Herders, de spruit van David en de valse profeten; de last van Yahweh
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wee de herders
1„Wee de herders die de kudde van Mijn weide laten omkomen en verstrooien, godsspraak van Yahweh.”
ה֣וֹי
(hoy)
wee
רֹעִ֗ים
(roim)
herders
מְאַבְּדִ֧ים
(meabedim)
die laten omkomen
וּמְפִצִ֛ים
(umefitsim)
en die verstrooien
אֶת
(et)
(obj.)
צֹ֥אן
(tson)
kudde van
מַרְעִיתִ֖י
(mariti)
Mijn weide
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נאם יהוה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Jer. 1:8.
רֹעִים (ro’im), ‘herders’: in het Oude Nabije Oosten een beeld voor koningen en leiders. Zie ook Jer. 2:8 en 10:21.
מַרְעִיתִי (mar’iti), ‘Mijn weide’: het land en het volk waarvoor Yahweh zorgt. Zie Ps. 100:3.
2Daarom, zo zegt Yahweh, Elohim van Israël, over de herders die Mijn volk weiden: „Jullie hebben Mijn kudde verstrooid en verdreven. Jullie hebben niet naar hen omgezien. Zie, Ik zal jullie straffen voor het kwaad van jullie daden, godsspraak van Yahweh.
לָ֠כֵן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
עַֽל
(al)
over
הָרֹעִים֮
(haroim)
de herders
הָרֹעִ֣ים
(haroim)
die weiden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּי֒
(ami)
Mijn volk
אַתֶּ֞ם
(atem)
jullie
הֲפִצֹתֶ֤ם
(hafitsotem)
hebben verstrooid
אֶת
(et)
(obj.)
צֹאנִי֙
(tsoni)
Mijn kudde
וַתַּדִּח֔וּם
(vatadichum)
en jullie hebben hen verdreven
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
פְקַדְתֶּ֖ם
(peqadtem)
zijn jullie omgezien
אֹתָ֑ם
(otam)
naar hen
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
פֹקֵ֧ד
(poqed)
straf
עֲלֵיכֶ֛ם
(aleikhem)
over jullie
אֶת
(et)
(obj.)
רֹ֥עַ
(roa)
het kwaad van
מַעַלְלֵיכֶ֖ם
(maalleikhem)
jullie daden
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פקדתם (peqadtem), ‘jullie hebben omgezien’, en פקד (poqed), ‘Ik straf’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘kijken naar, zorgen voor’ en ook ‘ter verantwoording roepen, straffen’.
3Ik zelf zal de overgeblevenen van Mijn kudde verzamelen uit alle landen waarheen Ik hen heb verdreven. Ik breng hen terug naar hun weide, en zij zullen vruchtbaar zijn en talrijk worden.
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en Ik zelf
אֲקַבֵּץ֙
(aqabets)
zal verzamelen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
צֹאנִ֔י
(tsoni)
Mijn kudde
מִכֹּל֙
(mikol)
uit alle
הָאֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
landen
אֲשֶׁר
(asher)
waarheen
הִדַּ֥חְתִּי
(hidachti)
heb Ik verdreven
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וַהֲשִׁבֹתִ֥י
(vahashivoti)
en Ik zal terugbrengen
אֶתְהֶ֛ן
(ethen)
hen
עַל
(al)
naar
נְוֵהֶ֖ן
(nevehen)
hun weide
וּפָר֥וּ
(ufaru)
en zij zullen vruchtbaar zijn
וְרָבֽוּ
(veravu)
en talrijk worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁארית (she’erit), ‘de overgeblevenen’: wie van de kudde overblijft.
נוהן (nevehen), ‘hun weide’: de plaats waar de kudde graast en rust.
5„Zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, en Ik zal voor David een rechtvaardige spruit doen opstaan. Hij zal als koning regeren, wijs handelen en recht en gerechtigheid doen in het land.
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
יָמִ֤ים
(yamim)
dagen
בָּאִים֙
(baim)
komen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַהֲקִמֹתִ֥י
(vahaqimoti)
en Ik zal doen opstaan
לְדָוִ֖ד
(ledavid)
voor David
צֶ֣מַח
(tsemach)
spruit
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
rechtvaardige
וּמָ֤לַךְ
(umalakh)
en koning
מֶ֨לֶךְ֙
(melekh)
zal als koning regeren
וְהִשְׂכִּ֔יל
(vehiskil)
en wijs handelen
וְעָשָׂ֛ה
(veasa)
en doen
מִשְׁפָּ֥ט
(mishpat)
recht
וּצְדָקָ֖ה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צמח צדיק (tsemach tsaddiq), ‘rechtvaardige spruit’: tsemach is wat uit de grond opschiet, een scheut.
Het woord staat in Jes. 4:2 voor de ‘spruit van Yahweh’ en in Jer. 33:15 voor dezelfde belofte.
Het is een koninklijke titel voor de nakomeling van David.
ומלך מלך (umelekh melekh), ‘Hij zal als koning regeren’: het werkwoord wordt herhaald om de nadruk.
והשׂכיל (vehiskil), ‘wijs handelen’: het werkwoord שָׂכַל (sakhal) betekent ‘inzicht hebben’ en ‘slagen’. Beide klinken mee.
De belofte van Jer. 23:5–6 staat ook in Jer. 33:15–16.
7Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat men niet meer zal zeggen: ‘Zo waar Yahweh leeft, die de zonen van Israël uit het land Egypte heeft laten optrekken’,
לָכֵ֛ן
(lakhen)
daarom
הִנֵּֽה
(hine)
zie
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
בָּאִ֖ים
(baim)
komen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹא
(velo)
en niet
יֹ֤אמְרוּ
(yomru)
zal men zeggen
עוֹד֙
(od)
meer
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
הֶעֱלָ֛ה
(heela)
heeft laten optrekken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Dit vers en het volgende staan bijna woordelijk ook in Jer. 16:14–15.
De uittocht uit Egypte (Exod. 14) blijft belangrijk, maar de terugkeer uit alle landen zal nog groter zijn.
חי יהוה (chay Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eedformule.
8maar: ‘Zo waar Yahweh leeft, die het nageslacht van het huis van Israël heeft laten optrekken en heeft laten komen uit het land in het noorden en uit alle landen waarheen Ik hen had verdreven.’ Dan zullen zij wonen op hun eigen grond.”
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
(maar)
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֶעֱלָה֩
(heela)
heeft laten optrekken
וַאֲשֶׁ֨ר
(vaasher)
en die
הֵבִ֜יא
(hevi)
heeft laten komen
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֨רַע
(zera)
nageslacht van
בֵּ֤ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
צָפ֔וֹנָה
(tsafona)
in het noorden
וּמִכֹּל֙
(umikol)
en uit alle
הָֽאֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
landen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarheen
הִדַּחְתִּ֖ים
(hidachtim)
heb Ik hen verdreven
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וְיָשְׁב֖וּ
(veyashevu)
en zij zullen wonen
עַל
(al)
op
אַדְמָתָֽם
(admatam)
hun grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צפונה (tsafonah), ‘van het noorden’: bedoeld is Babel, dat voor Juda in het noorden ligt (Jer. 1:14).
הדחתים (hiddachtim), ‘Ik had hen verdreven’: Yahweh spreekt hier in de eerste persoon, midden in de woorden die de mensen later zullen uitspreken.
9Over de profeten: mijn hart is gebroken in mij, al mijn beenderen beven. Ik ben als een dronken man, als een man die door wijn overmand is, vanwege Yahweh en vanwege Zijn heilige woorden.
לַנְּבִאִ֞ים
(laneviim)
over de profeten
נִשְׁבַּ֧ר
(nishbar)
is gebroken
לִבִּ֣י
(libi)
mijn hart
בְקִרְבִּ֗י
(beqirbi)
binnen in mij
רָֽחֲפוּ֙
(rachafu)
beven
כָּל
(kal)
al
עַצְמוֹתַ֔י
(atsmotay)
mijn beenderen
הָיִ֨יתִי֙
(hayiti)
ik ben geworden
כְּאִ֣ישׁ
(keish)
als een man
שִׁכּ֔וֹר
(shikor)
dronken
וּכְגֶ֖בֶר
(ukhegever)
en als een man
עֲבָ֣רוֹ
(avaro)
heeft overmand
יָ֑יִן
(yayin)
wijn
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּמִפְּנֵ֖י
(umipenei)
en vanwege
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
קָדְשֽׁוֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לנבאים (lannevi’im), ‘over de profeten’: dit is de aanhef van een nieuw deel (23:9–40).
De profeet Jeremia spreekt hier zelf.
Zijn woorden staan zwart.
דברי קדשׁו (divrei qodsho), ‘Zijn heilige woorden’: de woorden van Yahweh, die Hij heilig noemt.
רחפו (rachafu), ‘beven’: van het werkwoord רָחַף (rachaf), ‘beven, trillen’. Hetzelfde woord staat voor het ‘zweven’ van de Geest van Elohim in Gen. 1:2.
10Want het land is vol overspelers. Vanwege de vloek treurt het land, de weiden in de woestijn verdorren. Hun weg is kwaad en hun kracht is niet juist.
כִּ֤י
(ki)
want
מְנָֽאֲפִים֙
(menaafim)
overspelers
מָלְאָ֣ה
(malea)
vol is
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
כִּֽי
(ki)
want
מִפְּנֵ֤י
(mipenei)
vanwege
אָלָה֙
(ala)
de vloek
אָבְלָ֣ה
(avela)
treurt
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
יָבְשׁ֖וּ
(yaveshu)
zijn verdord
נְא֣וֹת
(neot)
weiden van
מִדְבָּ֑ר
(midbar)
de woestijn
וַתְּהִ֤י
(vatehi)
en is geworden
מְרֽוּצָתָם֙
(merutsatam)
hun weg
רָעָ֔ה
(raa)
kwaad
וּגְבוּרָתָ֖ם
(ugevuratam)
en hun kracht
לֹא
(lo)
niet
כֵֽן
(ken)
juist
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מנאפים (menafim), ‘overspelers’: letterlijk, en tegelijk in beeldspraak voor afgodendienst (Jer. 3:8–9; 9:1, NL 9:2).
אלה (alah), ‘vloek’: het kan ook ‘eed’ betekenen. Dan zijn het de valse eden die het land doen treuren.
מרוצתם (merutsatam), ‘hun weg’: letterlijk ‘hun lopen’ of ‘hun loop’.
12Daarom wordt hun weg voor hen als gladde plaatsen in het donker. Zij worden weggedreven en vallen erin. Want Ik breng onheil over hen in het jaar van hun straf, godsspraak van Yahweh.
לָכֵן֩
(lakhen)
daarom
יִֽהְיֶ֨ה
(yihye)
zal worden
דַרְכָּ֜ם
(darkam)
hun weg
לָהֶ֗ם
(lahem)
voor hen
כַּחֲלַקְלַקּוֹת֙
(kachalaqlaqot)
als gladde plaatsen
בָּֽאֲפֵלָ֔ה
(baafela)
in het donker
יִדַּ֖חוּ
(yidachu)
zullen zij worden weggedreven
וְנָ֣פְלוּ
(venafelu)
en vallen
בָ֑הּ
(bah)
erin
כִּֽי
(ki)
want
אָבִ֨יא
(avi)
zal Ik brengen
עֲלֵיהֶ֥ם
(aleihem)
over hen
רָעָ֛ה
(raa)
kwaad
שְׁנַ֥ת
(shenat)
jaar van
פְּקֻדָּתָ֖ם
(pequdatam)
hun straf
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כחלקלקות (kachalaqlaqqot), ‘als gladde plaatsen’: glibberige paden in het donker, waar men uitglijdt en valt.
פקדתם (pequddatam), ‘hun straf’: een zelfstandig naamwoord bij het werkwoord פָּקַד (paqad); zie vers 2.
14Bij de profeten van Jeruzalem heb Ik iets gruwelijks gezien: overspel plegen en wandelen in de leugen. Zij versterken de handen van kwaaddoeners, zodat niemand zich van zijn kwaad bekeert. Zij zijn allemaal voor Mij als Sodom geworden, en haar bewoners als Gomorra.”
וּבִנְבִאֵ֨י
(uvinviei)
en bij de profeten van
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
רָאִ֣יתִי
(raiti)
heb Ik gezien
שַׁעֲרוּרָ֗ה
(shaarura)
iets gruwelijks
נָא֞וֹף
(naof)
overspel plegen
וְהָלֹ֤ךְ
(vehalokh)
en gaan
בַּשֶּׁ֨קֶר֙
(basheqer)
in leugen
וְחִזְּקוּ֙
(vechizequ)
en zij versterken
יְדֵ֣י
(yedei)
handen van
מְרֵעִ֔ים
(mereim)
kwaaddoeners
לְבִ֨לְתִּי
(levilti)
zodat niet
שָׁ֔בוּ
(shavu)
zij zich bekeren
אִ֖ישׁ
(ish)
iemand
מֵרָֽעָת֑וֹ
(meraato)
van zijn kwaad
הָֽיוּ
(hayu)
zij zijn geworden
לִ֤י
(li)
voor Mij
כֻלָּם֙
(kulam)
allemaal
כִּסְדֹ֔ם
(kisdom)
als Sodom
וְיֹשְׁבֶ֖יהָ
(veyosheveiha)
en haar bewoners
כַּעֲמֹרָֽה
(kaamora)
als Gomorra
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
שׁערורה (sha’arurah), ‘iets gruwelijks’: een afschuwelijke zaak.
Het woord staat ook in Jer. 5:30, 18:13 en Hos. 6:10.
נאוף והלך בשׁקר (no’of vehalokh basheqer), ‘overspel plegen en wandelen in de leugen’: leugen en ontrouw gaan samen.
כסדם (kisdom), ‘als Sodom’: Sodom en Gomorra zijn het beeld van een volk dat zo kwaad is geworden dat het verdwijnt (Gen. 19; zie ook Jes. 1:9–10).
15Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten over de profeten: „Zie, Ik geef hun alsem te eten en geef hun gifwater te drinken. Want van de profeten van Jeruzalem is goddeloosheid uitgegaan naar het hele land.”
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
עַל
(al)
over
הַנְּבִאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
מַאֲכִ֤יל
(maakhil)
geef te eten
אוֹתָם֙
(otam)
hun
לַֽעֲנָ֔ה
(laana)
alsem
וְהִשְׁקִתִ֖ים
(vehishqitim)
en Ik geef te drinken hun
מֵי
(mei)
water van
רֹ֑אשׁ
(rosh)
gif
כִּ֗י
(ki)
want
מֵאֵת֙
(meet)
van
נְבִיאֵ֣י
(neviei)
profeten van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
יָצְאָ֥ה
(yatsea)
is uitgegaan
חֲנֻפָּ֖ה
(chanupa)
goddeloosheid
לְכָל
(lekhal)
naar heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
יהוה צבאות (Yahweh Tsevaot): zie de Uitleg bij Jer. 2:19.
לענה (la’anah), ‘alsem’: een zeer bittere plant.
מי ראשׁ (mei rosh), ‘gifwater’ (letterlijk ‘water van gif’): rosh is een giftig, bitter plantaardig middel; het kan ook ‘bitter water’ betekenen. Zie ook Jer. 8:14 en 9:14 (NL 9:15).
De woorden van Yahweh over de profeten vanaf ‘Zie’ staan rood. De aanhef ‘Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten over de profeten’ staat zwart.
16Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Luister niet naar de woorden van de profeten die voor jullie profeteren. Zij vullen jullie met damp. Zij spreken het visioen van hun eigen hart, niet wat uit de mond van Yahweh komt.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אַֽל
(al)
niet
תִּשְׁמְע֞וּ
(tishmeu)
luister
עַל
(al)
naar
דִּבְרֵ֤י
(divrei)
woorden van
הַנְּבִאִים֙
(haneviim)
de profeten
הַנִּבְּאִ֣ים
(hanibeim)
die profeteren
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
מַהְבִּלִ֥ים
(mahbilim)
zij maken tot damp
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
חֲז֤וֹן
(chazon)
visioen van
לִבָּם֙
(libam)
hun hart
יְדַבֵּ֔רוּ
(yedaberu)
spreken zij
לֹ֖א
(lo)
niet
מִפִּ֥י
(mipi)
uit de mond van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מהבלים (mahbilim), ‘zij maken tot damp’: het werkwoord is verwant aan הֶבֶל (hevel), ‘damp’, het woord van Pred. 1:2.
De profeten vullen het volk met iets dat niets is.
Wij gebruiken ‘damp’ zoals in Prediker.
חזון לבם (chazon libbam), ‘het visioen van hun hart’: een visioen dat uit henzelf komt, niet van Yahweh.
17Zij zeggen steeds tegen wie Mij verachten: ‘Yahweh heeft gesproken: er zal vrede voor jullie zijn.’ En tegen ieder die gaat in de hardnekkigheid van zijn hart zeggen zij: ‘Er zal geen onheil over jullie komen.’
אֹמְרִ֤ים
(omerim)
zij zeggen
אָמוֹר֙
(amor)
steeds
לִֽמְנַאֲצַ֔י
(limnaatsay)
tegen wie Mij verachten
דִּבֶּ֣ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׁל֖וֹם
(shalom)
vrede
יִֽהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
וְ֠כֹל
(vekhol)
en tegen ieder
הֹלֵ֞ךְ
(holekh)
die gaat
בִּשְׁרִר֤וּת
(bishrirut)
in de hardheid van
לִבּוֹ֙
(libo)
zijn hart
אָֽמְר֔וּ
(ameru)
zeggen zij
לֹֽא
(lo)
niet
תָב֥וֹא
(tavo)
zal komen
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
over jullie
רָעָֽה
(raa)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בשׁררות (bisherirut), ‘in de hardnekkigheid van’: de eigenwijsheid en koppigheid van het hart.
Zie ook Jer. 3:17 en 7:24.
למנאצי (limna’atsai), ‘tegen wie Mij verachten’: de profeten brengen de vredesboodschap bij wie Yahweh minacht.
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen ‘wie het woord van Yahweh verachten’.
18Want wie heeft er gestaan in de vertrouwelijke raad van Yahweh, zodat hij Zijn woord ziet en hoort? Wie heeft op Zijn woord gelet en geluisterd?
כִּ֣י
(ki)
want
מִ֤י
(mi)
wie
עָמַד֙
(amad)
heeft gestaan
בְּס֣וֹד
(besod)
in de vertrouwelijke raad van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיֵ֖רֶא
(veyere)
zodat hij ziet
וְיִשְׁמַ֣ע
(veyishma)
en hoort
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָר֑וֹ
(devaro)
Zijn woord
מִֽי
(mi)
wie
הִקְשִׁ֥יב
(hiqshiv)
heeft opgelet
דְּבָר֖וֹ
(devaro)
Zijn woord
וַיִּשְׁמָֽע
(vayishma)
en geluisterd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בסוד (besod), ‘in de vertrouwelijke raad van’: סוֹד (sod) is de kring van wie het vertrouwen van Yahweh hebben, zoals de hemelse raad in Ps. 89:8 en de vertrouwelijke raad in Ps. 25:14.
Een echte profeet heeft er gestaan en Yahweh gehoord (zie Jer. 23:22).
Dit is een andere zaak dan het ‘besluit’ (עֵצָה, etsah) van Yahweh.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) דְּבָרוֹ (devaro), ‘Zijn woord’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft דברי (devari), ‘Mijn woord’.
19Zie, de stormwind van Yahweh, Zijn woede, is uitgegaan. Een wervelende storm draait neer op het hoofd van de goddelozen.
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
סַעֲרַ֣ת
(saarat)
stormwind van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
חֵמָה֙
(chema)
Zijn woede
יָֽצְאָ֔ה
(yatsea)
is uitgegaan
וְסַ֖עַר
(vesaar)
en een storm
מִתְחוֹלֵ֑ל
(mitcholel)
wervelende
עַ֛ל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
hoofd van
רְשָׁעִ֖ים
(reshaim)
goddelozen
יָחֽוּל
(yachul)
zal neerdraaien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit en het volgende vers staan bijna woordelijk ook in Jer. 30:23–24.
וסער מתחולל (vesa’ar mitcholel), ‘een wervelende storm’: een storm die ronddraait. Hij draait neer op het hoofd van de goddelozen. In Jer. 30:23 staat bijna dezelfde zin met een ander woord voor ‘wervelende’.
20De toorn van Yahweh keert niet terug, totdat Hij de plannen van Zijn hart heeft uitgevoerd en laten opstaan. In de laatste dagen zullen jullie dit goed begrijpen.
לֹ֤א
(lo)
niet
יָשׁוּב֙
(yashuv)
zal terugkeren
אַף
(af)
toorn van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַד
(ad)
totdat
עֲשֹׂת֥וֹ
(asoto)
Hij heeft uitgevoerd
וְעַד
(vead)
en totdat
הֲקִימ֖וֹ
(haqimo)
Hij heeft laten opstaan
מְזִמּ֣וֹת
(mezimot)
plannen van
לִבּ֑וֹ
(libo)
Zijn hart
בְּאַֽחֲרִית֙
(beacharit)
in het einde van
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
תִּתְבּ֥וֹנְנוּ
(titbonenu)
zullen jullie begrijpen
בָ֖הּ
(bah)
het
בִּינָֽה
(bina)
inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מזמות לבו (mezimmot libbo), ‘de plannen van Zijn hart’: wat Yahweh bedacht heeft en zal uitvoeren.
Dit vers lijkt sterk op Jer. 30:24; het Hebreeuws verschilt daar in twee woorden: daar staat ‘de brandende toorn’ en het woord ‘inzicht’ ontbreekt.
תתבוננו בה בינה (titbonenu bah binah), ‘zullen jullie dit goed begrijpen’: het werkwoord בִּין (bin) wordt herhaald door het zelfstandig naamwoord בִּינָה (binah): ‘inzicht’.
22Maar als zij in Mijn vertrouwelijke raad hadden gestaan, dan hadden zij Mijn woorden aan Mijn volk laten horen. Zij hadden hen teruggebracht van hun boze weg en van het kwaad van hun daden.
וְאִֽם
(veim)
en als
עָמְד֖וּ
(amedu)
zij hadden gestaan
בְּסוֹדִ֑י
(besodi)
in Mijn vertrouwelijke raad
וְיַשְׁמִ֤עוּ
(veyashmiu)
dan hadden zij laten horen
דְבָרַי֙
(devaray)
Mijn woorden
אֶת
(et)
aan
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
וִֽישִׁבוּם֙
(vishivum)
en hadden zij hen teruggebracht
מִדַּרְכָּ֣ם
(midarkam)
van hun weg
הָרָ֔ע
(hara)
de boze
וּמֵרֹ֖עַ
(umeroa)
en van het kwaad van
מַֽעַלְלֵיהֶֽם
(maalleihem)
hun daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie vers 18.
Wie echt in de raad van Yahweh stond, brengt het volk terug van zijn kwade weg.
24Kan iemand zich verbergen op verborgen plaatsen, zodat Ik hem niet zie? Godsspraak van Yahweh. Vul Ik niet de hemel en de aarde? Godsspraak van Yahweh.
אִם
(im)
of
יִסָּתֵ֨ר
(yisater)
kan zich verbergen
אִ֧ישׁ
(ish)
iemand
בַּמִּסְתָּרִ֛ים
(bamistarim)
op verborgen plaatsen
וַאֲנִ֥י
(vaani)
en Ik
לֹֽא
(lo)
niet
אֶרְאֶ֖נּוּ
(erenu)
zie hem
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הֲל֨וֹא
(halo)
niet
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁמַ֧יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
de aarde
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
מָלֵ֖א
(male)
vul
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Ik heb gehoord wat de profeten zeggen, die in Mijn naam leugen profeteren: ‘Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.’
שָׁמַ֗עְתִּי
(shamati)
heb gehoord
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
אָֽמְרוּ֙
(ameru)
zeggen
הַנְּבִאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
הַֽנִּבְּאִ֥ים
(hanibeim)
die profeteren
בִּשְׁמִ֛י
(bishmi)
in Mijn naam
שֶׁ֖קֶר
(sheqer)
leugen
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
חָלַ֖מְתִּי
(chalamti)
ik heb gedroomd
חָלָֽמְתִּי
(chalamti)
ik heb gedroomd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חלמתי (chalamti), ‘ik heb gedroomd’: een droom kon een bericht van Yahweh zijn (Num. 12:6), maar de valse profeten gebruikten hun eigen dromen met het gezag van Yahweh.
27die van plan zijn Mijn volk Mijn naam te laten vergeten door hun dromen, die zij aan elkaar vertellen, zoals hun vaders Mijn naam vergaten om de Baäl?
הַחֹשְׁבִ֗ים
(hachoshevim)
die plannen
לְהַשְׁכִּ֤יחַ
(lehashkiach)
om te laten vergeten
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
שְׁמִ֔י
(shemi)
Mijn naam
בַּחֲל֣וֹמֹתָ֔ם
(bachalomotam)
door hun dromen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יְסַפְּר֖וּ
(yesaperu)
zij vertellen
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
לְרֵעֵ֑הוּ
(lereehu)
aan zijn naaste
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
שָׁכְח֧וּ
(shakhechu)
vergaten
אֲבוֹתָ֛ם
(avotam)
hun vaders
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
בַּבָּֽעַל
(babaal)
om de Baäl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De profeten willen het volk Yahweh’s naam laten vergeten.
Dat gebeurde ook bij de vaders, die de naam van Yahweh vergaten om de Baäl (zie Richt. 3:7).
28De profeet die een droom heeft, moet die droom vertellen. En wie Mijn woord heeft, moet Mijn woord in waarheid spreken. Wat heeft het stro met het koren te maken? Godsspraak van Yahweh.
הַנָּבִ֞יא
(hanavi)
de profeet
אֲשֶׁר
(asher)
die
אִתּ֤וֹ
(ito)
bij hem
חֲלוֹם֙
(chalom)
een droom
יְסַפֵּ֣ר
(yesaper)
moet vertellen
חֲל֔וֹם
(chalom)
droom
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en wie
דְּבָרִי֙
(devari)
Mijn woord
אִתּ֔וֹ
(ito)
bij hem
יְדַבֵּ֥ר
(yedaber)
moet spreken
דְּבָרִ֖י
(devari)
Mijn woord
אֱמֶ֑ת
(emet)
in waarheid
מַה
(ma)
wat
לַתֶּ֥בֶן
(lateven)
heeft het stro
אֶת
(et)
met
הַבָּ֖ר
(habar)
het koren
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לתבן (hatevan), ‘het stro’, en הבר (habbar), ‘het koren’: het gedorste graan.
Een droom is stro, Yahweh’s woord is koren: het woord dat voedt.
31Zie, Ik ben tegen de profeten, godsspraak van Yahweh, die hun tong nemen en een ‘godsspraak’ uitspreken.
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Mij
עַל
(al)
tegen
הַנְּבִיאִ֖ם
(haneviim)
de profeten
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הַלֹּקְחִ֣ים
(haloqechim)
die nemen
לְשׁוֹנָ֔ם
(leshonam)
hun tong
וַֽיִּנְאֲמ֖וּ
(vayinamu)
en een godsspraak uitspreken
נְאֻֽם
(neum)
godsspraak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וינאמו נאם (vayyin’amu ne’um), ‘en een godsspraak uitspreken’: het werkwoord נָאַם (na’am) is afgeleid van het zelfstandig naamwoord נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’, de formule voor de woorden van Yahweh.
Wat hier staat, is bijna een woordspeling: de profeten ‘godsspreken’ met hun eigen tong.
32Zie, Ik ben tegen de profeten van leugendromen, godsspraak van Yahweh. Zij vertellen die dromen en brengen Mijn volk op een dwaalspoor met hun leugens en hun roekeloosheid. Ik heb hen niet gezonden en hun niets bevolen. Zij zijn dit volk helemaal niet tot nut, godsspraak van Yahweh.”
הִ֠נְנִי
(hinni)
zie Mij
עַֽל
(al)
tegen
נִבְּאֵ֞י
(nibeei)
profeten van
חֲלֹמ֥וֹת
(chalomot)
dromen van
שֶׁ֨קֶר֙
(sheqer)
leugen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיְסַפְּרוּם֙
(vaysaperum)
en die ze vertellen
וַיַּתְע֣וּ
(vayatu)
en brengen op een dwaalspoor
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
בְּשִׁקְרֵיהֶ֖ם
(beshiqreihem)
met hun leugens
וּבְפַחֲזוּתָ֑ם
(uvefachazutam)
en hun roekeloosheid
וְאָנֹכִ֨י
(veanokhi)
terwijl Ik
לֹֽא
(lo)
niet
שְׁלַחְתִּ֜ים
(shelachtim)
heb gezonden hen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
צִוִּיתִ֗ים
(tsivitim)
heb bevolen hen
וְהוֹעֵ֛יל
(vehoeil)
en nut
לֹֽא
(lo)
niet
יוֹעִ֥ילוּ
(yoilu)
zullen zij nuttig zijn
לָֽעָם
(laam)
aan het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ובפחזותם (uvfachazutam), ‘hun roekeloosheid’: van פַּחַז (pachaz), ‘overmoedig, ongecontroleerd’.
33„En wanneer dit volk, of een profeet, of een priester je vraagt: ‘Wat is de last van Yahweh?’, zeg dan tegen hen: ‘Welke last? Ik zal jullie afwerpen, godsspraak van Yahweh.’
וְכִי
(vekhi)
en wanneer
יִשְׁאָלְךָ֩
(yishalekha)
vraagt je
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֜ה
(haze)
dit
אֽוֹ
(o)
of
הַנָּבִ֤יא
(hanavi)
een profeet
אֽוֹ
(o)
of
כֹהֵן֙
(kohen)
een priester
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
מַה
(ma)
wat
מַשָּׂ֖א
(masa)
last van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאָמַרְתָּ֤
(veamarta)
dan zul je zeggen
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
אֶת
(et)
(obj.)
מַה
(ma)
welke
מַשָּׂ֔א
(masa)
last
וְנָטַשְׁתִּ֥י
(venatashti)
en Ik zal afwerpen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
משׂא (massa), ‘last’: van het werkwoord נָשָׂא (nasa), ‘dragen, optillen’.
Een massa is een vracht die gedragen wordt.
Het woord is ook de gewone naam voor een zwaar profetisch woord, een ‘last’ (zie bijvoorbeeld Jes. 13:1).
Wij houden in dit hoofdstuk steeds het ene woord ‘last’.
Het hele stuk (vers 33–40) speelt met die twee betekenissen: het volk, de profeet en de priester vragen naar de ‘last van Yahweh’, maar Yahweh zegt dat zij zelf voor Hem een last zijn, die Hij afwerpt.
In Jer. 17:21–27 betekent hetzelfde woord gewoon ‘draaglast’: wat men op de sabbat draagt.
מה משׂא (et mah massa), ‘Welke last?’: de Masoretische tekst heeft hier letterlijk ‘[object] wat? last’.
ונטשׁתי (venatashti), ‘en Ik zal afwerpen’: het werkwoord נָטַשׁ (natash) betekent ‘achterlaten, loslaten, wegwerpen’. Wij kiezen ‘afwerpen’, omdat men een last afwerpt.
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen ‘jullie zijn de last’ (attem hammassa, met een andere klinker).
Dat past goed bij de woordspeling, maar wij volgen de Masoretische tekst.
36Maar de last van Yahweh moeten jullie niet meer noemen. Want voor ieder wordt zijn eigen woord de last. Jullie hebben de woorden van de levende Elohim verdraaid, van Yahweh van de legermachten, onze Elohim.
וּמַשָּׂ֥א
(umasa)
en last van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
תִזְכְּרוּ
(tizkeru)
zullen jullie noemen
ע֑וֹד
(od)
meer
כִּ֣י
(ki)
want
הַמַּשָּׂ֗א
(hamasa)
de last
יִֽהְיֶה֙
(yihye)
zal zijn
לְאִ֣ישׁ
(leish)
voor ieder
דְּבָר֔וֹ
(devaro)
zijn woord
וַהֲפַכְתֶּ֗ם
(vahafakhtem)
en jullie hebben verdraaid
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵי֙
(divrei)
woorden van
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
Elohim
חַיִּ֔ים
(chayim)
levende
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ומשׂא יהוה (umassa Yahweh), ‘en de last van Yahweh’: de uitdrukking mag niet meer klinken.
כי המשׂא יהיה לאישׁ דברו (ki hammassa yihyeh le’ish devaro), ‘Want voor ieder wordt zijn eigen woord de last’: wat een mens zijn ‘last van Yahweh’ noemt, is in werkelijkheid zijn eigen woord. Dat woord wordt dan zijn eigen last: hij moet het dragen.
אלהים חיים (Elohim chayyim), ‘levende Elohim’: zie Deut. 5:26 en Jer. 10:10.
37Zo moet je tegen de profeet zeggen: ‘Wat heeft Yahweh je geantwoord?’ en ‘Wat heeft Yahweh gesproken?’
כֹּ֥ה
(ko)
zo
תֹאמַ֖ר
(tomar)
zul je zeggen
אֶל
(el)
tot
הַנָּבִ֑יא
(hanavi)
de profeet
מֶה
(me)
wat
עָנָ֣ךְ
(anakh)
heeft geantwoord je
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּמַה
(uma)
en wat
דִּבֶּ֖ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Maar als jullie zeggen: ‘De last van Yahweh’, daarom, zo zegt Yahweh: Omdat jullie dit woord zeggen, ‘De last van Yahweh’, terwijl Ik naar jullie heb gestuurd met de woorden: ‘Jullie mogen niet zeggen: de last van Yahweh’,
וְאִם
(veim)
en als
מַשָּׂ֣א
(masa)
last van
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
תֹּאמֵרוּ֒
(tomeru)
zeggen jullie
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֧עַן
(yaan)
omdat
אֲמָרְכֶ֛ם
(amarekhem)
jullie zeggen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
מַשָּׂ֣א
(masa)
last van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וָאֶשְׁלַ֤ח
(vaeshlach)
terwijl Ik heb gestuurd
אֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
naar jullie
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאמְר֖וּ
(tomru)
mogen jullie zeggen
מַשָּׂ֥א
(masa)
last van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De formule ‘daarom, zo zegt Yahweh’ staat midden in Zijn woorden en is daarom rood.
39daarom, zie, Ik zal jullie volledig vergeten. Ik zal jullie afwerpen, jullie en de stad die Ik aan jullie en aan jullie vaders heb gegeven, weg van Mijn aangezicht.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
הִנְנִ֔י
(hinni)
zie Mij
וְנָשִׁ֥יתִי
(venashiti)
en Ik zal vergeten
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
נָשֹׁ֑א
(nasho)
volledig
וְנָטַשְׁתִּ֣י
(venatashti)
en Ik zal afwerpen
אֶתְכֶ֗ם
(etkhem)
jullie
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעִיר֙
(hair)
de stad
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נָתַ֧תִּי
(natati)
heb Ik gegeven
לָכֶ֛ם
(lakhem)
aan jullie
וְלַאֲבוֹתֵיכֶ֖ם
(velaavoteikhem)
en aan jullie vaders
מֵעַ֥ל
(meal)
weg van
פָּנָֽי
(panay)
Mijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ונשׁיתי אתכם נשׁא (venashiti etkhem nasho), ‘Ik zal jullie volledig vergeten’: de Masoretische tekst heeft hier het werkwoord נָשָׁה (nashah), ‘vergeten’.
De vorm נָשֹׁא (nasho) erachter lijkt op het werkwoord נָשָׂא (nasa), ‘optillen, dragen’.
Zo klinkt ook hier massa mee.
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen ‘Ik zal jullie optillen’ (van nasa).
Dat past bij de ‘last’: Hij tilt hen op en werpt ze weg.
40Ik leg een smaad voor eeuwig op jullie en een schande voor eeuwig, die niet vergeten zal worden.”
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal leggen
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
op jullie
חֶרְפַּ֣ת
(cherpat)
smaad van
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwigheid
וּכְלִמּ֣וּת
(ukhelimut)
en schande van
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwigheid
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לֹ֥א
(lo)
niet
תִשָּׁכֵֽחַ
(tishakheach)
vergeten zal worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חרפת עולם (cherpat olam), ‘een smaad voor eeuwig’, en וכלמות עולם (uchlimmut olam), ‘een schande voor eeuwig’: het woord עוֹלָם (olam) is ‘voor eeuwig’.