Elohim Bijbel

2 Koningen 7

12345678910111213141516171819202122232425

Het verlaten kamp van Aram

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elisa kondigt overvloed aan

1Elisa zei: „Luister naar het woord van Yahweh! Zo zegt Yahweh: ‘Morgen, rond deze tijd, zal een maat meelbloem een sikkel kosten en twee maten gerst een sikkel, in de poort van Samaria.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלִישָׁ֔ע
(elisha)
Elisa
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
hoort
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּעֵ֤ת
(kaet)
rond de tijd
מָחָר֙
(machar)
morgen
סְאָֽה
(sea)
een maat
סֹ֣לֶת
(solet)
meelbloem
בְּשֶׁ֗קֶל
(besheqel)
voor een sikkel
וְסָאתַ֧יִם
(vesatayim)
en twee maten
שְׂעֹרִ֛ים
(seorim)
gerst
בְּשֶׁ֖קֶל
(besheqel)
voor een sikkel
בְּשַׁ֥עַר
(beshaar)
in de poort van
שֹׁמְרֽוֹן
(shomeron)
Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

סְאָה (se’ah), ‘maat’: een derde van een efa, ongeveer 7 liter.

סֹלֶת (solet), ‘meelbloem’: fijn meel.

בְּשֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: ongeveer 11,4 gram zilver.

Zo’n lage prijs is een groot wonder na de prijzen in 6:25.

2De officier op wiens hand de koning leunde, antwoordde de man van Elohim: „Zie, al zou Yahweh luiken in de hemel maken, zou dit dan gebeuren?” Hij zei: „Zie, je zult het met je eigen ogen zien, maar daarvan zul je niet eten.”
וַיַּ֣עַן
(vayaan)
en antwoordde
הַשָּׁלִ֡ישׁ
(hashalish)
de officier
אֲשֶׁר
(asher)
die
לַמֶּלֶךְ֩
(lamelekh)
van de koning
נִשְׁעָ֨ן
(nishan)
leunde
עַל
(al)
op
יָד֜וֹ
(yado)
zijn hand
אֶת
(et)
(obj.)
אִ֣ישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִים֮
(haElohim)
Elohim
וַיֹּאמַר֒
(vayomar)
en zei
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עֹשֶׂ֤ה
(ose)
maakt
אֲרֻבּוֹת֙
(arubot)
luiken
בַּשָּׁמַ֔יִם
(bashamayim)
in de hemel
הֲיִהְיֶ֖ה
(hayihye)
zou het gebeuren
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנְּכָ֤ה
(hinekha)
zie
רֹאֶה֙
(roe)
je zult zien
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
met je ogen
וּמִשָּׁ֖ם
(umisham)
maar daarvan
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאכֵֽל
(tokhel)
zul je eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשָּׁלִישׁ (shalish), ‘officier’: het woord is verwant met het getal drie (‘derde’).

Het was een hoge officier; de betekenis van de titel is niet zeker.

אֲרֻבּוֹת (arubbot), ‘luiken’: hetzelfde woord als in Gen. 7:11 en 8:2: openingen waardoor het water uit de hemel kwam. De officier zegt: zelfs zo’n overvloed zou dit niet geven.

Het tweede ‘Hij zei’ is de man van Elohim.

De mannen met huidziekte bij het kamp

3Vier mannen met huidziekte waren bij de ingang van de poort. Zij zeiden tegen elkaar: „Waarom blijven wij hier zitten tot wij dood zijn?
וְאַרְבָּעָ֧ה
(vearbaa)
en vier
אֲנָשִׁ֛ים
(anashim)
mannen
הָי֥וּ
(hayu)
waren
מְצֹרָעִ֖ים
(metsoraim)
met huidziekte
פֶּ֣תַח
(petach)
bij de ingang van
הַשָּׁ֑עַר
(hashaar)
de poort
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zij zeiden
אִ֣ישׁ
(ish)
de een
אֶל
(el)
tot
רֵעֵ֔הוּ
(reehu)
de ander
מָ֗ה
(ma)
waarom
אֲנַ֛חְנוּ
(anachnu)
wij
יֹשְׁבִ֥ים
(yoshevim)
zitten
פֹּ֖ה
(po)
hier
עַד
(ad)
totdat
מָֽתְנוּ
(matenu)
wij sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְצֹרָעִים (metsora’im), ‘mensen met huidziekte’: zie Lev. 13.

Wie zo’n ziekte had, moest buiten het kamp wonen (Lev. 13:46).

Daarom zijn zij bij de poort.

4Als wij zeggen: ‘Laten wij de stad in gaan’, dan is de honger in de stad en sterven wij daar. Blijven wij hier zitten, dan sterven wij ook. Kom nu, laten wij overlopen naar het kamp van Aram. Laten zij ons in leven, dan leven wij. Doden zij ons, dan sterven wij.”
אִם
(im)
als
אָמַרְנוּ֩
(amarnu)
wij zeggen
נָב֨וֹא
(navo)
laten wij gaan in
הָעִ֜יר
(hair)
de stad
וְהָרָעָ֤ב
(veharaav)
en de honger
בָּעִיר֙
(bair)
in de stad
וָמַ֣תְנוּ
(vamatnu)
dan sterven wij
שָׁ֔ם
(sham)
daar
וְאִם
(veim)
en als
יָשַׁ֥בְנוּ
(yashavnu)
wij blijven zitten
פֹ֖ה
(po)
hier
וָמָ֑תְנוּ
(vamatenu)
dan sterven wij
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
לְכוּ֙
(lekhu)
kom
וְנִפְּלָה֙
(venipela)
laten wij overlopen
אֶל
(el)
naar
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
אִם
(im)
als
יְחַיֻּ֣נוּ
(yechayunu)
zij ons in leven laten
נִֽחְיֶ֔ה
(nichye)
leven wij
וְאִם
(veim)
en als
יְמִיתֻ֖נוּ
(yemitunu)
zij ons doden
וָמָֽתְנוּ
(vamatenu)
dan sterven wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Bij de schemering stonden zij op om naar het kamp van Aram te gaan. Zij kwamen aan de rand van het kamp van Aram, en zie, er was daar niemand.
וַיָּק֣וּמוּ
(vayaqumu)
en zij stonden op
בַנֶּ֔שֶׁף
(baneshef)
in de schemering
לָב֖וֹא
(lavo)
om te gaan
אֶל
(el)
naar
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַיָּבֹ֗אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
עַד
(ad)
tot
קְצֵה֙
(qetse)
de rand van
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
אֵֽין
(ein)
er was niet
שָׁ֖ם
(sham)
daar
אִֽישׁ
(ish)
iemand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַנֶּשֶׁף (neshef), ‘schemering’: de tijd tussen dag en nacht.

Hier is het waarschijnlijk de avond, want in vers 9 zeggen zij dat wachten tot het licht van de morgen schuld brengt.

6Mijn Heer had het kamp van Aram het geluid van wagens laten horen, het geluid van paarden, het geluid van een groot leger. Zij zeiden tegen elkaar: „Zie, de koning van Israël heeft tegen ons ingehuurd: de koningen van de Hethieten en de koningen van Egypte. Zij moeten over ons komen.”
וַאדֹנָ֞י
(vadonay)
en mijn Heer
הִשְׁמִ֣יעַ
(hishmia)
liet horen
אֶת
(et)
(obj.)
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
אֲרָ֗ם
(aram)
Aram
ק֥וֹל
(qol)
het geluid van
רֶ֨כֶב֙
(rekhev)
wagens
ק֣וֹל
(qol)
het geluid van
ס֔וּס
(sus)
paarden
ק֖וֹל
(qol)
het geluid van
חַ֣יִל
(chayil)
een leger
גָּד֑וֹל
(gadol)
groot
וַיֹּאמְר֞וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אִ֣ישׁ
(ish)
de een
אֶל
(el)
tot
אָחִ֗יו
(achiv)
zijn broer
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
שָֽׂכַר
(sakhar)
heeft ingehuurd
עָלֵינוּ֩
(aleinu)
tegen ons
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
מַלְכֵ֧י
(malkhei)
de koningen van
הַחִתִּ֛ים
(hachitim)
de Hethieten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
de koningen van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
לָב֥וֹא
(lavo)
om te komen
עָלֵֽינוּ
(aleinu)
over ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

וַאדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: zo staat het in de Hebreeuwse tekst.

De verteller noemt Yahweh hier met de aanspreektitel, zoals in 1 Kon. 3:10.

De Arameeërs zelf denken aan ingehuurde koningen.

7Zij stonden op en vluchtten in de schemering. Zij lieten hun tenten, hun paarden en hun ezels achter, het kamp zoals het was, en vluchtten voor hun leven.
וַיָּקוּמוּ֮
(vayaqumu)
en zij stonden op
וַיָּנ֣וּסוּ
(vayanusu)
en vluchtten
בַנֶּשֶׁף֒
(baneshef)
in de schemering
וַיַּעַזְב֣וּ
(vayaazvu)
en lieten achter
אֶת
(et)
(obj.)
אָהֳלֵיהֶ֗ם
(aholeihem)
hun tenten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
סֽוּסֵיהֶם֙
(suseihem)
hun paarden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֲמֹ֣רֵיהֶ֔ם
(chamoreihem)
hun ezels
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
het kamp
כַּאֲשֶׁר
(kaasher)
zoals
הִ֑יא
(hi)
het was
וַיָּנֻ֖סוּ
(vayanusu)
en zij vluchtten
אֶל
(el)
voor
נַפְשָֽׁם
(nafsham)
hun leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Die mannen met huidziekte kwamen aan de rand van het kamp. Zij gingen een tent in, aten en dronken, en namen daar zilver, goud en kleren mee. Zij gingen weg en verborgen het. Zij kwamen terug en gingen een andere tent in. Zij namen daar ook mee, gingen weg en verborgen het.
וַיָּבֹאוּ֩
(vayavou)
en kwamen
הַֽמְצֹרָעִ֨ים
(hamtsoraim)
de mannen met huidziekte
הָאֵ֜לֶּה
(haele)
die
עַד
(ad)
tot
קְצֵ֣ה
(qetse)
de rand van
הַֽמַּחֲנֶ֗ה
(hamachane)
het kamp
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en zij gingen
אֶל
(el)
in
אֹ֤הֶל
(ohel)
een tent
אֶחָד֙
(echad)
één
וַיֹּאכְל֣וּ
(vayokhlu)
en zij aten
וַיִּשְׁתּ֔וּ
(vayishtu)
en dronken
וַיִּשְׂא֣וּ
(vayisu)
en namen
מִשָּׁ֗ם
(misham)
vandaar
כֶּ֤סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָב֙
(vezahav)
en goud
וּבְגָדִ֔ים
(uvegadim)
en kleren
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en gingen weg
וַיַּטְמִ֑נוּ
(vayatminu)
en verborgen het
וַיָּשֻׁ֗בוּ
(vayashuvu)
en kwamen terug
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en gingen
אֶל
(el)
in
אֹ֣הֶל
(ohel)
een tent
אַחֵ֔ר
(acher)
andere
וַיִּשְׂא֣וּ
(vayisu)
en namen
מִשָּׁ֔ם
(misham)
vandaar
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en gingen weg
וַיַּטְמִֽנוּ
(vayatminu)
en verborgen het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zij zeiden tegen elkaar: „Wat wij doen is niet goed. Deze dag is een dag van goed nieuws, en wij zwijgen. Wachten wij tot het licht van de morgen, dan komt er schuld op ons. Kom nu, laten wij gaan en het vertellen aan het huis van de koning.”
וַיֹּאמְרוּ֩
(vayomru)
en zij zeiden
אִ֨ישׁ
(ish)
de een
אֶל
(el)
tot
רֵעֵ֜הוּ
(reehu)
de ander
לֹֽא
(lo)
niet
כֵ֣ן
(ken)
goed
אֲנַ֣חְנוּ
(anachnu)
wij
עֹשִׂ֗ים
(osim)
doen
הַיּ֤וֹם
(hayom)
dag
הַזֶּה֙
(haze)
deze
יוֹם
(yom)
een dag van
בְּשֹׂרָ֣ה
(besora)
goed nieuws
ה֔וּא
(hu)
is
וַאֲנַ֣חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
מַחְשִׁ֗ים
(machshim)
zwijgen
וְחִכִּ֛ינוּ
(vechikinu)
en wachten wij
עַד
(ad)
tot
א֥וֹר
(or)
het licht van
הַבֹּ֖קֶר
(haboqer)
de morgen
וּמְצָאָ֣נוּ
(umetsaanu)
dan treft ons
עָו֑וֹן
(avon)
schuld
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
לְכ֣וּ
(lekhu)
kom
וְנָבֹ֔אָה
(venavoa)
laten wij gaan
וְנַגִּ֖ידָה
(venagida)
en vertellen
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּשֹׂרָה (besorah), ‘goed nieuws’: een bericht dat blij maakt.

עָווֹן (avon), ‘schuld’: ook de straf die op schuld volgt.

10Zij kwamen en riepen naar de poort van de stad. Zij vertelden hun: „Wij zijn naar het kamp van Aram gegaan, en zie, er was niemand, geen stem van een mens. Alleen de paarden waren vastgebonden en de ezels waren vastgebonden, en de tenten stonden zoals ze waren.”
וַיָּבֹ֗אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
וַֽיִּקְרְאוּ֮
(vayiqreu)
en riepen
אֶל
(el)
naar
שֹׁעֵ֣ר
(shoer)
de poort van
הָעִיר֒
(hair)
de stad
וַיַּגִּ֤ידוּ
(vayagidu)
en zij vertelden
לָהֶם֙
(lahem)
hun
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בָּ֚אנוּ
(banu)
wij zijn gekomen
אֶל
(el)
naar
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
אֵֽין
(ein)
er was niet
שָׁ֛ם
(sham)
daar
אִ֖ישׁ
(ish)
iemand
וְק֣וֹל
(veqol)
en geen stem van
אָדָ֑ם
(adam)
een mens
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
הַסּ֤וּס
(hasus)
de paarden
אָסוּר֙
(asur)
vastgebonden
וְהַחֲמ֣וֹר
(vehachamor)
en de ezels
אָס֔וּר
(asur)
vastgebonden
וְאֹהָלִ֖ים
(veohalim)
en tenten
כַּאֲשֶׁר
(kaasher)
zoals
הֵֽמָּה
(hema)
zij waren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11De poortwachters riepen het uit en vertelden het binnen in het huis van de koning.
וַיִּקְרָ֖א
(vayiqra)
en riepen
הַשֹּֽׁעֲרִ֑ים
(hashoarim)
de poortwachters
וַיַּגִּ֕ידוּ
(vayagidu)
en vertelden
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
פְּנִֽימָה
(penima)
naar binnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De koning wantrouwt het bericht

12De koning stond in de nacht op en zei tegen zijn dienaren: „Laat mij jullie toch vertellen wat Aram ons heeft aangedaan. Zij weten dat wij honger hebben. En zij zijn uit het kamp gegaan om zich in het veld te verbergen. Zij zeggen: ‘Als zij uit de stad komen, grijpen wij hen levend, en dan gaan wij de stad in.’”
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en stond op
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לַ֗יְלָה
(layla)
in de nacht
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
אַגִּֽידָה
(agida)
laat mij vertellen
נָּ֣א
(na)
toch
לָכֶ֔ם
(lakhem)
jullie
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָ֥שׂוּ
(asu)
hebben gedaan
לָ֖נוּ
(lanu)
aan ons
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
יָדְע֞וּ
(yadeu)
zij weten
כִּי
(ki)
dat
רְעֵבִ֣ים
(reevim)
hongerig
אֲנַ֗חְנוּ
(anachnu)
wij zijn
וַיֵּצְא֤וּ
(vayetseu)
en zij zijn uitgegaan
מִן
(min)
uit
הַֽמַּחֲנֶה֙
(hamachane)
het kamp
לְהֵחָבֵ֤ה
(lehechave)
om zich te verbergen
בַשָּׂדֶה֙
(basade)
in het veld
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
כִּֽי
(ki)
wanneer
יֵצְא֤וּ
(yetseu)
zij uitgaan
מִן
(min)
uit
הָעִיר֙
(hair)
de stad
וְנִתְפְּשֵׂ֣ם
(venitpesem)
dan grijpen wij hen
חַיִּ֔ים
(chayim)
levend
וְאֶל
(veel)
en in
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
נָבֹֽא
(navo)
gaan wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft בהשדה (bahassadeh).

De voorgelezen tekst (qere) heeft בַשָּׂדֶה (bassadeh), ‘in het veld’.

Wij volgen de qere.

13Een van zijn dienaren antwoordde: „Laat men toch vijf van de paarden nemen die zijn overgebleven, die in de stad zijn overgebleven. Zie, zij zijn als heel de menigte van Israël die erin is overgebleven. Zie, zij zijn als heel de menigte van Israël die omgekomen is. Laten wij hen sturen en zien.”
וַיַּעַן֩
(vayaan)
en antwoordde
אֶחָ֨ד
(echad)
een
מֵעֲבָדָ֜יו
(meavadav)
van zijn dienaren
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
וְיִקְחוּ
(veyiqchu)
laat men nemen
נָ֞א
(na)
toch
חֲמִשָּׁ֣ה
(chamisha)
vijf
מִן
(min)
van
הַסּוּסִים֮
(hasusim)
de paarden
הַֽנִּשְׁאָרִים֮
(hanisharim)
die overblijven
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נִשְׁאֲרוּ
(nisharu)
zijn overgebleven
בָהּ֒
(bah)
daarin
הִנָּ֗ם
(hinam)
zie zij
כְּכָל
(kekhal)
zijn als heel
הֲמ֤וֹן
(hamon)
de menigte van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נִשְׁאֲרוּ
(nisharu)
zijn overgebleven
בָ֔הּ
(bah)
daarin
הִנָּ֕ם
(hinam)
zie zij
כְּכָל
(kekhal)
zijn als heel
הֲמ֥וֹן
(hamon)
de menigte van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
die
תָּ֑מּוּ
(tamu)
zijn omgekomen
וְנִשְׁלְחָ֖ה
(venishlecha)
laten wij sturen
וְנִרְאֶֽה
(venire)
en zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zin herhaalt ‘zie, zij zijn als heel de menigte van Israël’.

De dienaar bedoelt waarschijnlijk dat deze paarden en hun ruiters toch verloren zijn, net als de rest van de stad.

De zin is moeilijk.

Lezing

Bij ‘menigte’ heeft de geschreven tekst (ketiv) ההמון (hahamon).

De voorgelezen tekst (qere) heeft הֲמוֹן (hamon).

Wij volgen de qere.

14Zij namen twee wagens met paarden. De koning stuurde hen achter het kamp van Aram aan met de woorden: „Ga en kijk.”
וַיִּקְח֕וּ
(vayiqchu)
en zij namen
שְׁנֵ֖י
(shenei)
twee
רֶ֣כֶב
(rekhev)
wagens
סוּסִ֑ים
(susim)
met paarden
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en zond
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אַחֲרֵ֧י
(acharei)
achter
מַחֲנֵֽה
(machane)
het kamp van
אֲרָ֛ם
(aram)
Aram
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
לְכ֥וּ
(lekhu)
gaat
וּרְאֽוּ
(ureu)
en ziet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Zij gingen hen achterna tot aan de Jordaan. Zie, heel de weg lag vol kleren en uitrusting, die de Arameeërs in hun haast hadden weggegooid. De boden keerden terug en vertelden het de koning.
וַיֵּלְכ֣וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
אַחֲרֵיהֶם֮
(achareihem)
hen achterna
עַד
(ad)
tot
הַיַּרְדֵּן֒
(hayarden)
de Jordaan
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
כָל
(kal)
heel
הַדֶּ֗רֶךְ
(haderekh)
de weg
מְלֵאָ֤ה
(melea)
vol
בְגָדִים֙
(begadim)
kleren
וְכֵלִ֔ים
(vekhelim)
en uitrusting
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִשְׁלִ֥יכוּ
(hishlikhu)
wegwierpen
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
בְּחָפְזָ֑ם
(bechafezam)
in hun haast
וַיָּשֻׁ֨בוּ֙
(vayashuvu)
en keerden terug
הַמַּלְאָכִ֔ים
(hamalakhim)
de boden
וַיַּגִּ֖דוּ
(vayagidu)
en vertelden
לַמֶּֽלֶךְ
(lamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Jordaan ligt ten oosten van Samaria, op grote afstand.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft בהחפזם (behachpazam).

De voorgelezen tekst (qere) heeft בְּחָפְזָם (bechofzam), ‘in hun haast’.

Wij volgen de qere.

Het woord van Yahweh komt uit

16Het volk trok erop uit en plunderde het kamp van Aram. Zo kostte een maat meelbloem een sikkel en kostten twee maten gerst een sikkel, volgens het woord van Yahweh.
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en trok uit
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַיָּבֹ֕זּוּ
(vayavozu)
en plunderde
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
het kamp van
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en het was
סְאָה
(sea)
een maat
סֹ֜לֶת
(solet)
meelbloem
בְּשֶׁ֗קֶל
(besheqel)
voor een sikkel
וְסָאתַ֧יִם
(vesatayim)
en twee maten
שְׂעֹרִ֛ים
(seorim)
gerst
בְּשֶׁ֖קֶל
(besheqel)
voor een sikkel
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie vers 1: dit is het woord dat Elisa in de naam van Yahweh sprak.

17De koning had de officier op wiens hand hij leunde, aangesteld over de poort. Het volk vertrapte hem in de poort en hij stierf. Zo had de man van Elohim gesproken, toen de koning naar hem toe kwam.
וְהַמֶּלֶךְ֩
(vehamelekh)
en de koning
הִפְקִ֨יד
(hifqid)
stelde aan
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁלִ֜ישׁ
(hashalish)
de officier
אֲשֶׁר
(asher)
op wie
נִשְׁעָ֤ן
(nishan)
hij leunde
עַל
(al)
op
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
עַל
(al)
over
הַשַּׁ֔עַר
(hashaar)
de poort
וַיִּרְמְסֻ֧הוּ
(vayirmesuhu)
en vertrapte hem
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
בַּשַּׁ֖עַר
(bashaar)
in de poort
וַיָּמֹ֑ת
(vayamot)
en hij stierf
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּר֙
(diber)
sprak
אִ֣ישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
דִּבֶּ֔ר
(diber)
sprak
בְּרֶ֥דֶת
(beredet)
toen kwam
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֵלָֽיו
(elav)
naar hem toe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zo had Elisa gezegd in vers 2: ‘je zult het zien, maar daarvan niet eten’.

De woorden ‘toen de koning naar hem toe kwam’ sluiten aan op 2 Kon. 6:33.

18Het gebeurde zoals de man van Elohim tegen de koning had gezegd: „In de poort van Samaria zullen morgen, rond deze tijd, twee maten gerst een sikkel kosten. Een maat meelbloem zal een sikkel kosten.”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כְּדַבֵּר֙
(kedaber)
zoals het woord van
אִ֣ישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
סָאתַ֨יִם
(satayim)
twee maten
שְׂעֹרִ֜ים
(seorim)
gerst
בְּשֶׁ֗קֶל
(besheqel)
voor een sikkel
וּֽסְאָה
(usea)
en een maat
סֹ֨לֶת֙
(solet)
meelbloem
בְּשֶׁ֔קֶל
(besheqel)
voor een sikkel
יִהְיֶה֙
(yihye)
zal zijn
כָּעֵ֣ת
(kaet)
rond de tijd
מָחָ֔ר
(machar)
morgen
בְּשַׁ֖עַר
(beshaar)
in de poort van
שֹׁמְרֽוֹן
(shomeron)
Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

19De officier had de man van Elohim geantwoord: „Zie, al zou Yahweh luiken in de hemel maken, zou dit dan gebeuren?” Hij had gezegd: „Zie, je zult het met je eigen ogen zien, maar daarvan zul je niet eten.”
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en antwoordde
הַשָּׁלִ֜ישׁ
(hashalish)
de officier
אֶת
(et)
(obj.)
אִ֣ישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִים֮
(haElohim)
Elohim
וַיֹּאמַר֒
(vayomar)
en zei
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עֹשֶׂ֤ה
(ose)
maakt
אֲרֻבּוֹת֙
(arubot)
luiken
בַּשָּׁמַ֔יִם
(bashamayim)
in de hemel
הֲיִהְיֶ֖ה
(hayihye)
zou het gebeuren
כַּדָּבָ֣ר
(kadavar)
zoals het woord
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנְּךָ֤
(hinekha)
zie jij
רֹאֶה֙
(roe)
zult zien
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
met je ogen
וּמִשָּׁ֖ם
(umisham)
maar daarvan
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאכֵֽל
(tokhel)
zul je eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ook2 Kon 7:2
20Zo gebeurde het met hem: het volk vertrapte hem in de poort en hij stierf.
וַיְהִי
(vayhi)
en het was
ל֖וֹ
(lo)
hem
כֵּ֑ן
(ken)
zo
וַיִּרְמְס֨וּ
(vayirmesu)
en vertrapten
אֹת֥וֹ
(oto)
hem
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
בַּשַּׁ֖עַר
(bashaar)
in de poort
וַיָּמֹֽת
(vayamot)
en hij stierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)