Elohim Bijbel

Matteüs 15

12345678910111213141516171819202122232425262728

Rein en onrein, de Kanaänitische vrouw en 4000 mannen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De overlevering van de oudsten

1Toen kwamen Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem naar Yeshua en zeiden:
Τότε
(Tote)
toen
προσέρχονται
(proserchontai)
komen naar
τῷ
(to)
de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ἀπὸ
(apo)
uit
Ἱεροσολύμων
(Hierosolymon)
Jeruzalem
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
καὶ
(kai)
en
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Zie ook Mark. 7:1–23.

2„Waarom overtreden Uw leerlingen de overlevering van de oudsten? Zij wassen hun handen namelijk niet wanneer zij brood eten.”
Διὰ
(Dia)
vanwege
τί
(ti)
wat
οἱ
(hoi)
de
μαθηταί
(mathetai)
leerlingen
σου
(sou)
Uw
παραβαίνουσιν
(parabainousin)
overtreden
τὴν
(ten)
de
παράδοσιν
(paradosin)
overlevering
τῶν
(ton)
van de
πρεσβυτέρων
(presbyteron)
oudsten
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
νίπτονται
(niptontai)
wassen
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
αὐτῶν
(auton)
hun
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἄρτον
(arton)
brood
ἐσθίωσιν
(esthiosin)
zij eten
Bron: SBLGNT
Uitleg

παράδοσις (paradosis), ‘overlevering’: wat van de ene generatie aan de volgende is doorgegeven.

Het wassen van de handen gaat hier om rituele reinheid, niet om hygiëne.

ἄρτον ἐσθίωσιν (arton esthiosin), ‘brood eten’, betekent: een maaltijd houden.

3Hij antwoordde en zei tegen hen: „Waarom overtreden ook jullie het gebod van Elohim vanwege jullie overlevering?
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Διὰ
(Dia)
vanwege
τί
(ti)
wat
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
παραβαίνετε
(parabainete)
overtreden
τὴν
(ten)
het
ἐντολὴν
(entolen)
gebod
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
διὰ
(dia)
vanwege
τὴν
(ten)
de
παράδοσιν
(paradosin)
overlevering
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
4Want Elohim heeft gezegd: ‘Eer je vader en je moeder.’ En: ‘Wie kwaad spreekt over zijn vader of moeder, moet zeker sterven.’
ὁ
(ho)
de
γὰρ
(gar)
want
θεὸς
(theos)
Elohim
εἶπεν
(eipen)
zei
Τίμα
(Tima)
eer
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
μητέρα
(metera)
moeder
καί
(kai)
en
Ὁ
(Ho)
de
κακολογῶν
(kakologon)
kwaad sprekende
πατέρα
(patera)
vader
ἢ
(e)
of
μητέρα
(metera)
moeder
θανάτῳ
(thanato)
met de dood
τελευτάτω
(teleutato)
moet sterven
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het eerste citaat is Exod. 20:12 (ook Deut. 5:16), het tweede Exod. 21:17 (ook Lev. 20:9). κακολογέω (kakologeo), ‘kwaad spreken over’, geeft het Hebreeuwse מְקַלֵּל (meqallel), ‘wie vervloekt’, weer.

Het Hebreeuws heeft ‘moet zeker gedood worden’; de Griekse tekst heeft θανάτῳ τελευτάτω (thanato teleutato), letterlijk ‘laat hij de dood sterven’.

5Maar jullie zeggen: ‘Wie tegen zijn vader of moeder zegt: „Wat je van mij als hulp had kunnen krijgen, is een offergave,”
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
δὲ
(de)
maar
λέγετε
(legete)
zeggen
Ὃς
(Hos)
wie
ἂν
(an)
ook maar
εἴπῃ
(eipe)
zegt
τῷ
(to)
tegen de
πατρὶ
(patri)
vader
ἢ
(e)
of
τῇ
(te)
tegen de
μητρί
(metri)
moeder
Δῶρον
(Doron)
offergave
ὃ
(ho)
wat
ἐὰν
(ean)
ook maar
ἐξ
(ex)
van
ἐμοῦ
(emou)
mij
ὠφεληθῇς
(ophelethes)
je geholpen wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg

δῶρον (doron), ‘gave’: hier een gave die aan Elohim is gewijd.

Het Hebreeuwse woord is קָרְבָּן (qorban), ‘offergave’ (Lev. 1:2).

Wie zijn bezit zo noemt, zegt dat het aan Elohim toebehoort en dus niet meer voor zijn ouders beschikbaar is.

De zin breekt hier in het Grieks af en loopt door in vers 6.

Zie ook Mark. 7:11.

6die hoeft zijn vader niet te eren.’ En jullie hebben het woord van Elohim krachteloos gemaakt vanwege jullie overlevering.
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist niet
τιμήσει
(timesei)
zal eren
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἠκυρώσατε
(ekyrosate)
maakten krachteloos
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
διὰ
(dia)
vanwege
τὴν
(ten)
de
παράδοσιν
(paradosin)
overlevering
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

οὐ μὴ τιμήσει (ou me timesei) is letterlijk ‘hij zal zijn vader beslist niet eren’.

Wij vertalen ‘die hoeft zijn vader niet te eren’, omdat het om vrijstelling van de plicht gaat. ἀκυρόω (akyroo), ‘krachteloos maken’: het gezag ontnemen.

7Huichelaars! Terecht heeft Jesaja over jullie geprofeteerd, toen hij zei:
ὑποκριταί
(hypokritai)
huichelaars
καλῶς
(kalos)
terecht
ἐπροφήτευσεν
(epropheteusen)
profeteerde
περὶ
(peri)
over
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Ἠσαΐας
(Esaias)
Jesaja
λέγων
(legon)
zeggend
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑποκριτής (hypokrites), ‘huichelaar’: letterlijk iemand die een rol speelt.

8‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij verwijderd.
Ὁ
(Ho)
het
λαὸς
(laos)
volk
οὗτος
(houtos)
dit
τοῖς
(tois)
met de
χείλεσίν
(cheilesin)
lippen
με
(me)
Mij
τιμᾷ
(tima)
eert
ἡ
(he)
het
δὲ
(de)
maar
καρδία
(kardia)
hart
αὐτῶν
(auton)
hun
πόρρω
(porro)
ver
ἀπέχει
(apechei)
houdt zich
ἀπ’
(ap’)
van
ἐμοῦ
(emou)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Jes. 29:13.

Het Hebreeuws heeft ‘en hun ontzag voor Mij is een aangeleerd gebod van mensen geworden’; de Griekse tekst heeft ‘tevergeefs vereren zij Mij, terwijl zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn’.

Lezing

Sommige handschriften beginnen het citaat met ‘Dit volk nadert Mij met zijn mond en’.

Die woorden staan wel in het Hebreeuws van Jes. 29:13; de SBLGNT heeft ze hier niet.

Zie ookJes 29:13
9Tevergeefs vereren zij Mij, terwijl zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn.’”
μάτην
(maten)
tevergeefs
δὲ
(de)
maar
σέβονταί
(sebontai)
vereren
με
(me)
Mij
διδάσκοντες
(didaskontes)
onderwijzend
διδασκαλίας
(didaskalias)
leringen
ἐντάλματα
(entalmata)
geboden
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
Bron: SBLGNT

Wat de mens onrein maakt

10Hij riep de menigte bij Zich en zei tegen hen: „Luister en begrijp.
Καὶ
(Kai)
en
προσκαλεσάμενος
(proskalesamenos)
geroepen hebbend
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἀκούετε
(Akouete)
luister
καὶ
(kai)
en
συνίετε
(syniete)
begrijp
Bron: SBLGNT
11Niet wat de mond ingaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitgaat, dat maakt de mens onrein.”
οὐ
(ou)
niet
τὸ
(to)
het
εἰσερχόμενον
(eiserchomenon)
binnengaande
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
στόμα
(stoma)
mond
κοινοῖ
(koinoi)
maakt onrein
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὸ
(to)
het
ἐκπορευόμενον
(ekporeuomenon)
uitgaande
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
στόματος
(stomatos)
mond
τοῦτο
(touto)
dit
κοινοῖ
(koinoi)
maakt onrein
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
Bron: SBLGNT
Uitleg

κοινόω (koinoo), ‘onrein maken’: letterlijk ‘gewoon, gemeen maken’.

Het gaat om rituele onreinheid.

12Toen kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden: „Weet U dat de Farizeeën struikelden toen zij dit woord hoorden?”
Τότε
(Tote)
toen
προσελθόντες
(proselthontes)
gekomen
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Οἶδας
(Oidas)
weet U
ὅτι
(hoti)
dat
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebbend
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
ἐσκανδαλίσθησαν
(eskandalisthesan)
struikelden
Bron: SBLGNT
Uitleg

σκανδαλίζω (skandalizo), ‘doen struikelen’: in het passieve ‘struikelen’; hier: aanstoot nemen, geschokt of gekwetst zijn.

Wij houden ‘struikelen’ aan, zoals in Matt. 11:6 en 13:21.

13Hij antwoordde en zei: „Elke plant die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal ontworteld worden.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
Πᾶσα
(Pasa)
elke
φυτεία
(phyteia)
plant
ἣν
(hen)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἐφύτευσεν
(ephyteusen)
plantte
ὁ
(ho)
de
πατήρ
(pater)
Vader
μου
(mou)
Mijn
ὁ
(ho)
de
οὐράνιος
(ouranios)
hemelse
ἐκριζωθήσεται
(ekrizothesetai)
zal ontworteld worden
Bron: SBLGNT
14Laat hen begaan. Zij zijn blinde leiders van blinden. Als een blinde een blinde leidt, vallen beiden in een kuil.”
ἄφετε
(aphete)
laat
αὐτούς
(autous)
hen
τυφλοί
(typhloi)
blind
εἰσιν
(eisin)
zijn
ὁδηγοὶ
(hodegoi)
leiders
τυφλῶν
(typhlon)
van blinden
τυφλὸς
(typhlos)
blinde
δὲ
(de)
maar
τυφλὸν
(typhlon)
blinde
ἐὰν
(ean)
als
ὁδηγῇ
(hodege)
leidt
ἀμφότεροι
(amphoteroi)
beiden
εἰς
(eis)
in
βόθυνον
(bothynon)
kuil
πεσοῦνται
(pesountai)
zullen vallen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Luc. 6:39.

Zie ookLuc 6:39
15Petrus antwoordde en zei tegen Hem: „Leg ons deze gelijkenis uit.”
Ἀποκριθεὶς
(Apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Φράσον
(Phrason)
leg uit
ἡμῖν
(hemin)
ons
τὴν
(ten)
de
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
ταύτην
(tauten)
deze
Bron: SBLGNT
Uitleg

παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: hier het korte beeldwoord uit vers 11.

Zie ookMat 15:11
16Hij zei: „Zijn ook jullie nog zonder inzicht?
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἀκμὴν
(Akmen)
nog
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ἀσύνετοί
(asynetoi)
zonder inzicht
ἐστε
(este)
zijn
Bron: SBLGNT
17Begrijpen jullie niet dat alles wat de mond ingaat, in de buik terechtkomt en in de beerput wordt uitgeworpen?
οὐ
(ou)
niet
νοεῖτε
(noeite)
begrijpen jullie
ὅτι
(hoti)
dat
πᾶν
(pan)
alles
τὸ
(to)
wat
εἰσπορευόμενον
(eisporeuomenon)
binnengaat
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
στόμα
(stoma)
mond
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
κοιλίαν
(koilian)
buik
χωρεῖ
(chorei)
terechtkomt
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
in
ἀφεδρῶνα
(aphedrona)
beerput
ἐκβάλλεται
(ekballetai)
wordt uitgeworpen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀφεδρών (aphedron), ‘beerput’: de plaats waar uitwerpselen worden gebracht, het toilet.

18Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart. En dat maakt de mens onrein.
τὰ
(ta)
wat
δὲ
(de)
maar
ἐκπορευόμενα
(ekporeuomena)
uitgaat
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
στόματος
(stomatos)
mond
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
het
καρδίας
(kardias)
hart
ἐξέρχεται
(exerchetai)
komt voort
κἀκεῖνα
(kakeina)
en dat
κοινοῖ
(koinoi)
maakt onrein
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
Bron: SBLGNT
19Want uit het hart komen kwade gedachten, moorden, overspel, ontucht, diefstallen, valse getuigenissen en lasteringen.
ἐκ
(ek)
uit
γὰρ
(gar)
want
τῆς
(tes)
het
καρδίας
(kardias)
hart
ἐξέρχονται
(exerchontai)
komen voort
διαλογισμοὶ
(dialogismoi)
gedachten
πονηροί
(poneroi)
kwade
φόνοι
(phonoi)
moorden
μοιχεῖαι
(moicheiai)
overspel
πορνεῖαι
(porneiai)
ontucht
κλοπαί
(klopai)
diefstallen
ψευδομαρτυρίαι
(pseudomartyriai)
valse getuigenissen
βλασφημίαι
(blasphemiai)
lasteringen
Bron: SBLGNT
Uitleg

πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele omgang buiten het huwelijk. μοιχεία (moicheia) is ‘overspel’.

20Dit is wat de mens onrein maakt. Maar eten met ongewassen handen maakt de mens niet onrein.”
ταῦτά
(tauta)
dit
ἐστιν
(estin)
is
τὰ
(ta)
wat
κοινοῦντα
(koinounta)
onrein maakt
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
τὸ
(to)
het
δὲ
(de)
maar
ἀνίπτοις
(aniptois)
met ongewassen
χερσὶν
(chersin)
handen
φαγεῖν
(phagein)
eten
οὐ
(ou)
niet
κοινοῖ
(koinoi)
maakt onrein
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
Bron: SBLGNT

De Kanaänitische vrouw

21Yeshua verliet die plaats en vertrok naar het gebied van Tyrus en Sidon.
Καὶ
(Kai)
en
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgegaan
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἀνεχώρησεν
(anechoresen)
vertrok
εἰς
(eis)
naar
τὰ
(ta)
de
μέρη
(mere)
streken
Τύρου
(Tyrou)
van Tyrus
καὶ
(kai)
en
Σιδῶνος
(Sidonos)
van Sidon
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Uitleg

Zie ook Mark. 7:24–30.

22En zie: een Kanaänitische vrouw kwam uit dat gebied en riep: „Ontferm U over mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is ernstig door een demon bezeten.”
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
γυνὴ
(gyne)
vrouw
Χαναναία
(Chananaia)
Kanaänitische
ἀπὸ
(apo)
uit
τῶν
(ton)
de
ὁρίων
(horion)
grenzen
ἐκείνων
(ekeinon)
die
ἐξελθοῦσα
(exelthousa)
uitgegaan
ἔκραζεν
(ekrazen)
riep
λέγουσα
(legousa)
zeggend
Ἐλέησόν
(Eleeson)
ontferm U
με
(me)
over mij
κύριε
(kyrie)
Heer
υἱὸς
(huios)
Zoon
Δαυίδ
(Dauid)
van David
ἡ
(he)
de
θυγάτηρ
(thygater)
dochter
μου
(mou)
mijn
κακῶς
(kakos)
ernstig
δαιμονίζεται
(daimonizetai)
is bezeten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Χαναναία (Chananaia), ‘Kanaänitisch’: afkomstig uit het oude land Kanaän.

Zij noemt Yeshua ‘Zoon van David’, een titel van de Messias (zie Matt. 1:1).

δαιμονίζομαι (daimonizomai), ‘door een demon bezeten zijn’.

Zie ookMat 1:1
23Maar Hij antwoordde haar geen woord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: „Stuur haar weg, want zij roept achter ons aan.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
οὐκ
(ouk)
niet
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
αὐτῇ
(aute)
haar
λόγον
(logon)
woord
καὶ
(kai)
en
προσελθόντες
(proselthontes)
gekomen
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἠρώτουν
(erotoun)
vroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἀπόλυσον
(Apolyson)
stuur weg
αὐτήν
(auten)
haar
ὅτι
(hoti)
want
κράζει
(krazei)
roept
ὄπισθεν
(opisthen)
achter
ἡμῶν
(hemon)
ons
Bron: SBLGNT
24Hij antwoordde en zei: „Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἀπεστάλην
(apestalen)
ben gezonden
εἰ
(ei)
tenzij
μὴ
(me)
alleen
εἰς
(eis)
naar
τὰ
(ta)
de
πρόβατα
(probata)
schapen
τὰ
(ta)
de
ἀπολωλότα
(apololota)
verloren
οἴκου
(oikou)
huis van
Ἰσραήλ
(Israel)
Israël
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 10:6.

Over verloren schapen: Jer. 50:6; Ezech. 34:16.

25Maar zij kwam, boog zich voor Hem neer en zei: „Heer, help mij.”
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
ἐλθοῦσα
(elthousa)
gekomen
προσεκύνει
(prosekynei)
boog zich neer
αὐτῷ
(auto)
voor Hem
λέγουσα
(legousa)
zeggend
Κύριε
(Kyrie)
Heer
βοήθει
(boethei)
help
μοι
(moi)
mij
Bron: SBLGNT
26Hij antwoordde en zei: „Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en aan de hondjes te gooien.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
καλὸν
(kalon)
goed
λαβεῖν
(labein)
te nemen
τὸν
(ton)
het
ἄρτον
(arton)
brood
τῶν
(ton)
van de
τέκνων
(teknon)
kinderen
καὶ
(kai)
en
βαλεῖν
(balein)
te werpen
τοῖς
(tois)
aan de
κυναρίοις
(kynariois)
hondjes
Bron: SBLGNT
Uitleg

κυνάριον (kynarion), ‘hondje’: een verkleinwoord van κύων (kyon), ‘hond’.

27Zij zei: „Ja, Heer, want ook de hondjes eten van de kruimels die van de tafel van hun heren vallen.”
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Ναί
(Nai)
ja
κύριε
(kyrie)
Heer
καὶ
(kai)
ook
γὰρ
(gar)
want
τὰ
(ta)
de
κυνάρια
(kynaria)
hondjes
ἐσθίει
(esthiei)
eten
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
ψιχίων
(psichion)
kruimels
τῶν
(ton)
de
πιπτόντων
(piptonton)
vallende
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
de
τραπέζης
(trapezes)
tafel
τῶν
(ton)
van de
κυρίων
(kyrion)
heren
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριοι (kyrioi), ‘heren’: hier de eigenaars van de hondjes.

Dit is hetzelfde woord als ‘Heer’, maar nu met kleine letter.

28Toen antwoordde Yeshua en zei tegen haar: „O vrouw, groot is jouw geloof! Laat het voor jou gebeuren zoals je wilt.” En haar dochter werd vanaf dat uur genezen.
τότε
(tote)
toen
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῇ
(aute)
tegen haar
Ὦ
(O)
o
γύναι
(gynai)
vrouw
μεγάλη
(megale)
groot
σου
(sou)
jouw
ἡ
(he)
het
πίστις
(pistis)
geloof
γενηθήτω
(genetheto)
laat gebeuren
σοι
(soi)
voor jou
ὡς
(hos)
zoals
θέλεις
(theleis)
je wilt
καὶ
(kai)
en
ἰάθη
(iathe)
werd genezen
ἡ
(he)
de
θυγάτηρ
(thygater)
dochter
αὐτῆς
(autes)
haar
ἀπὸ
(apo)
vanaf
τῆς
(tes)
het
ὥρας
(horas)
uur
ἐκείνης
(ekeines)
dat
Bron: SBLGNT

Yeshua geneest veel mensen

29Yeshua ging vandaar verder en kwam bij de zee van Galilea. Hij ging de berg op en zat daar.
Καὶ
(Kai)
en
μεταβὰς
(metabas)
verder gegaan
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἦλθεν
(elthen)
kwam
παρὰ
(para)
langs
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
τῆς
(tes)
van de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
καὶ
(kai)
en
ἀναβὰς
(anabas)
opgegaan
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
ὄρος
(oros)
berg
ἐκάθητο
(ekatheto)
zat
ἐκεῖ
(ekei)
daar
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

Uitleg

Zie ook Mark. 7:31–37.

30Veel menigten kwamen naar Hem toe. Zij hadden stommen, blinden, kreupelen, verminkten en vele anderen bij zich. Zij legden hen neer aan Zijn voeten, en Hij genas hen.
καὶ
(kai)
en
προσῆλθον
(proselthon)
kwamen naar
αὐτῷ
(auto)
Hem
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
πολλοὶ
(polloi)
vele
ἔχοντες
(echontes)
hebbend
μεθ’
(meth’)
bij
ἑαυτῶν
(heauton)
zich
κωφούς
(kophous)
stommen
τυφλούς
(typhlous)
blinden
χωλούς
(cholous)
kreupelen
κυλλούς
(kyllous)
verminkten
καὶ
(kai)
en
ἑτέρους
(heterous)
anderen
πολλούς
(pollous)
vele
καὶ
(kai)
en
ἔρριψαν
(erripsan)
wierpen neer
αὐτοὺς
(autous)
hen
παρὰ
(para)
bij
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἐθεράπευσεν
(etherapeusen)
genas
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

κωφός (kophos), ‘stom’: het woord kan ‘doof’ of ‘stom’ betekenen, of beide.

In vers 31 spreken zij, daarom schrijven wij ‘stommen’, zoals in Matt. 12:22; in Matt. 11:5 gaat het om horen en staat ‘doven’. κυλλός (kyllos), ‘verminkt’: met een misvormd of onbruikbaar lidmaat; de precieze betekenis is niet zeker.

31De menigte verwonderde zich toen zij zagen dat stommen spraken, verminkten gezond waren, kreupelen liepen en blinden zagen. En zij verheerlijkten Elohim van Israël.
ὥστε
(hoste)
zodat
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
θαυμάσαι
(thaumasai)
zich verwonderde
βλέποντας
(blepontas)
ziend
κωφοὺς
(kophous)
doofstommen
λαλοῦντας
(lalountas)
sprekend
κυλλοὺς
(kyllous)
verminkten
ὑγιεῖς
(hygieis)
gezond
καὶ
(kai)
en
χωλοὺς
(cholous)
kreupelen
περιπατοῦντας
(peripatountas)
lopend
καὶ
(kai)
en
τυφλοὺς
(typhlous)
blinden
βλέποντας
(blepontas)
ziend
καὶ
(kai)
en
ἐδόξασαν
(edoxasan)
verheerlijkten
τὸν
(ton)
de
θεὸν
(theon)
Elohim
Ἰσραήλ
(Israel)
van Israël
Bron: SBLGNT

Yeshua geeft 4000 mannen te eten

32Yeshua riep Zijn leerlingen bij Zich en zei: „Ik heb medelijden met de menigte. Want zij blijven al 3 dagen bij Mij en hebben niets te eten. Ik wil hen niet hongerig wegsturen, anders bezwijken zij onderweg.”
Ὁ
(Ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
προσκαλεσάμενος
(proskalesamenos)
geroepen hebbend
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἶπεν
(eipen)
zei
Σπλαγχνίζομαι
(Splanchnizomai)
ik heb medelijden
ἐπὶ
(epi)
met
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
ὅτι
(hoti)
omdat
ἤδη
(ede)
al
ἡμέραι
(hemerai)
dagen
τρεῖς
(treis)
3
προσμένουσίν
(prosmenousin)
zij blijven
μοι
(moi)
bij Mij
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχουσιν
(echousin)
hebben
τί
(ti)
wat
φάγωσιν
(phagosin)
zij zouden eten
καὶ
(kai)
en
ἀπολῦσαι
(apolysai)
weg te sturen
αὐτοὺς
(autous)
hen
νήστεις
(nesteis)
hongerig
οὐ
(ou)
niet
θέλω
(thelo)
wil Ik
μήποτε
(mepote)
anders
ἐκλυθῶσιν
(eklythosin)
zij bezwijken
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
Bron: SBLGNT
Uitleg

σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden hebben’: zie 14:14.

Zie ook Mark. 8:1–10.

33De leerlingen zeiden tegen Hem: „Waar kunnen wij in een verlaten streek zoveel broden vandaan halen om zo’n grote menigte te verzadigen?”
καὶ
(kai)
en
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταί
(mathetai)
leerlingen
Πόθεν
(Pothen)
waar vandaan
ἡμῖν
(hemin)
voor ons
ἐν
(en)
in
ἐρημίᾳ
(eremia)
verlaten streek
ἄρτοι
(artoi)
broden
τοσοῦτοι
(tosoutoi)
zoveel
ὥστε
(hoste)
zodat
χορτάσαι
(chortasai)
te verzadigen
ὄχλον
(ochlon)
menigte
τοσοῦτον
(tosouton)
zo grote
Bron: SBLGNT
34Yeshua zei tegen hen: „Hoeveel broden hebben jullie?” Zij zeiden: „Zeven, en een paar visjes.”
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Πόσους
(Posous)
hoeveel
ἄρτους
(artous)
broden
ἔχετε
(echete)
hebben jullie
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Ἑπτά
(Hepta)
zeven
καὶ
(kai)
en
ὀλίγα
(oliga)
een paar
ἰχθύδια
(ichthydia)
visjes
Bron: SBLGNT
35Hij gaf de menigte opdracht op de grond te gaan zitten.
καὶ
(kai)
en
παραγγείλας
(parangeilas)
bevelend
τῷ
(to)
aan de
ὄχλῳ
(ochlo)
menigte
ἀναπεσεῖν
(anapesein)
te gaan zitten
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
grond
Bron: SBLGNT
36Hij nam de 7 broden en de vissen, dankte, brak ze en gaf ze aan de leerlingen. De leerlingen gaven ze aan de menigten.
ἔλαβεν
(elaben)
nam
τοὺς
(tous)
de
ἑπτὰ
(hepta)
7
ἄρτους
(artous)
broden
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ἰχθύας
(ichthyas)
vissen
καὶ
(kai)
en
εὐχαριστήσας
(eucharistesas)
gedankt hebbend
ἔκλασεν
(eklasen)
brak
καὶ
(kai)
en
ἐδίδου
(edidou)
gaf
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
τοῖς
(tois)
aan de
ὄχλοις
(ochlois)
menigten
Bron: SBLGNT
37Allen aten en werden verzadigd. Zij namen op wat er overbleef van de stukken: 7 grote manden vol.
καὶ
(kai)
en
ἔφαγον
(ephagon)
aten
πάντες
(pantes)
allen
καὶ
(kai)
en
ἐχορτάσθησαν
(echortasthesan)
werden verzadigd
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
περισσεῦον
(perisseuon)
overblijvende
τῶν
(ton)
van de
κλασμάτων
(klasmaton)
stukken
ἦραν
(eran)
namen op
ἑπτὰ
(hepta)
7
σπυρίδας
(spyridas)
grote manden
πλήρεις
(plereis)
vol
Bron: SBLGNT
Uitleg

σπυρίς (spyris), ‘grote mand’: zie 14:20.

38Zij die aten, waren 4000 mannen, zonder vrouwen en kinderen.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἐσθίοντες
(esthiontes)
etenden
ἦσαν
(esan)
waren
τετρακισχίλιοι
(tetrakischilioi)
4000
ἄνδρες
(andres)
mannen
χωρὶς
(choris)
zonder
γυναικῶν
(gynaikon)
vrouwen
καὶ
(kai)
en
παιδίων
(paidion)
kinderen
Bron: SBLGNT
39Nadat Hij de menigten had weggestuurd, stapte Hij in de boot en kwam in het gebied van Magadan.
καὶ
(kai)
en
ἀπολύσας
(apolysas)
weggestuurd hebbend
τοὺς
(tous)
de
ὄχλους
(ochlous)
menigten
ἐνέβη
(enebe)
stapte in
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
πλοῖον
(ploion)
boot
καὶ
(kai)
en
ἦλθεν
(elthen)
kwam
εἰς
(eis)
in
τὰ
(ta)
de
ὅρια
(horia)
gebieden
Μαγαδάν
(Magadan)
Magadan
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Magadan (Magdala?; ligging onzeker): De ligging van Magadan is onzeker.

Meestal wordt gedacht aan Magdala (Migdal), aan de westkant van het meer van Galilea; sommige oude handschriften hebben ‘Magdala’.

Uitleg

Μαγαδάν (Magadan) komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor.

De ligging is onzeker.

Lezing

Sommige oude handschriften hebben ‘Magdala’.