Open in de app Alle boeken Psalmen ← 68 70 → Psalmen 69 Red mij, Elohim: het water staat tot aan mijn ziel
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Opschrift 1 Voor de koorleider. Naar ‘De lelies’. Van David.
לַמְנַצֵּ֬חַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
שׁוֹשַׁנִּ֬ים
(shoshanim)
de lelies
לְדָוִֽד
(ledavid)
van David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לַמְנַצֵּחַ (lamnatseach), ‘voor de koorleider’: de betekenis is onzeker.
Wij vertalen ‘koorleider’.
עַל שׁוֹשַׁנִּים (al shoshannim), ‘naar De lelies’: waarschijnlijk de naam van een melodie of een instrument. De betekenis is onzeker.
In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.
Het water staat tot aan mijn ziel 2 Red mij, Elohim, want het water is tot aan mijn ziel gekomen.
הוֹשִׁיעֵ֥נִי
(hoshieni)
red mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het gehele levende wezen.
Hier kan het ook ‘keel’ of ‘leven’ zijn: het water staat tot aan de keel, dus het leven is in gevaar.
3 Ik ben gezonken in diep slijk, waar geen houvast is. Ik ben in de diepten van het water gekomen, en een stroom heeft mij meegesleurd.
טָבַ֤עְתִּי
(tavati)
ik ben gezonken
בִּיוֵ֣ן
(biven)
in slijk van
בָּ֥אתִי
(bati)
ik ben gekomen
בְמַעֲמַקֵּי
(bemaamaqei)
in de diepten van
וְשִׁבֹּ֥לֶת
(veshibolet)
en stroom
שְׁטָפָֽתְנִי
(shetafateni)
heeft meegesleurd mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יָוֵן (yaven), ‘slijk’: modder die geen houvast geeft.
מְצוּלָה (metsulah), ‘diepte’: de diepte van het water.
שִׁבֹּלֶת (shibbolet), ‘stroom’: hier een stromende vloed (vergelijk vers 16).
4 Ik ben moe van mijn roepen. Mijn keel is verschroeid. Mijn ogen zijn bezweken, terwijl ik wacht op mijn Elohim.
יָגַ֣עְתִּי
(yagati)
ik ben moe
בְקָרְאִי֮
(beqarei)
van mijn roepen
נִחַ֪ר
(nichar)
is verschroeid
גְּר֫וֹנִ֥י
(geroni)
mijn keel
כָּל֥וּ
(kalu)
zijn bezweken
מְ֝יַחֵ֗ל
(meyachel)
wachtend
לֵאלֹהָֽי
(lelohay)
op mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5 Talrijker dan de haren van mijn hoofd zijn zij die mij zonder reden haten. Machtig zijn zij die mij willen vernietigen, mijn vijanden, ten onrechte. Wat ik niet geroofd heb, moet ik dan teruggeven.
רַבּ֤וּ
(rabu)
zijn talrijker
מִשַּׂעֲר֣וֹת
(misaarot)
dan haren van
רֹאשִׁי֮
(roshi)
mijn hoofd
שֹׂנְאַ֪י
(soneay)
die mij haten
חִ֫נָּ֥ם
(chinam)
zonder reden
עָצְמ֣וּ
(atsemu)
zijn machtig
מַ֭צְמִיתַי
(matsmitay)
die mij willen vernietigen
אֹיְבַ֣י
(oyevay)
mijn vijanden
שֶׁ֑קֶר
(sheqer)
ten onrechte
גָ֝זַ֗לְתִּי
(gazalti)
ik heb geroofd
אָשִֽׁיב
(ashiv)
moet ik teruggeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De laatste zin is een beeld van iemand die beschuldigd wordt van iets wat hij niet heeft gedaan: hij moet teruggeven wat hij niet heeft genomen.
6 Elohim, U kent mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn niet voor U verborgen.
לְאִוַּלְתִּ֑י
(leivalti)
mijn dwaasheid
וְ֝אַשְׁמוֹתַ֗י
(veashmotay)
en mijn schulden
נִכְחָֽדוּ
(nikhchadu)
zijn verborgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7 Laat zij die op U hopen, door mij niet beschaamd worden, mijn Heer, Yahweh van de legermachten. Laat zij die U zoeken, door mij niet te schande komen, Elohim van Israël.
יֵ֘בֹ֤שׁוּ
(yevoshu)
laten beschaamd worden
קֹוֶיךָ֮
(qoveikha)
die op U hopen
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
mijn Heer
צְבָ֫א֥וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
יִכָּ֣לְמוּ
(yikalemu)
laten te schande komen
מְבַקְשֶׁ֑יךָ
(mevaqsheikha)
die U zoeken
אֱ֝לֹהֵ֗י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’, hier samen met de naam Yahweh van de legermachten, ‘Yahweh van de legermachten’ (1 Sam. 1:3).
Om U draag ik smaad 8 Want om U heb ik smaad gedragen. Schande heeft mijn gezicht bedekt.
נָשָׂ֣אתִי
(nasati)
ik heb gedragen
כִּסְּתָ֖ה
(kiseta)
heeft bedekt
פָנָֽי
(panay)
mijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9 Een vreemde ben ik geworden voor mijn broers, een buitenlander voor de zonen van mijn moeder.
מ֭וּזָר
(muzar)
een vreemde
הָיִ֣יתִי
(hayiti)
ik ben geworden
לְאֶחָ֑י
(leechay)
voor mijn broers
וְ֝נָכְרִ֗י
(venakheri)
en een buitenlander
לִבְנֵ֥י
(livnei)
voor de zonen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd, en de smaad van wie U smaden, is op mij gevallen.
קִנְאַ֣ת
(qinat)
ijver voor
בֵּיתְךָ֣
(beitekha)
Uw huis
אֲכָלָ֑תְנִי
(akhalateni)
heeft mij verteerd
וְחֶרְפּ֥וֹת
(vecherpot)
en smaad van
ח֝וֹרְפֶ֗יךָ
(chorefeikha)
wie U smaden
נָפְל֥וּ
(nafelu)
zijn gevallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִנְאָה (qin’ah), ‘ijver’: vurige zorg voor Zijn huis.
Het woord kan ook ‘jaloezie’ betekenen.
Joh. 2:17 en Rom. 15:3 halen dit vers aan.
11 Ik huilde, terwijl mijn ziel vastte, en het werd mij tot smaad.
וָאֶבְכֶּ֣ה
(vaevke)
en ik huilde
בַצּ֣וֹם
(batsom)
bij het vasten
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn ziel
וַתְּהִ֖י
(vatehi)
en het werd
לַחֲרָפ֣וֹת
(lacharafot)
tot smaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Mijn ziel vastte’: wie vastte, ‘vernederde zijn ziel’ (Lev. 16:29).
Het vasten is een teken van rouw en gebed.
12 Ik maakte een rouwkleed tot mijn kleding, en ik werd voor hen een spreekwoord.
וָאֶתְּנָ֣ה
(vaetena)
en ik maakte
לְבוּשִׁ֣י
(levushi)
mijn kleding
וָאֱהִ֖י
(vaehi)
en ik werd
לְמָשָֽׁל
(lemashal)
tot spreekwoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grof kleed van geitenhaar dat men bij rouw droeg (Gen. 37:34).
13 Wie in de poort zitten, praten over mij, en ik ben het lied van de drinkers van sterke drank.
יָשִׂ֣יחוּ
(yasichu)
zij praten
יֹ֣שְׁבֵי
(yoshevei)
zittenden van
וּ֝נְגִינ֗וֹת
(uneginot)
en liederen
שׁוֹתֵ֥י
(shotei)
drinkers van
שֵׁכָֽר
(shekhar)
sterke drank
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְגִינוֹת (neginot), ‘liederen’: hier spotliederen.
De dichter is het onderwerp van het lied.
Antwoord mij, Yahweh 14 Maar ik, mijn gebed is tot U, Yahweh, op een tijd van welbehagen. Elohim, antwoord mij in de grootheid van Uw trouw, met de waarheid van Uw redding.
תְפִלָּתִֽי
(tefilati)
mijn gebed
רָצ֗וֹן
(ratson)
welbehagen
בְּרָב
(berav)
in grootheid van
חַסְדֶּ֑ךָ
(chasdekha)
Uw trouw
עֲ֝נֵ֗נִי
(aneni)
antwoord mij
בֶּאֱמֶ֥ת
(beemet)
met waarheid van
יִשְׁעֶֽךָ
(yishekha)
Uw redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָצוֹן (ratson), ‘welbehagen’: een tijd waarin Yahweh welwillend is.
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw.
אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: betrouwbaarheid.
Zie ook vers 17.
15 Bevrijd mij uit de modder, zodat ik niet wegzink. Laat mij bevrijd worden van wie mij haten, en uit de diepten van het water.
הַצִּילֵ֣נִי
(hatsileni)
bevrijd mij
מִ֭טִּיט
(mitit)
uit modder
אֶטְבָּ֑עָה
(etbaa)
laat ik wegzinken
אִנָּצְלָ֥ה
(inatsela)
laat mij bevrijd worden
מִ֝שֹּֽׂנְאַ֗י
(misoneay)
van wie mij haten
וּמִמַּֽעֲמַקֵּי
(umimaamaqei)
en uit de diepten van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 Laat de stroom van het water mij niet meesleuren. Laat de diepte mij niet verslinden. Laat de put zijn mond niet boven mij sluiten.
תִּשְׁטְפֵ֤נִי
(tishtefeni)
laat meesleuren mij
שִׁבֹּ֣לֶת
(shibolet)
stroom van
תִּבְלָעֵ֣נִי
(tivlaeni)
laat verslinden mij
תֶּאְטַר
(tetar)
laat sluiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17 Antwoord mij, Yahweh, want goed is Uw trouw. Wend U naar mij toe, naar de grootheid van Uw ontferming.
עֲנֵ֣נִי
(aneni)
antwoord mij
חַסְדֶּ֑ךָ
(chasdekha)
Uw trouw
כְּרֹ֥ב
(kerov)
naar grootheid van
רַ֝חֲמֶ֗יךָ
(rachameikha)
Uw ontferming
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’: het woord hoort bij רֶחֶם (rechem), ‘baarmoeder’: de liefde van een moeder.
18 Verberg Uw aangezicht niet voor Uw dienaar, want ik ben in nood. Antwoord mij snel.
תַּסְתֵּ֣ר
(taster)
verberg
פָּ֭נֶיךָ
(paneikha)
Uw aangezicht
מֵֽעַבְדֶּ֑ךָ
(meavdekha)
voor Uw dienaar
עֲנֵֽנִי
(aneni)
antwoord mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 Kom dicht bij mijn ziel, verlos haar. Koop mij vrij, vanwege mijn vijanden.
קָרְבָ֣ה
(qareva)
kom dicht
נַפְשִׁ֣י
(nafshi)
mijn ziel
גְאָלָ֑הּ
(gealah)
verlos haar
לְמַ֖עַן
(lemaan)
omwille van
אֹיְבַ֣י
(oyevay)
mijn vijanden
פְּדֵֽנִי
(pedeni)
koop mij vrij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: als naaste familielid iemand uit de nood halen en zijn recht terugkopen (Ruth 4:4–6).
פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’: met een losprijs bevrijden.
20 U kent mijn smaad, mijn schaamte en mijn schande. Al mijn tegenstanders zijn voor U.
חֶרְפָּתִ֣י
(cherpati)
mijn smaad
וּ֭בָשְׁתִּי
(uvashti)
en mijn schaamte
וּכְלִמָּתִ֑י
(ukhelimati)
en mijn schande
נֶ֝גְדְּךָ֗
(negdekha)
voor U
צוֹרְרָֽי
(tsoreray)
mijn tegenstanders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Smaad heeft mijn hart gebroken, en ik ben ziek. Ik hoopte op iemand die met mij meeleeft, maar er was niemand, en op mensen die troosten, maar ik vond ze niet.
שָֽׁבְרָ֥ה
(shavera)
heeft gebroken
וָֽאָ֫נ֥וּשָׁה
(vaanusha)
en ik ben ziek
וָאֲקַוֶּ֣ה
(vaaqave)
en ik hoopte
לָנ֣וּד
(lanud)
op meeleven
וָאַ֑יִן
(vaayin)
en niemand
וְ֝לַמְנַחֲמִ֗ים
(velamnachamim)
en op mensen die troosten
מָצָֽאתִי
(matsati)
ik vond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְאָנוּשָׁה (va’anushah), ‘en ik ben ziek’: het woord kan ook ‘wanhopig’ of ‘ongeneeslijk’ betekenen.
22 Ze gaven mij gif als voedsel, en voor mijn dorst lieten ze mij azijn drinken.
וַיִּתְּנ֣וּ
(vayitenu)
en zij gaven
בְּבָרוּתִ֣י
(bevaruti)
als mijn voedsel
וְ֝לִצְמָאִ֗י
(velitsmai)
en voor mijn dorst
יַשְׁק֥וּנִי
(yashquni)
zij lieten mij drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֹאשׁ (rosh), ‘gif’: een bittere, giftige plant (vergelijk Deut. 29:17).
חֹמֶץ (chomets), ‘azijn’: zure wijn.
Matt. 27:34 en 27:48 verwijzen naar dit vers.
Laat hun tafel een strik worden 23 Laat hun tafel voor hen een strik worden, en voor wie in vrede leeft, een val.
שֻׁלְחָנָ֣ם
(shulchanam)
hun tafel
לִפְנֵיהֶ֣ם
(lifneihem)
voor hen
וְלִשְׁלוֹמִ֥ים
(velishlomim)
en voor wie in vrede leeft
לְמוֹקֵֽשׁ
(lemoqesh)
tot val
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְלִשְׁלוֹמִים (velishlomim): de betekenis is onzeker.
Het kan gaan om ‘wie in vrede leeft’, om ‘hun vredeoffers’ of om ‘hun welzijn’.
Wij vertalen ‘wie in vrede leeft’.
24 Laat hun ogen donker worden, zodat ze niet zien, en laat hun lenden voortdurend wankelen.
תֶּחְשַׁ֣כְנָה
(techshakhna)
laat donker worden
עֵ֭ינֵיהֶם
(eineihem)
hun ogen
מֵרְא֑וֹת
(mereot)
van zien
וּ֝מָתְנֵ֗יהֶם
(umateneihem)
en hun lenden
תָּמִ֥יד
(tamid)
voortdurend
הַמְעַֽד
(hamad)
laat wankelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25 Giet Uw gramschap over hen uit, en laat de gloed van Uw toorn hen inhalen.
עֲלֵיהֶ֥ם
(aleihem)
over hen
זַעְמֶ֑ךָ
(zamekha)
Uw gramschap
וַחֲר֥וֹן
(vacharon)
en gloed van
אַ֝פְּךָ֗
(apekha)
Uw toorn
יַשִּׂיגֵֽם
(yasigem)
laat inhalen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Laat hun kamp een woestenij worden. Laat er geen bewoner zijn in hun tenten.
טִֽירָתָ֥ם
(tiratam)
hun kamp
נְשַׁמָּ֑ה
(neshama)
woestenij
בְּ֝אָהֳלֵיהֶ֗ם
(beaholeihem)
in hun tenten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27 Want zij vervolgen wie U geslagen hebt, en zij vertellen van de pijn van Uw gewonden.
הִכִּ֣יתָ
(hikita)
U hebt geslagen
רָדָ֑פוּ
(radafu)
zij vervolgen
מַכְא֖וֹב
(makhov)
pijn van
חֲלָלֶ֣יךָ
(chalaleikha)
Uw gewonden
יְסַפֵּֽרוּ
(yesaperu)
zij vertellen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28 Leg schuld op hun schuld, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
עֲוֺנָ֑ם
(avonam)
hun schuld
יָ֝בֹ֗אוּ
(yavou)
laat komen
בְּצִדְקָתֶֽךָ
(betsidqatekha)
tot Uw gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָוֺן (avon), ‘schuld’: schuld die verkeerd gedrag achterlaat.
Het vers vraagt dat zij niet in Zijn gerechtigheid binnenkomen, dus niet vrijgesproken worden.
29 Laat hen uitgewist worden uit het boek van het leven, en laat hen niet met de rechtvaardigen opgeschreven worden.
יִ֭מָּחֽוּ
(yimachu)
laat uitgewist worden
מִסֵּ֣פֶר
(misefer)
uit boek van
צַ֝דִּיקִ֗ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
יִכָּתֵֽבוּ
(yikatevu)
laat opgeschreven worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֵפֶר חַיִּים (sefer chayyim), ‘boek van het leven’: het boek van de levenden (vergelijk Exod. 32:32–33).
Ik prijs de naam van Elohim 30 Maar ik ben ellendig en lijd pijn. Moge Uw redding, Elohim, mij hoog en veilig zetten.
וְכוֹאֵ֑ב
(vekhoev)
en pijn lijdend
יְשׁוּעָתְךָ֖
(yeshuatekha)
Uw redding
תְּשַׂגְּבֵֽנִי
(tesageveni)
moge mij hoog en veilig zetten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31 Ik wil de naam van Elohim prijzen met een lied en Hem groot maken met dankzegging.
אֲהַֽלְלָ֣ה
(ahalla)
ik wil prijzen
בְּשִׁ֑יר
(beshir)
met een lied
וַאֲגַדְּלֶ֥נּוּ
(vaagadelenu)
en ik wil Hem groot maken
בְתוֹדָֽה
(betoda)
met dankzegging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32 Dat zal Yahweh beter bevallen dan een os, een jonge stier met horens en gespleten hoeven.
וְתִיטַ֣ב
(vetitav)
en het zal beter bevallen
לַֽ֭יהוָה
(laYahweh)
Yahweh
מִשּׁ֥וֹר
(mishor)
dan een os
מַקְרִ֥ן
(maqrin)
met horens
מַפְרִֽיס
(mafris)
met gespleten hoeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַקְרִן (maqrin), ‘met horens’, מַפְרִיס (mafris), ‘met gespleten hoeven’: een rein dier dat geofferd mag worden (Lev. 11:3).
33 De nederigen zien het en verheugen zich. Jullie die Elohim zoeken, laat jullie hart leven.
עֲנָוִ֣ים
(anavim)
nederigen
יִשְׂמָ֑חוּ
(yismachu)
zij verheugen zich
דֹּרְשֵׁ֥י
(doreshei)
zoekers van
וִיחִ֥י
(vichi)
en laat leven
לְבַבְכֶֽם
(levavkhem)
jullie hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34 Want Yahweh hoort de armen, en Zijn gevangenen veracht Hij niet.
אֶבְיוֹנִ֣ים
(evyonim)
armen
אֲ֝סִירָ֗יו
(asirav)
Zijn gevangenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Hemel en aarde, prijs Hem 35 Laat hemel en aarde Hem prijzen, de zeeën en alles wat zich erin voortbeweegt.
יְֽ֭הַלְלוּהוּ
(yehalluhu)
laat Hem prijzen
וָאָ֑רֶץ
(vaarets)
en aarde
רֹמֵ֥שׂ
(romes)
wat zich voortbeweegt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36 Want Elohim zal Sion redden en de steden van Juda bouwen. Zij zullen daar wonen en het in bezit nemen.
י֘וֹשִׁ֤יעַ
(yoshia)
Hij zal redden
וְ֭יִבְנֶה
(veyivne)
en Hij zal bouwen
וְיָ֥שְׁבוּ
(veyashevu)
en zij zullen wonen
וִירֵשֽׁוּהָ
(vireshuha)
en zij zullen het bezitten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Sion is de berg in Jeruzalem met het heiligdom.
Juda is het gebied rond Jeruzalem, in het zuidelijke bergland.
37 En het nageslacht van Zijn dienaren zal het erven, en wie Zijn naam liefhebben, zullen erin wonen.
וְזֶ֣רַע
(vezera)
en nageslacht van
עֲ֭בָדָיו
(avadav)
Zijn dienaren
יִנְחָל֑וּהָ
(yinchaluha)
zullen het erven
וְאֹהֲבֵ֥י
(veohavei)
en liefhebbers van
יִשְׁכְּנוּ
(yishkenu)
zullen wonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)