
וְלַמִּזְבֵּ֔חַ
(velamizbeach)
en het altaar
יִבְכּוּ֙
(yivku)
wenen zij
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
מְשָׁרְתֵ֖י
(mesharetei)
de dienaren van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְֽיֹאמְר֞וּ
(veyomru)
en laten zeggen
ח֧וּסָה
(chusa)
heb medelijden
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
met
עַמֶּ֗ךָ
(amekha)
Uw volk
וְאַל
(veal)
en niet
תִּתֵּ֨ן
(titen)
geef
נַחֲלָתְךָ֤
(nachalatekha)
Uw erfdeel
לְחֶרְפָּה֙
(lecherpa)
tot smaad
לִמְשָׁל
(limshal)
zodat heersen
בָּ֣ם
(bam)
over hen
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
לָ֚מָּה
(lama)
waarom
יֹאמְר֣וּ
(yomru)
zouden zij zeggen
בָֽעַמִּ֔ים
(baamim)
onder de volken
אַיֵּ֖ה
(aye)
waar is
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: de voorhal van de tempel.

Het altaar staat in de voorhof ervoor.

De priesters staan dus tussen het heiligdom en het altaar.

Zie 1 Kon. 6:3.

לִמְשָׁל בָּם גּוֹיִם (limshol bam goyim), ‘dat volken over hen heersen’: de medeklinkers kunnen ook gelezen worden als ‘tot een spotrede bij de volken’. Het Hebreeuws kiest niet. Wij kiezen ‘heersen’.

נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’: het volk is Yahweh’s eigen bezit.

Yahweh antwoordt

18Toen werd Yahweh ijverig voor Zijn land en had Hij medelijden met Zijn volk.
וַיְקַנֵּ֥א
(vayqane)
en werd ijverig
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְאַרְצ֑וֹ
(leartso)
voor Zijn land
וַיַּחְמֹ֖ל
(vayachmol)
en had medelijden
עַל
(al)
met
עַמּֽוֹ
(amo)
Zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is verhalend: ‘Toen werd Yahweh ijverig’.

Sommigen lezen het als een voorspelling die volgt op het gebed.

Het Hebreeuws gebruikt hier de verhalende vorm; wij houden de verleden tijd.

קִנֵּא (qinne), ‘ijverig worden’: Yahweh zet zich met hartstocht in voor Zijn land.

19Yahweh antwoordde en zei tegen Zijn volk: „Zie, Ik stuur jullie het koren, de most en de olie. Jullie zullen daarvan verzadigd worden. Ik zal jullie niet langer tot smaad maken onder de volken.
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en antwoordde
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לְעַמּ֗וֹ
(leamo)
tegen Zijn volk
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
שֹׁלֵ֤חַ
(sholeach)
stuur
לָכֶם֙
(lakhem)
jullie
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּגָן֙
(hadagan)
het koren
וְהַתִּיר֣וֹשׁ
(vehatirosh)
en de most
וְהַיִּצְהָ֔ר
(vehayitshar)
en de olie
וּשְׂבַעְתֶּ֖ם
(usevatem)
en jullie zullen verzadigd worden
אֹת֑וֹ
(oto)
daarvan
וְלֹא
(velo)
en niet
אֶתֵּ֨ן
(eten)
maak Ik
אֶתְכֶ֥ם
(etkhem)
jullie
ע֛וֹד
(od)
langer
חֶרְפָּ֖ה
(cherpa)
tot smaad
בַּגּוֹיִֽם
(bagoyim)
onder de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf dit vers antwoordt Yahweh Zelf.

Zijn woorden lopen door tot en met vers 20 en staan rood.

De verzen 21 tot en met 24 zijn weer de woorden van de profeet.

20De noorderling zal Ik ver van jullie verwijderen. Ik verdrijf hem naar een dor en verlaten land: zijn voorhoede naar de oostelijke zee en zijn achterhoede naar de westelijke zee. Zijn stank zal opstijgen en zijn walm zal opstijgen, want hij heeft grote dingen gedaan.”
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
הַצְּפוֹנִ֞י
(hatsefoni)
de noorderling
אַרְחִ֣יק
(archiq)
verwijder Ik
מֵעֲלֵיכֶ֗ם
(mealeikhem)
van jullie
וְהִדַּחְתִּיו֮
(vehidachtiv)
en Ik verdrijf hem
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land
צִיָּ֣ה
(tsiya)
dor
וּשְׁמָמָה֒
(ushemama)
en verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנָ֗יו
(panav)
zijn voorhoede
אֶל
(el)
naar
הַיָּם֙
(hayam)
de zee
הַקַּדְמֹנִ֔י
(haqadmoni)
oostelijke
וְסֹפ֖וֹ
(vesofo)
en zijn achterhoede
אֶל
(el)
naar
הַיָּ֣ם
(hayam)
de zee
הָאַֽחֲר֑וֹן
(haacharon)
westelijke
וְעָלָ֣ה
(veala)
en zal opstijgen
בָאְשׁ֗וֹ
(baesho)
zijn stank
וְתַ֨עַל֙
(vetaal)
en zal opstijgen
צַחֲנָת֔וֹ
(tsachanato)
zijn walm
כִּ֥י
(ki)
want
הִגְדִּ֖יל
(higdil)
hij heeft groot gemaakt
לַעֲשֽׂוֹת
(laasot)
te doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַצְּפוֹנִי (hatsfoni), ‘de noorderling’: letterlijk ‘de noordelijke’.

Wie of wat bedoeld wordt, is onzeker: de sprinkhanenzwerm, het leger uit het noorden of een vijand.

Wij houden de letterlijke vorm.

כִּי הִגְדִּיל לַעֲשׂוֹת (ki higdil la’asot), ‘want hij heeft grote dingen gedaan’: het onderwerp is hier waarschijnlijk de noorderling, die zich groot gemaakt heeft. In vers 21 staat dezelfde uitdrukking met Yahweh als onderwerp.

Wees niet bang, grond

21Wees niet bang, grond. Juich en wees blij, want Yahweh heeft grote dingen gedaan.
אַל
(al)
niet
תִּֽירְאִ֖י
(tirei)
wees bang
אֲדָמָ֑ה
(adama)
grond
גִּ֣ילִי
(gili)
juich
וּשְׂמָ֔חִי
(usemachi)
en wees blij
כִּֽי
(ki)
want
הִגְדִּ֥יל
(higdil)
heeft groot gemaakt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשֽׂוֹת
(laasot)
te doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדָמָה (adamah), ‘grond’: de profeet spreekt de aarde zelf aan, die in hoofdstuk 1 rouwde (Joël 1:10).

Nu mag zij juichen.

22Wees niet bang, dieren van het veld, want de weiden van de woestijn zijn groen geworden. Want de boom draagt zijn vrucht; de vijgenboom en de wijnstok geven hun kracht.
אַל
(al)
niet
תִּֽירְאוּ֙
(tireu)
weest bang
בַּהֲמ֣וֹת
(bahamot)
dieren van
שָׂדַ֔י
(saday)
het veld
כִּ֥י
(ki)
want
דָשְׁא֖וּ
(dasheu)
zijn groen geworden
נְא֣וֹת
(neot)
weiden van
מִדְבָּ֑ר
(midbar)
de woestijn
כִּֽי
(ki)
want
עֵץ֙
(ets)
de boom
נָשָׂ֣א
(nasa)
draagt
פִרְי֔וֹ
(piryo)
zijn vrucht
תְּאֵנָ֥ה
(teena)
de vijgenboom
וָגֶ֖פֶן
(vagefen)
en de wijnstok
נָתְנ֥וּ
(natenu)
geven
חֵילָֽם
(cheilam)
hun kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂדַי (sadai), ‘veld’: een dichterlijke vorm van het woord voor ‘veld’.

Het gaat niet om ‘mijn velden’.

23Zonen van Sion, juich en verheug je in Yahweh, jullie Elohim. Want Hij heeft jullie de herfstregen gegeven tot gerechtigheid. Hij laat de regen voor jullie neerkomen, herfstregen en lenteregen, als vroeger.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
צִיּ֗וֹן
(tsiyon)
Sion
גִּ֤ילוּ
(gilu)
juicht
וְשִׂמְחוּ֙
(vesimchu)
en verheugt u
בַּיהוָ֣ה
(baYahweh)
in Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
כִּֽי
(ki)
want
נָתַ֥ן
(natan)
heeft gegeven
לָכֶ֛ם
(lakhem)
jullie
אֶת
(et)
(obj.)
הַמּוֹרֶ֖ה
(hamore)
de herfstregen
לִצְדָקָ֑ה
(litsdaqa)
tot gerechtigheid
וַיּ֣וֹרֶד
(vayored)
en liet neerkomen
לָכֶ֗ם
(lakhem)
voor jullie
גֶּ֛שֶׁם
(geshem)
regen
מוֹרֶ֥ה
(more)
herfstregen
וּמַלְק֖וֹשׁ
(umalqosh)
en lenteregen
בָּרִאשֽׁוֹן
(barishon)
als vroeger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

הַמּוֹרֶה (hammoreh) betekent ‘de herfstregen’, de eerste regen van het najaar.

Het woord betekent ook ‘leraar’.

Zie bij Lezing.

מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘lenteregen’: de late regen in het voorjaar, vlak voor de oogst.

לִצְדָקָה (litsdaqah), ‘tot gerechtigheid’: ook ‘naar recht’, ‘naar behoren’.

Lezing

Wij lezen הַמּוֹרֶה als ‘de herfstregen’, omdat hetzelfde vers het woord daarna als regen (מוֹרֶה) noemt.

Anderen lezen ‘de leraar tot gerechtigheid’.

Beide zijn mogelijk.

24De dorsvloeren zullen vol graan zijn, en de perskuipen zullen overlopen van most en olie.
וּמָלְא֥וּ
(umaleu)
en zullen vol zijn
הַגֳּרָנ֖וֹת
(hagoranot)
de dorsvloeren
בָּ֑ר
(bar)
van graan
וְהֵשִׁ֥יקוּ
(veheshiqu)
en zullen overlopen
הַיְקָבִ֖ים
(hayqavim)
de perskuipen
תִּיר֥וֹשׁ
(tirosh)
van most
וְיִצְהָֽר
(veyitshar)
en olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh vergoedt de jaren

25„Ik zal jullie de jaren vergoeden die de sprinkhaan, de vreter, de kaalvreter en de knipper hebben opgegeten, Mijn grote leger dat Ik tegen jullie gestuurd heb.
וְשִׁלַּמְתִּ֤י
(veshilamti)
en Ik zal vergoeden
לָכֶם֙
(lakhem)
jullie
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁנִ֔ים
(hashanim)
de jaren
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
אָכַ֣ל
(akhal)
heeft opgegeten
הָֽאַרְבֶּ֔ה
(haarbe)
de sprinkhaan
הַיֶּ֖לֶק
(hayeleq)
de vreter
וְהֶחָסִ֣יל
(vehechasil)
en de kaalvreter
וְהַגָּזָ֑ם
(vehagazam)
en de knipper
חֵילִי֙
(cheili)
Mijn leger
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
het grote
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
שִׁלַּ֖חְתִּי
(shilachti)
Ik stuurde
בָּכֶֽם
(bakhem)
tegen jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dezelfde vier namen als in Joël 1:4, nu in een andere volgorde: sprinkhaan, vreter, kaalvreter, knipper.

Zie de Uitleg bij Joël 1:4.

חֵילִי הַגָּדוֹל (cheyli haggadol), ‘Mijn grote leger’: Yahweh noemt de sprinkhanen Zijn leger. Zij waren door Hem gestuurd.

Vanaf dit vers spreekt Yahweh weer Zelf. Zijn toespraak loopt door in het volgende hoofdstuk (Joël 3:1, Hebr.).

26Jullie zullen volop eten en verzadigd worden. Jullie zullen de naam van Yahweh, jullie Elohim, loven, die wonderen met jullie gedaan heeft. Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden.
וַאֲכַלְתֶּ֤ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
אָכוֹל֙
(akhol)
volop
וְשָׂב֔וֹעַ
(vesavoa)
en verzadigd worden
וְהִלַּלְתֶּ֗ם
(vehilaltem)
en jullie zullen loven
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֤ם
(shem)
de naam van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֥ה
(asa)
heeft gedaan
עִמָּכֶ֖ם
(imakhem)
met jullie
לְהַפְלִ֑יא
(lehafli)
wonderen
וְלֹא
(velo)
en niet
יֵבֹ֥שׁוּ
(yevoshu)
worden beschaamd
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon (‘de naam van Yahweh, jullie Elohim’).

Het blijft Zijn eigen toespraak; wij zetten het rood.

לְעוֹלָם (le’olam), ‘voor eeuwig’: ook ‘voor altijd’.

27Jullie zullen weten dat Ik in het midden van Israël ben. Ik ben Yahweh, jullie Elohim, en er is geen ander. Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden.
וִידַעְתֶּ֗ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּ֣י
(ki)
dat
בְקֶ֤רֶב
(beqerev)
in het midden van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אָ֔נִי
(ani)
Ik
וַאֲנִ֛י
(vaani)
en Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֖ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is er
ע֑וֹד
(od)
ander
וְלֹא
(velo)
en niet
יֵבֹ֥שׁוּ
(yevoshu)
worden beschaamd
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is het slot van de toespraak in dit hoofdstuk.

Zij loopt door in Joël 3:1 (Hebr.), het begin van het volgende hoofdstuk: ‘Daarna zal het gebeuren …’.